Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11391 tot 11395 van 11897
Nummer
1929, nr. 28, 13 juli 1929
Blad
14
Tekst
P A N O R A M A No, 2-S i 3 j u l i W ij kennen uit onze geschiedenis de verhalen over spoken, over weerwolven, booze geesten en draken met afschuwelijke koppen en viermaal gespleten giftige tongen, over heksen en vampyren en meer fantastische wezens, die als eenig doel hadden, het menschdom zooveel mogelijk kwaad te berokkenen. In bijna alle talen, in de geschiedenis van alle volkeren en alle culturen vindt men meestendeels bij overlevering voortlevende verhalen over goede en kwade geesten, waarin men religieuze elementen vindt en de neiging om zekere gebeurtenissen, welke men niet onmiddellijk kan verklaren (in verband met den stand der volksontwikkeling) voor te stellen als veroorzaakt door wezens, die meer macht bezitten dan de menschen en welke men SPOKEN IN JAPAN De geest van Kasane verschijnt ’s nachts aan Yoemon, haar echtgenoot. SPOKEN IN SPOKEN IN JAPAN. De menscheneetster Hannya over valt een meisje. SPOKEN IN JAPAN. Kohada Koheja verschijnt als een skelet aan zijn moordenaar. niet kent of slechts méént nu en dan gezien te hebben (in donkere nachten, bij storm, enz.) Wanneer men deze materie wat betreft het Oosten en vooral Japan bestudeert, valt het spoedig op, dat de Japannees zich vele góden en geesten vooral voorstelt onder monstrueuze en schrikwekkende gedaanten of uitingen van natuurgeweld. In verschillende streken van Japan, vooral in de Zuidwestelijke provincies, leven deze verhalen over spoken en geesten nog, zooals men ze eeuwen terug reeds aan elkaar vertelde. Aldus verwondert het niet, dat de Japansche 12
PDF
Nummer
1929, nr. 28, 13 juli 1929
Blad
15
Tekst
P A N O R A M A No. 2 8 1 3 J U L l SPOKEN IN JAPAN. Het gelaat van Oiwa, geschilderd op een lampion. meestal een angstaanjagende* gedaante, onder de levenden voortbestaan. Zoo ziet men in de gekleurde houtsnede van Hokusai den geest van den vermoorden Kohada Koheji als een grijpende hand van een skelet het muskietennet opheffen, waaronder zijn moordenaar slaapt; iederen nacht komt de vreeselijke verschijning terug, om den schuldige door de herinnering aan zijn misdaad te kwellen (zie de foto). Een uiting van het geloof in de zielsverhuizing vindt men in het werk van Ichiesai Yoshitsuya. waarin Uto Yasukata en zijn vrouw Nishikige worden voorgesteld als twee vogels, die iederen nacht over hun vroeger huis zweven. Een eigenaardige voorstelling is die van den geest van Oikuku; zij had een kostbare schaal gebroken, waardoor de waarde van een verzameling dezer schalen sterk was verminderd. Het karakter van haar man kennend en zijn woede terecht vreezend, had zij zich aan zijn toorn onttrokken en zich in een bron gestort. Na haar dood kon zij echter geen rust vinden en iederen nacht stijgt zij uit de bron omhoog en klaagt, dat haar echtgenoot de indirecte oorzaak van haar vroegtijdigen dood is geweest: „Indien gij niet zoo hard waart geweest en mij uw toorn steeds deedt vreezen, zou ik nu nog in leven zijn” (zie de foto). Een andere spookverschijning welke dikwijls op de schilderijen en houtsneden voorkomt, is de booze geest Hannya, bekend als de menscheneetster. Hokusai beeldt haar af terwijl zij grijnzend een schreiend kind meevoert. Vaak ook, geloofde men, overviel zij ’s avonds op straat meisjes, meestal, als ’t ware om de stranding in het gezicht van de veilige haven nog pijnlijker te maken, wanneer het slachtoffer bijna het doel van haar reis had bereikt (zie de foto). kunst, vast geankerd in het volksgeloof en gericht door het Boeddhisme, meermalen geïnspireerd werd, door deze mythische geschiedenissen. Ter illustreering van het geloof in geesten of bijgeloof (dat men wellicht het meest nabijkomt in de omschrijving: een overmaat van geloof, die het natuurlijke en bovennatuurlijke verwart, een bovennatuurlijke oorzaak zoekt voor natuurlijke gebeurtenissen) geven wij hier enkele afbeeldingen van Japansche spoken en geesten, en de verhalen die over hen onder het volk leven. Het zijn vooral de fantastische gestalten van Oiwa en Kasane die vele meesters van de houtsnijkunst hebben geïnspireerd; ook Iwa Fuji is dikwijls tot onderwerp gekozen. De tooneelspeler Onoe Matsusuke heeft ze nog meer bekend gemaakt door ze op het tooneel te brengen. Katshushika Hokussai (1760-1849) heeft op een lampion, zooals ze in Japan tijdens het doodenfeest naast de graven worden gehangen, een luguber en afschrikwekkend bedoeld gelaat geschilderd: Oiwa, de door haar echtgenoot tot den dood gekwelde en gemartelde (zie de foto). Bij Utagawa Toyokuni (1769-1825) wordt Kasana voorgesteld als schrikaanjagende geest, die geluidloos sluipend en verschrikkelijk als de Wraak zelve plotseling voor haar echtgenoot verschijnt, die haar vermoord heeft en haar nu ontzet aanstaart (zie de foto). Een even dankbaar onderwerp voor een lugubere voorstelling was Iwa Fuji, die door den schilder als een verterende vlam is uitgebeeld. Evenals elders waar het volk in geesten gelooft, liet men in Japan de geesten van hen, die gewelddadig om het leven waren gekomen, onder een of anderen vorm, SPOKEN IN JAPAN. De geest van Oikuku stijgt uit de bron omhoog (zie artikel). 13
PDF
Nummer
1929, nr. 28, 13 juli 1929
Blad
16
Tekst
PANORAMA No. 2 8 13 JULI IN DEZEN TIJD DOOR J. MELIS In dit artikel over hel belang Wekkende onderwerp, loont de schrijver aan, waarom de chaos, waarover wij steeds hoorden, in China moest komen. H et Oosten. Daaronder worden in het Westen verstaan vrijwel alle heterogene rassen, welke ten Oosten van Europa leven. Zonder zich te bekommeren om cultuur-historische tradities; zonder zich ook maar iets te laten gelegen liggen aan de psychologische stroomingen, welke onder de oppervlakte vaak de draden der groote historische drama’s weven, of, waar het dat „Oosten’* gold, zich ook maar even te verdiepen in een onzer meest belangrijke leermiddelen, namelijk de anthropologie, strekte zich de grove vuist der erkende en alom gerespecteerde wetenschap naar al die in aanleg en wezen zoo ver uiteenloopende volkslagen en wierp hen zonder meer in den smeltkroes der vooraf gekristalliseerde hypothese, waaruit zoodoende tenslotte vanzelf de „Oosterling” met al zijn goede en kwade eigenschappen, mitsgaders talenten enz. geboren werd, zooals wij hem thans kennen. De ontelbare „hypothesen”, welke de laatste kwarteeuw het levenslicht mochten aanschouwen, leveren wederom eens het klare bewijs hoe weinig menschen er zijn, die over een verbeeldingskracht beschikken, welke verder reikt dan de cirkel hunner gedachten; een verbeeldingskracht tenslotte, die niet tracht de waarheid te verschalken door het optellen van een serie fragmenten van kennis, maar die naar de waarheid delft in de diepte. Wat wij „inspiratie” noemen is niets anders dan psychisch verbeeldingsvermogen. Voor het Oosten, waar alom de wereld der symbolen onze logica verstikt en de coulissen onzer wereldbeschouwing zonder meer uiteenvallen, moeten wij over andere waarden beschikken, dan het nuchtere, organiseerende „gezond verstand”. Met Sun Yat Sen stiet Jong-China de deur open, die leidde naar de zoo gewenschte, zegenrijke perspectieven van efficiency en politieke stabiliteit. De beweging echter was aanvankelijk merkwaardiger van psychologisch dan van economisch standpunt. China was tot nu toe niet meer geweest dan een woord, waarop Europa telkenmale opnieuw het begrip van een eenheid gehecht had. Doch waar ooit, dan heeft de geschiedenis in China geleerd, dat nationaliteit en rassenkwesties vaak twee heel aparte dingen zijn. Geografisch en cultureel was China inderdaad een eenheid, uit ethnologisch oogpunt echter was wat een „natie” verondersteld werd, samengesteld uit de meest heterogene elementen, zonder eenig nationaal verband of politiek bewustzijn, geheel en al doortrokken van overleveringen, die tot een soort hiërarchie van den geest waren geworden. Buiten het kader van het gezinsverband — dat in China zeer hecht is — hadden zich die gevoelens nimmer geopenbaard. De Chinees, conservatief uit een oer-gevoel van aristocratisme, verzette zich instinctmatig tegen een wereldorde, waarin de staat zou optreden als orgaan zijner cultuur, als historisch product van den aard en de geschiedenis van zijn volk. Na den eersten genialen zet op het politieke schaakbord — de groote staking en boycot te Hongkong, die voor den Engelschen handel van onberekenbare schade werd — van China’s eersten staatsman met breeden blik en visionair inzicht, Dr. Sun Yat Sen sprong een nieuw jong-China voor het voetlicht dat zich onmiddellijk aan het zoeken naar de elementen voor de samenstelling eener politieke formule zette. Aangezien het nergens steun vond in wat in Europa voor „publieke opinie” geldt en waarnaar onze politici maar al te gaarne het oor te luisteren leggen, zag het zich genoodzaakt zijn blikken te richten over de grenzen van het eigen land en trachtte daar de wijsheid machtig te worden, die tot bodem zou kunnen dienen van het door hem gedachte gezagsbeginsel. In dichte drommen trok ’t komende intellectueele China de grenzen over en overstroomde de universiteiten van Japan, Amerika en Europa. Japan DE WACHTER VAN PEKING - De vestingtoren welke door president Yuan ShihKai gebouwd werd en die 7 middelpunt is geweest van verschillende gevechten en onlusten. H
PDF
Nummer
1929, nr. 28, 13 juli 1929
Blad
17
Tekst
PANORAMA No. 28 13 JULI alleen reeds zag in enkele jaren niet minder dan 20.000 Chineesche studenten binnen de bolwerken zijner wetenschappelijke instellingen vereenigd. En hier verzamelden zij den ballast der exacte wetenschap, die tot nu toe in het kader der almenschelijkheid nog immer een fiasco is gebleken. China kreeg een element in zijn samenleving, dat het allerminst van noode had, een nieuw soort proletariaat namelijk, dat van den geest. In al wat het ondernam, haastte het zich zichzelf testimonia van onvermogen uit te reiken, en maakte Sun Yat Sen’s idealen al spoedig tot een caricatuur. Immers, wat den dichter ontbrak konden de coulissen der universitaire wijsheid bij geen mogelijkheid aanvullen. Het prachtige doel werd bij gebrek aan dieper inzicht tot een kansspel, waarbij hij gelijk had, die de kunst verstond het hardst te schreeuwen. Niets meer of minder dan de geheele wereld stelde dit Jong-China in staat van beschuldiging. Over alles en iedereen spuwde het zijn minachting CHINEESCHE PELGRIMS op weg naar Tashihchiao in Mandsjoerije, waar in den Michentempel de heilige schrijn van drie godinnen wordt bewaard. uit. Er was letterlijk niets, waartegen het niet in het geweer kwam en waarover het niet zijn: „J'accuse” uitsprak. Zijn eigen antieke cultuur zelfs spaarde het niet, en uit de liquidatie van letterlijk elk beginsel door de nieuwe hervormers der natie kon degene, die het nog niet wist, voor eens en voor altijd leeren hoe gevaarlijk inderdaad „a little bit of knowledge” zijn kan. Al wat het intellectueele Jong-China deed was het stellen van 't probleem met het air van het te hebben opgelost. Om iets waarachtigs en positiefs tot stand te brengen, daartoe had het niet de moreele en physieke kracht, die gezonde idealen ons geeft en die de kern zijn der spontaneïteit, de dynamiek. En van hen, die waarschijnlijk met de beste bedoelingen waren heengetogen naar het Westen, vertroebelde de ballast der kennis, opgedaan in de landen der „outlines”, den blik en maar al te gemakmakkelijk werd vergeten, dat elke verandering van het traditioneele een psychisch proces is, dat zich eerst na jaren voltrekt. Het duurde niet lang of China kreeg een prachtgelegenheid om zijn onvermogen voor de geheele wereld op de meest ondubbelzinnige wijze te demonstreeren, n.1. met de Washington-conferentie, toen de mogendheden zijn verzoek om zelf het land te besturen, goedgunstig inwilligden. Japan trok zich uit Shangtung terug. Engeland uit Wei-hai-Wei, Frankrijk uit Kwangchau enz. Allen droegen zij er in meerdere of mindere mate — zij het Japan dan ook slechts noodgedwongen — het hunne toe bij om het land gelegenheid te geven zijn inkomsten te vermeerderen en zelfstandig te worden. In geen enkel opzicht echter wist China deze inderdaad schitterende gelegenheid te benutten. Integendeel. Nauwelijks waren de troepen der verschillende mogendheden verdwenen of van alle zijden zakte uit de bergen het eenige wat goed georganiseerd was, namelijk de rooversbenden af, terwijl de legers der militaire gouverneurs geen haar beter bleken. Het waren juist deze troepen, die als om strijd rooftochten organiseerden. Corruptie was weldra in alle rangen het wachtwoord. Over het geheele land en langs de kusten zwierven de benden rond. Niets en nieumand was meer veilig. Zelfs bleek China niet in staat den interest zijner schulden te betalen, binnennoch buitenlandsche. Overal reikten de bestuurders blanco-cheques uit, zonder zich ook maar één moment af te vragen, vanwaar de fondsen komen moesten. Temidden der immoreele verwildering, die hiervan het gevolg was, meende Moskou zijn kans te kunnen waarnemen, om van hieruit zijn offensief tegen het Oosten te beginnen; doch dit vergiste zich eveneens ten opzichte van China als de Westersche mogendheden zonder ophouden hadden gedaan. Stevig verankerd als het Chineesche cultureel leven lag aan zijn klasse-systeem, dat een erfenis was van eeuwen traditie, sprak het vanzelf, dat de parasiet van het Bolshevisme in een dergelijk organisme geen levens-elementen vinden zou. Wel had Jong-China, te kortzichtig om ook maar de consequenties van zijn eigen gedachten te kunnen volgen, een soort nationalisme in het leven gegroepen, dat coquetteerde met alles, wat tegen den vreemden indringer over het algemeen en Engeland in het bijzonder georiënteerd was, maar dit nationalisme had een te onvruchtbaren bodem en.... was te zeer verspreid — het is wellicht weinig bekend, dat alleen Chineezen, die buiten hun land wonen, tot de nationalisten kunnen gerekend worden — dan dat dit door de wet van het getal tot een macht zou kunnen groeien. Wat JongChina als ,,Nationalisme” aan den buitenlander wilde opdringen was in den grond niets anders dan een door hem in het leven geroepen houding van maatschappelijke mislukkelingen, die de massa allerminst raakte en die de bouwer der nieuwe natie meende eens als instrument te kunnen gebruiken. Maar China was te zeer verdeeld in elkander vijandig gezinde kampen, om loyaal te kunnen of willen zijn tegenover wat Europa als een centraal gezag meende te moeten zien in Peking. De voornaamste dagelijks terugkeerende zorg van den Chinees was zijn lage levensstandaard en het onderhoud zijner familie. Het vaderland, de natie raakte hem niet. Daarbij had de bona-fide Chi nees te veel gezond verstand om niet te voelen, dat zijn z.g. leiders niet hem, maar hun eigen botte denkbeelden liefhadden. Bij gebrek aan argumenten lag overal de vuist op tafel. Het halfwas intellect heerschte, maar regeerde niet. De „little bit of knowledge’ in het Westen opgedaan, zonder dat bij de leiders ook maar iets van een politiek instinct aanwezig was, dat richting wist te „voelen” en dusleiding te geven, of het fundamenteele begrip, dat de economie de wortel is aller dingen, bracht de nijverheid der destructie tot een dusdanigen bloei, dat de gezanten van Frankrijk, Engeland, Japan en Amerika zich genoodzaakt zagen protest aan te teekenen en opnieuw met eischen voor den dag te komen, namelijk dat een gedeelte van de door de toegestane zeetolverhooging aangroeiende overschotten uit de Staatsmonopolies als garantie voor de amortisatie en de rente der ongedekte buitenlandsche leeningen zoude worden gebruikt, een feit, dat de Europeesche pers onmiddellijk aanleiding gaf China bankroet te verklaren. Doch welk een armoedig brokje literatuur deze „waarheid” vormde moest wel onmiddellijk ieder ontdekken, die naar den inhoud tastte. Het is nu eenmaal een historische waarheid, dat een maatschappelijke orde nooit anders dan door eigen hand te gronde gaat, en de Chinees der traditie lag wel zoo veilig aan de memento’s zijner geschiedenis verankerd, dat van een bankroet geen sprake zijn kon. 15
PDF
Nummer
1929, nr. 28, 13 juli 1929
Blad
18
Tekst
PANORAMA No. 2 8 1 3 JULI VIER MARKETENSTERTJES; twee van de Jagers en twee van de Grenadiers, brachten herinneringen van oude tijden op de herdenkingsfeesten. EEUWFEEST DE VERTEGENWOORDIGER van H. M. de Koninging, vice-admiraal F. Batiduin. verlaat de receptie, welke ter gelegenheid van het honderd-jarig bestaan der regimenten Jagers en Grenadiers werd gehouden. Qrenadiers INDENREGENmoesten de gasten de versieringen, welke de manschappen zelf aan de barakken van het kamp hadden aangebracht, bewonderen. DE OUDSTE JAGER, de heer De Vries werd bij zijn aankomst in kamp Waalsdorp, waar de jubileerende regimenten gelegerd zijn, verwelkomd door generaal Ph. Weber. TE SCHEVENINGEN werd ter gelegenheid van het eeuwfeest een groot vuurwerk afgestoken. 16
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11391 tot 11395 van 11897