Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1136 tot 1140 van 11897
Nummer
1914, nr.19, 4 nov. 1914
Blad
11
Tekst
DE SULTAN VAN TURKIJE, die de vijandelijkheden met Rusland thans begonnen is. HET SCHEEPGAAN VAN TURKSCHE TROEPEN. ENVER PASCHA, de Turksche minister van oorlog. In 1908 heeft Enver Pascha de revolutie geleid. •r» RUSSISCH-SIBERISCHE TROEPEN. EEN TURKSCH OORLOGSSCHIP. RUSSISCHE SOLDATEN. KRIJGSGEVANGEN OOSTENRIJKSCHE TROEPEN DOOR RUSSISCHE MILITAIREN BEGELEID. HET EERTIJDS DUITSCHE OORLOGSSCHIP „BRESLAU”, THANS IN TURKSCH BEZIT. ENGELSCH-RUSSISCH ROODE KRUIS-COMITÉ TE PETROGRAD. Turkije in den strijd betrokken
PDF
Nummer
1914, nr.19, 4 nov. 1914
Blad
12
Tekst
DE BRUG OVER DE NETHE BIJ DUFFEL, welke door de Belgen opgeblazen werd om het verder trekken der Duitsche troepen tegen te gaan. BONDGENOOTEN. Fransch»Afrikaansche strijders door een Engelsch soldaat begroet. ALGIERSCHE TROEPEN STRIJDEND IN FRANKRIJK. De Apabis, behoorend tot de lichte Algerijnsche Cavalerie, hebben zich ook in dezen oorlog als uitstekende strijders leeren kennen en bleken voor het Fransche leger een belangrijke steun. MADRAS, DOOR DE „EMDEN” BESCHOTEN. De avontuurlijke tocht van de „Emden'. D e Duitsche kruiser „Emden’ van het eskader in de Chineesche wateren, waarvan gedurende de eerste zes weken van den oorlog niets vernomen werd, verscheen ongeveer half September in de baai van Bengalen en begon sedert dien een vervolgingstocht op de handelsschepen der vijandige naties. Het begon den 10en September met het nemen van het Engelsche stoomschip „Indus , dat in den grond geboord werd, na de bemanning overgenomen te hebben. De „Kabinga” werd den 12en genomen en zoo vervolgens werd elk schip opgebracht of in den grond geboord dat de „Emden ontmoette. Dat de schade, aan den handel toegebracht, groot is, spreekt vanzelf. De „Emden’ heeft een waterverplaatsing van 3650 ton, loopt 25 knoopen in ’t uur en heeft een bewapening van twaalf kanonnen van 10.5 c.M.
PDF
Nummer
1914, nr.19, 4 nov. 1914
Blad
13
Tekst
De Duitsche en Oostenrijksch-Hongaarsche Legers VERRAST DOOR DE INUNDATIE IN DE LAGE IJSER-VALLEI. — EEN WACHTPOST IN HET GEÏNUNDEERDE LAND. De Generaal der Infanterie van het Oostenrijksch-Hongaarsche leger Von Bejna, commandant van het 3e legerkorps. HOE DE FORTEN BIJ ANTWERPEN VERNIELD WERDEN. GENERAAL VON HINDENBURG, de aanvoerder van het Duitsche leger aan het Oostelijk front. VEROVERD GESCHUT. Op de Russen in Galicië veroverde kanonnen rijden voorbij. STORMLOOP. Oostenrijksche Infanteristen die de vuurproef hebben te doorstaan.
PDF
Nummer
1914, nr.19, 4 nov. 1914
Blad
14
Tekst
DE GEWAANDE DIERENTEMMER BELGISCHE RÉFUGIÉ’S IN ENGELAND VERKORTE INHOUD VAN HET GEDEELTE UIT HET VORIGE NUMMER. Dominee Winkler was tot herstel zijner geschokte zenuwen eenige weken rust gaan nemen op het badplaatsje Brighton. Toen hij daar op zekeren dag op een afgelegen plek een heerlijk zeebad had genomen, bemerkte hij tot zijn schrik dat men zijn kleeren had weggenomen en in de plaats daarvoor een pakje had gelegd van een Bergschot. Er zat niets anders op dan dit aan te trekken en juist toen hij het pakje aanhad, kwam er een cavalcade uit een circus aan, waarvan de leider hem bij vergissing hield voor den verwachten dierentemmer Macpherson. Ondanks Dominee’s heftig tegenspartelen zat hij weldra op den rug van een der kameelen en zoo maakte Dominee Winkler een tocht door de badplaats. In ’t circus aangekomen, waar de dominee wilde leeuwen moest temmen, bemerkte hij tot zijn ontzetting zijn vrouw en zijn dochter. Midden in de openingsrede van den directeur, waarin deze de kunst van den „dierentemmer” roemde, kwam een telegram, waaruit de vergissing bleek. minee Winkler stond op, hij herademde. Hij behoefde slechts zijn naam te noemen en zijn aanwezige vrouw en dochter tot getuigen te roepen. Het laatste was wel vreeselijk, doch in geen vergelijking met wat hij had doorstaan. Doch vóórdat hij spreken kon, kwam een man uit het publiek op den directeur aangestormd. „Ik kan uw vraag beantwoorden,” zei hij. „Deze man is een ongeneeslijke krankzinnige die in den afgeloopen nacht hier uit een inrichting voor zwakzinnigen ontvlucht is. Hij geeft zich uit voor Macpherson den leeuwentemmer !” Onder de grootste opwinding van het publiek werd de arme Winkler naar het artistenverblijf geleid. Daar vond hij,eenmaal uit het gezicht van het tallooze circuspubliek, zijn spraak weer terug. „Die kerel liegt!” riep hij woedend uit. „Ik ben „Dat is zoo !” viel op eens een net gekleede jonge man hem in de reden, die de artistenloge binnentrad. „Deze heer is mijn oom ! Hoe hij in dezen toestand gekomen is, weet ik niet, maar hij is mijn oom en dat is voldoende !” Dominee Winkler had den jongen man nooit gezien en wilde juist tegen die nieuwe bloedverwantschap protesteeren, toen zijn gewaande neef hem ter zijde nam en hem toefluisterde: „Ik ben bezig u uit deze onaangenaamheid te redden, spreek mij dus niet tegen, maar geef toe ! Kom mee !” De jonge man nam hem mee naar een der kleedkamers, liet hem daar een langen ulster aantrekken en verliet met hem aan de achterzijde het circusgebouw, waar hij een taxi aanriep die hen beiden naar het pension van den heer Winkler bracht. „Ik kan u niet genoeg danken,” zei dominee Winkler, toen hij eindelijk op zijn kamer was aangekomen. „Er heeft een vreeselijk misverstand plaats gehad. Hier is mijn adres, ik keer nog hedenavond naar huis terug. Kom mij daar eens zoo spoedig mogelijk bezoeken, en als ik u wellicht met het een of ander van dienst kan zijn, dan zal mij dat ten hoogste aangenaam zijn. Mijn naam is Winkler. „En de mijne Renton,” zei de ander. Renton keerde dien avond in opgewonden stemming naar de stad terug. Zijn vriend Manders, die met hem dezelfde kamers bewoonde, had juist de hospita voor de tiende maal weggestuurd, zoodat het goede mensch verklaarde, dat, als ze nog langer moest wachten met eten, dit geheel zou bederven, toen Renton de kamer binnenstormde, in een gemakkelijken stoel neerviel en het daar minuten lang uitschaterde van de pret. „Zeg, wees niet zoo’n zelfzuchtige hond, om de pret alleen voor je zelf te houden”, zei Manders. „O, ’t is ’n eenige mop ! Goeie hemel, ’t is mijn dood ! — Nou dan ! Je weet, ik ben een rol aan hetinstudeeren, waarin ik iemand moet voorstellen die bij vergissing in een leeuwenkooi wordt geplaatst om daarin een voorstelling te geven. Hoe zou een man zich in dergelijke omstandigheden gedragen ? Datmoest ik trachten uit te vinden. Nu hoorde ik dat Dennis, de menagerie-directeur, Macpherson den dierentemmerhad geëngageerd om een enkele voorstelling te geven. Ik wist hem over te halen om het volgende plannetje uit te werken. We volgden een badgast, die op een eenzaam plekje baden ging, wij namen toen zijn kleeren weg en legden daarvoor een pak van Macpherson in de plaats; toen hij uit het water kwam, en teneinde In een lange rij staan de vrienden der in het Olympia-gebouw te Londen verblijfhoudende Belgische vluchtelingen te wachten om hen te bezoeken. Kinderen uit Leuven, die van een Belgische Zuster les in het Engelsch krijgen. raad de Schotsche plunje had aangetrokken, zwoeren we dat hij de dierentemmer was en voerden hem in triumf naar het circus, waar wij van hem verlangden dat hij een voorstelling geven zou. Het grapje kostte mij ’n vijfentwintig pop, maar ik heb uitstekend studiemateriaal gehad en als ik geen succes heb in mijn rol, dan ben ik voor het tooneel geen zier waard !” „Je denkt dus in staat te zijn de rol naar behooren te spelen ?” „Volkomen 1 Maar dat is de hoofdzaak niet; de man met wien we de poets uithaalden, bleek later te zijn : de vader van juffrouw Winkler. Stel je voor, dominee Winkler, mijn schoonvader in spé, een leeuwentemmer ! ’t Is om te gieren, de man kan geen vlieg kwaad doen !” Manders floot zacht voor zich heen. „Ik denk zoo, daar moet je je voordeel mee zien te doen! Of weet hij dat jij er de hand in hebt gehad?” „Neen ! Hij weet van niets en om het spel volkomen te maken, kwam er een man uit het publiek die beweerde dat hij een weggeloopen gek was. Toen kwam ik als de redder in den nood en Winkler was hierover zoo in de wolken, dat hij tot eiken wederdienst bereid was en mij uitnoodigde hem spoedig te komen bezoeken. Nu, ik zal hem niet lang laten wachten 1” Twee dagen later lag dominee Winkler in zijn armstoel op zijn studeerkamer de ondergane emoties nog eens te overdenken, toen de kamerdeur openging en zijn vrouw binnentrad. „Oh, John ....!” „Maria!” Iets in den toon zijner stem bracht een trek van vrees op haar gelaat. „MariA, waar kom jij vandaan ?” „Och, dat is alles de schuld van Susanna. Vijf dagen nadat je vertrokken waart, kwam ze onverwachts bij mij binnen en zei dat ik er erg bleek uitzag, ik moest er ook eens een paar dagen tusschenuit, zei zij. Ze gaf mij het noodige reisgeld en toen John, ben ik met Agnes naar Brighton gegaan !” Dominee’s gelaat nam een zeer ernstige plooi aan. „Heel lief van je zuster, zeker ! En wat heb je daar alzoo gedaan ?” „We wandelden langs het strand en de pier en . . . .” „En gingen naar het circus?” Mevrouw Winkler deinsde verschrikt achteruit. „Dat kwam zoo, lieve. We konden je nergens vinden en toen zeurde Agnes zoo om het circus eens te bezoeken.” „O ma,” riep nu Agnes uit, die onopgemerkt was binnengekomen, „u wilde zoo gaarne den dierentemmer zien. Stel u voor, papa ! Die dierentemmer leek sprekend op u ! En .. . .” „Agnes, verlaat oogenblikkelijk de kamer. Hoe durf je te zeggen dat ik zou gelijken op een van deze kermislieden. Heb ik niet telkens en telkens weer gezegd dat ik niet wil dat een lid van mijn familie deze tempels der zonde betreedt. Maria, ik ben zeer teleurgesteld in je !” „Een heer om u te spreken, dominee 1” Dominee had den bescheiden tik op de deur niet gehoord en voor hij iets zeggen kon, trad Renton de kamer binnen. „Ah, mijnheer Winkler, al bekomen van den schrik van . . . .” De dominee legde hem met de hand het stilzwijgen op. „Maria en Agnes wil je heengaan en voor de thee zorgen ? I k moet iets met dezen heer bespreken en we komen dadelijk in de huiskamer,” zei Winkler en vervolgde, toen moeder en dochter verdwenen waren : „Mijnheer Renton, het verheugt mij, dat u mij zoo spoedig komt opzoeken. Enne . . . apropos^ nu ik er- toch aan denk, spreek niet over die . . . hm.... aangelegenheid te Brighton waar mijn vrouw en dochter bij zijn. De herinnering is zoo onaangenaam dat ik er niet meer aan wil denken.” „Zeer goed, mijnheer! De reden van mijn spoedige komst is een zeer zelfzuchtige. U beloofde mij een belooning en die kom ik u nu opvragen !” „Zeker, wat is ’t?” „Uw dochter! Ik ontmoette haar in Londen eenige weken geleden en kreeg haar lief en zij, geloof ik, mij insgelijks. Wilt u mij uw toestemming geven ?” Dominee Winkler was verrast en staarde eenige oogenblikken nadenkend naar den grond. ' „Als zij u werkelijk bemint,” begon hij eindelijk „Zelfs als ik een tooneelspeler van beroep ben ?” „Oh, dat wist ik niet . . . .” „Denk om uw belofte te Brighton !” „In vredesnaam ! Neem haar !” Een uur later vertelde Renton in den tuin aan Agnes zijn hartegeheim, dat zij reeds vroeger had leeren kennen. „Uw vader weet alles, ook dat ik acteur van beroep ben en gaf mij zijn toestemming juffrouw Winkler .... Agnes, liefste, mag ik je vóór altijd zoo noemen?” „Als papa het goedvindt, ja !” antwoordde ze zacht. „Gehoorzame dochter !” lachte hij en drukte haar tegen zijn borst. „Maar, ik heb nooit geweten,” zei ze na een korte poos van veelbeteekenend zwijgen, „dat je papa kende !” „Ja, liefste, ja! Ik leerde hem kennen in. . . . Brighton. KONINGIN ESTHER IN — MINIATUUR lag een toornige uitdrukking op het gelaat van den referendaris, toen zijn oog gleed over het schrijven dat hem zoo even was ter hand gesteld. Hij had de welverdiende reputatie van de meest norsche man van het departement te zijn. Ongeduldig greep hij naar de pen en begon dadelijk te antwoorden : Den Haag, 10 Juli 1914. Geachte Heer, Het is mij onmogelijk den door u aanbevolen Willems te benoemen. Ik heb de betrekking reeds toegezegd aan van Hall. U weet dat deze voor de betrekking uitnemend geschikt is en hij is zeker een even ijverig man in uw partij. Het spijt mij.... De deur van de kamer ging langzaam open. „Wel?” vroeg hij, zonder op te zien. „Mag ik als je blieft binnenkomen ?” vroeg een lief kinderstemmetje. De referendaris keek op en met een uitroep van verwondering legde hij de pen neer. Op den drempelstond een kleine ipeid met lachende blauwe oogen en lang krullend, blond haar. Een groote stroohoed hing
PDF
Nummer
1914, nr.19, 4 nov. 1914
Blad
15
Tekst
op haar rug en een gezonde blos kleurde haar wangen. „Wel,” zei hij min of meer norsch, „ben je al niet binnen ?” „O ja,” zei het kind, terwijl het de kamer binnenhuppelde, „maar de schildwacht. . . .” „De bode !” „Ja, de bode. Hij zei u mocht niet gestoord worden, maar ik vertelde hem dat ik koningin Esther ben, en dat ik u over een zeer belangrijke zaak moest spreken en toen mocht ik doorgaan.” „Koningin Esther?” vroeg hij verwonderd. „Neen niet echt, natuurlijk ! Ik heet eigenlijk Alice — Alice Willems, maar ik speel nu voor koningin Esther en” met een diepe buiging „u is Ahasverus 1” De referendaris staarde haar in de grootste verbazing aan. „En ik ben hier gekomen om mijn volk te redden,” ging zij voort. „Neen niet een heele boel menschen, maar alleen mijn moeder. U heeft mij nog niet eens gevraagd om te gaan zitten,” voegde ze er plotseling aan toe, terwijl ze haar roode lipjes pruilend vooruitstak. De norsche man stond op en met voor hem ongewone vriendelijkheid nam hij de kleine meid op en zette haar voor zich op zijn schrijfbureau. „Nou, koning Ahasverus,” ging ze voort, terwijl ze met haar kleine voetjes schommelde, „we kunnen nu pas prettig samen praten, maar zeg eens, behoor je tot de Meden en Persen ?” De referendaris staarde een oogenblik zwijgend voor zich uit. „Ik geloof van niet,” zei hij toen langzaam. „Waarom?” „O, daar ben ik blij om,” zei ze met een zucht van verlichting, „want nu mag u uw besluit veranderen en behoeft u papa niet weg te sturen 1” „Heeft hij je hierheen gezonden ?” vroeg hij scherp. „O neen, neen,” antwoordde het kind. „Hij zou het niet willen hebben, en moeder ook niet. Ik . . . .” ging ze nu fluisterend voort, „ik ben stilletjes weggeloopen. Maar zult u mij nu heusch, heel heusch belooven dat u het niet zult vertellen?” vroeg ze op smeekenden toon. „Ja, dat beloof ik je,” zei de referendaris en voor het eerst kwam er een glimlach op zijn gelaat. „Op uw eerewoord !” ging ze ernstig voort. „Op mijn eerewoord !” „Vader zei dat u de eenige was die hem helpen kon, maar hij zou liever sterven dan er u om vragen. Maar ik kan moeder niet laten sterven, weet u, en ik dacht misschien is u niet zoo erg boos als ik het u kom vragen en toen ben ik stilletjes hier gekomen en,” ging ze goedkeurend voort, „ik vind u erg lief !” „Dank je, koningin Esther.” „Ja, erg lief, hoewel u bijna niet lacht, maar misschien hebt u ook wel verdriet. Dat moet u mij maar eens vertellen, dat doet mijn eigen lieve moeder ook, weet u 1” „Is uw moeder erg lief?” vroeg hij zich vertrouwelijk naar de kleine toebuigende. „0, ja 1 Erg lief en mooi,” antwoordde het kind. „Maar moeder is heel verdrietig sedert vader zijn geld verloren heeft en de dokter zegt: moeder mag niet verdrietig zijn en,” haar kleine wijsvinger dreigend tegen hem opheffend, „nou heeft u moeder weer verdrietig gemaakt!” „Dat spijt me,” antwoordde hij deemoedig, alsof de rollen verwisseld waren en hij een kleine jongen van zeven jaar en zijn kleine beschuldigster vijf en dertig was. „Kijk,” ging ze vertrouwelijk voort, „vader spreekt over niets anders dan over het geld dat hij verloren heeft en dan zegt hij weer dat hij van voren af aan zou willen gaan leven en dan somtijds drinkt hij om alles te vergeten.” „Lafaard!” bromde de referendaris binnensmonds. „En, natuurlijk is er nu niemand die voor moeder kan zorgen dan ik en gisteravond . . ..” Het kind kreeg een kleur en aarzelde. „Wel ?” „Vader zei dat hij de huur niet meer betalen kon en hij kon nergens meer geld krijgen, omdat iedereen tegen hem is.” Mme. E. CUCHOMLINOFF, de vrouw van den Russischen Oorlogsminister, die de leiding van het Roode Kruis-Hospitaal in Petrograd heeft. „Als ik geen verplichting aan van Hall had’ , dacht de referendaris, maar het kind stoorde hem in zijn gedachtengang. „En toen ging moeder huilen en u weet dat mag ze niet, want dan wordt ze erger ziek, en als ze erger ziek wordt,” ging de kleine filosoof voort, „dan gaat moeder dood en ik geloof dat als moeder dood gaat, dan niemand meer zou willen blijven leven, is ’t niet ?” De blauwe kinderoogen stonden vol van tranen en hij veranderde haastig van onderwerp. „Wel, koningin Esther, wat kwam je me nu eigenlijk vragen?” „O ja, u moest vader het werk maar geven, wilt-u ?” „’t Is een van de beste betrekkingen aan het departement en van Hall heb ik het reeds half beloofd,” peinsde hij, maar de kleine pleitster ging voort: „Toe, Ahasverus! Doe het maar tot ik groot genoeg ben om voor moeder te zorgen. Dat zal zoo lang niet meer duren 1” „Zoodra je groot genoeg bent om dat te doen,” antwoordde hij op zonderlingen toon, „ga je heen en trouwt een rijken man ... .” „Neen, neen,” viel ze hem haastig in de reden, „dat is heel ondeugend. Moeder zegt er was vroeger eens een klein meisje met krullen net als ik heb en ze was heel gelukkig. GENERAAL VON BÜLOW. En daar was ook een kleine jongen .... hij heette.... ik ben zijn naam vergeten . . . .” „Johan ?” „Ja, Johan ! Hoe weet u dat zoo goed? En die jongen droeg altijd de boeken voor het meisje als ze samen naar school gingen en eens toen ze in het water gevallen was, toen .... „Haalde hij haar er uit?” „Ja! En hij gaf haar altijd van zijn appelen en peren en ging als er ’s winters sneeuw lag met haar sleden en ze waren allebei heel gelukkig en hielden veel van elkander en hadden afgesproken dat als ze groot waren, zouden ze samen gaan trouwen. Maar toen ze groot geworden was, kwam er een rijke man en vroeg haar om met haar te trouwen en haar moeder zei haar, dat ze het doen moest en toen deed ze het. Maar de rijke man verloor al zijn geld, en -moeder zegt, het meisje kreeg haar verdiende loon, en ze is nooit meer gelukkig geweest, want ze dacht altijd aan Johan, hoewel ze eigenlijk niet wilde. Ik geloof dat ze zooveel jaren aan hem gedacht had, dat ze er nu niet meer mee kon uitscheiden. En daarom wil ik zoo iets nooit, nooit doen, want dat is heel ondeugend, zegt moeder.” De referendaris zat voorovergebogen met de handen voor het gelaat. „Maar u luistert niet meer naar me,” ging de kleine meid op verwijtenden toon voort, terwijl ze van haar zitplaats sprong. „Ik zal nu maar heengaan, anders zal moeder mij missen.” „Vaarwel, koningin Esther,” zei hij. „Ik wil over je verzoek nadenken en als ik kan zal ik er aan voldoen en ... . ik ben heel blij dat je gekomen bent.” „Ik zal aan moeder zeggen hoe lief u is,” antwoordde het meisje vriendelijk. „Moeder heeft zich erg vergist, want ze zei dat u haar haatte. En u is veel te lief. Ik geloof niet, dat u iemand kunt haten, is ’t wel ?” „Het allerminst je moeder, kindlief,” zei hij, terwijl hij met een droevig lachje op haar neerzag. „Niemand kan dat. Denk er om dat je haar niet vertellen mag dat ik hier geweest ben. Je hebt me dat beloofd op je eerewoord en dat is nog erger dan wanneer je tot de Meden en Persen had behoord. Dag !” en de kleine rosé lipjes werden omhooggestoken om een kus te geven. De referendaris stond op, liep naar het venster en staarde peinzend naar buiten. Toen keerde hij zich haastig om en HERTOG ALBRECHT VON WURTEMBERG. belde om zijn secretaris. Aan dezen dicteerde hij den volgenden brief : Den Haag, 10 Juli 1914. Geachte Heer, Uw geëerde van 8 dezer in goede orde ontvangen. Het verheugt mij U te kunnen meedeelen, dat uw protégé, Willems, heden is benoemd. Hoogachtend, JOHAN C. MICHIELSE. Referendaris. „God zegene koningin Esther!” mompelde hij, terwijl hij om den bode schelde. MAAND-PANÖRAMA’S. ij ontvingen van verschillende zijden aanvragen om ons blad, in maandelijksche deelen te zamengebracht, verkrijgbaar te stellen. Aan dit verlangen hebben wij voldaan en stellen deze deelen in omslag è 60 CtS. verkrijgbaar. — Alle boekhandelaren nemen gaarne bestellingen hierop aan.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1136 tot 1140 van 11897