|
P A N O R A M A No. 2 7 6 J U l.
„Die schönste Au&en
hat meine Frau
J
ij hebt de schoonste.
Bij het eerste ontmoeten, toen ik, na conventioneele woorden
van voorstelling, keek in de helderheid en de rust van je blauwe
oogen, wist ik dat ik mijn geluk gevonden had. Het weten
werd volmaakte zekerheid toen ik ervoer, dat je klare oogen de
spiegels waren van je karakter, je mooie ziel, je heele wezen. Ik
had gevonden en ik was dankbaar.
De schoone bevrediging, die dit weten gaf, werd echter verstoord door vrees. Want geluk te vinden en het niet te bezitten,
is het diepste ongeluk — en dit geluk was immers te groot om
te winnen? Wij kunnen niet bevatten dat het leven zóó rijk, zóó
mooi kan zijn.
Meisje, het leven is zoo mooi. Het geluk is mij getoond, het
is mij gegeven; het is jou getoond, het is jou gegeven. Het zal
voor ons duren, zoolang het leven duurt.
Anderen zeggen, dat je een aardig gezichtje hebt, vriendelijke
oogen. Beseffen zij zelf, hoe grenzeloos banaal hun woorden zijn ?
Jij hebt het liefste gezichtje, de móóiste oogen. Want ik zie er in:
je leven dat mijn leven is, je geluk dat mijn geluk is. Je liefde. Ik
heb gezocht, gebeden, verlangd, niet scherp wetend wat ik ver
langde te vinden. Nu weet ik het. Meer dan ik zocht, heb ik
gevonden; meer dan ik verlangde, is mij gegeven. Ik wist het, toen
ik je oogen zag; oogen zeggen alles, maar zij zeggen het slechts
aan ééne, Zwei Seele, eine Gedanke; twee levens, één geluk; twee
menschen, één doel, één schoone harmonie, één volledig geluk. Het
zijn je oogen die dit zeggen: het geluk is niet voor één, het is
voor tweeën, ons tweeën.
Meisje, jij hebt de mooiste oogen; zij zijn helder en diep,
onschuldig, stralend. Maar mij alleen is het gegeven, dit stralend
licht te zien.
Zou dit het geheim der liefde zijn? De liefde: het wondei
van geluk voor twee, altijd voor twee.
Ik kijk in je oogen; ze zijn de schoonste, want ik zie mijn
geluk er in.
Nu is alles mooi.
Alles is goed, voor altijd. J. HENKTON
23
|