|
HOE LONDEN IN DEN OORLOG LEEFT
|n dit tijdperk, waarin door den oorlog de geheele
beschaafde wereld een zoo groote verandering
g heeft ondergaan, daar kan het niet anders
$ zijn of ook de grootste stad, de meest uitgestrekte
verzamelplaats van menschen, die
de wereld kent, is veranderd. Londen is
het Londen van vroeger niet meer.
Niet alleen het simpele feit dat ’s avonds na zeven uur
de gansche stad in duister is gehuld geeft van dit anders
zijn blijk, maar de couranten, de theaters, de bars en restaurants,
alles doet de vreemdeling zien, dat de flegmatische
Londenaar veranderd is en een mensch is geworden vervuld
van hevige oorlogswoede, dat de Engelschman in het
algemeen door het oorlogsvuur zoo is aangetast dat van den
kalmen en welberekenden business-man, zooals wij dien vroeger
kenden, weinig is overgebleven.
De Duitschers worden in Londen thans gehaat zooals
geen mensch zijn medemensch haast kan haten en de
Duitsche keizer, als vertegenwoordiger van het Duitsche
volk, of tenminste als zoodanig beschouwd, is de man waarop
zich al deze haat concentreert en die het ontgelden moet.
Ontelbaar zijn de spotschriften, de prentbriefkaarten en de
brochures die tegen en over hem in de wereld worden gezonden.
Geen courant verschijnt of de een of andere
cancaturist geeft er zijn humor in ten beste en Z. M. wordt
op de meest onmogelijke en dwaze wijze uitgeteeKend. Een
heel enkel maal sluipt ook wel eens wat goede en gezonde
humor door al die oorlogshsat heen. Zoo gaf bijvoorbeeld
een van de geïllustreerde bladen de volgende anecdote
ten beste.
„Een jongen vraagt een ouden man den kortsten weg
naar het naastbijzijnde hospitaa1 en het antwoord
is: schreeuw maar „hoera vóór den keizer”, —
en ze brengen je er wel heen.”
Dit is teekenend en het zou niet moeilijk zijn
tal van voorbeelden aan te halen om te bewijzen,
dat de haat tegen Duitschland zoo
sterk is geworden, dat ze den gewonen, normalen
gedachtenganggeheel heeft gestoord; de Engelschman
denkt niet meer op dat punt; wat er thans
nog „goed” in de wereld is, dat deden of doen
de Engelschen, wat er „slecht” is, dat hebben
de Duitschers gedaan. Over Oostenrijk, dat
beschouwd wordt de eigenlijke oorzaak van het
treurspel te zijn, wordt niet gesproken; Duitschland
is momenteel voor den Engelschman de incarnatie
van al wat slecht is, en het zal nog
lang duren, voor dat deze toestand zal gaan verminderen;
zij is te intens en daarenboven te
verspreid Wanneer men ernstige menschen
hoort zeggen, dat ze hopen dat de Duitsche
taal in het vervolg niet meer op de Engelsche
scholen zal worden onderwezen, dan moet het
den Hollander, die zijn vreemde talen en hunne
literatuur liefheeft, toch bang om het hart slaan.
Natuurlijk heeft dit alles voor het land ook
wel zijn goede zijde. De vrijwillige dienstname
voor Lord Kitchener’s 500.000 man zou zeker
zonder deze oorlogsdrift niet zoo gemakkelijk
en vlug van stapel zijn geloopen. In Londen,
waar men vroeger weken kon vertoeven zonder
een enkel militair te zien, ziet men thans telkens
lange rijen soldaten, gedeeltelijk met, gedeeltelijk zonder
uniform, zingend en fluitend door de straten marcheeren.
Het eigenaardige is, dat de haat tegen Duitschland, het
HOE HET VOLK ZICH TE BUITEN GING.
Duitsche winkels vernield.
Een uit velen.
Engelsche volk
tot datgene, wat
and ’t allermeest
militairisme. Het
groote oefenen
cok in de anhet
geheele land
exercitie-terreiwordt
er gecomdrild.
Zeker is
overdreven gening
van sport
natie thans ten
zijn meest sterke,
die door de stramannen,
die in
vermoeienissen
ontberingen van
te doorstaan,
oorlog lang zal
bij de Engelschen
sloten te overkennen
hun vijniet
te weten dat
opgeven voordat
mogelijkheid om
vaststaat. Zooals
Lord Kitchener’s
heeft gebracht
het in zijn vijverfoeide,
nl. het
Hyde-park is één
plaats geworden
dere steden over
zijn de parken tot
nen ingericht en
mandeerd en gebet
dat de als
wraakte beoefede
Engelsche
goede komt. Het
geharde kerels,
ten marcheeren,
staat zijn om
te dragen en de
een langen krijg
Want dat deze
duren, dat staat
vast. Zij zijn bewinnen
en ze
and te goed om
ook deze niet zal
de absolute ondoor
te vechten
reeds gezegd,
oproep aan de
natie vond een gretig gehoor en daarenboven is er ook genoeg
reclame voor gemaakt. Alle huurauto’s zijn beplakt met
veelkleurige biljetten met de opschriften „Het land en de
BIJ HET STANDBEELD VAN NELSON.
koning hebben je noodig” of „Ben je gezond, teeken dan
voor het leger”, terwijl wel een van de beste platen was, het
portret van Lord Kitchener met den vinger vooruit wijzend
en het onderschrift ,,I want you, young man,” alsof hij zeggen
wil, juist jou heb ik noodig, jong mensch !
Op tal van plaatsen zijn de inschrijvings-kantoren geopend
zoowel in de „City” (waar het gebouw van de „North
German Lloyd” er voor werd ingericht) als in de „WestEnd”.
Voor de groote hotels sloegen de militairen hun
kampen op en het stadhuis (Mansion House) is bijna onzichtbaar
geworden door de groote legeradvertenties en
aanplakborden.
* *
*
Het nieuws dat de Londenaars van het oorlogsterrein
krijgen is zeer weinig en dan nog niet altijd versch. De
hoofdschotel wordt gevormd door het officieele Fransche
bericht af en toe onder bijvoeging van de meestal bijgekomen
berichten uit Petrograd en
Rome, die dan via Amsterdam de
Londensche pers heeten te bereiken.
De couranten-lezer heeft dan ook
wel, (al ging het uit den aard moeilijk),
leeren inzien dat niet alles
juist kan zijn, maar de moeilijkheid
is natuurlijk, waar de grens
tusschen dit alles moet worden getrokken.
Eigenlijk behoeft men in ’t geheel
geen couranten meer te lezen, de vele
aanplakbiljetten geven het nieuws in
verkorten vorm reeds weer en het
is voor den Hollander een eigenaardige
gewaarwording om te midden
van de Londensche herrie plotseling
een biljet te zien met het een
of andere, vaak dan nog slecht gestelde,
Hollandsche opschrift. Dit is
een beleefdheid van de Engelsche dagbladperstegenoveronze
zoo zwaar bezochte Zuidelijke buren en zelfs hebben vele
avondbladen het laatste nieuws in verkorten vorm in de
Vlaamsche taal afgedrukt. Trouwens er wordt in Londen
veel gedaan om het den Belg naar den zin te maken.
Wat het zakenleven betreft, bemerkt men zoo oppervlakkig
weinig verschil met vroeger; tal van firma's hebben
in hunne uitstalkasten groote plakkaten geplaatst met de
woorden „business as usual” maar de goede opmerker kan
toch wel zien dat ook aan het Engelsche zakenleven wat
hapert. Wel wordt door de regeering al het mogelijke gedaan
om alles zoo geregeld mogelijk te laten voortgaan en
wordt er zelfs met nadruk op gewezen dat het thans de tijd is
te trachten overal waar mogelijk den handel op de Duitschers
te heroveren waar die in de afgeloopen jaren verloren werd,
maar of dit wel zoo geheel zal lukken is een open vraag.
In de winkels wordt veel reclame gemaakt door die goederen
uit te stallen, die van zuiver Britschen oorsprong zijn,
maar er zijn zoovele zaken die zoo speciaal Duitsch zijn, dat
de Engelsche markt niet in staat is ze te leveren. De Engelsche
moeder zal het met Kerstmis nog wel merken wanneer
ze speelgoed voor haar kinderen wil koopen, want dit is
een van die artikelen waar de Duitsche industrie sinds jaren
her reeds het monopolie van heeft gehad en zoo zijn er meerdere.
* *
Er zijn nog tal van andere zaken die eene beschrijving
overwaard zijn, maar het zou hier te ver voeren die alle
min of meer uitvoerig te bespreken. We kunnen alleen nog
noemen het „Prince of Wales fund” d.i. een fonds ter ondersteuning
van diegenen die door den oorlog lijden.
Dit fonds, dat de vorige week tot drie en een
half millioen pond sterling was geklommen (42
mihoen gulden dus) heeft ten doel hulp te verleenen
aan allen die door den oorlog, direct
of indirect broodeloos zijn geworden en is bijeengebracht
uit enkel vrijwillige bijdragen. Het
werkt met sub-comite’s over het geheele land
en zal zoodra het goed en wel georganiseerd is
zeer zeker een nuttig en welbesteed werk kunnen
verrichten.
Een aardig denkbeeld is van ’s Konings dochter
Princes Mary uit gegaan. Haar broer wilde
voor de dagelijksche behoefte zorgen, zij dacht
aan den naderenden Kerstmis en haar oproep
gold nu het bijeenbrengen van £ 100,OCX) voor
het geven van een kerstgeschenk aan iederen
soldaat of matroos in dienst.
Den eersten dag den besten werd door 18 personen
(waaronder de vorstelijke familie die te
samen fl 2500 gaven), een fl 50,000 bijeen
gebracht.
Weldadigheid betracht Engeland altijd in het
groot. Grappig Engelsch is het slot van ’s Prinsesjes
cproep: „Kan men iets denken, dat
beter en hartelijker opwekking voor den strijd is
dan een geschenk dat direct van het vaderland
komt juist op den Kerstdag. Help mij dus
als je blieft! Mary.”
* *
*
Wij zijn hiermede zoowat gekomen aan het einde van
onze beschouwing en hebben eens iets laten zien hoe men in
Londen zich in den oorlogstoestand schikt. Het is een feit
dat het rustig vertrouwen in hun machtige vloot de Engelschen
voor landingen niet bevreesd hoeft te doen wezen,
terwijl tegen de luchtschepen alle mogelijke voorzorgsmaatregelen
zijn genomen. Toch heerscht er over het algemeen
een zenuwachtige stemming en brengt een bericht
van een kleine overwinning een roes van vreugde een dito
van een nederlaag een groote depressie teweeg en het is
vooral door deze zenuwachtige stemming dat dit Londen
zich onderscheidt van het Londen van voorheen, het zelfbewuste,
en oppermachtige Londen zooals het steeds troonde
als de grootste onder de grooten.
VOOR „HOME-DEFENCE”.
Sir Alfr. Turner inspecteert de recruten, die zich aanmeldden voor het leger dat in
Engeland blijft.
|