Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11361 tot 11365 van 11897
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
10
Tekst
PANORAMA No. 2 7 6 J ü L I AVONDRUST AAN DE SCHELDE. IN DE DUINEN REIZEN rAat men Zeeland en voornamelijk Walcheren de laatste jaren als doel van vacantie-reis kiest, verwondert niemand, die deze provincie kent. Landgenooten en buitenlandsche toeristen roemen de schoonheid van zee, vruchtbaar land en bosschen. de typische badplaatsen als Domburg en Zoutelande, de bekoring van oude architectuur in de steden (Middelburg, Veere), van kleederdrachten en natuurschoon. BOSSCHEN BI] DOMBURG. MIDDELBURG. Het Stadhuis (16e eeuw). VEERE. De Groote Kerk (14e eeuw), 8
PDF
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
11
Tekst
PANORAMA No. 2 7 6 JULI DE STORINGZOEKER, waarmede vanwege het Hoofdbestuur der P. T. T. een onderzoek wordt ingesfeld naar de Radio-storingen, welke te Den Haag in de omgeving van den Rijswijkscheweg in hevige mate optraden. TE ROTTERDAM liep op het station D. P. een ledige goederenwagen tegen het posthuisje op’t perron, dat ernstig beschadigd werd. 9
PDF
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
12
Tekst
P A N O R A M A No. 2 7 6 JULI Indrukken en Herinneringen door J, de Meester - xii H et behoort, meen ik tot de uitzonderingen, ’n Nederlandschen naam nietinNederlandsche woordenboeken en wel bij Larousse vermeld te zien. GraafAlfredNieuwerkerke is een grand-seigneur en tevens een beeldhouwer geweest, te Parijs geboren, van Nederlandschen bloede. In de kerk te Saint-Gratien vindt men een standbeeld, door hem gemaakt voor „le Père la Pensee”, den aldus door zijn soldaten genoemden maarschalk van Lodewijk XIV, Catinat, die als soldaat begonnen was en, in ongenade gevallen, zich op het kasteel te SaintGratien terugtrok, waar hij in druk gekomen „Mémoires” heeft geschreven. Dezelfde kerk heeft nu ook een grafmonument voor Prinses Mathilde Bonaparte, de oomzegster van Napoleon I (dochter van Jéróme) en eenigen tijd beschouwd als de aanstaande echtgenoote van Napoleon III. Zij was een belangwekkende vrouw, die op haar landgoed te Saint-Gratien kunstenaars en schrijvers noodde. Graaf Nieuwerkerke was een vriend uit haar jeugd. Aan Montmorency is de naam van Rousseau verbonden, o.a. door zijn verblijf op de nog bestaande, maar gansch verbouwde en nu aan een straat staande „Ermitage”. Montmorency ligt hoog boven Enghien en Saint-Gratien. Tallooze litteraire en andere herinneringen zijn hier als voor het oprapen (in het stadhuis is een Rousseau-museum) en wie aan het station een auto neemt, zooals er des zomers bij eiken trein staan, kan in korten tijd heel wat oude en nieuwe landelijke schoonheid zien. Door bosschen gaat het op en af. Dikwijls ziet men er schilders zitten. Voor wandelaars is zeer bezwaarlijk, dat van het bosch ’t meeste is afgesloten, en niet met bordjes voor de leus, als bij ons in Gelderland, „veur de streupers” zooals het daar heet; maar met een uit muren en rasterwerk blijkenden ernst, welke dan ook nog met voetangels dreigt. Om vrij te wandelen, moet men verder, maar dan is er ook keus te over. De Oise is, als sommige menschen, een bescheiden weldoenster. Het oude dorp Auvers-sur-Oise ligt op een helling boven dat liefelijke stroompje; helaas ligt er een nieuw dorp in het dal; nochtans heeft men boven bij de XlIIe-eeuwsche kerk een uitstekend uitzicht. Vele schilders werkten er — ook Vincent van Gogh, die er is gestorven. Hij is er maar ruim twee maanden geweest, maar de geneesheer, Dr. Gachet, die met de groote Fransche modernen was bevriend geweest, o.a. met Cézanne, zag al spoedig „een reus” in hem en schreef na zijn dood aan Theo van Gogh: „Voor hem is het woord liefde voor de kunst onjuist, men moet zeggen geloof, „croyance jusqu' au martyre.” Hij ligt er nu met dien broeder, die hem zes maanden overleefd heeft, op het kleine kerkhof tusschen de korenakkers. Iets noordelijker ligt het stadje L’Isle-Adam, ook aan de Oise; de rivier vormt er twee eilandjes. Men kan er zwemmen en velerlei sport doen en ’t eikenbosch dat op de heuvels erboven begint, is ongeveer 1700 H.A. groot. De Nederlander, die voor het eerst in deze buurt en dus per D-trein naar Parijs ■komt, doet het best per sneltrein, — er rijden er vele — terug te keeren tot Chantilly. ’t Is het weelderigste oord van den omtrek. De dwaas, die mijn liefde voor paarden deelt, haalt te Chantilly zijn hart op en niet alleen op wedrendagen. integendeel, juist op de zomerochtenden dat er geen courses zijn en hij de weelde van het paardenbezit te Enghien bij het uitrijden krijgt te aanschouwen. De vierde zoon van Louis Philippe, de eerste duc d'Aumale, die de erfgenaam van de Condé’s was, heeft het werk van den in 1830 gestorven HANS KINDLER (Zie Indrukken) laatsten Condé voortgezet en op de plaats, waar het oude kasteel had gestaan, ’n nieuw laten zetten, dat hij in 1886, met behoud van vruchtgebruik tot zijn dood (1897), aan het Institut de France heeft geschonken. Door veelvuldige schatten, waarbij een ongelooflijk aantal in dubbelen zin kostbare portretten, door een boekerij en wat niet al, is dit kasteel een kostbaar museum. Met een park er om heen, ligt het dicht bij de stad aan den ingang van een bosch, dat door de talrijkheid en de regelmatigheid van zijn wegen, lanen en paden (layons) het meest „comfortable” woud van de wereld is; om te wandelen wel wat eentonig, maar van een deftige genoeglijkheid om door te fietsen of door te tuffen (de paardrijders hebben hun eigen wegen!). Het bosch van Chantilly is het eerste van een reeks bosschen, zich eenigermate in waaiervorm naar het noorden, zoowel westelijk als oostelijk uitstrekkend. De Oise regeert met haar zijriviertjes, waarvan de Nonette een van de aardigste is. Aan dit riviertje ligt als een kostelijk staal van welbewaarden ouderdom het stadje Senlis, waar men u een weiland toont met aan twee kanten onderaardsche gangen, uit welke eens menschen en wilde dieren zijn te voorschijn gekomen om elkander te bevechten! Want dit is een Romeinsche arena geweest. De eerste Fransche koningen, van Clovis I (481) tot Hendrik IV hebben te Senlis hun residentie gehad. Dit stadje van nu circa 7000 inwoners heeft zóóveel kerken gekregen, dat men alleen de beste gebruikt en er bijvoorbeeld vlak bij de groote hoofdkerk, aan de Heilige Maagd gewijd, een Sint Pieterskerk staat, met twee torens in verschillende stijlen en met dertiende-eeuwsche gewelven. Een gedeelte ligt vrijwel in puin, maar wat nog staat, doet dienst als markt! De uitstalling van groote stukken vleesch als in een slagerswinkel, van kazen en ronde botergevaarten, van groenten, tomaten, en kersen en appels, waarbij dan nog kramen met kleurige boersche kleedijen, alles vóór en in die indrukwekkende oude gewelven, is zonderling maar schilderachtig. Ook de schouwburg is een vroegere kerk en een andere, 12de eeuwsche, was te koop. De stad is bijna geheel door een wal met zeer ouden, aan den buitenkant diepen muur omringd. Aan dien lommerrijken wal grenzen lommerrijke tuinen met oude, ruime huizen, die aan smalle straten staan, nog romantischer, vaak, door veel stijgen of dalen. Aan het belangrijkste brok van den wal ligt de ruïne van het kasteel der Fransche koningen; er zijn gedeelten van meer dan duizend jaar oud en men wijst u een griezelige duisternis, die het begin is van een onderaardsche gang, welke ver het bosch in voert... Merkwaardiger nog is hetgeen er nog over bleef van een Gallo-Romeinschen ringmuur, die eenmaal de veel kleinere veste Augustomagus omsloot. Al ’t ouds van Senlis ligt aan de wallen of aan smalle hobbelige straatjes, welke aan twee zijden dalen naar wat de hoofdstraat van de stad is en tevens de voortzetting van den straatweg, die uit Parijs door het bosch van Chantilly voert en van Senlis door het bosch van Halatte naar Compiègne. Het kenmerkende van al deze bosschen zijn de talrijke rechte wegen en lanen. Zij geven aan de wandeling stijfheid, doch wel ziet men prachtig hout en van groote verscheidenheid. Het is een sedert eeuwen door de machtigen der Fransche aarde gecultiveerde natuur, wat ook de vele vijvers bewijzen. Voor fietsrijders is de streek ideaal. Door golvend graan van de wouden gescheiden, ligt, dicht omhuifd door het loover der wallen, het torenrijke oude stadje. Achter dien wal, in een grooten tuin, met gazons, waar acacia’s geurden, mocht ik luisteren naar het spel van Hans Kindler. ’t Is de tuin zijner woning vol jong geluk, waar hij de zomermaanden uitrust, na winters vol werk in de Nieuwe Wereld. Hoe kort lijkt het me geleden, dat ik dezen vader van drie kinderen te Rotterdam in het tuintje zijner vele pianolessen gevende moeder, over de sloot en het verre ,,weiland van Hoboken” heen, de koeien hoorde roepen, door in een opgerold muziekschrift hun geloei na te bootsen. De dieren kwamen, het een na het ander.... Nu is hij beroemd in Amerika, de eerste cellist in de U.S.A., die er al eens het beste orkest, dat van Philadelphia, mocht besturen! Nu komen de menschen, wanneer hij roept. 10
PDF
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
13
Tekst
P A N O R A M A N o. 2 7 6 J U L 1 ANTIGONE. - Rond het sterfbed van koningin Euridice. 'flrHTiEarHE ANTIGONE. MeJ. ], v. Oogen als Antigone. D e Groningsche studenten gaven ter gelegenheid van het 63ste lustrum der Hoogeschool het Grieksche treurspel van Sophocles „Antigone”, het drama van het meisje dat tegen het streng verbod van den koning, een harer broeders begroef (gevallen in een tweegevecht) en daarom veroordeeld werd om levend te worden begraven. Wij maakten eenige foto’s van het openluchtspel. 11
PDF
Nummer
1929, nr. 27, 6 juli 1929
Blad
14
Tekst
P A N O R A M A No. 2 7 6 JULI Jflet bonhei in een Jfofcta •N VERDICHT STUKJE WERKELIJKHEID DOOR TEO DE WITTE „Wie nu een vogel worden wil hij trekke pluimen aan, vermijde stad en straatgeschil en kieze ruimer baan." VONDEL. H et is leeg in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Traag valt er wat licht op de monumenten der landsgrooten. Voorzichtig ben ik door het sleutelgat gekropen. Over de plavuizen klinken hol mijn stappen, ’n Wit marmeren vaas, op zwarten steen, waarlangs de guirlande, de onontbeerlijke, aan twee kanten afhangt. Hic jacet Vondelius Phoebo et musis amicus. Mn knokel slaat op den kouden steen. ’n Beweging als van iemand die zich omgooit in z’n slaap. Nog eens probeeren. Weer hetzelfde geluid, maar nu driftiger. Plotseling gaat de sluitsteen omhoog. „Ja!” Kort en vinnig. „Is u meneer Vondel?”—„Wat zou dat?” „Heeft u zin om stiekum 'n vliegtochtje te maken met de K.L.M. ?” De blik in de bliksemende oogen glanst plotseling op tot een blijden glimlach. In een wip gooit de dichter twee beenen buiten boord. De stok, de breedgerande hoed, de cape .... we kunnen gaan. „Waarlangs?” vraagt Vondel. „Natuurlijk door het sleutelgat,” zeg ik, „anders heeft de koster in de gaten, dat u 'n snoepreisje gaat maken.” Gaaf bereiken we den Dam. Alleen de groote hoed bleef achter. Vondel’s witte lokken fladderden op den koelen ochtendwind. „Had ik je fransche mutsje maar,” zegt de dichter lachend. „Hoe gaan we?” „Naar het Leidsche Plein. We zullen de bus nemen. Om half twaalf vertrekt er één.” „O, dan kunnen we rustig ’n wandeling maken.” We buigen achter het paleis om en dwalen langs het Singel. Plotseling blijft de oude man staan. Hij leunt vermoeid tegen ’n jongen boom, voor ’n oud geveltje, ’n Stoep van acht treden voert naar de renaissance-deur. De hooge ramen hebben kleine ruiten. „Hier hebben ze me uitgedragen,” zegt hij eindelijk, als voor zichzelf. „Naar mijn rustplaats.... dat dacht ik tenminste.” Ha, daar wist ik de oorzaak van z’n kregelige begroeting. „Is het er dan niet stil, vader ?” vroeg ik. „Dat weet jij wel beter, jongen. Maar als je graag kopie wilt hebben, zeg dan maar, dat ik een perpetuum mobile ben geworden, vanwege de daverende nulliteiten, die er in dit „jubeljaar” over mij zijn gedebiteerd. Wat blijft Amsterdam mooi, hè. Zie me dat zachte rood van die huizen eens. Je zou hier eeuwig kunnen blijven.” In de autobus, kijkend naar een paartje, schoot plotseling vuur uit zijn oogen. Hij greep naar m’n mouw, maar kwam in z’n vaart in den molligen bovenarm van ’n rasechte Amsterdamsche terecht en riep: „Maar zie dit vroolijk paar elkandre nu [kussen en vrijen, mond aan mond." „Ik geloof, dat jij net zoo lief met dat meissie langs de sloot zou willen zitten, ouwe snoeperd,” zei de juffrouw half boos. „Maar haal me die smoesjes niet weer uit, want dan gooi ik je buiten.” „Tenminste laat ’n straal van uw genade blijken in deze strengheid en behouw uw recht geheel’’ smeekte Vondel, en hij voegde er aan toe: „Wij dienen ons wat in te toornen.’’ Zonder stoornis kwamen we op Schiphol, ’n Prachtige grijze Farman gleed over ’t groen, toen Vondel’s kousenbeenen het terrein betraden. Naast den jongen fotograaf in plus fdurs viel het haast niet op. Op het kantoor maakten wij kennis met de heeren Thomson, stationschef, en piloot Te Roller. Vondel liet zich eerst behoorlijk inlichten. Hij zat spoedig in een serieus gesprek gewikkeld over remous, snelheid, windkracht. Nog immer de degelijke Hollander, ’n durver, maar eerst dan, als het slagen zooal niet verzekerd, dan toch verantwoord waarschijnlijk is. „Verzekeren, meneer ?” vroeg ’n makelaar. „Ja,” zei Vondel. Doch ik kwam tusschenbeide. „Beste man,” zei ik, „we zijn in Holland en we staan op Schiphol.' Doch Vondel stoof op: „ Wat raakt het iemands kroon Dat ik voorzichtiglik verzeker mijn persoon ?" „Je moet een gochemen Amsterdammer nooit teleurstellen,” zei hij vergoeilijkend, Kalm stapte hij naar de blinkende Fokker en zei: „Gij snelle geesten, houdt nu stand met onzen wagen.’’ Toen besteeg hij met twee treden tegelijk ’t trapje — schramde z’n schenen, waarop ik hem uit Maagden waarschuwend citeerde : „Klim zacht vermoeide vorst, geef mij [uw rechterhand. Nu zet LI hier: dees trans heeft over [’t platteland zijn uitzicht." De mecanicien wil de schroef al aanzetten, als er plotseling een hevig tumult weerklinkt. Mijnheer Tax, de vriendelijke maar onverbiddelijke leider der passagiersvluchten, komt aangeloopen. Het hoofd van Te Roller verscheen boven de cockpit, terwijl dat van Vondel vergeefs trachtte erin te komen. „Die ouwe heer wil naast me komen zitten,” schreeuwde de piloot. „In de kajuit.... terug.... in de cabine!” roept Tax langs z’n hand. „Ai. roeper wat bediedt dat blazen van den horen?" vraagt Vondel verwonderd. „Mag niet van den minister...” „Wie kan van dit besluit de zin te zamen rapen" mompelt de ouwe man, die 'n hevig maar vergeefsch dispuut met de overheid begint en eindelijk in z’n stoel gaat zitten. „Aan d’Amstel en aan ’t IJ, daar doet [zich heerlik open. zij die als koningin, de kroon draagt [van Europe" mompelt Vondel als hij de mooie stad voor zich ziet. Eindelijk schijnt hij uit z’n eerste betoovering los te komen, want ’k hoor hem fluisteren: „Nu merk ik, ’t is geen droom of [harsenschilderij." Z n oogen zoeken het wonderwerk van Jacob van Kampen: „Met zooveel steens er op, en zooveel [houts eronder" ze volgen de grachten naar vertrouwde patriciërshuizen, ze dwalen over het wijde water. Met een zachte zwenking koersten we naar Hillegom. Omber lag het water tusschen groen. Wit de weg getrokken van punt naar punt. Daarlangs de hofsteden met groote, hooge schuren. Ze zijn zakelijk, nuchter bijna. Hebben niets van den vertrouwden vierkanten bouw in Limburg of Frankrijk. Het is de zon eindelijk gelukt het grauwe MET VONDEL IN EEN FOKKER. Boven Hillegom (luchtfoto K.L.M,). 12
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11361 tot 11365 van 11897