Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1131 tot 1135 van 11897
Nummer
1914, nr.19, 30 oct. 1914
Blad
06
Tekst
DE PAARDENDIEF waren in de Canadeesche vlakten op jachf naar paardendieven, constabel la Mancha en ik. Het toezicht op paardendieven was speciaal toevertrouwd aan ons regiment bereden politie van Noordwest-Canada. Ik ben niet groot van persoon, la Mancha daarentegen is een reus van een vent; ik ben evenwel zijn meerdere, want ik ben korporaalsterwijl mijn maat slechts gewoon agent is. De paardendief, dien wij najoegen, was een zekere Koerner. We reden zuidwaarts langs een smallen weg en keken overal scherp rond naar eenig spoor. We verwachtten de afdrukken van paardenhoeven te vinden en waren zeer verwonderd, toen we in plaats hiervan, de voetsporen vonden van een mensch, een in deze uitgestrekte velden zeker ongewoon verschijnsel. We namen nauwkeurig de voetindrukken op en kwamen tot de volgende conclusie : Den vorigen avond was een blanke man dezen weg gegaan, komende van Regina, ons hoofdkwartier en zich begevende zuidwaarts naar de grens der Vereenigde Staten. Hij droeg groote laarzen van hetzelfde model als de onze; hij was dus klaarblijkelijk ook een politieman. Voorts torste hij een bundel op zijn rechterschouder, was zeer vermoeid en had pijnlijke voeten. Alles was ons duidelijk: ’t was een deserteur ! Hij was forsch en miste aan den rechtervoet al zijn teenen. Er was slechts één man in ons korps die zulk een gebrek had en dat was la Mancha’s broer. Tot nog toe had geen van ons beiden een woord gesproken. La Mancha keek mij van terzijde scherp aan, als wilde hij uit mijn gelaatstrekken lezen of ik besloten was zijn broeder GASTVRIJ HOLLAND EEN BELGISCHE VLUCHTELING met zijn twee kinderen te Teteringen bij Breda. (foto Me}. A. Kleijmans). terwijl hij fluisterend met hem sprak. Ik gaf de beide paarden aan Lane met verzoek hen op stal te brengen en voegde me toen bij de beide broeders. „Wel Bob,” zei ik, „jonge dwaas, wil jij deserteeren met een open wond aan je voet!” „Ik moest wel, brigadier!” De jongeman barstte in snikken uit. „Waarom ?” „Brig !” La Mancha keerde zich tot mij, „Bob zegt dat hij een meisje liefheeft, die hier even over de grens woont, een vijf mijlen vanhier. Haar moeder wil haar noodzaken te trouwen met Koerner, den paardendief, juist den man dien wij aan het zoeken zijn. Wat zullen we doen ?” „Mijn jongen,” ik legde mijn hand op Bob’s schouder, „jij bent mijn gevangene. Ik ben verplicht je morgenochtend naar de kazerne terug te brengen.” „Nou,” zei ik tegen La Manche, „neem je broer mee naar ons slaapvertrek, terwijl ik even naar de paarden ga zien !” „Aha, zijn broeder !” herhaalde een stem van uit het huis. Het was Lane, die ons onderhoud gehoord had. De schurk wist nu de geheele geschiedenis en zou niet nalaten tegen ons te getuigen als we den deserteur lieten ontsnappen. Ik was verdrietig gestemd over deze gebeurtenis en moest er, terwijl ik naar den stal ging en tijdens onzen maaltijd voortdurend aan denken. Toen het tijd was om te gaan slapen, vroeg ik aan Bob of hij zijn woord wilde geven om niet te ontvluchten, doch dit weigerde hij beslist. Toen sloot ik een zijner handen in een boei, waarvan ik het andere eind om mijn eigen pols bevestigde, deed den sleutel in een der zakken mijner jas, die ik aan het andere eind der kamer hing en aldus onafscheidelijk aan mij verbonden, deelde de deserteur met mij de legerstede, waar ik weldra insliep. Tegen den morgen werd ik uit mijn slaap gewekt door een revolverschot vlak bij mijn oor en zag ik mijn gevangene op den rand van de krib zitten, zijn linkerhand nog steeds WAAR IS MOEDER? Foto te Teteringen bij Breda, door Mej. A. Kleijmans genomen. EEN TIJDVERDRIJF. Belgische vluchtelingen aan ’t kaartspel te Teteringen. (foto Mej. A. Kleijmans). na te jagen en gevangen te nemen. Ik zei niets en wij volgden den weg door het voetspoor aangegeven. Tegen den avond bereikten we de Aspen-heuvels, waar zich een posthuis bevond. ..Aha!” riep la Mancha uit. „Hier kunnen we uitrusten ik zal ze eens even wekken.” En zijn revolver te voorschijn halende, deed hij eenige schoten in de lucht, wat voor den postmeester Lane, een teeken moest zijn om open te doen Natuurlijk had de schurk (daarvoor hielden we in het corps La Mancha) dit alleen gedaan, om zijn broeder, dien hij meende dat zich in het posthuis bevond, een waarschuwing te geven „Vertrouw je mij niet ?” vroeg ik, „steek je revolver op I” „Neem me niet kwalijk,” antwoordde La Mancha nederig en bergde zijn revolver weg. „Ik vertrouw je wel, brig. Maar als je mijn broer hier vindt met Lane als getuige zul je genoodzaakt zijn hem te arresteeren als deserteur.” „Laat dat maar aan mij over,” zei ik, terwijl wij op het huis toeliepen, waar de postmeester in de deuropening stond om ons te ontvangen. „Wel,” zei ik, „wat is er voor nieuws?” „How Thermogonisch (welkom soldaten !)” riep hij in de taal der daar wonende Indianenstammen. „Op zoek naar deserteurs, heeren?” ging hij voort, grinsikende in zijn rooden baard. „Ik heb er hier een in huis! Ik ben altijd bereid de politie te helpen!” „Dank-je! Constabel,” zei ik tot mijn maat, „ga naar de achterdeur, opdat hij niet kan ontsnappen.” „Ik heb de achterdeur gesloten,” grinnikte Lane. „Gauw!” schreeuwde ik, „kijk of hij achter niet door de ramen ontvlucht!” Mijn stem klonk luid genoeg om door den deserteur een mijl ver gehoord te worden. La Mancha verwijderde zich, ik riep hem terug. „Constabel!” „Ja brig!” „Als de deur op slot is, breek haar dan open, zoek het huis door naar den deserteur en breng hem hier !” Het oponthoud door deze order gaf den deserteur twee minuten tijd om te ontvluchten, doch blijkbaar had Lane ook de ramen afgesloten, want de voordeur werd geopend en de deserteur kwam naar buiten om zich over te geven. In den afgeloopen winter waren Bob zoo werd hij onder de kameraden genoemd, bij een strenge nachtvorst de teenen van zijn rechtervoet afgevroren. De wond was nog steeds niet genezen en gedurende de voetreis van tweehonderd mijlen weer opengegaan wat hem onduldbare pijnen veroorzaakte. La Mancha was afgestegen en ondersteunde zijn broeder, NAAR DE GRENZEN. Het vertrek naar de grenzen van 3 auto’s met brooden, rijst, dekens enz., ter leniging van den nood van Belgische en andere slachtoffers van den oorlog. aan mijn rechter gebonden en hieraan hard trekkende. Hij had mijn revolver weten machtig te worden en vuurde hiermede in een duisteren hoek van de kamer. In mijn half slaperigen toestand kon ik mij het gedrag van Bob niet voorstellen. „Maak de boei los, gauw !” fluisterde hij. „De sleutel ligt hier op den stoel ! Snel !” En tegelijkertijd opspringende schreewde hij al vurend „Handen op! of ik schiet jullie dood!” Ik had ondertusschen de handboei ontsloten en Bob, nu bevrijd, liep naar het midden der kamer. „Steek licht aan, gauw, brig ! anders ontsnappen ze 1” riep hij mij toe. Ik ging naar de tafel, ontstak een lucifer en hiermede de lamp en nu begreep ik eerst goed wat zich hier afgespeeld had. Terwijl ik sliep, had la Mancha den sleutel der handboei uit mijn zak gehaald en zijn broeder in vrijheid gesteld, opdat deze zijn meisje kon redden. Hij wist dat dit voor mij een zware straf ten gevolge zou kunnen hebben en daarom had hij zichzelf in de boei gesloten en hiermede alle gevolgen voor zijn rekening genomen. En terwijl hij lag te denken over de treurige maanden van gevangenschap, die zouden volgen, zag hij eensklaps de postmeester Lane naar binnen sluipen, een luik in den vloer openen, waaruit een man te voorschijn kroop. Toen had mijn trouwe maat mijn revolver gegrepen en op de beide mannen gevuurd. Nu, bij het licht der lamp zag ik beide mannen in een hoek neergehurkt zitten, de handen omhoog. De een was Lane, de ander Koerner, de paardendief, dien we reeds lang tevergeefs in de prairiën gezocht hadden. Den volgenden dag vond men in de stallen van Lane genoeg gestolen paarden om de schuld der beide bandieten vast te stellen.
PDF
Nummer
1914, nr.19, 30 oct. 1914
Blad
07
Tekst
DE GEWAANDE DIERENTEMMER kunt mij dus geen hoop geven, dat u van besluit veranderen zult ?” „Ik vrees van niet mijnheer Renton. Het is niet omdat ik u niet genegen ben, maar... och, waarom zullen we dit onderhoud nog langer voortzetten ! Ik kan nimmer uw vrouw worden.” Karei Renton wendde zich met een zucht af en Agnes Winkler staarde met neergeslagen oogen naar haar kanten zakdoekje, waaraan ze zenuwachtig plukte. In de laatste veertien dagen was er heel wat gebeurd. Ze hadden elkander leeren kennen en lief krijgen, doch nu moesten ze opeens scheiden, voorgoed; ieder zijn eigen weg gaan en trachten elkander te vergeten. Waarom ? Het meisje alleen wist de reden. Renton liep de kamer door als wilde hij deze verlaten. Bij de deur keerde hij zich om. „Ik vind het hard en onbegrijpelijk na al wat er deze weken gebeurd is,” zei hij. „Hard vooral, omdat ik juist nu naam begin te maken en mij een positie veroverd heb. die mij veroorlooft een eigen haard te stichten. O, Agnes . . . .” Hij brak plotseling af en vervolgde toen met nadruk : „Je moet hiervoor een reden hebben !” Het meisje keek hem ernstig aan. „Ja,” zei ze. „Er is een reden. Ik was niet voornemens ze je mee te deelen, maar ik zal het doen, opdat je niet zult denken dat ik harteloos ben. De reden waarom ik je moet afwijzen is dat je een acteur bent. Mijn vader is dominee in een dorpsgemeente, een man van zeer strenge beginselen, wiens afkeer van het tooneel zoo groot is, dat hij mij nimmer mijn keuze zou vergeven. En ik zou evenmin vrede met mijzelve hebben. Daarom wil ik onze genegenheid in de kiem verstikken, het is beter voor ons beiden. Vaarwel1” „En als ik een ander beroep koos?” „Je zegt dat je naam begint te maken. Grijp het succes en vergeet! Dat is mijn antwoord !” Renton verliet de kamer en keerde naar huis terug, verdrietig. In een paar weken had hij dat eenvoudige meisje leeren liefkrijgen, meer dan hij zichzelf aanvankelijk wilde bekennen. Geen enkele vrouw zelfs voor het schitterende voetlicht had ooit een indruk op hem gemaakt als dit meisje. En Agnes wist dit, daarom nam zij den volgenden dag afscheid van de familie in Londen, waar zij eenige weken had doorgebracht en keerde terug naar haar stil dorpje om daar in de dagelijksche plichten afleiding voor haar verdriet te vinden. Den dag van haar terugkeer in de pastorie heerschte er een ongewone drukte. Dominee Winkler had als blijk van waardeering voor zijn onverpoosden arbeid van zijn gemeente een geschenk in couvert ontvangen om hem in staat te stellen elders eenige weken vacantie te nemen. De dominee vond het bedrag groot genoeg om ook vrouw en dochter mee te nemen, desnoods namen ze dan de vacantie' wat korter. Mevrouw Winkler was evenwel van een andere meening ; haar man had dringend eenige weken rust noodig. Ze wist hem hiervan eindelijk te overtuigen en een paar dagen later werd hij door vrouw en dochter naar den trein gebracht, die hem naar Brighton zou voeren. Eenmaal te Brighton aangekomen, scheen de zeelucht hem te verjongen. Hij huurde kamers aan het strand en bracht de eerste dagen door met wandelingen door de omstreken en langs het strand. De zee had altijd bekoring op hem uitgeoefend. In zijn jeugd had hij er meermalen in gezwommen. Dat was al lang geleden, doch terwijl hij daar zoo staarde naar de kalm aanstroomende kleine golfjes kwam de begeerte bij hem op. er weer eens als vroeger in rond te plassen. Den vijfden dag van zijn verblijf was hij dan ook besloten eens een heerlijk zeebad te nemen. Er was evenwel een moeilijkheid ! Hij kon er niet toe besluiten te gaan baden aan het volkrijke strand waar honderden paren oogen hem konden zien, neen hij wilde slechts baden in de eenzaamheid of heelemaal niet. Hij ging dus op weg, een badhanddoek in een der achterzakken van zijn gekleede jas, onbewust van het feit dat de franje van den doek uit de jaspand te voorschijn kwam en dit HOE ER TE BERGEN OP ZOOM HULP VERLEEND WORDT. (foto's H. v. d. Veen) de aandacht kele personen volgden. Drie bevond hij water. Wat heid ! Hij weer zonder naar de kust Toen hij eventrok van endie hem stil kwartier later zich in het een heerlijk - zwom heen en een oogenblik te kijken, wel eindelijk weer naar hetstrand terugkeerde, bemerkte hij tot zijn grooten schrik dat zijn kleederen verdwenen waren en daarvoor in de plaats lag het pakje van een Bergschot; het korte rokje, de schotsche mantel, het kleine mutsje enz. De situatie was hachelijk en hij stond eenige oogenblikken besluiteloos voor zich uit te staren. Daar ziet hij evenwel tot zijn schrik in de verte een groep menschen naderen, het leek wel een stoet. Er bleef hem nu slechts één ding te doen en dat deed hij : hij schoot de vreemde kleederen aan zoo gauw hij maar kon en klauterde een duin over in de hoop niet gezien te worden. Geen zakkenroller op heeterdaad betrapt kon zich schuldiger gevoelen, dan dominee Winkler op dat oogenblik. Stel je voor dat een van zijn gemeenteleden in Brighton was en hem in deze kleeding zag. Het was te afschuwelijk om aan te denken. Deze gedachte werd echter spoedig verdrongen door een rog afschuwelijker werkelijkheid. De groep personen bleek een cavalcade uit een of ander circus te zijn, bestaande uit een paar kameelen, olifanten, een getraliede kooi, waarin zich eenige leeuwen bevonden, een en ander geëscorteerd door Arabieren in bonte kleederdracht en die troep kwam de plek langs waar hij zich bevond. Dominee had een vreeselijken afkeer van wilde dieren en hij vond iedereen die deze beesten uit hun geboorteland wegvoerde een gevaar voor de beschaving. Terwijl hij hierover nadacht, zag hij tot zijn schrik den stoet in zijn onmiddellijke nabijheid stilhouden en eenige mannen omringd door tal van straatjongens zich naar hem toe begeven. „Goeden morgen, mijnheer,” zei de leider van den troep. „We vreesden al dat u niet gekomen was, tot iemand ons vertelde dat hij je hierheen had zien wandelen om te gaan baden en daarom kwamen we met den troep hier heen om met u een ommegang door de stad te maken.” Dominee Winkler was sprakeloos. „U vergist u,” hijgde hij eindelijk. „Ik ben niet de persoon dien u zoekt. Voor wien ziet u mij in ’s hemelsnaam aan ?” „Wel, u is Macpherson, natuurlijk, de groote leeuwentemmer. LJ bent een wereldberoemdheid in het dresseeren van wilde dieren, dat weet u net zoo goed als ik. doet u dus VROUWEN AAN HET WERK. In Parijs bestaat geheel onder leiding van vrouwen, dus met dames-artsen, verpleegsters enz., een volledig ing'ericht hospitaal. maar niet zoo nedrig voor. Uw koffers zijn juist aangekomen en de voorstelling begint om één uur. Er is dus niet veel tijd te verliezen. We hebben lang genoeg gehoopt op een engagement met u en nu we dit voor een enkele voorstelling gekregen hebben, zullen we er terdege gebruik van maken.” ..Maar mijn goeie man . . . .” „Ja, ja. in orde, mijnheer! Klauter maar gauw op dezen kameel; zijn bult is niet zoo groot als de uitbrander dien ik krijg, als ik te laat kom.” Dominee Winkler ging achteruit, toen de circusman hem de hand op zijn schouder legde. „Als dat een grap is, mijnheer, die ge thans speelt, is het een zeer mindejwaardigen,” riep hij geërgerd uit. „Mijn naam is Winkler, dominee Winkler van Little Pendleston in Surrey. Als je me dus niet met rust laat, zal ik er de politie over spreken.” „Kom, kom, mijnheer ! Nu neemt u een loopje met mij. Een dominee zal op klaarlichten dag in het pakje van een schot rondloopen. Neen, u is Macpherson, die vanmiddag deze leeuwen temmen zal, daar wil ik alles om wedden !” Dominee voelde zich aan weerszijden beetgevat en voor hij zich verweren kon zat hij hoog en droog op een der kameelen. Hij voelde zich onmachtig om zich verder tegen dezen troep gekken te verzetten; den zadelknop krampachtig vastgrijpende, ten einde door den vreemden gang van het dier niet van zijn hooge zitplaats te vallen, schikte hij zich stilzwijgend in zijn noodlot. En op deze ongewone wijze, in deze ongewone kleedij maakte dominee Winkler een ommegang door de badplaats en werd hij door de bevolking aangegaapt en toegejuicht als Macpherson, de beroemde schotsche dierentemmer. * * ♦ Een groote menigte menschen bevond zich reeds in het circus, toen de bonte stoet aldaar aankwam. Een luid applaus steeg uit de menigte op, toen de kameel in het midden van het circus stilhield en neerknielde om Winkler te doen afstijgen. Hij bevond zich als ’t ware in een roes; het zweet brak hem aan alle kanten uit, doch hij was niet in staat een woord te spreken, zijn verzet uitte zich nog slechts in een gebrom. Door een der circusknechts naar een kleine wachtkamer geleid, nam hij plaats op een stoel. Daar zat hij, in wanhoop, te wachten tot de voorstelling een aanvang zou nemen. Hij hoorde een luid geredekavel, geschuifel en geloop van het aanwezige publiek. Hij stond op en dronk met groote teugen een glas water leeg, wat hem de overtuiging schonk dat alles werkelijkheid, afschuwelijke werkelijkheid was. Hetgeen daarna gebeurde is hem slechts vaag, als in een droom beleefd, bijgebleven Hij werd naar een platvorm in het circus geleid onder het gejuich der menigte. Daar stond de leeuwenkooi, wier traliën rammelden onder het heen-en-weergeloop der verschrikkelijke dieren. Hij zonk op een tabouret neer, wachtende op zijn noodlot en staarde als wezenloos naar het publiek. Daar schrok hij eensklaps op als door een electrischen schok. Ook dat nog ! Was de lijdensbeker nog niet vol genoeg? Op de eerste rij, vlak voor hem zaten zijn vrouw en dochter en staarden hem aan alsof zij een geest zagen. Hij trachtte op te staan en wilde spreken, doch de circusdirecteur drukte hem weer op zijn zitplaats neer en trad naar voren. „Dames en heeren,” begon hij, „we hebben hier den grootsten dierentemmer ter wereld, Roy Macpherson. Na een roemvolle reis door Europa is hij thans hier om u te doen zien hoe hij in staat is volkomen wilde dieren te dresseeren. De leeuwen zijn nog ongetemd en gedurende een week niet gevoed.” (Dominee Winkler kreunde en begroef zijn hoofd in zijn handen). „Ze zullen ieder mensch verslinden, die in hun bereik komt, zooals gij, dames en heeren, uw kadetje bij uw ontbijt verorbert. Macpherson evenwel kan zonder schade hun kooi binnentreden, ze zullen hem niets doen, want ze zijn .bevreesd voor hem. Onze dresseur hier is een zeer nederig man, en verzoekt u niet te applaudiseeren, terwijl hij in de kooi is ; dat zou allicht . . Hallo ! Wat is dat? Een telegram?” Een man naderde haastig den spreker en overhandigde hem een telegram. De directeur scheurde het fluks open. las het, liep toen een paar schreden terug en staarde in de grootste verbazing den heer Winkler aan. Toen zich weer herstellende zei hij : „Dames en heeren ! Hier heeft een vergissing plaats gehad. Deze heer is de beroemde dierentemmer niet. Macpherson heeft den trein gemist en kan eerst over een uur hier zijn. Maar wie, in ’s hemelsnaam, is u dan, mijnheer?” (Wordt vervolgd).
PDF
Nummer
1914, nr.19, 30 oct. 1914
Blad
08
Tekst
EEN INTERESSANT ONDERZOEK. Een Duitsche soldaat die een Fransche granaat bestudeert. IRENE BOGAERTS, oud 16 maanden, vader in het Belgisch leger, moeder? Was te Antwerpen bij een pleegmoeder, Wed. Oosterbos. Baron A. J. Quarles de Quarles oud gouverneur van Celebes en oud-lid van den Raad van Ned.-Indië, die een dezer dagen in den Haag is overleden. MAAND-PANORAMA’S. W ij ontvingen van verschillende zijden aanvragen om ons blad, in maandelijksche deelen te zamengebracht, verkrijgbaar te stellen. Aan dit verlangen hebben wij voldaan en stellen deze deelen in omslag a 60 CtS. verkrijgbaar. EEN BELGISCH GRAF. Familieleden bezoeken de laatste rustplaats hunner verwanten en sieren de graven langs den weg met bloemen. EEN DOODSKOPHUZAREN-PATROUILLE in Noord-Frankrijk in actie. (foto's Ver. Fotobureaux). ? WIE HELPT ONS ZOEKEN ? BELGISCHE VLUCHTELI N GETJ ES die te Leiden aan de goede zorgen van het R.-K. Huisvestingscomité zijn toevertrouwd. In ons voi j nummer werd door een foutieve opgave als inlichtingsadres het Comité Zomerzorg Leiden genoemd. De informaties worden echter door het R.-K. Huisvestigingscomité te Leiden verschaft, dat de kinderen in verschillende plaatsen onderbrengt. DE DINSDAGAVOND BENOEMDE NIEUWE MINISTER Z. Exc. F. E. POSTHUMA, Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN Dit jongetje zegt te heeten: EDMOND MIRAKEL, 5!/2 jaar oud, is te Eeckeren op den trein gezet. Hij spreekt over het „Kinderhuis” en zegt dat vader een zeeren schouder heeft. Zijn goed is gemerkt No. 22. LOUIS FRANCK, de verdienstelijke Belg, die zich zoo zeer voor zijn gevluchte landgenooten interesseert. W ij maken de koopers van losse nummers van Panorama er opmerkzaam op, dat wij desverlangd ook nog de afleveringen vanaf 1 Aug. kunnen leveren. Wij lieten de uitverkochte nummers zóó overdrukken, dat het overzicht der wereldgebeurtenissen in een volledig beeld door ons blad wordt gegeven.
PDF
Nummer
1914, nr.19, 4 nov. 1914
Blad
09
Tekst
No. 19b 4Nov. 1914,2eJrg. Verschijnt 2 maal p.week UITGAVE VAN A.W. SIJTHOEE5 UITGEVERS MAATSCHAPPIJ LEIDEN © Redactie en •Adm i m istnatie DOEZASTRAAT 1 Telefoonnummer I © KONING ALBERT EN GENERAAL JOFFRE, DIE DE REVUE DER VEREENIGDE TROEPEN TE ZAMEN BDWONEN. — DE TROEPEN TREKKEN IN STORMPAS VOORBIJ.
PDF
Nummer
1914, nr.19, 4 nov. 1914
Blad
10
Tekst
ij leven in een neutraal land. De lasten van den oorlog, die op ons drukken, knellen voor velen heel pijnlijk, maar ons goed en bloed behoefden wij tot op heden niet tegen vijandige aanvallen te verdedigen. Onzen steden en dorpen dreigde geen vernielend krijgsbedrijf. Verhoudingsgewijze hebben wij redenen genoeg tot groote dankbaarheid. En toch drukt de oorlog op ons als een verschrikkelijke obsessie, hebben wij, zooals wij het een dezer dagen zoo teekenend hoorden aanduiden, de oorlogsverschrikking in ons bloed. Hoe komt dit? Het is niet de angst voor het directe gevaar, ook niet de beroering van de crisis, welke dit veroorzaakte. Maar juist omdat wij neutraal konden blijven, omdat wij niet actief aan den strijd behoefden deel te nemen, doordat in ons lichaam en in ons gevoel niet de oorlogskoorts woedt, bezien wij de gebeurtenissen, die de wereld teisteren, breeder, en van een ander standpunt en voelen wij dus zuiverder het kwaad van den oorlog. Er zijn in ons midden warme voorstanders voor de zaak van elk der strijdende volkerengroepen. Men schendt onze neutraliteit niet, door zulks te constateeren. Maar van het grootste deel der Nederlanders, en zeker van de mannen aan de spits, kan verklaard worden, dat het onzijdigheidsbetoon geen ijdel vertoon is, door de angst voor lijf en goed ingegeven. Ons kleine volk heeft op het gebied der beschaving steeds een belangrijke rol gespeeld. Door het feit, dat wij gemakkelijk vreemde talen spreken en zeker niet minder door de ligging van ons land, waren wij in voortdurende aanraking, in vriendschappelijken omgang, in vaak zeer diepstrekkende samenwerking, zoowel met onze oostelijke als met onze westelijke naburen Ook onze zuidelijke naburen., deze aanduiding zoo ver mogeiijk uitgestrekt, waren onze goede vrienden, voor wier werken, wier cultuur, wier levensschoonheid, wij warm gevoelden. En nu zien wij door dezen vervloekten krijg, hoe ai deze volkeren, met miskenning van het schoone, dat in het volksleven en in het karakter van hun tegenstanders leeft, met een verwoedheid, die geen grenzen kent, elkaar te lijf gaan. Wij zien den strijd, doch voelen niet, waarom deze noodig was; begrijpen niet waarom al deze verschillende opvattingen, karakters en belangen, niet op verstandige wijze tot elkaar gebracht hadden kunnen worden. Wij hebben natuurlijk eerbied voor de reusachtige opofferingen, die met een beroep op de luidsprekende vaderlandsliefde, worden geleden; wij zijn niet zoo verwijfd, om geen respect te hebben voor den moed van den LEVENS VERWOEST. krijger, noch zoo onaardsch om voor de organisatie en de wetenschap van den modernen oorlog, geen bewonderende beoordeeling te hebben. Maar als nuchtere, kalme, en wij mogen er wel bii zeggen, neutrale Nederlanders, leeft er in ons de overtuiging, dat al die verbittering tegenover elkaar, al dat bestrijden van elkander overbodig zou moeten zijn, indien inplaats van een parool van tweedracht er een gedachte gevonden kan worden, welke boven eigenbelang, boven rasgemeenschap, boven Vaderlandsliefde, in den zin van beperking van horizon, zich verheffen kan, zoo dat tweedracht in eendracht zou omslaan, strijd in vrede WAT OP DE SLAGVELDEN VAN NOORD-FRANKRIJK ACHTERBLIJFT Onze foto werd bij Fère Champenoise genomen. zou veranderen en de oorlog dus overbodig zou zijn. Het lijkt een onbereikbaar iets. En wij vreezen met groote vreeze, dat velen van hen die dit zullen lezen, ons ervan zullen verdenken, hier een hersenschim te willen najagen. Maar niets is minder waar dan dit. In een zoo hevigen strijd, zijn twee dingen mogelijk: öf een volkerengroep overwint tenslotte en brengt haar tegenstanders in een toestand van afhankelijkheid, die met een normalen groei onvereenigbaar is, öf de thans strijdende naties moeten leeren inzien, dat de oorzaak, die hen tot oppositie voerde, kan weggenomen worden, waardoor een samengaan, in andere omstandigheden als vroeger en daardoor op gezonde basis steunend, ontstaat. In een absolute overwinning, zooals hierboven aangeduid, gelooven wij niet, noch hopen wij. ’t Zou, wie ook de oveiwinnaar was, ’t ergste zijn wat men zich als oplossing denken kon. Want een blijvende vredestoestand (laat ons beter zeggen een toe. and, welke daarop gelijkt), zou alleen door geweldsoverheersching blijvend kunnen bereikt worden, terwijl het revanche-idee steeds de dreigende Nemesis zou worden. Rest dus de oplossing door het tot elkaarbrengen der worstelende mogendheden. Veeleer lijkt ons dit bestaanbaar, hoe verre wij daarvan nog verwijderd schijnen. Op dit moment brandt de haat tegen al wat Engelsch is, in de harten van eiken bewusten Duitscher. En omgekeerd verfoeit elk Engelschman den Germaan. Wij zouden deze tegenover elkanderstelling natuurlijk verder kunnen voltooien. Doch al onze lezers kennen de groepen, die tegenover elkaar staan en hun gevoelens. Dus kennen zij dat zelf doen. Ook in vredestijd was hun wederzijdsche beoordeeling niet altijd zeer waardeerend. Doch wij, neutrale Nederlanders, konden bij herhaling constateeren, hoe dikwerf vooroordeel en onbekendheid met elkander de verwijdering veroorzaakte of versterkte, en het winnend cosmopolitisme (in den gezonden zin van het woord) bracht steeds meer verbetering. Wij gingen den goeden weg van verbioedering op. En wij zijn ervan overtuigd, dat het niet noodzakelijk is, dat de verschillende rassen elkaar zullen blijven haten, wanneer een op goede wijze tot stand gebrachte assimulatie, niet de volkseigenaardigheden uitwischt, doch verzacht en door een samenkomen op geestelijk en commercieel terrein f L de harde kanten der volkseigenaardigheden worden afgeslepen. En nu de uitwerking van dit denkbeeld. De auintessence van deze beschouwing: Treuriger dan iets anders in dezen jammerlijken oorlog, zijn de berichten, welke meldden, dat geleerden en kunstenaars in de verschillende naties uit, laten wij het ronduit zoo kwalificeeren, verkeerd begrepen patriotisme, zich van elkaar afwendden, . de mannen die boven de partijen moesten staan, zich in de partijen gingen oplossen. Wij noemen dit jammer, omdat in ons het gevoel leeft, dat juist van die mannen, de kenners van oorzaak en gevolgen, de bestudeerdersvan zielkunde en karaktervorming, de ontwerpers van stelsel- en wereldsystemen, de theoretici, die voor de practici moeten uitgaan, de redding kan en moet komen. De animositeit thans ontstaan, welke wij zoo innig betreuren, is nu eenmaal een feit, doch zij behoeft niet noodlottig te worden want er resten genoeg corypheeën der wetenschap in de neutrale landen die hunne hoofden en hunne harten kunnen doen spreken en die de mensch heid hun zegenrijkste gaven kunnen geven, door het uitwerken van een stelsel, het omlijnen van een ideaal, het naar voren brengen eener gedachte, in den geest als wij hierboven schreven. Tot die mannen van wetenschap zouden wij onzen oproep willen richten. Wanneer er door den oorlog maar één staatsman zich opricht, die ons uit den poel, waarin wij dreigen te verstikken, opheft, dan is het leed niet voor niets geleden. Dan zijn die maanden van oorlogsellende, hoe vreeselijk en hoe bitter ook, niet om niet geweest. De mannen van de practijk schijnen te moeten falen. — Aan u thans, mannen van de theorie, om hen op het rechte spoor te brengen. STEDEN VERNIELD. Na drie maanden oorlogsleed
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1131 tot 1135 van 11897