|
PANORAMA No. 2 7 6 JULI
Karl. „Dat is alles bijzaak. Als ik maar
weg ben uit dit ellendige, vervelende land.
Niets is er te zien, niets te hooren, niets
te beleven! Wie verlangt er rijk te zijn
op de Noordpool'? Ik wil de wereld zien
en mijn eigen leven leven. Ik ben ziek
van het land en het leven hier!”
Emma zonk vermoeid op een stoel;
ergens in een flauwe verte zag zij een
kamer met gele gordijnen, en een kamer
met een bed en een oud vloerkleed, waar
de gasten van de club zaten en kaart
speelden en minachtend de omgeving opnamen. Een slaap-ontvangkamer! Misschien
was het beter om het lidmaatschap op te
zeggen ....
„Karl,” begon zij aarzelend, „als we eens
een radio-toestel hadden en je kon alles
hooren van de heele wereld, muziek en
allerlei sprekers en zoo, en we kochten ’n
auto? Dan kun je ’s Zondags uit toeren
gaan, of 's Zaterdags avonds ga je je meisje
halen om samen boodschappen te doen in
de stad? Zou het niet prettig zijn? De
radio speelt den heelen dag, en er wordt
gauw een mooie autoweg gemaakt hier,
een asphaltweg, lekker om hard te rijden.
En niemand bijna in het dorp heeft een
auto . .. .”
Opgewonden kwam Karl op haar toe.
„Dat verandert natuurlijk veel, moeder!
Een auto en een radio . ...”
„Maar dan moet jij hier blijven, Karl!
je moet altijd bij mij blijven en later hier
trouwen en wonen!”
„Ja natuurlijk, moeder! — Een open
wagen, moeder ? Hebt u geld genoeg ?
Auto’s zijn duur, zoo n open wagen als ik
bedoel. Zou ik niet dadelijk naar de stad
gaan om alles te koopen?”
„Zeg het niet tegen vader, Karl! Het is
mijn eigen geld, verdiend met de toeristen
en de boter, maar .. . we zullen het hem
later vertellen. Ik heb geld genoeg voor
een radio en den eersten termijn voor de
auto. Auto’s kun je op afbetaling koopen,
niet? Maar je moet bij me blijven, Karl.
Daarom doe ik het.”
„Hier blijven?” herhaalde haar zoon.
„Blijven? Ja, ja, natuurlijk. — Dus ik kan
dadelijk gaan?”
„Beter vandaag dan morgen,” meende
Emma. „Het geld ligt klaar. Voor het
donker is, kun je met den auto
terug zijn. Maar je blijft bij me, hè,
altijd ? Als vader vraagt waarom je
naar de stad gaat, moet je iets
verzinnen. Hij kan later ook in den
auto rijden en dan kan hij niet
mopperen. En hij houdt veel van
muziek, hij zal blij zijn met de
radio.”
„Natuurlijk, natuurlijk,” antwoordde Karl. „Natuurlijk, vader
vindt het stellig goed. Dus ik ga
nu dadelijk? Waar is het geld?”
Hij kuste haar hartelijk. „U bent
een beste moeder, een beste.”
„Kom je gauw terug ?” vroeg
Emma, terwijl zij de oude portefeuille uit de linnenkast nam.
„Terug ? Ja, ja ! Dus een open
auto, moeder ? Wat zullen ze kijken
in het dorp, moeder !”
Toen hij weg was, viel haar oog
op de plaat van de mooie kamer.
De plaat hing er al lang. Hoe lang ?
AAN DEN LEIBAND.
Ze moest er nu iets anders hangen; het
zou niet goed zijn om er iederen dag naar
te kijken. Hoeveel jaren zou ze nu weer
moeten sparen voor de gele gordijnen in de
nieuwe kamer . . .
Ze ging naar de zit-slaapkamer en nam
er een kalender van den muur, een reclamekalender van een radiohandel; er stond
een aardig meisje op. Een kalender was
gemakkelijk in de keuken, had je vaak
noodig. De plaat van de mooie kamer met
de lamp en de gele gordijnen verdween
in de la van de keukentafel. Het was
jammer, heel jammer . . . Maar Karl, dien
ze niet kon missen, zou nu bij haar blijven.
’s Avonds zaten ze met z’n tweeën aan
de tafel. Emma stopte Karl’s sokken en
Otto las de krant en rookte zijn pijp. Emma
keek tersluiks naar hem. Zou ze er iets
van zeggen, hem er op voorbereiden ? Over
een uur zou Karl terug zijn.
„Het is stil hier, Otto.”
De man bromde iets onverstaanbaars.
„Die lange winteravonden hier. ...” vervolgde Emma. „Zou het niet leuk zijn
om een radio te koopen? Iederen avond
muziek, den heelen winter.”
„Radio ? Denk er niet aan. Onzin! En 't
kost veel te duur. Nee, geen radio.”
Weer viel de stilte tusschen de twee
menschen. Emma werd bang; Otto zou erg
boos worden, als straks Karl terugkwam
en hij ’t nieuws zou hooren. O, maar die
boosheid zou spoedig verdwijnen, als hij
de radio had gehoord en één keer in den
auto had gereden. Karl kon goed chauffeuren,
’s Zaterdags zou hij haar naar het dorp
rijden om boodschappen te doen en soms
naar de stad voor een nieuwen mantel en
een hoed. En iedere week zou hij haar
naar de bijeenkomst van de club brengen.
Toen Emma aan de club dacht, schrok
zij. Dat kon nu niet meer. Ieder lid zou
de leden ontvangen; de meesten hadden
een mooie kamer, een echte ontvangkamer.
Maar zij ? Zij wilde hen niet meer ontvangen in de kamer met het bed van Otto
en dus zou het beter zijn om het lidmaatschap op te zeggen, voor het haar ontvangbeurt was.
De sokken waren klaar. Emma nam een
Magazine van het boekenplankje; het viel
open bij een kleurige advertentie, 'n mooie
kamer met prachtige gordijnen ....
„Het is niet erg,” praatte zij zich zelf
voor. „Als Karl maar blijft, ik wil niet
alleen zijn. Gele gordijnen zijn niet noodig.
Karl had ze noodig, Karl moest hier blijven.
Niet alleen zijn, ook niet in een mooie
kamer met gele zijden gordijnen. Een vrouw
huwt om niet alleen te zijn; daarom wil
ze kinderen hebben en ze behouden, wanneer zij niet meer van hun thuis houden
en weg willen. Zooals Karl nu. Visites
van vreemden, ’n mooie kamer en chique
kleeren konden gemist worden, maar zij
moest niet alleen zijn. Geen nieuwe kamer,
maar Karl moest bij haar.”
De telefoon rinkelde.
Telefoon? Iets met Karl misschien . . ..?
Emma beefde, toen zij den hoorn opnam.
Het was de stem van Karl.
„Hallo, moeder ? Ja, Karl. Ik moet u iets
vragen, moeder. Zou u het erg vinden als
ik dat geld van u leende?”
„Maar je hebt het toch gekregen? Ik
heb ’t je gegeven om een auto te koopen
en een radio. — Waar ben je?”
„Op het station. — Neen ik wil het
geld léénen. Ziet u, ik wou trouwen. Wat
zegt u? — Nee, niet Abbie Wheelock; ’t
is Sue Lassom. Ik ga naar de stad; Sue
wil hier niet blijven wonen, zegt ze.”
„Maar dat mag je niet doen,” snikte
Emma. „Je hebt me beloofd om terug te
komen! Je zou altijd bij me blijven, en
daarvoor heb ik een auto gegeven en een
radiotoestel.”
„LI neemt ’t veel te ernstig op, moeder.
Ik kan niet terugkomen. Weet u, gisteren
zijn we al getrouwd, heel stil — Wilt u
het geld leenen? Ik heb het nu natuurlijk
hard noodig om een huishouden op te
zetten. Dat begrijpt u, hè? Zal ik het
geld houden? LI krijgt het gauw terug, en
ik zal u een flinke rente betalen — Ja, ik
wil u persé een flinken interest betalen. Ik
zal het gauw teruggeven, dan kunt u die
nieuwe kamer laten bouwen en mooi meubileeren.”
|