|
De hal was den volgenden morgen nog
leeg, toen zij, in een bekoorlijk golf-costuum
gekleed, met haar correspondentie in de
hand zich in een rieten stoel installeerde.
„Hij” was nergens te zien, maar het was
dan ook nog vroeg.
Terwijl zij haar brieven doorlas, drong
het tot de ster-in-spé door, dat de openslaande deur, die naar den tuin leidde,
openging. Zij keek achteloos op.
Daar was hij, de man met de grijze
oogen, de bewoner van no. 39, Mr. Fred
Fairfield.
Het was een zeldzame kans. Binnen een
halve minuut had zij haar besluit genomen.
Snel opstaande, wandelde zij den vreemdeling voorbij, den tuin in, zonder ook
maar even haar hoofd om te wenden.
Zij liep steeds door met kloppend hart
en hoog gekleurde wangen, terwijl haar
knieën knikten. Had zij dan toch nog een
fout gemaakt ? Had zij iets verkeerds gedaan ?
Het scheen wel. Dan ....
Achter haar klonken snelle voetstappen
en iemand zei: „Pardon!”
Zij bleef staan en keerde zich snel om.
Hij stond daar, met den hoed in de hand.
En in de andere hand hield hij een brief.
„Pardon,” herhaalde hij. „LI heeft dit
juist in de hal laten vallen.”
Coralie keek naar den brief; Coralie keek
naar den man; Coralie glimlachte.
„Hoe vriendelijk van u,” zei zij. „Ik
ben buitengewoon slordig op brieven.”
Hij bestudeerde haar aandachtig. Wat
een aanbiddelijk meisje. De glimlach, die
een eenzaam diner zoo aangenaam onderbroken had, kwam hem weer voor den
geest; hij besloot deze gelegenheid niet
ongebruikt te laten.
„Ik dank u zeer,” ging Coralie voort,
die eveneens de gelegenheid wilde benutten.
„Het was zeer vriendelijk, Mr. Fairfield.”
Hij schrok en kreeg een kleur.
„Hoe weet u, hoe ik heet?” stotterde hij.
Coralie lachte. „Ik zag den naam in het
boek ... en toen zag ik u in no. 39 verdwijnen en begreep, dat u Mr. Fairfield
moest zijn.”
Zijn gelaat stond zeer ernstig. „Oh,
juist,” zei hij, en zweeg weer.
Toen gebeurde het, dat Coralie ongemerkt
omkeerde en met Mr. Fairfield naast zich
naar het hotel terugwandelde. Jane, die nu
eerst in de hal kwam, zag hen en was
zoo bescheiden te verdwijnen.
„Het was heel slim van u, om te raden,
dat ik Fred Fairfield ben,” ging de lange
man voort. „LI bent eerst gisteren gearriveerd,
niet waar, Miss . . . , eh?”
„Coralie Ledlaw,” helderde die dame op.
„Ik ben gisteravond aangekomen, met een
vriendin, Mrs. Betterley. Is het hier aardig ?”
Hij knikte. „Dat zal waar zijn! Ik kom
hier ieder jaar. Ik vraag mij af . . . .” hij
aarzelde even. „Speelt u golf, Miss Ledlaw?
Oh, — prachtig, ik vraag mij af, of u met
mij eens zoudt willen spelen? Ik ben hier
alleen en ik vind het spelen met vreemden
zoo onaangenaam. Wilt u? Dat is heerlijk!”
„Eens” bleek dien zelfden morgen te zijn,
die nog door vele andere morgens en
middagen gevolgd werd.
Jane klaagde over verveling en met recht,
want Coralie en Mr. Fairfield brachten
samen uren door .... golfspelend, wandelend, pratend. Bij het middagmaal voegden
zij zich bij elkaar en Jane was genoodzaakt
te erkennen, dat de directeur, dien zij zoo
schaamteloos achterna gejaagd hadden,
werkelijk betooverend was. Bovendien zei
„ .... was een zwaan uit Eden
afgedreven,''
(Alp. JLaudy „De Paradijsvloek”.)
zij bij zichzelf, dat hij
Coralie nog meer betooverend scheen te vinden.
En Coralie zelf? Toen
er meer dagen voorbij
gingen en zij haar kans
meer en meer zag naderen, begon zij ’n hekel
te krijgen aan zichzelf,
om den truc, dien zij
tegenover den op niets
verdachten Mr. Fairfield
had bedacht. Hij was
zoo aardig, zoo heel veel
aardiger dan zij gedacht
had. Het scheen een
schande, om . . . Toen bedacht zij echter met ergernis, dat het de eenige
manier was, en dat, daar
zij geen kans zag, op een
andere manier kennis met
hem te maken, zij volkomen het recht had, om
gebruik te maken van de
gelegenheid. Alleen . . .
alleen, wel, zij wilde toch
maar, dat ’t op ’n andere
manier gebeurd was.
Op ’n gloeiend heeten
middag wandelden zij al
pratend door den tuin
van ’t hotel. Coralie vermeed in de conversatie
steeds zorgvuldig over
theaters te spreken; zij had
haar eigen relatie met ’t tooneel
nog niet bekend. Dat zou later komen.
„Kom in het prieel,” zei Mr. Fairfield
plotseling. „Het is daar koeler dan buiten.
Zoo, dat is beter. Ik.... ik heb u iets te
zeggen.”
„Hij zal het ontdekt hebben!” dacht
Coralie, verschrikt bij deze plotselinge
wending.
„Te zeggen?” herhaalde zij.
„Ja.” Zijn stem trilde. „Ik.... oh, het
geeft niets, of ik er al omheendraai. Wil
je met me trouwen?’
Nu werkelijk verschrikt, staarde zij hem
aan. „Ik wist niet... dacht niet... I Oh!”
Plotseling verborg zij haar gezicht in de
handen; tranen vielen tusschen haar vingers
door.
Fred Fairfield trok de betraande handen
in de zijne.
„Schrei nu maar niet,” zei hij. „Het spijt
mij, dat ik je verschrikt heb. Ik dacht, dat
je het wist... Coralie, waarom ben je zoo
verdrietig ?”
Toen vertelde zij hem onder veel tranen
alles, haar stoutmoedige plan, om vrienden
met hem te worden, haar ambitie, haar
droomen voor de toekomst en zelfs den truc
van den achtergelaten brief.
„Ik... ik liet dien opzettelijk vallen,”
snikte zij, „en hoopte maar, dat jij dien
zoudt oprapen. En dat deed je ook!”
Zwijgend luisterde hij naar dit pathetische
verhaal. Toen haalde hij diep adem en
richtte zich op.
„Ik ben blij, dat je het mij verteld hebt,”
zei hij, „En mag ik nu een bekentenis doen ?”
„Bekentenis?” vroeg zij verwonderd.
„Ja. Ik ben even bedrieglijk opgetreden
als jij — zelfs nog meer. Ik ben Fred
Fairfield niet!”
PANORAMA No. 2 7 6 JULI
„Niet.... Fred.... Fairfield ?” Zij kon
nauwelijks spreken. „Niet ?... dan is hij dus
niet hier?”
„Oh, ja. Hij is hier en woont in suite
no. 39. Maar hij zit den geheelen dag op
zijn balkon en ziet nooit iemand, behalve
een paar zeer goede vrienden — waartoe
ik ook behoor. Dat is de reden, dat je mij
dien avond no. 39 zag binnengaan.”
Hij zweeg even en keek haar glimlachend
aan.
„Wij zijn een mooi paar, er op uit, om
elkaar beet te nemen,” zei hij. „Zie je,
toen je mij Fairfield noemde, begreep ik,
dat je hem wilde leeren kennen, dat doen
de meeste menschen, weet je. En ik was
er buitengewoon op gesteld om jou te
leeren kennen en dus..
„Zoo!” Haar handen waren stijf samengevouwen en zij durfde hem niet aanzien.
Plotseling werden haar koude vingers door
een sterke hand gegrepen en vastgehouden.
„Coralie,” begon een stem, die aarzelde
tusschen vroolijkheid en verdriet. „Coralie!
Kijk mij aan! Zeg, dat je mij vergeeft!”
Zij trachtte te spreken, maar het lukte
haar niet. En het volgend oogenblik lag zij
in zijn armen en lachte.
„Coralie,” riep de man, die niet Fred
Fairfield was.
„Maar wie ben je dan eigenlijk?” vroeg
Coralie eenigen tijd later.
„Men noemt mij Johnson Turnley,” antwoordde hij. „En daar ik een intieme vriend
van Fairfield ben, kan ik je altijd nog
wel een goede rol bij zijn volgende stuk
verschaffen... tenzij je een andere rol wilt
accepteeren...”
„Bedoel je... als je vrouw? Ja graag!
fluisterde Coralie zedig.
19
|