Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1116 tot 1120 van 11897
Nummer
1914, nr.18, 16 oct. 1914
Blad
07
Tekst
kwam er een boodschap van haar zelf en toen ik haar weer ontmoette, legde ze mij uit wat voor ieder ander, behalve voor zoo’n onbekookten jongen kerel als ik, duidelijk zou zijn geweest : ze had nooit het minste gegeven om dien fat van een gardist en mij alleen maar een beetje willen plagen. Drie dagen later werden we weer gescheiden. Het was juist in dien tijd dat de fransche legers overal moesten zwichten voor de overmacht van haar vele vijanden. Al onze generaals in Italië en aan den Rijn moesten terugtrekken Massena was in de macht van Genua, Grenier in die der Oostenrijkers te Coni. Er was slechts één man in de wereld die ons redden kon : de toen al beroemde generaal Bonaparte. Dit wetende was het volk op zijn hand toen hij het laffe Directoire afzette en zich zelf tot den eersten van de drie consuls benoemde. Ah, wat een verandering gaf dat 1 Soldaten werden bijeengebracht van heinde en ver; en binnen enkele dagen waren zestig duizend man met kanonnen bijeen te Dijon. Toen als een donderwolk schoof het leger langs ontoegankelijke passen over de Alpen en trok de verbijsterde Oostenrijkers te gemoet. We doorschreden de lachende velden van Italië, sneden de vijandelijke reserves af en bij Montebello gelukte het Lannes een legerkorps te vernietigen. Op den 14den Juni ontmoette Napoleon zelf de Oostenrijkers. Wij waren met de reserve onder generaal Desaix dertig mijlen verwijderd, maar vroeg in den morgen, toen onze bevelhebber nog in zijn tent lag, werd hij opgeschrikt door het geluid van een verwijderd gerommel, hetgeen hij hield voor zwaar geschut van den vijand. Zonder aarzelen besloot hij op te breken en dadelijk daarop togen we op weg, zes duizend man sterk in dolle vaart. De kanonnen, als gewoonlijk, aan het hoofd der kolonne. en ik aan het hoofd der kanonnen. Mien Duymaer van Twist en Cor v. d. Lugt-Melsert in „DIE AFSCHUWELIJKE FERANTE” Nou, monsieur zal begrijpen, dat er in de artillerie een nieuwe geest gevaren was. Wij voerlieden gingen voor het eerst in het gevecht als soldaten en die gedachte alleen werkte in ons brein ais bourgognewijn. Ik was al even dol als de anderen, eigenlijk nog doller, want het was door mij, dat we in eere gekomen waren en toen de commandant onzer batterij uit het zadel geworpen werd, nam ik dadelijk het bevel over en riep : ,,En avant F’ Het was een verschrikkelijk werk met onze kanonnen berg op, berg af te rennen; maar geen moeilijkheid was ons te groot en niets kon ons tegenhouden. Ja we waren zoo vol vuur dat we onze kolonne reeds lang uit het gezicht verloren hadden, toen we het slagveld naderden. Eindelijk hadden we den laatsten bergrug bereikt en toen we eindelijk het slagveld konden overzien kromp ons hart ineen van schrik. Napoleon die slechts twintig duizend man bij zich had was door een meer dan dubbel aantal Oostenrijkers bij Marengo, een klein dorpje, aangevallen en hoewel hij woedend gevochten had den geheelen dag, konden zijn mannen tegenover het overweldigend artillerievuur niet langer stand houden. Juist even voordat wij arriveerden, waren hun gelederen doorgebroken en sloegen ze op de vlucht. Napoleon hield nog stand met enkele eskadrons, maar moest voor het geweldig vuur terugtrekken. Melas, de Oostenrij ksche bevelhebber, had reeds, zoo hoorden we later, een depeche verzonden waarin hij meedeelde, dat hij de ,,Honderdduizend Man,” zoo noemden ze onzen Kleinen Korporaal, verslagen had. Instinctmatig hielden we onze steigerende paarden in. „We zijn te laat F’ riep een onzer mannen wanhopig uit. Inderdaad, er scheen geen hoop meer. De vijandelijke cavalerie bleek veel geleden te hebben en was dan ook werkeloos, maar de artillerie lichtte groote verwoestingen in onze gelederen aan en Melas bracht juist zijn infanteriereserve in het vuur, om de nederlaag volkomen te maken. We zagen de rijen bajonetten schitteren in de zon. „Paarden afspannen en kanonnen in stelling brengen,” Mien Duymaer van Twist en Tilly Lus in „DIE AFSCHUWEL1JKE FERANTE” „Die afschuwelijke Ferante” bij „Die Haghe-spelers”. F erante, de hoofdpersoon in dit blijspel, is bankier, en zooals de titel reeds aangeeft, erg leelijk. Ofschoon hij daardoor ongetrouwd is gebleven, maakt hij een getrouwde vrouw, Armida de Curtis, met succes het hof, en rekent hel zich als een eer, dat hij. de leeiijke kerel, door der. man van Armida verdacht wordt van minder eerlijke bedoelingen. Dit is tot aan het einde var het tweede bedrijf. Het derde bedrijf handelt in hoofdzaak tussche’n Ferante en Cecilia, een leerlinge van het Conservatoire te Rome, wier opleiding wordt .bekostigd door Ferante. Cecilia, een knap meisje, wordt door Ferante bemind en aan het slot bekent hij haar zijn liefde, hoewel hij vreest te zullen worden afgewezen omdat hij zoo leelijk is. Het loopt echter anders. Onmiddellijk het ja-woord krijgt hij niet, maar wanneer Cecilia naar haar vader in Cremona is ieruggekeerd, krijgt hij een telegram om eenigen tijd bij hen door te brengen. Dit laatste tooneei had indruk kunnen maken, hadden we niet uit hel voorgaande gezien, toen hij Armida het hof maakte, dat hij niet alleen uiterlijk. maar ook innerlijk een afschuwelijk individu is. Het stuk is vertaald uit het Italiaansch van Sabatino Lopez. riep onze oudste sergeant. ..We moeten toch iets doen 1” We wenden onze paarden om de order uit te voeren, doch we zagen, evenals de sergeant dat we te ver weg waren om met ons vuur de nederlaag te kunnen keeren. We bevonden ons halverwege tusschen de beide legers en met een galop konden we een open terrein voor de vijandelijke troepen bereiken. Napoleon zou slechts een korten tijd noodig hebben om zijn verstrooide troepen weer te verzamelen, terwijl in dien tijd Desaix met zijn kolonne zou zijn aangekomen. Als we de infanterie slechts tien minuten konden tegenhouden. Een dol idee vloog mij door het hoofd. Ik dreef mijn paarden weer vooruit, moet toen aan de andere mannen al mijn gedachten hebben uitgeschreeuwd, maar dat weet ik niet meer. Al wat ik mij herinner is, dat ik bulderde : „Voor God en Frankrijk, Charge F’ Van wat er toen volgde herinner ik mij nog, dat ik in de stijgbeugels stond, mijn sabel zwaaiende en de paarden aanzettende. Als een wervelwind renden we, met de kanonnen achter ons de vlakte op. Halverwege keek ik even om, en toen trof mij de roekeloosheid van mijn onderneming. Vijftig man en zes kanonnen om te chargeeren op drieduizend man infanterie. Wat ’n dwaasheid ! Dan uit de verspreide massa’s van blauw en rood, en goud en staal kwam een juichkreet, die ons lachend den dood te gemoet deed rennen. Op dat oogenblik brandden de eerste salvo’s der Oostenrijkers op ons los, doch ik rende in wilde vaart door en achter mij kwamen de anderen; onweerstaanbaar stortten wij ons in de dichtopeengepakte phalanx van den verbijsterden vijand. De zware kanonnen slingerden van de eene zijde naar de andere en vormden een breed pad vol bloed. De schok verblufte de Oostenrijkers, ze aarzelden, hun opmarsch kwam tot staan. Zoo verbijsterend snel was onze manoeuvre geweest, dat toen we aan het einde der vijandelijke linie waren, we slechts tien man verloren hadden, terwijl de dood met zijn zeis langs het geheele vijandelijke front had gemaaid. Bliksemsnel wenken we onze batterij om ons opnieuw op den vijand te storten, doch het was niet meer noodig. Napoleon had tijd gehad zijn troepen te verzamelen en toen Desaix kort daarop verscheen, was de aanvankelijke nederlaag spoedig in een schitterende overwinning veranderd. De eerste order die de 26ste batterij den volgenden dag hoorde was, dat de datum van den slag met nog een andere inscriptie op onze regimentsplaat zou worden gegrift. We moesten paradeeren voor den eersten Consul en de rijdende artillerist Jean Durien van kanon no. 3 moest voorop rijden. Hoe Napoleon mijn naam wist. ben ik nooit te weten gekomen. Misschien had mijn kapitein het hem verteld, want deze was onmiddellijk na het gevecht naar mij toe gekomen, had mij de hand geschud en mij hartelijk toegesproken, wat mij een kleur in het gelaat joeg, en had mij bovendien vijf goudstukken ter hand gesteld. Enfin, we poetsten haastig onze spullen op om er zoo goed mogelijk uit te zien en begaven ons op weg naar Napoleon. Op een eenigszins verhoogd terrein moesten we halt houden en hier kwam van uit het bivak ons een groep ruiters te gemoet rijden Nu moet ik u zeggen, monsieur, dat hoe vreemd het ook klinkt, ik Napoleon, ondanks zijn alomtegenwoordigheid- tot op dat oogenblik nog nooit gezien had, zoo ver ik wist. Hij had eens echter mijn batterij om gereden, maar toen bevond ik mij juist onder de kogelwagen. niet in staat iets te zien door de stof. Zooals gezegd kwam een groep ruiters op ons toe rijden en toen ze dichterbij kwamen, reed een van hen vooruit Het was een klein, onaanzienlijk mannetje op een wit paard. Hij had een lichtgrijze wapenrok aan, waarin hij later Jean Durien nog honderd maal ter overwinning zou voeren. Ik sloeg mijn hand aan mijn sjako, doch toen ik hem eindelijk vol in het gezicht zag, viel mijn arm neer het was de man, die mij eens van de Seme gered had. De zeldzame schoonheid van dat gelaat had ik nimmer vergeten. En plotseling begreep ik ’t, dat deze man en niemand anders de groote Napoleon moest zijn. Hij lachte toen hij mij voorbijging en mijn hand vloog naar mijn hoofd Op zijn bevel verzamelde de kapitein alle manschappen omer batterij rondom mijn kanon. Toen reed Napoleon naast mij, en legde zijn hand op mijn schou der. Op het geheele slagveld hoorde men slechts zijn stem. Ant. Verheyen, Dommelhuizen en Kloppers in „DIE AFSCHUWELIJKE FERANTE”. (foto's Couvée) „Mannen van de 26ste batterij,” riep hij uit, met trillende stem, „ik ben trotsch op je 1 Uw kameraden en uw landslieden zullen evenzeer trotsch op je zijn, zoodra ze je heldendaad vernomen hebben. Onder alle wapens onder mijn commando zijn geen dapperder mannen dan die van de 26ste batterij. En van u allen is Durien de dapperste, want hij leidde u gisteren naar een zekeren dood om uw kameraden te redden. Daarom bevorder ik voerman Durien tot sergeant-majoor. De rest van jelui mag om een speciaal privilege vragen als een herinnering aan het feit dat ik jelui de dapperste mannen van Frankrijk genoemd heb.” Napoleon drukte mij de hand en toen te midden van het gejuich van mijn kameraden en de geheele armee reed hij weg. Het was den 15den Augustus van dit jaar, toen de vrede geteekend was en we weer in Parijs terug waren dat we gebruik maakten van het ons beloofde privilege. Wij paradeerden met violen op onze borst en toen de keizer passeerde bliezen onze horenblazers een charge. De keizer salueerde glimlachend toen hij zijn geliefde bloem zag en op dien dag waren er geen gelukkiger mannen in Parijs dan die van de 26ste batterij. Korten tijd daarna trouwde ik met mijn Margot, en toen we de kerk verlieten kwam ons een luiter te gemoet met een bruidsgeschenk van den keizer : een gift van honderd goudstukken, het kruis van het pas gestichte Legioen d’Honneur en een bouquet viooltjes. Vandaag, acht jaar geleden, bracht mijn neef mij naar het Hotel des Invalides waar onze dappere legerhoofden rusten, om de 26ste batterij nog eenmaal te zien. De kanonnen (zonderlinge modellen die ik nooit gezien had) waren bedekt met violen en de trommels roffelden het rataplan van den aanval.
PDF
Nummer
1914, nr.18, 16 oct. 1914
Blad
08
Tekst
Maria Margaret Sanders. 9• WIE HELPT ONS ZOEKEN ? ■ Benediktus Sanders. Franciscus Ludovicus Baekhovens, geb. te Antwerpen, 21 Mei 1903. Ludovicus Sanders. Maria Frederika Sanders Leopoldus Joannes Peeters. Edouard Arthur Peeters. Aloysius Hulstaert. Omtrent deze kleine vluchteling bezit het Comité in het geheel geen gegevens. Josephus Ludovicus v. Aelst, geb. te Brasschaet, 3-3-1907. W ij ontvingen van het Vluchtelingen-Comité te Leiden het verzoek, om door middel van Panorama te trachten, de ouders of verwanten van de vluchtelingen, waarvan hierboven de portretjes zijn afgedrukt, in kennis te stellen dat de twaalf kinderen zich veilig te Leiden bevinden. Het genoemde Comité (Adres Zomerzorg, Leiden), zal zeer gaarne van ouders, verwanten Karel Mauritius Snik. of kennissen omtrent dit twaalftal of eenigen hunner bericht ontvangen. Het bleek ons uit mededeelingen, die wij van verschillende zijden ontvingen, dat door de foto s in Panorama afgebeeld, het reeds verschillenden der Belgische vluchtelingen gelukte, zoekgeraakten terug te vinden. Wij hopen en vertrouwen dat bovenstaande oproep zeker eveneens succes zal brengen. (foto's Bongenaar). EEN ..TAUBE” BESCHOTEN. Terwijl de Duitsche troepen Ostende naderden en de Engelschen en Belgen uitweken, vlogen eenige Taube-vliegtoestellen boven de bedreigde stad. Zij werden door de Engelschen beschoten. DE VLUCHT UIT OSTENDE. Bewoners van Ostende trachtten op alle mogelijke wijze naar Engeland te ontvluchten, Met veel moeite werden gewonde kinderen en vrouwen aan boord gebracht. Een vader draagt hier zijn baby met veel inspann.ng langs een ladder aan boord. NEDERL ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPII. LEIDEN Karel v. d. Bosch, uit Antwerpen, is met zijn ouders gevlucht, doch is deze onderweg kwijtgeraakt.
PDF
Nummer
1914, nr.18, 28 oct. 1914
Blad
09
Tekst
Engelsch-lndische Troepen in Frankrijk gekampeerd De foto „Vluchtelingetje”, op de eerste pagina van ons vorig nummer, was van den Heer J. J. Swart, fotohandel, Rotterdam.
PDF
Nummer
1914, nr.18, 28 oct. 1914
Blad
10
Tekst
MOEDERLAND EN KOLONIËN. Een Canadeesche Vrijwilliger. De ^ze oorlog is er een, waarin schijnbaar alles er op gericht is, om de rassen in hun verschillende groepen nader tot elkaar te brengen, en wat daarmede gepaard gaat: ze te verwijderen van volksgroepen, welke niet tot dit ras behooren. Men leest en hoort van Pan-Germanisme, Pan-Slavisme, Pan-Islamisme en zoo meer. Doch tegelfjk daarmede, als in een uiterste inconsequentie, wordt de strijd gevoerd met een mengeling van nationaliteiten en rasgenooten, op een wijze, vóór dien in Europa nooit aanschouwd. Er is door verschillende, tot oordeelen bevoegde mannen, een groote onrust geuit, omdat in deze, zeer sterk geprononceerde Europeesche waar het gaat om de suprematie van Duitschland-Oostenrijk-Hongarije tegenover de EngelschFransch-Russische overmacht, ook niet-Europeesche volkeren worden gemengd. Op de slagvelden van. Frankrijk bevinden zich de Oosterlingen uit het verre Indië, de Zuiderlingen uit Donker-Afrika. Als vriend en bondgenoot vecht het Aziatisch Japan op de wereldzeeën mede. Zoo iets is tot op heden nog nooit vertoond. En dit alles is ongetwijfeld het resultaat van Engeland’s diplomatie en koloniaal bewind. kwestie, Groot-Brittanje heeft altijd den naam gehad de meest geschikte diplomaten te bezitten. De ,.gepantserde vuist” was niet zoozeer de kracht, waardoor het groote Europeesche Eilandenrijk zijn bewuste en vooraanstaande rol in het spel der Europeesche grootmachten zich toebedeeld zag. En het moge dan waar zijn, dat zijn tegenstanders het ,,Perfide Albion” als kenschetsing gebruikten, eerlijk dient daar tegenover erkend, dat naast het doordrijven van datgene, wat strikt en onweerspreekbaar eigenbelang moet heeten, de staatslieden der Vereenigde Koninkrijken ook wisten te zorgen dat het evenwicht in Europa, gedurende lange jaren niet al te zeer geschokt werd. Niemand kan vóórspellen tot welke gevolgen de door Engelsche staatslieden bewerkte groepeering van mogendheden voor de wereld zal leiden; eerst later zal kunnen worden geconstateerd of het noodlottig was of juist gezien, om keizer Wilhelm’s aanmaning aan de Europeesche volkeren, om tegenover den indringenden Oosterling, „de heiligste goederen” te bewaren, in den wind te slaan. Op dit moment zullen en kunnen wij er allerminst over oordeelen. Wat ons echter als burgers van een koloniale mogendheid cjes te eer interesseeren kan, is het verschijnsel, dat in dezen strijd Engeland door zijn koloniën op de meest onbekrompen wijze wordt geholpen. Canada en Australië, ZuidAfrika en Britsch-Indië, evenals zoovele andere ,,dominions”, staan gereed om te helpen of hielpen reeds op uiterst milde wijze. En wat ons, Hollanders, wel het meest frappeert, is, dat ook Generaal Botha zich heeft geschaard onder de Engelsche vlag, en dus de heftigste bestrijder van de Engelsche overheersching, betrekkelijk zoo kort na den Boerenoorlog tot een vriend geworden is. Wanneer wij hier te doen hadden met een minder hoogstaand man, nu, dan zou de bevreemding ook niet zoo groot zijn, doch aller overtuiging is, dat Botha nooit zoo opgetreden zou zijn, indien hij daarmede de taak, waarvoor hij eens met zooveel vuur en opoffering streed, het heil van Zuid-Afrika, ontrouw werd. Dies moet hem wel gebleken zijn, dat na den verschrikkelijken Zuid-Afrikaanschen oorlog, Engeland geen onverstandig en onsympathiek overheerscher werd; integendeel, dat de samenwerking tusschen Boeren en Britten, tot zegen voerde. Wij noemen hier het Zuid-Afrikaansche voorbeeld het eerste, omdat het, zooals gezegd, voor ons het meest kenmerkende is, doch feitelijk konden wij de andere kolonies evengoed noemen, om hieruit een bewijs te putten, dat er in de koloniseering door Engeland wel een belangINDISCHE TROEPEN. Het is opvallend hoe naast de baardige, krachtige kerels, die met de Engelsch-Indische troepen in Europa te velde komen, er andere zijn, wier zwakke, bijkans vrouwelijke vormen doen betwijfelen of hun gevechtswaarde wel zoo groot is rijke factor moet zijn, welke tot zulk een verhouding voerde. De Engelschen worden een Koloniale Mogendheid bij uitnemendheid genoemd en zij zijn het blijkbaar. Waarom ? Ontegenzeggelijk zeker wel omdat Engeland naar zijn overzeesche bezittingen niet uitzendt, in de allereerste plaats, de in eigen land mislukte minderwaardige krachten. Het erfrecht in den Engelschen adel, dat alle grondbezittingsrechten doet overgaan op den oudsten zoon of den oudsten erfgenaam, heeft tot gevolg, dat tal van intelligente jonge mannen, uit de allereerste families, verplicht zijn hun eigen leven te maken. En dat zij, wanneer er eenige fut in hen schuilt, dus wegtrekken, om in de kolonies carrière te zoeken. De kenmerkende eigenschap van den Engelschman, dat hij zichzelf is en zichzelf blijft, waar en onder welke omstandigheden hij zich ook bevindt, heeft de overzeesche bezittingen in vele gevallen tot „nieuwe Engelanden” gemaakt, waar de kolonist zich thuis voelt. En de Regeering in het moederland, dit wetend, heeft begrepen dat het verstandig is en goede diplomatie, om vooral de zelfstandigheid in deze bezittingen niet al te zeer te knotten. Een wijs beleid, dat zich aan de omstandigheden en aan den aard der kolonisten aanpaste, heeft dus goed gemaakt, wat in den beginne door al te krasse en intens-afdoende overweldiging had kunnen bedorven worden. En daarbij komt ook de suggestie, dat, te behooren tot het groote Rijk onder Britsche vlag, een zich groot en veilig voelen medebrengt: ie’ at zeker niet te onderschatten is. ,.^root-Brittanje regeert de golven”, dat is zeker een machtig woord, dat moreelen invloed heeft, als werkelijk op alle punten der weieldzeeën de Britsche vlag wappert. Deze korte beschouwing heeft allerminst de pretentie, een volledige uiteenzetting van de zoo merkwaardige samenwerking van Koloniën en Moederland te willen geven. Wij wilden alleen daarop wijzen, omdat dit voorbeeld van groot nut kan zijn, zeker vooi een land, dat zijn kolonies als waardige parelen in zijn kroon beschouwt. Het is ontcgenzeggelijk een bittere teleurstelling voor Engeland’s tegenstanders gewee t, dat na het uitbreken van den oorlog, geheel Engelsch-Indië niet in opstand Kwam en Zuid Afrika niet het Britsche juk afwierp. En wat tot teleurstelling van den tegenstander werd, is begrijpelijk de vreugde van het moederland zelf. Men moet de Engelsch^ bladen maar lezen, om te bemerken met welk een trots en voldaanheid dit alles wordt begroet. Wij leven pas in het begin De verwording van alles, wat eens vast en onomstootbaar leek. heeft schijnbaar eerst haar aanvang genomen. Wij kunnen dus allerminst zeggen, of deze DE CANADEEZEN IN ENGELAND. De Canadeezen schijnen de taak, die hen op het vasteland wacht, zeer licht op te nemen. Onze foto, die genomen is na de aankomst te Plymouth bij het vertrek naar een der kampen, geeft daarvan een beeld symptonen van een innige samenwerking een lange periode van voortdurend te zamen optrekken inluiden. Er is in den laatsten tijd zooveel anders geworden . Wij weten dus allerminst, tot waar de grens dier verwording zal gaan en wat de toekomst in den schoot bergt. Als een merkwaardig verschijnsel, dat in den aanvang van den strijd een buitengewone beteekenis heeft, mag het bovenstaande zeker worden gememoreerd. Generaal Botha met zijn zoons, waarvan er één het Engelsche uniform draagt
PDF
Nummer
1914, nr.18, 28 oct. 1914
Blad
11
Tekst
DE DUITSCHE TROEPEN IN WEST-BELGIË DUITSCHE TROEPEN MARCHEEREN LANGS DE KUST BIJ OSTENDE. EEN DUITSCHE PROVIANDWAGEN OR WEG NAAR OSTENDE. Rechts op de foto ziet men * een der overblijfselen uit de laatste gevechten: een paardencadaver DE TELEFOONVERBINDING tusschen Brussel en Antwerpen wordt door de Duitschers zoo spoedig mogelijk hersteld. De auto op den voorgrond is die van de Ver. Fotobureaux die ons van het oorlogsterrein in België en Noord-Frankrijk reeds zooveel foto’s gebracht hebben; ook van deze pagina MET DEN GROND GELIJK GEMAAKT. Van de aardige dorpshuisjes, die hier eenmaal op deze plek op den weg tusschen Brussel en Antwerpen stonden, is er na de gevechten niet veel overgebleven Een der Duitsche kampementen in de nabijheid van Brugge. Ondanks de verwonding die deze Duitsche officier in een der laatste gevechten had gekregen, wenscht hij in het leger te blijven en deelt nog zijn bevelen uit.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1116 tot 1120 van 11897