|
kwam er een boodschap van haar zelf en toen ik haar weer
ontmoette, legde ze mij uit wat voor ieder ander, behalve
voor zoo’n onbekookten jongen kerel als ik, duidelijk zou
zijn geweest : ze had nooit het minste gegeven om dien
fat van een gardist en mij alleen maar een beetje willen
plagen.
Drie dagen later werden we weer gescheiden. Het was
juist in dien tijd dat de fransche legers overal moesten
zwichten voor de overmacht van haar vele vijanden. Al
onze generaals in Italië en aan den Rijn moesten terugtrekken
Massena was in de macht van Genua, Grenier in
die der Oostenrijkers te Coni. Er was slechts één man in
de wereld die ons redden kon : de toen al beroemde generaal
Bonaparte. Dit wetende was het volk op zijn hand toen
hij het laffe Directoire afzette en zich zelf tot den eersten
van de drie consuls benoemde.
Ah, wat een verandering gaf dat 1 Soldaten werden bijeengebracht
van heinde en ver; en binnen enkele dagen
waren zestig duizend man met kanonnen bijeen te Dijon.
Toen als een donderwolk schoof het leger langs ontoegankelijke
passen over de Alpen en trok de verbijsterde Oostenrijkers
te gemoet.
We doorschreden de lachende velden van Italië, sneden
de vijandelijke reserves af en bij Montebello gelukte het
Lannes een legerkorps te vernietigen. Op den 14den Juni
ontmoette Napoleon zelf de Oostenrijkers. Wij waren met
de reserve onder generaal Desaix dertig mijlen verwijderd,
maar vroeg in den morgen, toen onze bevelhebber nog in
zijn tent lag, werd hij opgeschrikt door het geluid van een
verwijderd gerommel, hetgeen hij hield voor zwaar geschut
van den vijand. Zonder aarzelen besloot hij op te breken
en dadelijk daarop togen we op weg, zes duizend man sterk
in dolle vaart. De kanonnen, als gewoonlijk, aan het hoofd
der kolonne. en ik aan het hoofd der kanonnen.
Mien Duymaer van Twist en Cor v. d. Lugt-Melsert in
„DIE AFSCHUWELIJKE FERANTE”
Nou, monsieur zal begrijpen, dat er in de artillerie een
nieuwe geest gevaren was. Wij voerlieden gingen voor het
eerst in het gevecht als soldaten en die gedachte alleen
werkte in ons brein ais bourgognewijn. Ik was al even dol
als de anderen, eigenlijk nog doller, want het was door
mij, dat we in eere gekomen waren en toen de commandant
onzer batterij uit het zadel geworpen werd, nam ik
dadelijk het bevel over en riep : ,,En avant F’
Het was een verschrikkelijk werk met onze kanonnen
berg op, berg af te rennen; maar geen moeilijkheid was
ons te groot en niets kon ons tegenhouden. Ja we waren
zoo vol vuur dat we onze kolonne reeds lang uit het gezicht
verloren hadden, toen we het slagveld naderden.
Eindelijk hadden we den laatsten bergrug bereikt en
toen we eindelijk het slagveld konden overzien kromp
ons hart ineen van schrik. Napoleon die slechts twintig
duizend man bij zich had was door een meer dan dubbel
aantal Oostenrijkers bij Marengo, een klein dorpje, aangevallen
en hoewel hij woedend gevochten had den geheelen
dag, konden zijn mannen tegenover het overweldigend
artillerievuur niet langer stand houden. Juist even voordat
wij arriveerden, waren hun gelederen doorgebroken en
sloegen ze op de vlucht.
Napoleon hield nog stand met enkele eskadrons, maar
moest voor het geweldig vuur terugtrekken. Melas, de
Oostenrij ksche bevelhebber, had reeds, zoo hoorden we
later, een depeche verzonden waarin hij meedeelde, dat
hij de ,,Honderdduizend Man,” zoo noemden ze onzen
Kleinen Korporaal, verslagen had.
Instinctmatig hielden we onze steigerende paarden in.
„We zijn te laat F’ riep een onzer mannen wanhopig uit.
Inderdaad, er scheen geen hoop meer. De vijandelijke
cavalerie bleek veel geleden te hebben en was dan ook
werkeloos, maar de artillerie lichtte groote verwoestingen
in onze gelederen aan en Melas bracht juist zijn infanteriereserve
in het vuur, om de nederlaag volkomen te maken.
We zagen de rijen bajonetten schitteren in de zon.
„Paarden afspannen en kanonnen in stelling brengen,”
Mien Duymaer van Twist en Tilly Lus in
„DIE AFSCHUWEL1JKE FERANTE”
„Die afschuwelijke Ferante”
bij „Die Haghe-spelers”.
F
erante, de hoofdpersoon in dit blijspel, is bankier, en
zooals de titel reeds aangeeft, erg leelijk. Ofschoon
hij daardoor ongetrouwd is gebleven, maakt hij een getrouwde
vrouw, Armida de Curtis, met succes het hof,
en rekent hel zich als een eer, dat hij. de leeiijke
kerel, door der. man van Armida verdacht wordt van
minder eerlijke bedoelingen. Dit is tot aan het einde
var het tweede bedrijf. Het derde bedrijf handelt in
hoofdzaak tussche’n Ferante en Cecilia, een leerlinge
van het Conservatoire te Rome, wier opleiding wordt
.bekostigd door Ferante. Cecilia, een knap meisje, wordt
door Ferante bemind en aan het slot bekent hij haar
zijn liefde, hoewel hij vreest te zullen worden afgewezen
omdat hij zoo leelijk is. Het loopt echter anders.
Onmiddellijk het ja-woord krijgt hij niet, maar wanneer
Cecilia naar haar vader in Cremona is ieruggekeerd,
krijgt hij een telegram om eenigen tijd bij hen door
te brengen. Dit laatste tooneei had indruk kunnen
maken, hadden we niet uit hel voorgaande gezien, toen
hij Armida het hof maakte, dat hij niet alleen uiterlijk.
maar ook innerlijk een afschuwelijk individu is. Het
stuk is vertaald uit het Italiaansch van Sabatino Lopez.
riep onze oudste sergeant. ..We moeten toch iets doen 1”
We wenden onze paarden om de order uit te voeren,
doch we zagen, evenals de sergeant dat we te ver weg waren
om met ons vuur de nederlaag te kunnen keeren. We bevonden
ons halverwege tusschen de beide legers en met
een galop konden we een open terrein voor de vijandelijke
troepen bereiken. Napoleon zou slechts een korten tijd
noodig hebben om zijn verstrooide troepen weer te verzamelen,
terwijl in dien tijd Desaix met zijn kolonne zou
zijn aangekomen. Als we de infanterie slechts tien minuten
konden tegenhouden.
Een dol idee vloog mij door het hoofd. Ik dreef mijn
paarden weer vooruit, moet toen aan de andere mannen
al mijn gedachten hebben uitgeschreeuwd, maar dat weet
ik niet meer. Al wat ik mij herinner is, dat ik bulderde :
„Voor God en Frankrijk, Charge F’
Van wat er toen volgde herinner ik mij nog, dat ik in
de stijgbeugels stond, mijn sabel zwaaiende en de paarden
aanzettende. Als een wervelwind renden we, met de kanonnen
achter ons de vlakte op. Halverwege keek ik even om,
en toen trof mij de roekeloosheid van mijn onderneming.
Vijftig man en zes kanonnen om te chargeeren op drieduizend
man infanterie. Wat ’n dwaasheid !
Dan uit de verspreide massa’s van blauw en rood, en
goud en staal kwam een juichkreet, die ons lachend den
dood te gemoet deed rennen. Op dat oogenblik brandden
de eerste salvo’s der Oostenrijkers op ons los, doch ik
rende in wilde vaart door en achter mij kwamen de anderen;
onweerstaanbaar stortten wij ons in de dichtopeengepakte
phalanx van den verbijsterden vijand. De zware kanonnen
slingerden van de eene zijde naar de andere en vormden
een breed pad vol bloed.
De schok verblufte de Oostenrijkers, ze aarzelden, hun
opmarsch kwam tot staan. Zoo verbijsterend snel was
onze manoeuvre geweest, dat toen we aan het einde der
vijandelijke linie waren, we slechts tien man verloren hadden,
terwijl de dood met zijn zeis langs het geheele vijandelijke
front had gemaaid.
Bliksemsnel wenken we onze batterij om ons opnieuw
op den vijand te storten, doch het was niet meer noodig.
Napoleon had tijd gehad zijn troepen te verzamelen en
toen Desaix kort daarop verscheen, was de aanvankelijke
nederlaag spoedig in een schitterende overwinning veranderd.
De eerste order die de 26ste batterij den volgenden dag
hoorde was, dat de datum van den slag met nog een andere
inscriptie op onze regimentsplaat zou worden gegrift. We
moesten paradeeren voor den eersten Consul en de rijdende
artillerist Jean Durien van kanon no. 3 moest voorop
rijden. Hoe Napoleon mijn naam wist. ben ik nooit te
weten gekomen. Misschien had mijn kapitein het hem verteld,
want deze was onmiddellijk na het gevecht naar mij
toe gekomen, had mij de hand geschud en mij hartelijk
toegesproken, wat mij een kleur in het gelaat joeg, en had
mij bovendien vijf goudstukken ter hand gesteld.
Enfin, we poetsten haastig onze spullen op om er zoo
goed mogelijk uit te zien en begaven ons op weg naar
Napoleon. Op een eenigszins verhoogd terrein moesten we
halt houden en hier kwam van uit het bivak ons een groep
ruiters te gemoet rijden Nu moet ik u zeggen, monsieur,
dat hoe vreemd het ook klinkt, ik Napoleon, ondanks zijn
alomtegenwoordigheid- tot op dat oogenblik nog nooit
gezien had, zoo ver ik wist. Hij had eens echter mijn batterij
om gereden, maar toen bevond ik mij juist onder de
kogelwagen. niet in staat iets te zien door de stof.
Zooals gezegd kwam een groep ruiters op ons toe rijden
en toen ze dichterbij kwamen, reed een van hen vooruit
Het was een klein, onaanzienlijk mannetje op een wit
paard. Hij had een lichtgrijze wapenrok aan, waarin hij
later Jean Durien nog honderd maal ter overwinning
zou voeren. Ik sloeg mijn hand aan mijn sjako, doch toen
ik hem eindelijk vol in het gezicht zag, viel mijn arm neer
het was de man, die mij eens van de Seme gered had. De
zeldzame schoonheid van dat gelaat had ik nimmer vergeten.
En plotseling begreep ik ’t, dat deze man en niemand
anders de groote Napoleon moest zijn.
Hij lachte toen hij mij voorbijging en mijn hand vloog
naar mijn hoofd Op zijn bevel verzamelde de kapitein
alle manschappen omer batterij rondom mijn kanon. Toen
reed Napoleon naast mij, en legde zijn hand op mijn schou
der. Op het geheele slagveld hoorde men slechts zijn stem.
Ant. Verheyen, Dommelhuizen en Kloppers in
„DIE AFSCHUWELIJKE FERANTE”. (foto's Couvée)
„Mannen van de 26ste batterij,” riep hij uit, met trillende
stem, „ik ben trotsch op je 1 Uw kameraden en uw landslieden
zullen evenzeer trotsch op je zijn, zoodra ze je heldendaad
vernomen hebben. Onder alle wapens onder mijn
commando zijn geen dapperder mannen dan die van de
26ste batterij. En van u allen is Durien de dapperste,
want hij leidde u gisteren naar een zekeren dood om uw
kameraden te redden. Daarom bevorder ik voerman Durien
tot sergeant-majoor. De rest van jelui mag om een speciaal
privilege vragen als een herinnering aan het feit dat ik
jelui de dapperste mannen van Frankrijk genoemd heb.”
Napoleon drukte mij de hand en toen te midden van
het gejuich van mijn kameraden en de geheele armee reed
hij weg.
Het was den 15den Augustus van dit jaar, toen de vrede
geteekend was en we weer in Parijs terug waren dat we gebruik
maakten van het ons beloofde privilege. Wij paradeerden
met violen op onze borst en toen de keizer passeerde bliezen
onze horenblazers een charge.
De keizer salueerde glimlachend toen hij zijn geliefde
bloem zag en op dien dag waren er geen gelukkiger mannen
in Parijs dan die van de 26ste batterij.
Korten tijd daarna trouwde ik met mijn Margot, en toen
we de kerk verlieten kwam ons een luiter te gemoet met
een bruidsgeschenk van den keizer : een gift van honderd
goudstukken, het kruis van het pas gestichte Legioen d’Honneur
en een bouquet viooltjes.
Vandaag, acht jaar geleden, bracht mijn neef mij naar
het Hotel des Invalides waar onze dappere legerhoofden
rusten, om de 26ste batterij nog eenmaal te zien. De kanonnen
(zonderlinge modellen die ik nooit gezien had)
waren bedekt met violen en de trommels roffelden het
rataplan van den aanval.
|