|
PANORAMA No. 28 13 JULI
alleen reeds zag in enkele jaren niet minder
dan 20.000 Chineesche studenten binnen de
bolwerken zijner wetenschappelijke instellingen vereenigd. En hier verzamelden zij
den ballast der exacte wetenschap, die tot nu
toe in het kader der almenschelijkheid nog
immer een fiasco is gebleken. China kreeg
een element in zijn samenleving, dat het
allerminst van noode had, een nieuw soort
proletariaat namelijk, dat van den geest. In
al wat het ondernam, haastte het zich zichzelf testimonia van onvermogen uit te
reiken, en maakte Sun Yat Sen’s idealen
al spoedig tot een caricatuur. Immers, wat
den dichter ontbrak konden de coulissen
der universitaire wijsheid bij geen mogelijkheid aanvullen. Het prachtige doel werd bij
gebrek aan dieper inzicht tot een kansspel,
waarbij hij gelijk had, die de kunst verstond het hardst te schreeuwen. Niets meer
of minder dan de geheele wereld stelde dit
Jong-China in staat van beschuldiging. Over
alles en iedereen spuwde het zijn minachting
CHINEESCHE PELGRIMS op weg naar
Tashihchiao in Mandsjoerije, waar in den Michentempel de heilige schrijn van drie godinnen
wordt bewaard.
uit. Er was letterlijk niets, waartegen het
niet in het geweer kwam en waarover het
niet zijn: „J'accuse” uitsprak. Zijn eigen
antieke cultuur zelfs spaarde het niet, en
uit de liquidatie van letterlijk elk beginsel
door de nieuwe hervormers der natie kon
degene, die het nog niet wist, voor eens
en voor altijd leeren hoe gevaarlijk inderdaad „a little bit of knowledge” zijn kan.
Al wat het intellectueele Jong-China deed
was het stellen van 't probleem met het air
van het te hebben opgelost. Om iets waarachtigs en positiefs tot stand te brengen,
daartoe had het niet de moreele en physieke
kracht, die gezonde idealen ons geeft en
die de kern zijn der spontaneïteit, de dynamiek. En van hen, die waarschijnlijk met
de beste bedoelingen waren heengetogen
naar het Westen, vertroebelde de ballast
der kennis, opgedaan in de landen der
„outlines”, den blik en maar al te gemakmakkelijk werd vergeten, dat elke verandering van het traditioneele een psychisch
proces is, dat zich eerst na jaren voltrekt.
Het duurde niet lang of China kreeg
een prachtgelegenheid om zijn onvermogen
voor de geheele wereld op de meest ondubbelzinnige wijze te demonstreeren, n.1.
met de Washington-conferentie, toen de
mogendheden zijn verzoek om zelf het
land te besturen, goedgunstig inwilligden.
Japan trok zich uit Shangtung terug. Engeland uit Wei-hai-Wei, Frankrijk uit Kwangchau enz. Allen droegen zij er in meerdere
of mindere mate — zij het Japan dan ook
slechts noodgedwongen — het hunne toe
bij om het land gelegenheid te geven zijn
inkomsten te vermeerderen en zelfstandig
te worden. In geen enkel opzicht echter
wist China deze inderdaad schitterende
gelegenheid te benutten. Integendeel. Nauwelijks waren de troepen der verschillende
mogendheden verdwenen of van alle zijden
zakte uit de bergen het eenige wat goed
georganiseerd was, namelijk de rooversbenden af, terwijl de legers der militaire
gouverneurs geen haar beter bleken. Het
waren juist deze troepen, die als om strijd
rooftochten organiseerden. Corruptie was
weldra in alle rangen het wachtwoord.
Over het geheele land en langs de kusten
zwierven de benden rond. Niets en nieumand was meer veilig.
Zelfs bleek China niet in staat den interest zijner schulden te betalen, binnennoch buitenlandsche. Overal reikten de bestuurders blanco-cheques uit, zonder zich
ook maar één moment af te vragen, vanwaar de fondsen komen moesten. Temidden der immoreele verwildering, die hiervan het gevolg was, meende Moskou zijn
kans te kunnen waarnemen, om van hieruit zijn offensief tegen het Oosten te beginnen; doch dit vergiste zich eveneens
ten opzichte van China als de Westersche
mogendheden zonder ophouden hadden gedaan. Stevig verankerd als het Chineesche
cultureel leven lag aan zijn klasse-systeem,
dat een erfenis was van eeuwen traditie,
sprak het vanzelf, dat de parasiet van het
Bolshevisme in een dergelijk organisme
geen levens-elementen vinden zou. Wel
had Jong-China, te kortzichtig om ook
maar de consequenties van zijn eigen gedachten te kunnen volgen, een soort nationalisme in het leven gegroepen, dat coquetteerde met alles, wat tegen den vreemden
indringer over het algemeen en Engeland
in het bijzonder georiënteerd was, maar dit
nationalisme had een te onvruchtbaren
bodem en.... was te zeer verspreid — het
is wellicht weinig bekend, dat alleen Chineezen, die buiten hun land wonen, tot de
nationalisten kunnen gerekend worden —
dan dat dit door de wet van het getal tot
een macht zou kunnen groeien. Wat JongChina als ,,Nationalisme” aan den buitenlander wilde opdringen was in den grond
niets anders dan een door hem in het leven
geroepen houding van maatschappelijke mislukkelingen, die de massa
allerminst raakte en die de
bouwer der nieuwe natie meende
eens als instrument te kunnen
gebruiken.
Maar China was te zeer verdeeld in elkander vijandig gezinde kampen, om loyaal te
kunnen of willen zijn tegenover
wat Europa als een centraal
gezag meende te moeten zien
in Peking. De voornaamste
dagelijks terugkeerende zorg
van den Chinees was zijn lage
levensstandaard en het onderhoud zijner familie. Het vaderland, de natie raakte hem niet.
Daarbij had de bona-fide Chi
nees te veel gezond verstand
om niet te voelen, dat zijn z.g.
leiders niet hem, maar hun
eigen botte denkbeelden liefhadden. Bij gebrek aan argumenten lag overal de vuist op
tafel. Het halfwas intellect
heerschte, maar regeerde niet.
De „little bit of knowledge’
in het Westen opgedaan, zonder dat bij de leiders ook maar
iets van een politiek instinct aanwezig was, dat richting wist te
„voelen” en dusleiding te geven, of het
fundamenteele begrip, dat de economie
de wortel is aller dingen, bracht de nijverheid
der destructie tot een dusdanigen bloei, dat de
gezanten van Frankrijk, Engeland, Japan en
Amerika zich genoodzaakt zagen protest
aan te teekenen en opnieuw met eischen
voor den dag te komen, namelijk dat een
gedeelte van de door de toegestane zeetolverhooging aangroeiende overschotten uit
de Staatsmonopolies als garantie voor de
amortisatie en de rente der ongedekte
buitenlandsche leeningen zoude worden
gebruikt, een feit, dat de Europeesche pers
onmiddellijk aanleiding gaf China bankroet
te verklaren. Doch welk een armoedig
brokje literatuur deze „waarheid” vormde
moest wel onmiddellijk ieder ontdekken,
die naar den inhoud tastte. Het is nu eenmaal een historische waarheid, dat een
maatschappelijke orde nooit anders dan
door eigen hand te gronde gaat, en de
Chinees der traditie lag wel zoo veilig
aan de memento’s zijner geschiedenis verankerd, dat van een bankroet geen sprake
zijn kon.
15
|