Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1121 tot 1125 van 11897
Nummer
1914, nr.18, 28 oct. 1914
Blad
12
Tekst
DE ENGELSCHE TROEPEN OP HET VASTELAND CANADEESCHE VRIJWILLIGERS, die hun „Regiments-Papegaai-’ naar Europa meebrachten. Het is vooral bij de Engelsche troepen een gewoonte dat vele Compagniën een „regiments-kind” er op nahouden. Meestal zijn het honden. Hooglanders hebben ook wel eens een ram. De papegaai als „pet” zal wel een zeldzaamheid zijn. DE VELDPOST. De gemakkelijke communicatie welke tot nu toe tusschen Engeland en de Fransche Noord-kust bestaat, garandeert den Engelschen troepen een geregelde veldpostbezorging welke de soldaten zeer op prijs stellen. Ondanks het verschil in taal, schijnen de Tommie’s zich best met de Fransche bevolking te kunnen verstaan. Fransche kinderen vinden het een pretje en een eer om met een Engelschen soldaat te mogen wandelen. ENGELSCHE ARTILLERIE IN ACTIE AAN HET FRONT. GOEDE VRIENDEN
PDF
Nummer
1914, nr.18, 28 oct. 1914
Blad
13
Tekst
O O O O DE GEÏNTERNEERDEN IN HOLLAND O O O O UIT HET BELGISCHE INTERNEERINGSKAMP. Verscheidene vluchtelingen hebben in het interneeringskamp reeds familieleden of vrienden teruggevonden. IN GEPEINS VERZONKEN. Hoe zullen vrouw en TERUG VAN DE WANDELING. - Onder leiding van eigen officieren maken de kinderen het maken? Wanneer zal ik mijn land terug- geïnterneerden wandelingen terwijl er ook op andere wijze zooveel mogelijk wordt zien en hoe? gezorgd om de verveling te verdrijven. GROEP VAN ENGELSCHE OFFICIEREN en verdere genoodigden, die de te Groningen gehouden voetbalwedstrijd bijwoonden. DE GELIEFKOOSDE SPORT. Tusschen een Engelsch (wit) en een Hollandsch (gestreept) elftal, is te Groningen een voetbalwedstrijd gehouden. DE GEÏNTERNEERDE ENGELSCHE MATROZEN te Groningen, maken een wandeling binnen het hek van de kazerne. OOK IN HOLLAND GEÏNTERNEERD. „Shrapnell” is een van de honden, die meegenomen is uit de loopgraven bij Antwerpen. Een eigenaardigheid is, dat hij blaft tegen ieder de die grijs-groene uniform draagt. DE DUITSCHE in een van de lanen van het interneeringskamp. geïnterneerden te bergen Van de mooie omgeving wordt door velen dankbaar genoten. BIJ ALKMAAR. Geïnterneerde Duitsche officieren nemen kennis van het laatste oorlogsnieuws. UIT HET ENGELSCHE INTERNEERINGSKAMP TE GRONINGEN
PDF
Nummer
1914, nr.18, 28 oct. 1914
Blad
14
Tekst
CIS DE DIKKE OP HET — OORLOGSPAD — UIT HET ITALIAANSCHE LEGER let is merkwaardig hoe sommige menschen een zekere vermaardheid hebben, die hun heel niet toekomt, een onverdiende slechte reputatie, of ook wel een goede, waarop ze geen recht hebben. Ik heb, bijvoorbeeld, op school een jongen-gekend, die door een ieder voor sterk als Simson werd aangezien, en daarom door een elk werd gevreesd, tot op een goeien dag iemand, die van zijn betooverende reputatie niets afwist, hem met een handomdraaiens op de wereld legde. De voorbeelden van zulke gevallen zijn voor het grijpen, maar ik grijp ze niet, om uwe aandacht niet te vermoeien en deze in al haar verschheid te bewaren voor het verhaal van mijn armen Cis, den vetsten en dappersten man, die ooit op twee beenen en met het hoofd naar boven op Gods aardbodem rondgepassagierd heeft. Wat zijn vetheid betrof, die was boven eiken twijfel verheven, ’s mans omvang was weergaloos, zijn gestalte had overeenkomst met een okshoofd, zijn gezicht glansde van blanke vetheid, zijn mond was rood als een kleine, rauwe biefstuk, zijn nek zou best bij een ander mensch voor — lende hebben kunnen doorgaan. In één woord; Cis mocht er zijn. En hij was er dan ook. Hij had behalve de welverdiende reputatie van vetheid echter, zooals ik zei, de onverdiende reputatie van dapperheid. Nooit had iemand hem een moedige daad zien bedrijven, maar hij had een zekere goedmoedige snorkerij over zich, wat gevoegd bij zijn bekende spierkracht, zijn omvangrijke persoonlijkheid en zijn duizelingwekkend diepe basstem altijd danig indruk op een ieder gemaakt had, en hem door elkeen voor een fameuzen mannetjesputter had doen houden, zonder dat hij ooit ook maar een allerminiemst heldhaftigheidje had ten beste gegeven. Hij vocht nooit, ook niet als hij, in een ruzie betrokken, werd uitgedaagd, en men vond dat subliem van den man. „Ik ben te sterk om te vechten. Ik knip een diender van me af als een pluisje van mijn broekspijp,” zei hij met zijn koperen, stem. En men lachte hem luidruchtig hulde toe. „Hij is góéd,” zei er een, knipoogend. „Of ie”, beaamde een ander. „Nou, laat dié maar loopen,” lachte een derde. En allen gekten en lachten mee, uit pret, maar ook uit vrees menigmaal, want die goeie zwaar-gewicht-worstelaar moest je in elk geval te vriend houden, hij was een bovenste beste kerel, hoor, daar niet van, en, net als hij zei, té sterk om te vechten, maar jonges. jönges, als hij toch eens begon .... Je kón nooit weten .... En een ieder hield zijn hart vast. De oorlog dreigde, en Cis was ellendig te moede. In de maagstreek verminderde zijn omvang met eenige centimeters. Van baloorigheid en vrees was zijn eetlust de eerste dagen veel geringer dan gewoonlijk; al moet ik zeggen, dat wat de man toen at, nog zeer, zéér respectabel was. De mobilisatie werd afgekondigd. De miliciens van alle denkbare en ondenkbare lichtingen werden opgeroepen. In de steden en in de dorpen wemelde het van menschen in uniformen. Cis was ook opgeroepen. Eerst had het een kleine strubbeling gegeven. Dat er nu ook net oorlog moest Komen terwijl hij leefde.... Als het een vijftig jaar later was uitgebroken, had hij niet meer behoeven mee te doen .... Enzoovoorts. Maar ten slotte had hij moeten berusten, en het weerspannige lichaam in een wapenrok gestoken, welk laatste karweitje ook nog niet eens meegevallen was, want nergens was een uniform, dat hem paste; eindelijk was een leverkleurig linnen militair werkpak* gevonden, waar hij met eenigen goeden wil kon worden ingeperst. Wel builde overal zijn vetheid tusschen de knoopen uit, zoodat zijn borst iets van een gecapitonneerden leunstoel had. wel spande de broek zeer beangstigend om de machtige dijen, maar hij zat nu al verscheidene dagen in dat pak zonder dat er iets gebeurd was; reden om te vertrouwen dat het nog wel langer houden zou. De oorlog brak uit. Cis was ellendig te moede, toen het bekend werd, maar na eenige dagen was hij er, om zoo te zeggen, wat mee verzoend, met de zekerheid voor oogen dat er toch niets aan te veranderen was. Bij het uitbreken van den oorlog bewaakte zijn regiment de spoorwegen. Later, toen het gros van het leger dat van den vijand tegemoet getrokken was, had het de spoorlijnen verlaten om de proviand-transporten te verzekeren. Men patrouilleerde uren gaans in den omtrek, en geen vijand was tot nu toe nog gezien. Het GENERAAL VICTOR ZUPELLI, de nieuwe Minister van Oorlog in Italië. Zijn benoeming herstelde de eensgezindheid tusschen Ministerie en Opperbevelhebber. I talië, dat zich niet verplicht achtte in dezen oorlog zijn medecontractanten in de Triple Alliance terzijde te staan, zich erop beroepend, dat Oostenriik-Hongarije den oorlog met Servië begon, beschikt over een belangrijke legermacht. Het kan 2 millioen man in het veld brengen. De Marine bestaat uit 6 Dreadnoughts, 8 lichte Dreadnoughts, 22 Kruisers. 45 Torpedo-kanonneerbooten en Torpedojagers, 86 Torpedobooten, 25 Onderzeeërs. Het is te begrijpen, dat de Italiaansche onzijdigheid voor de Triple Entente-naties van groot belang was, en ook dat deze het heerlijk zouden vinden, indien Italië zich aan haar zijde schaarde, in de hoop, de Italiaansche veete tegen. OostenrijkHongarije te kunnen uitvechten. Bijgaande kieken uit het Italiaansche leger, interesseeren in dit verband onzen lezers zeker. was een vreedzaam oeanji. om zoo ie sprenen; van vecmen geen sprake. De patrouille van Cis lag in een verlaten heide-achtig land schap. Lachend en rookend trokken de manschappen de buurt door, voorzagen zich van voedsel, sliepen in hun kleine kamp, en zagen zoo goed als niets van den oorlog. Cis was weer op zijn gewone gewicht gekomen, en daar er nooit een vijand in de buurt was, konden de mannen het op hun sloffen af. Een gezond leventje in de vrije natuur. Geen nobmenswaardige nooddruft. Sigaretten, tabak, gymnastische bewegingen eiken dag, en mooi weer. Maar zoo bleef het niet. Op een slechten dag kwam er een bericht dat de vijanden in de buurt waren, en dubbele waakzaamheid was nu eisch. Cis’ patrouille was naar de bevelvoerende korporaal meende, de eerste, die in dezen uithoek van het land van de aanwezigheid van den vijand vernomen had, en de mededeeling daarvan moest onverwijld worden gebracht aan den luitenant, onder wiens bevel de verschillende patrouilles stonden. „Wie van jullie zou mijn brief aan den luit willen brengen ?” vroeg de korporaal, die in den dagelijkschen omgang met zijn manschappen alles gemoedelijk en onder-ons behandelde. De soldaten keken elkaar eens even aan, toen wendden allen onmiddellijk den blik naar Cis den Dikken, Er waren verscheidene jongens, die best het karweitje hadden aangedurfd, maar als in een soort van ontzag voor Cis’ (onverdiende) reputatie, durfden zij zichzelven niet goed aanbieden, en riepen als om strijd : „Dat is iets voor Cis! Ja, dat is een mooi dingske voor den Dikke!” Onze zwaarlijvige kameraad voelde zich niet volkomen op zijn gemak. Daar had je het al. Nu moesten ze hèm hebben. Hij had er duivels weinig zin in. Hij keek nu eens dezen dan genen aan, trok een zenuwachtigen grijns, en mompelde iets onverstaanbaars. „Dat is net een kolfje naar je hand, zei de korporaal, en sloeg Cis vriendschappelijk op den vetten schouder, wat al een heel luiden klets gaf. „Nou, öf het,” zei Cis, en hij maakte een onbeschrijfelijk gebaar, waarvan niemand den zin begreep, en hijzelf wel het allerminst, maar dat door allen als een uiting van heldhaftigheid werd vertolkt. „Er zijn natuurlijk nog geen vijanden in de westelijke richting dóórgedrongen,” verklaarde de korporaal, „tenminste voor zoo ver we weten .... Maar je bent alléén . . . .” „’t Zal mij anders een zorg zijn,” snoefde Cis, die zich al weer wat had gekalmeerd, „ik knip hem weg als een pluisje.” Hij kon zelfs in zijn benauwdheid nog het pochen niet nalaten; dat was hem in al die jaren tot een tweede natuur geworden. „Ik zié jë al. Ik zié je al,” juichte een kameraad, die van ontzag voor Cis vervuld was sedert die hem eens in den broekband genomen en recht voor zich uitgestoken had. Onder de bewonderende oogen van de kameraden maakte Cis zich gereed. Voor hij zich in zijn nauwe mouwvest werkte, betastte hij zijn biceps nog eens, als om zich zelfvertrouwen in te prenten. Dan wrong hij zich in de kleeren, deed zijn koppel op het laatste gaatje, hing zijn geweer over den schouder, en zette op zijn monumentale hoofd de luchtige politiemuts; die stond als een klein dak op een groot huis. De brief voor den luitenant werd in de jasvoering gestoken, en met de hand wuifde Cis adieu. „Nou, en oppassen is de boodschap,” maande vriendelijk de korporaal nog, „je weet nooit.... „Accoord,” deed Cis, en hij poogde er zeer bloeddorstig uit te zien, „accoord. En de andere helft is nét zoo.” Men lachte om zijn oogenschijnlijke vermetelheid. De korporaal, dé bevelhebber van het troepje, drager der ernstige militaire tradities, vond de manier, waarop Cis deze wakkere daad volvoerde, een beetje te stijlloos en met een eerlijk gemeend plechtig gezicht, zei hij : „En mocht je komen te vallen . . . .” Hij wilde hier iets van het vaderland zeggen, maar Cis viel hem in de rede met.... „Dan sta ik seffens weer op.” Tegen zooveel goedgehumeurdheid in zulk een, betrekkelijk, ernstig moment was ook de korporaal niet opgewassen, en hartelijk stemde hij mee in de jubelende lachbui van de kameraden. En het klonk een eind over de hei, deze galmende lach als een eeresalvo den held achterna. En Cis, gevoelend hoe nog een min of meer heldhaftige apotheose van hem werd verwacht, velde h$t geweer en vloog in stormpas den weg op, aldoor juichend, als rende hij op een onzichtbaren vijand in. Tot hij aan de kromming van den weg zich omwendde naar de groep lachende manschappen en uitbundig als zegevierend met zijn politiemuts zwaaide, zoo hoog hij maar kon boven zijn hoofd uit. Een nieuw salvo van gelach en gejuich was zijn loon. Eenmaal uit het gezicht van zijn kameraden, verloor Cis’ houding wel een beetje van de daareven ontplooide koenheid, maar hij tippelde toch vrij kordaat voort. En waarom zou hij ook niet ? Hij wist precies waar hij wezen moest. Hij kende tamelijk wel de Foto links: Een Italiaansche ambulance-trein zich op een typisch Itaiiaanschen landweg voortbewegend. Foto midden; Een uitkijktoren waar vóór Italiaansche Stafofficieren. Foto rechts: Italiaansche verkenners te flets getooid met de schilderachtigen hoed* met veeren.
PDF
Nummer
1914, nr.18, 28 oct. 1914
Blad
15
Tekst
streek. Wat kon hem gebeuren. ,,Ja, als de vijand . . . . ja, a, a . . . . als, als, als de hemel valt, zijn we allemaal dood. Dus geen onrust voor den tijd. O, zoo.” Het was prachtig weer. De weg was mooi. Een in akkers als reepen afgepast landschap, en hier en daar een hofstede zoo keurig als een teekenvoorbeeld. De zon stoofde den wandelaar knusjes op. Hij ontmoette niemand onderweg. Nadat hij eindelijk een uur gespanseerd had, kwam hij een jong meisje tegen. „Dag, soldaat,” lachte het kind. „Dag, brave pierewiet,” zei Cis stilstaand. „Vertel me eens, ben ik hier niet een half uur gaans van Mill ?” „Ja, niet meer. Aldoor rechtuit En dan aan den eersten dwarsweg sla je je rechterhand af.........” „Ik weet al. Ik weet al,” viel Cis haar in de rede, „nou, en goeiendag.” „Van hetzelfde,” deed het meisje, en vervolgde haar weg. Al voortwandelend bedacht Cis, hoe aardig hij tegen het kind was geweest, en zoo iets leek hem juist wonderwel te passen bij zijn heldhaftig gedrag en gevaarvollen tocht. Doodsverachting en vrouwelijke teederheid behoorden volgens de krijgsverhalen ook bij elkaar. De ruwe matroos met het hart van goud. De bommenwerper, die dol veel van kanarievogeltjes houdt. En meer mooie, ontroerende aangelegenheden .... De zon was verblindend prachtig aan den tintelend blauwen hemel. En hoe de aanblik daarvan hem zoo week maakte, Cis wist het niet, maar hij dacht aan het tweepitspetroleumstel thuis, waarop juist op dit uur door zijn vrouw het middageten gekookt werd. Al voortwandelend, kwam hij nu spoedig aan het dorp Er liep geen mensch op straat. De luiken waren voor de vensters. Cis’ stappen klonken op de verlaten keien als het gehamer van een smid. Hij stapte een herberg binnen. Hij riep luid, maar er kwam niemand voor. Eindelijk slofte een oud vrouwtje den winkel in. Ze keek Cis angstig aan, en zei met een beverig stemmetje : „Dag, officier.” „Hè,” zei Cis, die haar niet verstond. „Dag, overste,” bibberde de stem van het menschje. „Dat komt door die piekfijne nauwe broek, dacht Cis, „ze zien me voor een hooge an.” „’n Borrel,” commandeerde Cis met zijn stentorstem. „Asjeblieft, generaal.” tjilpte de oude ziel, en ze schonk onhandig bevend een glaasje vol. Cis dronk het in eèn teug leeg, zette het hard met het voetje op de zinken toonbank, terug, en zei : „nog een.” Het wijfje schonk opnieuw in. Dan bleef ze steeds den bezoeker van het hoofd tot de voeten bekijken, en eindelijk waagde ze haar vraag : „Bent u vriend of vijand, mijnheer ?” „Dat hangt van de behandeling af,” antwoordde Cis, en. zijn beurs voor den dag halende, vroeg hij : „Hoeveel geld is het ?” „Neen. neen, geld vraag ik niet „Kom, kóm ...” „Neen, werkelijk niet, mijnheer. Maar ben u vriend of vijand ?” Het vrouwtje was angstig, men kon het haar aanzien, maar ze wilde weten waaraan ze zich te houden had. „Wat denk je?” vroeg Cis. „Nou, vijand, denk ik, want vanmiddag heeft de zoon van den molenaar uit het zolderraam een patrouille soldaten in uniformen gezien als dat van u zoowat, en dat waren vijanden.” Het was Cis, die met zijn glimmende bolle wangen stond te lachen, eensklaps of hij een stomp in zijn maag kreeg. PANORAM A-VERKOOR I N BRUSSEL.. Dat ons tijdschrift overal waardeering vindt, toont ons bovenstaande foto. genomen op een der Boulevards te Brussel Hij verschoot van kleur, en stotterde : „Vijanden ? Vijanden? Waar dan ? Dicht bij ?” „Ja, hier op den buiten-achterweg. Ze zijn doorgetrokken.” „Welken kant op ?” vroeg Cis. „Ginds,” en de vrouw wees in de richting, vanwaar Cis gekomen was. „Weet je dat zeker?” vroeg hij. „Ja, zeker.' „Zweer het me.” „Nou, als u erop staat, maar ik doe dat nooit, .... ik spreek de waarheid.” Het vrouwtje beefde als een populier in den wind. Cis transpireerde. Je kon hem onder je hoed vangen, zoo klein, zoo mak was hij. Graag had hij in de herberg gebleven, er overnacht en niet alleen voor dien nacht, maar voor zijn heele leven, als hij maar niet dien vijand ontmoeten kon. Hij ging op een stoel zitten, besluiteloos. Maar hij had plichtsgevoel. Hij had beloofd den brief aan den luitenant te brengen. Die lag nauwelijks een halfuur gaans hiervan daan. Hij zóu zijn plicht doen. „Als die bliksemsche vijand maar niet tusschenbeiden gekomen was .... ha, dan was het al gebeurd .... Hij aarzelde. Hij nam nog een glas, op de gemakkelijkste aller gemakke lijke betalingsconditiën. Hij bleef hangen, nog wel een uurtje. Maar dan eensklaps zag hij glashelder, dat hij het niet langer mocht uitstellen. Het was al laat geworden. Hij kon onderweg anders wel eens door de schemering worden overvallen. Hij vertrekt. Bij het betreden van den weg moet hij zich geweld aandoen om niet in de veilige herberg terug te keerert. Maar hij verstout zich, en stapt voort. Zijn weg voert tusschen akker-maalshout, dat in een zacht briesje ritselt. 'De zon daalt ter kim. Geen levend mensch ontmoet hij. Hoe graag had hij een daglooner tegengekomen, die met zijn spa over den schouder huiswaarts keerde op dat uur; wat had hij niet gegeven om een herder met zijn kudde te ontmoeten. Maar neen, niets, geen mensch, geen kind, geen dier bemerkt hij op den weg. Zijn stappen klinken door in de avondstilte; het is of de grindweg onder hem hol is; de wind in het hakhout doet hem verschrikken. De vijand kon daar wel zitten. De schemering valt, en dat maakt zijn gemoedstoestand er ook al niet rustiger op. Hij heeft zijn geweer geladen, ofschoon hij hetzelf èigenlijk misschien wel overbodig vindt. Zoo loopt hij voort. Eensklaps verschrikt hij ontzaglijk. Daar voor hem in de diepte van den weg ziet hij een gestalte. De schemering vaagt de scherpe omtrekken weg, maar Cis herkent toch duidelijk een soldaat. Tegen de blauw-grijze verte teekenen zich de omtrekken af. De gestalte heeft een geweer op den schouder, een ransel op den rug. Cis staat stil. Hij is radeloos, hij voelt zijn keel saamgenepen door een onzichtbare hand: ijskoud wordt zijn rug van boven tot onder, en hij gelooft, dat hij, eigenlijk gezegd, al gesneuveld is. Roerloos staat hij midden op den weg. Hij tracht iets te denken. Ónmogelijk. Hij tracht zich te bewegen. Onmoge lijk. Hij tracht zich rekenschap te geven. Ónmogelijk Wat gebeurde er ? Hoe laat is het ? Wat doet hij hier ? Hier? waar is hier? Hij ? Wie is hij ? Hij zou zich willen betasten om te weten of hij het wel is. Maar hij kan niet, en al zou hij kunnen, en al zou hij het wezen, dan zou hij dat toch zelf niet merken .... Het is of zijn schedel barsten zal. Dan. ineens, voelt hij wat in zoo’n geval gebeurt, ge beuren moet .... Zich verdedigen — Een wapen ? Dat had hij. Een geweer; Ja. Het is geladen. Hij legt aan, kijkt, en ziet tegelijk, dat de andere man aan het andere eind van den weg hetzelfde gedaan heeft. Die dreigende gestalte ginds die het geweer op hem aanlegt, lijkt wel zijn eigen spiegelbeeld. Maar neen, het is het niet. Want waar vandaan zou hier een spiegel konvtn. Een ijselijk fata-morgana dan wellicht als waarvan je wel eens in feuilletons las . . . Neen, neen, de vijand was het, de waarlijke vijand. O, o, hoe was het gos-mogelijk . . Cis doet een paar passen vooruit. De gestalte ook. Hij staat stil met het geweer wederom aangelegd De gestalte ook. Hij valt op de knie. De gestalte ook. En radeloos stormt hij vooruit. De gestalte ook. Dan legt hij aan, en schiet lukraak. De gestalte ook. En de dolle vertooning van de twee kruipende, knielende, sluipende en vechtende mannen, die telkens precies en bijna gelijktijdig hetzelfde doen houdt nu plotseling op, want Cis, schier krankzinnig van angst, laat zich vallen, en de bevende armen in de hoogte stekend, jammert hij met een, helaas nu deerlijk gehavende stentor-stem ; „Ik geef me over. Ik geef me over " „Ik ook ! Ik ook !” lacht de gestalte luid uitgierend, en rolt, balkend van pret op den tegenstander toe. „Ik ook, dikke Cis. Hij is goed. Hij is goed !” En Cis, zoo goed als gebroken van schaamte, nu hij een der manschappen van de patrouille van zijn eigen luitenant herkent, ziet, zoowaar, kans om ineens te doen of alles ook van hèm een grap geweest is. En hartelijk lachend om de mop, zoeken ze den luitenant op, wien Cis nu den brief overhandigt. Als Cis den volgenden ochtend bij zijn kameraden terug is, verhaalt hij het geheele geval als een door hem bedachte grap, en heeft daar natuurlijk machtig veel succes mee. „Herkende je hem dadelijk ?” vroeg er een. „Dadelijk ?” „Ja, en neen,” zei Cis op geheimzinnigen hoovaardigen toon, „eigenlijk niet. Even, een seconde lang, dacht ik dat het de vijand was. In een herberg had men me gezegd, dat hij daarvlak in de buurt was. En ik zocht hem allang. Mijn handen jeukten om me met hem te meten . . . .” „Natuurlijk, natuurlijk,” vielen de kameraden bij, „dat was voor zoo’n kerel als jij bent eigenlijk een heele teleurstelling.” „Gelukkig voor hem, dat je hem nog bijtijds herkende, hè . ‘ „Jg, dat geloof ik,” zei Cis op den quasi-eenvoudigen toon der pochhausen, „eèn seconde later, en ik had hem neergelegd als ’n hond.” „Dat geloof ik, dat geloof ik,” juichten de kameraden. DE RUSSISCHE GEPANTSERDE KRUISER „PALLADA”. die volgens de berichten den llen October door een Duitsche onderzeeër vernield is.
PDF
Nummer
1914, nr.18, 28 oct. 1914
Blad
16
Tekst
Lu.tenant JOSEPHUS JITTA. t Deze veelbelovende officier stierf de vorige week door een ongeluk, (foto v. d. Horst). Kinderen, waarvan de ouders onbekend zijn. Inlichtingen geeft de ZeerEerw. Heer Pastoor Vermeulen, te Bergen op Zoom. Van het meisje no. 1 zijn de verwanten gevonden. Ouo-M.n.ster bertling. De Minister van Financiën die aftrad en door Minister Treub werd vervangen. het leidsche studenten-vrijwilligerscorps, dat zich in kamp bevindt. Direct na het uitbreken van den Europeeschen oorlog werd dit Corps opgericht en met de practische wapenoefening aangevangen. Commandant van dit Corps is de Kapt. P. A. F. Blom, die in het midden op onze foto zit. DE BEGRAFENIS VAN COMMANDANT WALTER STOKES, t den Zee-officier, die bij de vernietiging van zijn schip, de Kruiser Hogue, zwaar gewond te Haarlem in het St.-Elisabethgasthuis werd ondergebracht, had onder groote belangstelling plaats. In den stoet, welke door Infanterie, Cavalerie en Marine werd begeleid, bevonden zich naast de weduwe, een broeder en een zwager van den overledene, tal van hooggeplaatste landgenooten. (Foto Zwartser). HERINNERINGS-MEDAILLES. In de stad Amsterdam worden over eenige dagen medailles en broches verkocht, waarvan de opbrengst aan het Alg. Ned. Steuncomité wordt afgedragen. De foto’s stellen voor: de voorzijde van de medaille met de Nederlandsche Maagd, en de achterzijden van de medailles die cavalerie, artillerie en infanterie in beeld brengen. HET GROOTE ENGELSCHE SCHEEPSGESCHUT, dat bij den slag van Nieuwpoort dienst deed. VOOR HET STANDBEELD VAN NELSON. De Trafalgar-day, ter herinnering aan den dood van Aden Nelson, werd ditmaal in Londen met nog grooter enthousiasme als vroeger gevierd. NEDERL. ROTOGRAVLJRE-MAATSCHAPP1J, LEIDEN WIE HELPT ONS ZOEKEN
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1121 tot 1125 van 11897