|
PANORAMA No. 2 8 13 JULI
of eigenlijk door een verzuim van mij, een
Delftschen schotel door den heer Oltman
aan u verkocht. Die schotel heeft voor
mij een bijzondere waarde, omdat mijn
naam erop voorkomt. Zoudt u mij een
genoegen kunnen doen door dat voorwerp
aan mij terug te verkoopen? Ik ben bijzonder op dien schotel gesteld .,..
De oude dame glimlachte, maar brak
zijn pleidooi af. „Mijnheer Noorderwout,
het spijt mij u te moeten teleurstellen, maar
in dit geval kan ik u dat genoegen niet
doen. Zulk een schotel heb ik al lang gezocht. Ik wist dat ze bestond en door een
fout van mijn gelastigde ontging het ding
mij op de veiling zelf al. Gelukkig kon ik
hem bij Oltman terug koopen. Het is geen
kwestie van geld, want ik had er ook gaarne
het driedubbele voor betaald als het noodig
was geweest. Bovendien, ik kocht den schotel
niet geheel voor mij zelf. Al ben ik een
groot liefhebster van blauw. In het bijzonder van blauw Delftsch ...."
„Tante, kunt u mij voordat ik weg ga,
even dat geld meegeven ? Ik zou.... Oh
pardon ik wist niet, dat u bezoek had."
Noch het antieke ameublement, de rijk
gevulde porseleinkast, noch de oude juffrouw Belgerloo hadden plotseling eenige
interesse meer voor Frans toen hij de lieve
elegante verschijning, blijkbaar de nicht
van juffrouw Belgerloo, in den deurpost zag
staan. — Blauwe mantel, grijs bonten kraag,
snoezig grijs hoedje stijf op het blozend
gezichtje getrokken. Groote blauwe oogen,
die hem heel even en naar hij dacht, heel
geïnteresseerd aankeken. Méér kon hij in
de nauwelijks volle minuut niet opmerken.
Want na nogmaals een excuus gefluisterd
te hebben, verdween de jongedame even
snel als ze gekomen was.
Frans was in de war. Zóó in de war,
dat hij, na eenige vage of eigenlijk dwaze
opmerkingen over antiek-liefhebberij gestameld te hebben, een soort excuus voor
zijn komst aanbood. Afscheid nam onder
een blauwe impressie, maar ganschelijk niet
eene van blauw porselein.
„Mijnheer Noorderwout, geeft u mij nog
even uw adres. Mocht mijn vriendin, voor
wie ik den schotel eigenlijk kocht er anders
over denken, dan kan ik u bericht zenden."
Ze belde en Kaatje, geen andere naam
was mogelijk voor déze maagd, liet hem
uit.
Frans ging nog even naar kantoor.
Peinsde weinig over den ouden schotel,
maar des te meer over de moderne jonge
dame. Als dié geen smaak had, dan wist
hij het niet meer ’ Met zulk een meisje
over mooie dingen te kunnen praten!
Samen ze te bewonderen... Samen er een
huis mee in te richten! — Met reuzenschreden beende zijn fantasie. Op kantoor
had hij geen rust. Stapte gauw naar zijn
vriend Oltman, om zijn blauwtje van dien
schotel te vertellen. Alles was blauw voor
hem. Blauwe mantel, blauwe kraag, blauwe
oogen....
’t Was vier uur toen hij den winkel
binnenstapte. Oltman was achter. Met een
klant waarschijnlijk. Frans hoorde zijn stem.
Op het belgerinkel kwam hij even naar
voren.
„Hallo Frans! Zeg, dat is toevallig; die
dame, die gisteren dien schotel kocht, is
juist achter. Je bent er natuurlijk nog niet
geweest. Wil ik eens vragen of er een
mouw aan te passen is? Of beter nog, kom
mee, dan kun je het zelf vragen."
„Och nee kerel, dat ouwe mensch wil
dat ding niet verkoopen. Ik kom er net
vandaan. Een prachthuis, reuzesmaak! Net
een museum! Dat soort menschen met een
hoop geld en een hoop antiek stapt niet
van zijn doel af. Hard als een spijker. Dat
zie je zoo aan hun gezicht. Dat soort ouwe
dames met leelijke uilebrillen is me altijd
antipathiek geweest!"
„Ouwe menschen, uilebrillen! Kerel je
draaft door. Je bent onwijs, vent! Nou tot
straks, ik kan juffrouw Belgerloo niet zoolang laten wachten. Als je er geweest bent,
kun je wéten of ze het ding verkoopen
wil of niet. Maar om haar daarom leelijk
en oud te noemen, is toch wel héél mal...”
Op dat oogenblik verscheen uit de achterkamer de dame in kwestie.
„Pardon, juffrouw Belgerloo. Pardon, ik
stond even mijn vriend Noorderwout te
woord. Ik zal u meteen de kwitantie
schrijven. Heeft u al keus uit die lepels
gemaakt?"
Juffrouw Belgerloo! Juffrouw Belgerloo!
Frans keek of hij de metamorphose van de
betooverde fee in een harer meest liefelijke
gedaanten voor zijn oogen zag voltrekken.
De sprookjesfee zelf was heelemaal niet
verbaasd en keek onzen vriend naar hij
wéér dacht, wéér bijzonder geinteresseerd
aan.
„Och Oltman, stel me even voor, wil
je ? Ik zou graag nog even over dien
schotel praten.”
De voorstellingsprocedure had een vlot
verloop.
En terwijl Oltman zich naar de achterkamer begaf om een kwitantie te schrijven,
droeg Frans de jonge juffrouw Belgerloo
het schotel-en-naam verhaal nog eens uitvoerig voor.
„Ja mijnheer Noorderwout, tante hecht
reusachtig aan die dingen. Ze verzocht mij
gisteren dien schotel hier a tout prix te
koopen. Ik heb hem zoo juist betaald. U
hoorde straks toevallig thuis dat ik tante
om het geld vroeg....
Neen verkoopen, doet ze hem vast niet,
’t Is natuurlijk sneu voor u. Dat nu juist
uw naam er op voorkomt. Apropos, weet
u misschien ook hoe de naam van de bruid
was ? Ik heb het ding niet zoo goed bekeken."
„Zooiets van Eloof of Keelom."
Oltman schreef zeker wel een kwartier
over de kwitantie en toen hij met dat
paperas terugkwam, was het zoover met de
uitwisseling van wederzijdsche kunst- en
schoonheidsideeen, dat Frans de vraag dorst
wagen of tante Belgerloo hem op nader te
bepalen dag en uur niet eens haar verzameling zou willen laten zien. „Misschien,
zoudt u er dan ook het een en ander van
willen vertellen?"
„Ik zal het tante vragen. Ze is er anders
héél moeielijk in. Maar om de teleurstelling
van dien schotel zal ik een goed woordje
voor u doen.
Dag mijnheer Noorderwout. Dag mijnheer Oltman."
De volgende week kreeg Frans een
briefje van juffrouw Belgerloo Senior om
haar verzameling te komen zien. Vrijdagavond.
En tot groote vreugde van Frans waren
de béide dames Belgerloo dien avond aanwezig. Het was al onbescheiden laat, toen
Frans vroeg nog even dien huwelijksschotel
te mogen zien. Maar wéér liet dat ding
hem in den steek. Sietske Bergerloo verklaarde dat het niet in huis was, omdat er
een nauwkeurig passende hanger voor gemaakt moest worden. Het speet ook tante
Bergerloo, dat Frans den schotel niet zien
kon. — Of hij hem dan een volgenden keer
nog eens mocht komen zien? Als troost
voor de teleurstelling wilden de dames hem
dat niet weigeren.
Frans kwam de volgende week. Het bord
was er nóg niet. Na een paar dagen nog
eens, — Frans kreeg een introductie in
Sietske’s tennisclub. Mocht haar naar een
dancing bij vrienden begeleiden. En hoe
meer hij Sietske zag, hoe minder er over
kunst en oudheden werd gesproken. Wel
over andere dingen. Dingen, die uit voorbije,
tegenwoordige en toekomende tijden zijn.
Waarbij in het einde, vroeg of laat, de
vraag van alle tijden gesteld wordt. Een
vraag waarop het antwoord voor Frans
een belofte van geluk beteekende.
Een paar avonden na de officieele verloving zaten ze met z'n drieën in de groote
kamer van huis Prinsenkade 17. Tante
Belgerloo stond op en nam uit het groote
wortelnoten kabinet den blauwen Delftschen
huwelijksschotel.
„Kijk eens Frans, dien schotel krijgen
jullie cadeau. Voor je aanstaand huwelijk.
Die schotel was heel, heel lang geleden in
onze familie. Daarom wilde ik hem tot
eiken prijs koopen. Lees nu eens goed wat
erop staat."
„Bij het Houwelyck van Frans Antoine
Noorderwout en Joffer Sietske Anna Belgerloo, veertien van Oogstmaand. Anno 1789."
Stom van verbazing zag Frans naar den
naam van zijn aanstaande vrouw. Daar in
dat bord gebrand, in 1789!
„Sietske," zei hij na een oogenblik stilte,
„toen je tante je dat bord liet koopen,
heb jij toen wél op den naam van den
bruidegom gelet?”
Sietske bloosde. Keek Frans schalksch
aan. „Nu eerlijk gezegd, ja. Ik moest toch
weten, met wien mijn voorzate in 1789
lief en leed voor het leven ging deelen.
Eigenlijk ben jij een nonchalante bruut geweest! Een verwaande egoïst om alleen
maar op je eigen naam te letten. Zou je
er nooit benieuwd naar zijn geweest of er
misschien voor jou niet wéér een Sietske
Bergerloo op deze wereld rondhuppelde. ?"
Frans voelde zich niet erg op z n gemak
bij dit verhoor.
„Neen eigenlijk niet. Want al zou ze
bestaan hebben, dan had ze nog wel zoo
onsympathiek of leelijk kunnen zijn, dat
het moderne exemplaar mij niets zou hebben
geïnteresseerd. — En ik had toch moeilijk
mijn aanstaande vrouw op zicht kunnen
nemen ? Zooiets had jij toch ook niet
kunnen doen? Wel Siets?”
Sietske lachte. „Ik, ik had een groot
voordeel. Toen jij bij je eerste bezoek het
kaartje van Frans Noorderwout bij tante
liet binnen brengen, kon ik, vóór dat je
troosteloos werd weggestuurd, toch even
gaan verkennen of de moderne Fr^ps
Noorderwout een goeden indruk op de
moderne Sietske Belgerloo maakte.”
„Dus je wist dat je Tante bezoek had,
vóór dat je binnenstoof ?"
„Ja, natuurlijk wist ik dat! En ik wist
ook, dat het Frans Noorderwout was. Zoo
zie je jongetje, dat je vroegtijdig gekeurd
bent!”
Maar terwijl Tante zich beijverde om
het huwelijksbord weer veilig in ’t kabinet
te bergen, deed Sietske op genoeglijke wijze
boete voor haar zooeven gebiechte vrouwelijke nieuwsgierigheid.
19
|