|
wolkenpak te doorboren met haar gouden
lansen. Vondel gaat aan het raam staan,
ziet verrukt naar de schaduw van het vliegtuig op de grond. De dichter strekt z’n
handen naar het licht en deklameert uit
z’n Leeuwendalers:
Zijt wellekom herboren stralen
die schemering en duisternis
het hoofd beschaamd doet onderhalen.
Vertoont ons al mat zichtbaar is,
Paleizen, naalden, lanen, stroomen,
en,... wekt.... het....
Nog juist weet ik z’n arm te vatten, en
terwijl ik hem den beroemden luchtziektezak toestop, vraag ik:
„Hoe hijgt ge dus ontsteld? Bedaar wat
[en bekoel
Nu koom en zet u hier wat neder in
[die stoel"
En met Arend uit Gijsbrecht antwoordt hij:
„Wat mij op ’s herten grond leit,
dat welt me,,., naar,.,, de..,."
De ongesteldheid is spoedig vergeten.
„Nu schep ik lucht,
De zon schijnt uit de kim in velden en
[landouwen"
hoor ik hem zeggen.
„Wat is er?" vraagt hij even later, terwijl hij vuur slaat op ’n versch gestopte pijp.
„We hebben 'n paar honderd liter benzine bij ons!" roep ik verschrikt uit.
De piloot werpt ontzet het deurtje naar
de cabine open. Doorheen de benzinestank
is de fijne geur van varinas tot hem gekomen.
„Die pijp weg!" schreeuwt hij.
Doch Vondel citeert z’n Palamedes:
„Wat onrust drijft uw geest: wat houdt
uw zinnen wakker?
„Die pijp weg,".... brult Te Roller. „We
vliegen direkt allemaal in de lucht."
„Gij gaat dan heen naar vader Abraham "
antwoordt de dichter van Jefta.
Doch den nuchteren piloot schijnt deze
verheffende gedachte slechs matig te inspireeren. We schieten met een vaartje naar
beneden en boeten het beloofde uitstapje
naar de Zaanstreek in door het hardnekkig
verzet van den aarts-opposant die nu pathetisch uitroept:
„O kracht, die niet en zijt te ontvlien
geweld, dat tusschen uwe knien
beklemt de stalen stuurdersspil
daar 7 al op draait na uwe wil!"
Hij stapt naar de piloot, die hem nijdig
toebast: „Ik verzoek u die pijp weg te doen."
„Verzoek me niets, opdat u niets geweigerd word'F citeert Vondel zichzelf.
„Val Qm," wenscht Te Roller beminnelijk.
„Ik ben tevreden, dat gij dit een ander
wenscht" zegt de dichter.
Maar de piloot antwoordt niet en daalt;
een rookende passagier is te gevaarlijk in
de lucht.
Na de landing komt de heer Thomson
hem lachend begroeten, maar van weerskanten treedt er een verkoeling in. De hut
hangt vol rook.
Zwijgen lijkt de eenige oplossing. Als
Vondel z’n vliegbewijs heeft opgestoken en
z’n naam gezet in het gouden boek, komt
er weer ’n rimpel langs z’n neus.
„Gaat het goed, meneer Thomson?"
„O, ja. Zie eens aan. In 1920 niet één
pleziervlieger en verleden jaar 17200."
„Nooit last er mee?"
AMSTERDAM VANUIT EEN FOKKER. Hoeveel boomen er zijn in het centrum der wereldstad;
op den voorgrond de Amstel met de Blauwbrug.
(Luchtfoto K.L.M.)
P A N O R A M A No. 2 7 6 J U L 1
„Tot voor kort niet," antwoordt de ander
gewiekst. „Toch ’n prachtuitvinding, hè?
„Zeker. Ik zou de heele wereld willen
afvliegen. Over zeeën en Alpen, ziedende
stroomen en blinkende gletschers wil ik varen,
om de koorts in m’n polsen te bevredigen."
„O, dat zou best gaan. We vliegen naar
Londen, Bazel, Praag, Stockholm en misschien duurt het niet zoo lang meer of we
gaan naar Indië. Maar.... dan zou u de
pijp thuis moeten laten, meneer Vondel.”
„Nee, dan ga ik maar weer terug," antwoordde de eeuwige ruziezoeker.
Even later trok de motor onder in de
boot ons langs riet en grasoevers. Vondel
leefde op. Die vaarten waren hem vertrouwd.
„Hebt u genoten?" vroeg ik, toen we
aan de andere zijde van het sleutelgat in
de Nieuwe Kerk zijn hoed weer terugvonden.
„’t Was ’n weelde," zegt Vondel. „Stel
je voor, dat ik in ’n dag heen en weer naar
Denemarken had gekund. Of.... na acht
dagen bij die ongelukkige Joost in Indië....
AMSTERDAM VANUIT EEN FOKKER.
Het Koninklijk Paleis en de Nieuwe Kerk: op
den achtergrond de Beurs. (Luchtfoto K.L.M.)
Maar toch.... niet rooken.... nee,.... dat
laat ’n zeventiend-eeuwer zich niet gezeggen.
In m/n jeugd had ik al last van de overheid ; nu laat ik me niet meer koejeneeren!
Maar toch, wat ’n uitvinding. Opgenomen
worden van de aarde en van de aarde
blijven. Weg van de menschen met hun
groepjes, hun kliekjes, om den afstand tusschen volkeren te verkleinen....
„O," zei ik, „iederen keer bestijg ik met
genoegen de kist."
„Zorg dat je dat ook kunt zeggen, voor
den allerlaatsten keer, jongen." Hij gaf me
'n hand, haalde alles binnen boord, gaf me
’n knipoogje en sprak
,,Eeuwig gaat voor oogenblik F
Buiten rumoerde de stad.
Hoog er boven dreef tusschen twee wolken
’n Fokker, en beneden liep er een, die
den vlieger daarboven benijdde...
13
|