|
CIS DE DIKKE OP HET
— OORLOGSPAD —
UIT HET ITALIAANSCHE LEGER
let is merkwaardig hoe sommige menschen een
zekere vermaardheid hebben, die hun heel niet
toekomt, een onverdiende slechte reputatie, of
ook wel een goede, waarop ze geen recht hebben.
Ik heb, bijvoorbeeld, op school een jongen-gekend,
die door een ieder voor sterk als Simson
werd aangezien, en daarom door een elk werd
gevreesd, tot op een goeien dag iemand, die
van zijn betooverende reputatie niets afwist, hem met een handomdraaiens
op de wereld legde. De voorbeelden van zulke gevallen
zijn voor het grijpen, maar ik grijp ze niet, om uwe aandacht
niet te vermoeien en deze in al haar verschheid te bewaren
voor het verhaal van mijn armen Cis, den vetsten en dappersten
man, die ooit op twee beenen en met het hoofd naar boven op
Gods aardbodem rondgepassagierd heeft. Wat zijn vetheid betrof,
die was boven eiken twijfel verheven, ’s mans omvang was weergaloos,
zijn gestalte had overeenkomst met een okshoofd, zijn
gezicht glansde van blanke vetheid, zijn mond was rood als een
kleine, rauwe biefstuk, zijn nek zou best bij een ander mensch
voor — lende hebben kunnen doorgaan. In één woord; Cis mocht
er zijn. En hij was er dan ook.
Hij had behalve de welverdiende reputatie van vetheid echter,
zooals ik zei, de onverdiende reputatie van dapperheid. Nooit had
iemand hem een moedige daad zien bedrijven, maar hij had een
zekere goedmoedige snorkerij over zich, wat gevoegd bij zijn
bekende spierkracht, zijn omvangrijke persoonlijkheid en zijn
duizelingwekkend diepe basstem altijd danig indruk op een ieder
gemaakt had, en hem door elkeen voor een fameuzen mannetjesputter
had doen houden, zonder dat hij ooit ook maar een allerminiemst
heldhaftigheidje had ten beste gegeven. Hij vocht nooit,
ook niet als hij, in een ruzie betrokken, werd uitgedaagd, en men
vond dat subliem van den man. „Ik ben te sterk om te vechten.
Ik knip een diender van me af als een pluisje van mijn broekspijp,”
zei hij met zijn koperen, stem. En men lachte hem luidruchtig
hulde toe.
„Hij is góéd,” zei er een, knipoogend.
„Of ie”, beaamde een ander.
„Nou, laat dié maar loopen,” lachte een derde. En allen gekten
en lachten mee, uit pret, maar ook uit vrees menigmaal, want die
goeie zwaar-gewicht-worstelaar moest je in elk geval te vriend
houden, hij was een bovenste beste kerel, hoor, daar niet van, en,
net als hij zei, té sterk om te vechten, maar jonges. jönges, als hij
toch eens begon .... Je kón nooit weten ....
En een ieder hield zijn hart vast.
De oorlog dreigde, en Cis was ellendig te moede. In de maagstreek
verminderde zijn omvang met eenige centimeters. Van
baloorigheid en vrees was zijn eetlust de eerste dagen veel geringer
dan gewoonlijk; al moet ik zeggen, dat wat de man toen at, nog
zeer, zéér respectabel was.
De mobilisatie werd afgekondigd. De miliciens van alle denkbare
en ondenkbare lichtingen werden opgeroepen. In de steden en in
de dorpen wemelde het van menschen in uniformen.
Cis was ook opgeroepen. Eerst had het een kleine strubbeling
gegeven. Dat er nu ook net oorlog moest Komen terwijl hij leefde....
Als het een vijftig jaar later was uitgebroken, had hij niet meer
behoeven mee te doen .... Enzoovoorts. Maar ten slotte had hij
moeten berusten, en het weerspannige lichaam in een wapenrok
gestoken, welk laatste karweitje ook nog niet eens meegevallen
was, want nergens was een uniform, dat hem paste; eindelijk was
een leverkleurig linnen militair werkpak* gevonden, waar hij met
eenigen goeden wil kon worden ingeperst. Wel builde overal zijn
vetheid tusschen de knoopen uit, zoodat zijn borst iets van een
gecapitonneerden leunstoel had. wel spande de broek zeer beangstigend
om de machtige dijen, maar hij zat nu al verscheidene
dagen in dat pak zonder dat er iets gebeurd was; reden om te vertrouwen
dat het nog wel langer houden zou.
De oorlog brak uit. Cis was ellendig te moede, toen het bekend
werd, maar na eenige dagen was hij er, om zoo te zeggen, wat mee
verzoend, met de zekerheid voor oogen dat er toch niets aan te
veranderen was.
Bij het uitbreken van den oorlog bewaakte zijn regiment de
spoorwegen. Later, toen het gros van het leger dat van den vijand
tegemoet getrokken was, had het de spoorlijnen verlaten om de
proviand-transporten te verzekeren. Men patrouilleerde uren gaans
in den omtrek, en geen vijand was tot nu toe nog gezien. Het
GENERAAL VICTOR ZUPELLI,
de nieuwe Minister van Oorlog in Italië. Zijn
benoeming herstelde de eensgezindheid tusschen
Ministerie en Opperbevelhebber.
I
talië, dat zich niet verplicht achtte in dezen oorlog
zijn medecontractanten in de Triple Alliance
terzijde te staan, zich erop beroepend, dat Oostenriik-Hongarije
den oorlog met Servië begon,
beschikt over een belangrijke legermacht. Het kan
2 millioen man in het veld brengen. De Marine
bestaat uit 6 Dreadnoughts, 8 lichte Dreadnoughts,
22 Kruisers. 45 Torpedo-kanonneerbooten en Torpedojagers,
86 Torpedobooten, 25 Onderzeeërs. Het
is te begrijpen, dat de Italiaansche onzijdigheid
voor de Triple Entente-naties van groot belang
was, en ook dat deze het heerlijk zouden vinden,
indien Italië zich aan haar zijde schaarde, in
de hoop, de Italiaansche veete tegen. OostenrijkHongarije
te kunnen uitvechten. Bijgaande kieken
uit het Italiaansche leger, interesseeren in dit verband
onzen lezers zeker.
was een vreedzaam oeanji. om zoo ie sprenen; van vecmen geen
sprake. De patrouille van Cis lag in een verlaten heide-achtig land
schap. Lachend en rookend trokken de manschappen de buurt door,
voorzagen zich van voedsel, sliepen in hun kleine kamp, en zagen zoo
goed als niets van den oorlog. Cis was weer op zijn gewone gewicht
gekomen, en daar er nooit een vijand in de buurt was, konden de
mannen het op hun sloffen af. Een gezond leventje in de vrije
natuur. Geen nobmenswaardige nooddruft. Sigaretten, tabak,
gymnastische bewegingen eiken dag, en mooi weer.
Maar zoo bleef het niet. Op een slechten dag kwam er een
bericht dat de vijanden in de buurt waren, en dubbele waakzaamheid
was nu eisch. Cis’ patrouille was naar de bevelvoerende
korporaal meende, de eerste, die in dezen uithoek van het land
van de aanwezigheid van den vijand vernomen had, en de mededeeling
daarvan moest onverwijld worden gebracht aan den
luitenant, onder wiens bevel de verschillende patrouilles stonden.
„Wie van jullie zou mijn brief aan den luit willen brengen ?”
vroeg de korporaal, die in den dagelijkschen omgang met zijn
manschappen alles gemoedelijk en onder-ons behandelde.
De soldaten keken elkaar eens even aan, toen wendden allen
onmiddellijk den blik naar Cis den Dikken, Er waren verscheidene
jongens, die best het karweitje hadden aangedurfd, maar als in
een soort van ontzag voor Cis’ (onverdiende) reputatie, durfden zij
zichzelven niet goed aanbieden, en riepen als om strijd : „Dat
is iets voor Cis! Ja, dat is een mooi dingske voor den Dikke!”
Onze zwaarlijvige kameraad voelde zich niet volkomen op zijn
gemak. Daar had je het al. Nu moesten ze hèm hebben. Hij
had er duivels weinig zin in. Hij keek nu eens dezen dan genen
aan, trok een zenuwachtigen grijns, en mompelde iets onverstaanbaars.
„Dat is net een kolfje naar je hand, zei de korporaal, en sloeg
Cis vriendschappelijk op den vetten schouder, wat al een heel
luiden klets gaf.
„Nou, öf het,” zei Cis, en hij maakte een onbeschrijfelijk gebaar,
waarvan niemand den zin begreep, en hijzelf wel het allerminst,
maar dat door allen als een uiting van heldhaftigheid werd
vertolkt.
„Er zijn natuurlijk nog geen vijanden in de westelijke richting
dóórgedrongen,” verklaarde de korporaal, „tenminste voor zoo ver
we weten .... Maar je bent alléén . . . .”
„’t Zal mij anders een zorg zijn,” snoefde Cis, die zich al weer
wat had gekalmeerd, „ik knip hem weg als een pluisje.”
Hij kon zelfs in zijn benauwdheid nog het pochen niet nalaten;
dat was hem in al die jaren tot een tweede natuur geworden.
„Ik zié jë al. Ik zié je al,” juichte een kameraad, die van
ontzag voor Cis vervuld was sedert die hem eens in den broekband
genomen en recht voor zich uitgestoken had.
Onder de bewonderende oogen van de kameraden maakte Cis zich
gereed. Voor hij zich in zijn nauwe mouwvest werkte, betastte
hij zijn biceps nog eens, als om zich zelfvertrouwen in te prenten.
Dan wrong hij zich in de kleeren, deed zijn koppel op het laatste
gaatje, hing zijn geweer over den schouder, en zette op zijn
monumentale hoofd de luchtige politiemuts; die stond als een klein
dak op een groot huis. De brief voor den luitenant werd in de jasvoering
gestoken, en met de hand wuifde Cis adieu.
„Nou, en oppassen is de boodschap,” maande vriendelijk de
korporaal nog, „je weet nooit....
„Accoord,” deed Cis, en hij poogde er zeer bloeddorstig uit te
zien, „accoord. En de andere helft is nét zoo.”
Men lachte om zijn oogenschijnlijke vermetelheid. De korporaal,
dé bevelhebber van het troepje, drager der ernstige militaire tradities,
vond de manier, waarop Cis deze wakkere daad volvoerde, een
beetje te stijlloos en met een eerlijk gemeend plechtig gezicht,
zei hij : „En mocht je komen te vallen . . . .”
Hij wilde hier iets van het vaderland zeggen, maar Cis viel
hem in de rede met.... „Dan sta ik seffens weer op.”
Tegen zooveel goedgehumeurdheid in zulk een, betrekkelijk,
ernstig moment was ook de korporaal niet opgewassen, en hartelijk
stemde hij mee in de jubelende lachbui van de kameraden.
En het klonk een eind over de hei, deze galmende lach als een
eeresalvo den held achterna. En Cis, gevoelend hoe nog een min
of meer heldhaftige apotheose van hem werd verwacht, velde
h$t geweer en vloog in stormpas den weg op, aldoor juichend,
als rende hij op een onzichtbaren vijand in. Tot hij aan de kromming
van den weg zich omwendde naar de groep lachende manschappen
en uitbundig als zegevierend met zijn politiemuts zwaaide, zoo hoog
hij maar kon boven zijn hoofd uit. Een nieuw salvo van gelach
en gejuich was zijn loon.
Eenmaal uit het gezicht van zijn kameraden, verloor Cis’ houding
wel een beetje van de daareven ontplooide koenheid, maar hij
tippelde toch vrij kordaat voort. En waarom zou hij ook niet ?
Hij wist precies waar hij wezen moest. Hij kende tamelijk wel de
Foto links: Een Italiaansche
ambulance-trein zich
op een typisch Itaiiaanschen
landweg voortbewegend.
Foto midden; Een
uitkijktoren waar vóór
Italiaansche Stafofficieren.
Foto rechts: Italiaansche
verkenners te flets getooid
met de schilderachtigen
hoed* met veeren.
|