Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11371 tot 11375 van 11897
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
20
Tekst
PA N O R A M A No. 2 7 6 J U L I CORALIE’S KANS DOOR SYBIL BRIGHTON W at denk je er van?” vroeg Coralie met een onschuldig gezicht. Haar gezellin keek haar een oogenblik met afschuw in de oogen aan. „Denken?" mompelde zij ten laatste. „Ik.... ik denk, dat ’t het krankzinnigste plan is, dat ik ooit gehoord heb. Coralie — je kunt het toch niet ernstig meenen!” Miss Ledlaw — ofte wel Coralie — fronste hevig de wenkbrauwen. „Idioot!", zei zij minachtend. „Natuurlijk meen ik het 1 Het is een prachtig plan en als je me niet helpt, spreek ik nooit meer tegen je 1" Over haar theekopje glimlachte zij tegen haar vriendin. En als Coralie glimlachte,werd het hopeloos voor degeenr die er naar keek. In dit geval gaf het slachtoffer zich zonder verder tegenstribbelen over. „Het dient nergens voor,” kreunde zij, „je bent eenvoudig een onmogelijk menschenkind; maar ..." „Dus je doet het!" Coralie sprong op en zonder op theekopje of cake te letten,- sloot zij haar vriendin in de armen. „Ga zitten," beval zij, „en vertel me nu eens rustig en kalm, als je dat tenminste kunt, waar het over gaat. Dan zal ik zien, of het mogelijk is..." „Uitstekend! Jane, je bent een prachtkind! Luister nu! Ik ben nu twee jaar aan het tooneel en ik ben vastgeloopen. Ik heb geen invloed en heel weinig geld en in deze dagen kun je zonder die twee bezittingen niet verder komen. Ik ben in de stad op het tooneel verschenen en heb in de provincie kleine rollen gespeeld, maar ik ben niet van plan, dat mijn geheele jeugd te blijven doen!" „Je bent te eerzuchtig," zei Jane Betterley. „Dat is onzin! Welnu, ik heb er mijn hart op gezet, om bij dien nieuwen man, Fairfield, te komen; hij heeft operettes en al dat soort dingen.” „Dat kun je toch zeker wel gedaan krijgen zonder dergelijke dolzinnige plannen .... " „Neen, dat kan ik rffef! Ik ken niemand, die hem kent en ik kan er maar niet in slagen, hem te spreken te krijgen. Jane, als hij me maar eens zag, ben ik er zeker van, dat hij het met mij probeeren zou.” Ze keek op en glimlachte. Jane kuchte eens. „Hm — ja. Dat geloof ik wel,” gaf zij toe. „Vandaag besloot ik er nog eens een gooi naar te doen, en dus rende ik naar zijn kantoor! Het was weer mis —* behalve, dat zijn manager liet zeggen, dat hij mij een oogenblik ontvangen zou, als ik wachten kon. En toen... " „Welnu?" „Terwijl ik wachtte, ging de telefoon en de manager kwam zijn kantoor uit en sprak tegen iemand. Hij moet vergeten hebben, dat ik er was — omdat het gesprek nog al vertrouwelijk was — en ik kon er niets aan doen, maar moest het hooren. Hij zei: „Neen, de baas is weg; met vacantie gegaan; heeft hij hard noodig ook. Adres ? „The Heath Hotel, Borrowgate”. Daar blijft hij de eerstvolgende tien dagen.” „Daar! Wat denk je daarvan?" Jane zweeg. „Dat Heath Hotel deed de deur dicht!" ging Carolie voort. „Dat is de reden, dat ik regelrecht naar jou toe kwam, met mijn plan geheel en al klaar. Kind, het is de kans, die je maar ééns in je leven krijgt!” „Dat zie ik niet in!" antwoordde Jane. „Dat doe je wel! Jane, ik zal hem volgen ! Ik weet nu zijn schuilplaats, en ik ga in hetzelfde hotel logeeren. En jij gaat mee ! Wanneer we eenmaal daar zijn, zullen wij hem ontmoeten, dat moeten wij wel, en als ik dan geen engagement van hem los kan krijgen, dan geef ik het tooneel eraan!” „Maar ...” „Oh, schei nu toch eens uit met je bezwaren! Als ik er in tien dagen niet in slaag, zijn aandacht op mij te vestigen, dan weet ik meteen, dat ik een hopelooze domkop ben. Kijk eens hier, je kunt jezelf beter Mrs. Betterley noemen — dat staat beter en ik heb een gladden gouden ring, dien je dragen mag, zoolang wij daar zijn. Morgen zie ik je weer! En nu niet terugtrekken, Jane, als je van mij houdt." Met een glimlach en terwijl haar roze japon om haar heen fladderde, was zij verdwenen, een ontstelde en toch wel wat nieuwsgierige Jane achterlatend. Het Heath Hotel in Borrowgate was een heerlijk plekje tusschen de pijnboomen, op een uitgestrekte vlakte, die paars was van de bloeiende hei. „Het is fijn!" fluisterde Coralie, terwijl zij naar het kantoortje gingen. „Waar zou hij zitten?" Zij wierp een onderzoekenden blik op de enkele gasten, die in de hal zaten, terwijl Miss Betterley de kamers vroeg, die telegrafisch besteld waren en zichzelf en haar gezellin plichtmatig inschreef als Mrs. Betterley en Miss Ledlaw. Het diner verliep rustig, toenCoralie plotseling haar vork liet vallen en Jane met ontstelde oogen aanstaarde. „Groote hemel!"hijgde zij. „Ik heb wat vergeten!" Jane zuchtte. „Wij zijn ook wel wat haastig weggegaan, kind. Wat is het?" „Ik weet niet, hoe hij er uit ziet!” fluisterde Coralie. „Ik zou hem niet kennen, al zag ik hem ook! Ik was van plan aan een meisje, dat hem eens ontmoet had te vragen, hem te beschrijven. Oh, wat zal ik doen ?" Jane wist het ook niet. Nederig stelde zij voor, onmiddellijk de vlucht te nemen, maar dat was een tactiek, die Coralie met een onverwachten glimlach verwierp. „Het doet er niet toe," besliste zij. „Ik zal aan het kantoor het nummer van zijn kamer vragen. En bovendien ben ik er zeker van, dat ik voelen zal, dat hij het is — ik zal hem instinctmatig wel herkennen. Oh, Jane, is het niet opwindend ? Ik ben gewoon door het dolle heen!” Een heer, die alleen aan een hoektafeltje zat, keek bij het hooren van haar heldere stem op. Terwijl hij dit deed, sloeg Coralie de oogen op en hun blikken ontmoetten elkaar. Zij glimlachte juist op dat oogenblik. PRINSES ILEANA van Roemenië als Spaansche danseres bij haar bezoek aan Madrid. Nu was hij een nogal toonbare persoonlijkheid, lang, goed verzorgd uiterlijk, met scherpe grijze oogen en een goed geteekenden mond; geen jongen meer, maar toch nog nauwelijks van middelbaren leeftijd. Toen Coralie glimlachte, gingen zijn lippen vaneen en lieten een rij sterke witte tanden zien, Zij bloosde hevig en keerde zich plotseling naar Jane. „Ik zou wel eens willen weten,” begon zei, „ik zou wel eens willen weten — of — Neen! Dat kan niet!" Dien avond hield zij een lange samenspraak met het kamermeisje, nadat zij eerst het boek in het hotelkantoor tot haar onvermengde voldoening had geraadpleegd. Toen het kamermeisje weg was, haastte Coralie zich hevig opgewonden naar Jane s kamer. „Hij is hier, hoor,” hijgde zij. „Ik heb zijn naam in het boek gezien en het kamermeisje zegt, dat hij op deze verdieping een privé-suite heeft, no. 39. Zij wilde mij eerst het nummer niet zeggen, maar ik hield mij van den domme en deed net, of ik het al wist en zoo liet zij het zich toch ontvallen! Jane het gaat prachtig!" Jane, die haar haar borstelde, gaf haar voldoening te kennen en gaapte toen onweerstaanbaar. Dientengevolge zei Coralie haar aarzelend goedennacht en vertrok. Toen zij over de gang terugliep, zag zij een mannengestalte naar zich toekomen. Met een schok herkende Coralie hem als den eenzamen dinergast, die tegen haar geglimlacht had. Binnen een seconde had zij de kamer bereikt waarin hij was verdwenen en keek naar het nummer. Het was 39! Dat had zij eigenlijk ook wel verwacht! 18
PDF
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
21
Tekst
De hal was den volgenden morgen nog leeg, toen zij, in een bekoorlijk golf-costuum gekleed, met haar correspondentie in de hand zich in een rieten stoel installeerde. „Hij” was nergens te zien, maar het was dan ook nog vroeg. Terwijl zij haar brieven doorlas, drong het tot de ster-in-spé door, dat de openslaande deur, die naar den tuin leidde, openging. Zij keek achteloos op. Daar was hij, de man met de grijze oogen, de bewoner van no. 39, Mr. Fred Fairfield. Het was een zeldzame kans. Binnen een halve minuut had zij haar besluit genomen. Snel opstaande, wandelde zij den vreemdeling voorbij, den tuin in, zonder ook maar even haar hoofd om te wenden. Zij liep steeds door met kloppend hart en hoog gekleurde wangen, terwijl haar knieën knikten. Had zij dan toch nog een fout gemaakt ? Had zij iets verkeerds gedaan ? Het scheen wel. Dan .... Achter haar klonken snelle voetstappen en iemand zei: „Pardon!” Zij bleef staan en keerde zich snel om. Hij stond daar, met den hoed in de hand. En in de andere hand hield hij een brief. „Pardon,” herhaalde hij. „LI heeft dit juist in de hal laten vallen.” Coralie keek naar den brief; Coralie keek naar den man; Coralie glimlachte. „Hoe vriendelijk van u,” zei zij. „Ik ben buitengewoon slordig op brieven.” Hij bestudeerde haar aandachtig. Wat een aanbiddelijk meisje. De glimlach, die een eenzaam diner zoo aangenaam onderbroken had, kwam hem weer voor den geest; hij besloot deze gelegenheid niet ongebruikt te laten. „Ik dank u zeer,” ging Coralie voort, die eveneens de gelegenheid wilde benutten. „Het was zeer vriendelijk, Mr. Fairfield.” Hij schrok en kreeg een kleur. „Hoe weet u, hoe ik heet?” stotterde hij. Coralie lachte. „Ik zag den naam in het boek ... en toen zag ik u in no. 39 verdwijnen en begreep, dat u Mr. Fairfield moest zijn.” Zijn gelaat stond zeer ernstig. „Oh, juist,” zei hij, en zweeg weer. Toen gebeurde het, dat Coralie ongemerkt omkeerde en met Mr. Fairfield naast zich naar het hotel terugwandelde. Jane, die nu eerst in de hal kwam, zag hen en was zoo bescheiden te verdwijnen. „Het was heel slim van u, om te raden, dat ik Fred Fairfield ben,” ging de lange man voort. „LI bent eerst gisteren gearriveerd, niet waar, Miss . . . , eh?” „Coralie Ledlaw,” helderde die dame op. „Ik ben gisteravond aangekomen, met een vriendin, Mrs. Betterley. Is het hier aardig ?” Hij knikte. „Dat zal waar zijn! Ik kom hier ieder jaar. Ik vraag mij af . . . .” hij aarzelde even. „Speelt u golf, Miss Ledlaw? Oh, — prachtig, ik vraag mij af, of u met mij eens zoudt willen spelen? Ik ben hier alleen en ik vind het spelen met vreemden zoo onaangenaam. Wilt u? Dat is heerlijk!” „Eens” bleek dien zelfden morgen te zijn, die nog door vele andere morgens en middagen gevolgd werd. Jane klaagde over verveling en met recht, want Coralie en Mr. Fairfield brachten samen uren door .... golfspelend, wandelend, pratend. Bij het middagmaal voegden zij zich bij elkaar en Jane was genoodzaakt te erkennen, dat de directeur, dien zij zoo schaamteloos achterna gejaagd hadden, werkelijk betooverend was. Bovendien zei „ .... was een zwaan uit Eden afgedreven,'' (Alp. JLaudy „De Paradijsvloek”.) zij bij zichzelf, dat hij Coralie nog meer betooverend scheen te vinden. En Coralie zelf? Toen er meer dagen voorbij gingen en zij haar kans meer en meer zag naderen, begon zij ’n hekel te krijgen aan zichzelf, om den truc, dien zij tegenover den op niets verdachten Mr. Fairfield had bedacht. Hij was zoo aardig, zoo heel veel aardiger dan zij gedacht had. Het scheen een schande, om . . . Toen bedacht zij echter met ergernis, dat het de eenige manier was, en dat, daar zij geen kans zag, op een andere manier kennis met hem te maken, zij volkomen het recht had, om gebruik te maken van de gelegenheid. Alleen . . . alleen, wel, zij wilde toch maar, dat ’t op ’n andere manier gebeurd was. Op ’n gloeiend heeten middag wandelden zij al pratend door den tuin van ’t hotel. Coralie vermeed in de conversatie steeds zorgvuldig over theaters te spreken; zij had haar eigen relatie met ’t tooneel nog niet bekend. Dat zou later komen. „Kom in het prieel,” zei Mr. Fairfield plotseling. „Het is daar koeler dan buiten. Zoo, dat is beter. Ik.... ik heb u iets te zeggen.” „Hij zal het ontdekt hebben!” dacht Coralie, verschrikt bij deze plotselinge wending. „Te zeggen?” herhaalde zij. „Ja.” Zijn stem trilde. „Ik.... oh, het geeft niets, of ik er al omheendraai. Wil je met me trouwen?’ Nu werkelijk verschrikt, staarde zij hem aan. „Ik wist niet... dacht niet... I Oh!” Plotseling verborg zij haar gezicht in de handen; tranen vielen tusschen haar vingers door. Fred Fairfield trok de betraande handen in de zijne. „Schrei nu maar niet,” zei hij. „Het spijt mij, dat ik je verschrikt heb. Ik dacht, dat je het wist... Coralie, waarom ben je zoo verdrietig ?” Toen vertelde zij hem onder veel tranen alles, haar stoutmoedige plan, om vrienden met hem te worden, haar ambitie, haar droomen voor de toekomst en zelfs den truc van den achtergelaten brief. „Ik... ik liet dien opzettelijk vallen,” snikte zij, „en hoopte maar, dat jij dien zoudt oprapen. En dat deed je ook!” Zwijgend luisterde hij naar dit pathetische verhaal. Toen haalde hij diep adem en richtte zich op. „Ik ben blij, dat je het mij verteld hebt,” zei hij, „En mag ik nu een bekentenis doen ?” „Bekentenis?” vroeg zij verwonderd. „Ja. Ik ben even bedrieglijk opgetreden als jij — zelfs nog meer. Ik ben Fred Fairfield niet!” PANORAMA No. 2 7 6 JULI „Niet.... Fred.... Fairfield ?” Zij kon nauwelijks spreken. „Niet ?... dan is hij dus niet hier?” „Oh, ja. Hij is hier en woont in suite no. 39. Maar hij zit den geheelen dag op zijn balkon en ziet nooit iemand, behalve een paar zeer goede vrienden — waartoe ik ook behoor. Dat is de reden, dat je mij dien avond no. 39 zag binnengaan.” Hij zweeg even en keek haar glimlachend aan. „Wij zijn een mooi paar, er op uit, om elkaar beet te nemen,” zei hij. „Zie je, toen je mij Fairfield noemde, begreep ik, dat je hem wilde leeren kennen, dat doen de meeste menschen, weet je. En ik was er buitengewoon op gesteld om jou te leeren kennen en dus.. „Zoo!” Haar handen waren stijf samengevouwen en zij durfde hem niet aanzien. Plotseling werden haar koude vingers door een sterke hand gegrepen en vastgehouden. „Coralie,” begon een stem, die aarzelde tusschen vroolijkheid en verdriet. „Coralie! Kijk mij aan! Zeg, dat je mij vergeeft!” Zij trachtte te spreken, maar het lukte haar niet. En het volgend oogenblik lag zij in zijn armen en lachte. „Coralie,” riep de man, die niet Fred Fairfield was. „Maar wie ben je dan eigenlijk?” vroeg Coralie eenigen tijd later. „Men noemt mij Johnson Turnley,” antwoordde hij. „En daar ik een intieme vriend van Fairfield ben, kan ik je altijd nog wel een goede rol bij zijn volgende stuk verschaffen... tenzij je een andere rol wilt accepteeren...” „Bedoel je... als je vrouw? Ja graag! fluisterde Coralie zedig. 19
PDF
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
22
Tekst
P A N O R A M A N o. 2 7 6 J U L I DE ZORG voor de bloementuintjes bij de barakken is aan de soldaten zelf toevertrouwd. HET GEWEER moet het voorwerp van voortdurende zorg van den soldaat zijn. In de chambrée wordt het, onder een schallend liedje, gereinigd en gepoetst. EEN DER VOORNAAMSTE afdeelingen van het kamp. gepoetst. diers L en p\e regimenten Jagers en Grenadiers te ’s Gravenhage, het keurkorps van ons leger, vieren hun honderdjarig bestaan. Van het jubileerende korps, dat thans gelegerd is in het kamp Waalsdorp, maakten wij bij deze gelegenheid eenige foto’s uit het dagelijksch leven der manschappen. DE DAGEUjKSCHE EXCERCITIE. Aanslagoefeningen. „Aan — zèt — af.” * - 20
PDF
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
23
Tekst
P A N O R A M A N o. 6 J l’ L 1 DOOR P. G. WODEHOUSE 21
PDF
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
24
Tekst
F A N O R A M A No. 2 7 6 JULI VERLATENHEID. Rechten erven P.G. Wodehouse 22
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11371 tot 11375 van 11897