|
ij leven in een neutraal land. De lasten
van den oorlog, die op ons drukken,
knellen voor velen heel pijnlijk, maar
ons goed en bloed behoefden wij tot
op heden niet tegen vijandige aanvallen
te verdedigen. Onzen steden en dorpen
dreigde geen vernielend krijgsbedrijf.
Verhoudingsgewijze hebben wij redenen
genoeg tot groote dankbaarheid.
En toch drukt de oorlog op ons als een verschrikkelijke
obsessie, hebben wij, zooals wij het een dezer dagen zoo
teekenend hoorden aanduiden, de oorlogsverschrikking in
ons bloed.
Hoe komt dit?
Het is niet de angst voor
het directe gevaar, ook niet de
beroering van de crisis, welke
dit veroorzaakte. Maar juist omdat
wij neutraal konden blijven,
omdat wij niet actief aan den
strijd behoefden deel te nemen,
doordat in ons lichaam en in
ons gevoel niet de oorlogskoorts
woedt, bezien wij de gebeurtenissen,
die de wereld teisteren,
breeder, en van een ander standpunt
en voelen wij dus zuiverder
het kwaad van den oorlog.
Er zijn in ons midden warme
voorstanders voor de zaak van
elk der strijdende volkerengroepen.
Men schendt onze neutraliteit
niet, door zulks te constateeren.
Maar van het grootste
deel der Nederlanders, en zeker
van de mannen aan de spits,
kan verklaard worden, dat het
onzijdigheidsbetoon geen ijdel
vertoon is, door de angst voor
lijf en goed ingegeven. Ons
kleine volk heeft op het gebied
der beschaving steeds een belangrijke
rol gespeeld. Door het
feit, dat wij gemakkelijk vreemde
talen spreken en zeker niet minder
door de ligging van ons land,
waren wij in voortdurende aanraking,
in vriendschappelijken
omgang, in vaak zeer diepstrekkende
samenwerking, zoowel met
onze oostelijke als met onze
westelijke naburen Ook onze zuidelijke
naburen., deze aanduiding
zoo ver mogeiijk uitgestrekt,
waren onze goede vrienden, voor
wier werken, wier cultuur, wier
levensschoonheid, wij warm gevoelden.
En nu zien wij door dezen
vervloekten krijg, hoe ai deze
volkeren, met miskenning van het
schoone, dat in het volksleven
en in het karakter van hun
tegenstanders leeft, met een verwoedheid,
die geen grenzen kent,
elkaar te lijf gaan. Wij zien den
strijd, doch voelen niet, waarom
deze noodig was; begrijpen niet
waarom al deze verschillende
opvattingen, karakters en belangen,
niet op verstandige wijze
tot elkaar gebracht hadden
kunnen worden.
Wij hebben natuurlijk eerbied
voor de reusachtige opofferingen,
die met een beroep op de luidsprekende
vaderlandsliefde, worden geleden; wij zijn niet zoo
verwijfd, om geen respect te hebben voor den moed van den
LEVENS VERWOEST.
krijger, noch zoo onaardsch om voor de organisatie en de wetenschap
van den modernen oorlog, geen bewonderende
beoordeeling te hebben.
Maar als nuchtere, kalme, en wij mogen er wel bii
zeggen, neutrale Nederlanders, leeft er in ons de overtuiging,
dat al die verbittering tegenover elkaar, al dat
bestrijden van elkander overbodig zou moeten zijn, indien
inplaats van een parool van tweedracht er een gedachte
gevonden kan worden, welke boven eigenbelang, boven
rasgemeenschap, boven Vaderlandsliefde, in den zin van
beperking van horizon, zich verheffen kan, zoo dat
tweedracht in eendracht zou omslaan, strijd in vrede
WAT OP DE SLAGVELDEN VAN NOORD-FRANKRIJK ACHTERBLIJFT
Onze foto werd bij Fère Champenoise genomen.
zou veranderen en de oorlog dus overbodig zou zijn.
Het lijkt een onbereikbaar iets. En wij vreezen met
groote vreeze, dat velen van hen die dit zullen lezen,
ons ervan zullen verdenken, hier een hersenschim te
willen najagen. Maar niets is minder waar dan dit.
In een zoo hevigen strijd, zijn twee dingen mogelijk:
öf een volkerengroep overwint tenslotte en brengt haar
tegenstanders in een toestand van afhankelijkheid, die met
een normalen groei onvereenigbaar is, öf de thans strijdende
naties moeten leeren inzien, dat de oorzaak, die hen tot
oppositie voerde, kan weggenomen worden, waardoor een
samengaan, in andere omstandigheden als vroeger en
daardoor op gezonde basis steunend, ontstaat.
In een absolute overwinning, zooals hierboven aangeduid,
gelooven wij niet, noch hopen wij. ’t Zou, wie ook
de oveiwinnaar was, ’t ergste zijn wat men zich als oplossing
denken kon. Want een blijvende vredestoestand (laat ons
beter zeggen een toe. and, welke daarop gelijkt), zou
alleen door geweldsoverheersching blijvend kunnen bereikt
worden, terwijl het revanche-idee steeds de dreigende
Nemesis zou worden.
Rest dus de oplossing door het tot elkaarbrengen der
worstelende mogendheden.
Veeleer lijkt ons dit bestaanbaar, hoe verre wij daarvan
nog verwijderd schijnen.
Op dit moment brandt de haat tegen al wat Engelsch
is, in de harten van eiken bewusten Duitscher. En omgekeerd
verfoeit elk Engelschman den Germaan. Wij zouden deze
tegenover elkanderstelling natuurlijk verder kunnen voltooien.
Doch al onze lezers kennen de groepen, die
tegenover elkaar staan en hun gevoelens. Dus kennen
zij dat zelf doen. Ook in vredestijd was hun wederzijdsche
beoordeeling niet altijd zeer waardeerend.
Doch wij, neutrale Nederlanders, konden bij herhaling
constateeren, hoe dikwerf vooroordeel en onbekendheid
met elkander de verwijdering veroorzaakte of versterkte,
en het winnend cosmopolitisme (in den gezonden zin van
het woord) bracht steeds meer verbetering. Wij gingen
den goeden weg van verbioedering op. En wij zijn ervan
overtuigd, dat het niet noodzakelijk
is, dat de verschillende
rassen elkaar zullen blijven
haten, wanneer een op goede
wijze tot stand gebrachte assimulatie,
niet de volkseigenaardigheden
uitwischt, doch verzacht
en door een samenkomen op
geestelijk en commercieel terrein
f L de harde kanten der volkseigenaardigheden
worden afgeslepen.
En nu de uitwerking van dit
denkbeeld. De auintessence van
deze beschouwing:
Treuriger dan iets anders
in dezen jammerlijken oorlog,
zijn de berichten, welke meldden,
dat geleerden en kunstenaars in
de verschillende naties uit, laten
wij het ronduit zoo kwalificeeren,
verkeerd begrepen patriotisme,
zich van elkaar afwendden, . de
mannen die boven de partijen
moesten staan, zich in de partijen
gingen oplossen.
Wij noemen dit jammer, omdat
in ons het gevoel leeft, dat
juist van die mannen, de kenners
van oorzaak en gevolgen, de
bestudeerdersvan zielkunde en karaktervorming,
de ontwerpers van
stelsel- en wereldsystemen, de
theoretici, die voor de practici
moeten uitgaan, de redding kan
en moet komen.
De animositeit thans ontstaan,
welke wij zoo innig betreuren, is
nu eenmaal een feit, doch zij behoeft
niet noodlottig te worden
want er resten genoeg corypheeën
der wetenschap in de neutrale
landen die hunne hoofden en
hunne harten kunnen doen spreken
en die de mensch heid hun zegenrijkste
gaven kunnen geven,
door het uitwerken van een stelsel,
het omlijnen van een ideaal, het
naar voren brengen eener gedachte,
in den geest als wij hierboven
schreven.
Tot die mannen van wetenschap
zouden wij onzen oproep
willen richten. Wanneer er door
den oorlog maar één staatsman
zich opricht, die ons uit den poel,
waarin wij dreigen te verstikken,
opheft, dan is het leed niet
voor niets geleden.
Dan zijn die maanden van oorlogsellende,
hoe vreeselijk en hoe
bitter ook, niet om niet geweest.
De mannen van de practijk
schijnen te moeten falen. — Aan u thans, mannen van de
theorie, om hen op het rechte spoor te brengen.
STEDEN VERNIELD.
Na drie maanden oorlogsleed
|