|
op haar rug en een gezonde blos kleurde haar wangen.
„Wel,” zei hij min of meer norsch, „ben je al niet binnen
?”
„O ja,” zei het kind, terwijl het de kamer binnenhuppelde,
„maar de schildwacht. . . .”
„De bode !”
„Ja, de bode. Hij zei u mocht niet gestoord worden,
maar ik vertelde hem dat ik koningin Esther ben, en dat
ik u over een zeer belangrijke zaak moest spreken en toen
mocht ik doorgaan.”
„Koningin Esther?” vroeg hij verwonderd.
„Neen niet echt, natuurlijk ! Ik heet eigenlijk Alice —
Alice Willems, maar ik speel nu voor koningin Esther en”
met een diepe buiging „u is Ahasverus 1”
De referendaris staarde haar in de grootste verbazing aan.
„En ik ben hier gekomen om mijn volk te redden,” ging
zij voort. „Neen niet een heele boel menschen, maar alleen
mijn moeder. U heeft mij nog niet eens gevraagd om te
gaan zitten,” voegde ze er plotseling aan toe, terwijl ze haar
roode lipjes pruilend vooruitstak. De norsche man stond
op en met voor hem ongewone vriendelijkheid nam hij de
kleine meid op en zette haar voor zich op zijn schrijfbureau.
„Nou, koning Ahasverus,” ging ze voort, terwijl ze met
haar kleine voetjes schommelde, „we kunnen nu pas prettig
samen praten, maar zeg eens, behoor je tot de Meden en
Persen ?”
De referendaris staarde een oogenblik zwijgend voor
zich uit.
„Ik geloof van niet,” zei hij toen langzaam. „Waarom?”
„O, daar ben ik blij om,” zei ze met een zucht van verlichting,
„want nu mag u uw besluit veranderen en behoeft
u papa niet weg te sturen 1”
„Heeft hij je hierheen gezonden ?” vroeg hij scherp.
„O neen, neen,” antwoordde het kind. „Hij zou het niet
willen hebben, en moeder ook niet. Ik . . . .” ging ze nu
fluisterend voort, „ik ben stilletjes weggeloopen. Maar
zult u mij nu heusch, heel heusch belooven dat u het niet
zult vertellen?” vroeg ze op smeekenden toon.
„Ja, dat beloof ik je,” zei de referendaris en voor het
eerst kwam er een glimlach op zijn gelaat.
„Op uw eerewoord !” ging ze ernstig voort.
„Op mijn eerewoord !”
„Vader zei dat u de eenige was die hem helpen kon,
maar hij zou liever sterven dan er u om vragen. Maar ik
kan moeder niet laten sterven, weet u, en ik dacht misschien
is u niet zoo erg boos als ik het u kom vragen en toen ben
ik stilletjes hier gekomen en,” ging ze goedkeurend voort,
„ik vind u erg lief !”
„Dank je, koningin Esther.”
„Ja, erg lief, hoewel u bijna niet lacht, maar misschien
hebt u ook wel verdriet. Dat moet u mij maar eens vertellen,
dat doet mijn eigen lieve moeder ook, weet u 1”
„Is uw moeder erg lief?” vroeg hij zich vertrouwelijk
naar de kleine toebuigende.
„0, ja 1 Erg lief en mooi,” antwoordde het kind. „Maar
moeder is heel verdrietig sedert vader zijn geld verloren
heeft en de dokter zegt: moeder mag niet verdrietig zijn
en,” haar kleine wijsvinger dreigend tegen hem opheffend,
„nou heeft u moeder weer verdrietig gemaakt!”
„Dat spijt me,” antwoordde hij deemoedig, alsof de rollen
verwisseld waren en hij een kleine jongen van zeven jaar
en zijn kleine beschuldigster vijf en dertig was.
„Kijk,” ging ze vertrouwelijk voort, „vader spreekt
over niets anders dan over het geld dat hij verloren heeft
en dan zegt hij weer dat hij van voren af aan zou willen
gaan leven en dan somtijds drinkt hij om alles te vergeten.”
„Lafaard!” bromde de referendaris binnensmonds.
„En, natuurlijk is er nu niemand die voor moeder kan zorgen
dan ik en gisteravond . . ..”
Het kind kreeg een kleur en aarzelde.
„Wel ?”
„Vader zei dat hij de huur niet meer betalen kon en hij
kon nergens meer geld krijgen, omdat iedereen tegen hem is.”
Mme. E. CUCHOMLINOFF,
de vrouw van den Russischen Oorlogsminister, die de
leiding van het Roode Kruis-Hospitaal in Petrograd heeft.
„Als ik geen verplichting aan van Hall had’ , dacht de
referendaris, maar het kind stoorde hem in zijn gedachtengang.
„En toen ging moeder huilen en u weet dat mag ze niet,
want dan wordt ze erger ziek, en als ze erger ziek wordt,”
ging de kleine filosoof voort, „dan gaat moeder dood en
ik geloof dat als moeder dood gaat, dan niemand meer
zou willen blijven leven, is ’t niet ?”
De blauwe kinderoogen stonden vol van tranen en hij
veranderde haastig van onderwerp.
„Wel, koningin Esther, wat kwam je me nu eigenlijk
vragen?”
„O ja, u moest vader het werk maar geven, wilt-u ?”
„’t Is een van de beste betrekkingen aan het departement
en van Hall heb ik het reeds half beloofd,” peinsde hij,
maar de kleine pleitster ging voort:
„Toe, Ahasverus! Doe het maar tot ik groot genoeg
ben om voor moeder te zorgen. Dat zal zoo lang niet meer
duren 1”
„Zoodra je groot genoeg bent om dat te doen,” antwoordde
hij op zonderlingen toon, „ga je heen en trouwt een rijken
man ... .”
„Neen, neen,” viel ze hem haastig in de reden, „dat is
heel ondeugend. Moeder zegt er was vroeger eens een klein
meisje met krullen net als ik heb en ze was heel gelukkig.
GENERAAL VON BÜLOW.
En daar was ook een kleine jongen .... hij heette.... ik
ben zijn naam vergeten . . . .”
„Johan ?”
„Ja, Johan ! Hoe weet u dat zoo goed? En die jongen
droeg altijd de boeken voor het meisje als ze samen naar
school gingen en eens toen ze in het water gevallen was,
toen ....
„Haalde hij haar er uit?”
„Ja! En hij gaf haar altijd van zijn appelen en peren
en ging als er ’s winters sneeuw lag met haar sleden en ze
waren allebei heel gelukkig en hielden veel van elkander
en hadden afgesproken dat als ze groot waren, zouden ze
samen gaan trouwen. Maar toen ze groot geworden was,
kwam er een rijke man en vroeg haar om met haar te trouwen
en haar moeder zei haar, dat ze het doen moest en toen deed
ze het.
Maar de rijke man verloor al zijn geld, en -moeder
zegt, het meisje kreeg haar verdiende loon, en ze is nooit meer
gelukkig geweest, want ze dacht altijd aan Johan, hoewel
ze eigenlijk niet wilde. Ik geloof dat ze zooveel jaren aan
hem gedacht had, dat ze er nu niet meer mee kon uitscheiden.
En daarom wil ik zoo iets nooit, nooit doen, want dat is
heel ondeugend, zegt moeder.”
De referendaris zat voorovergebogen met de handen
voor het gelaat.
„Maar u luistert niet meer naar me,” ging de kleine meid
op verwijtenden toon voort, terwijl ze van haar zitplaats
sprong.
„Ik zal nu maar heengaan, anders zal moeder mij
missen.”
„Vaarwel, koningin Esther,” zei hij. „Ik wil over je
verzoek nadenken en als ik kan zal ik er aan voldoen en ... .
ik ben heel blij dat je gekomen bent.”
„Ik zal aan moeder zeggen hoe lief u is,” antwoordde het
meisje vriendelijk. „Moeder heeft zich erg vergist, want
ze zei dat u haar haatte. En u is veel te lief. Ik geloof niet,
dat u iemand kunt haten, is ’t wel ?”
„Het allerminst je moeder, kindlief,” zei hij, terwijl hij met
een droevig lachje op haar neerzag.
„Niemand kan dat. Denk er om dat je haar niet vertellen
mag dat ik hier geweest ben. Je hebt me dat beloofd
op je eerewoord en dat is nog erger dan wanneer je tot de
Meden en Persen had behoord. Dag !” en de kleine rosé
lipjes werden omhooggestoken om een kus te geven.
De referendaris stond op, liep naar het venster en staarde
peinzend naar buiten. Toen keerde hij zich haastig om en
HERTOG ALBRECHT VON WURTEMBERG.
belde om zijn secretaris. Aan dezen dicteerde hij den volgenden
brief :
Den Haag, 10 Juli 1914.
Geachte Heer,
Uw geëerde van 8 dezer in goede orde ontvangen.
Het verheugt mij U te kunnen meedeelen, dat uw
protégé, Willems, heden is benoemd.
Hoogachtend,
JOHAN C. MICHIELSE.
Referendaris.
„God zegene koningin Esther!” mompelde hij, terwijl
hij om den bode schelde.
MAAND-PANÖRAMA’S.
ij ontvingen van verschillende zijden aanvragen
om ons blad, in maandelijksche deelen te zamengebracht,
verkrijgbaar te stellen. Aan dit verlangen
hebben wij voldaan en stellen deze deelen in omslag
è 60 CtS. verkrijgbaar. — Alle boekhandelaren nemen
gaarne bestellingen hierop aan.
|