|
’T VERHAAL VAN
- DEN INVALIDE -
een, monsieur, ik ben geen
soldaat geweest van de oude
garde; ik heb nimmer de blauwe
tuniek met de witte plastron en
de berenmuts gedragen. Ik was
maar een voerman van de keizerlijke
artillerie. Dat is niet veel bijzonders, hé 1
Toch is er een tijd geweest dat wij voerlieden
werden vereerd verre boven de beroemde
gardesoldaten van de glorierijke fransche legers,
en ik, Jean Durien van de 26ste batterij was
de persoon die dat had bewerkstelligd.
En bién, monsieur, ik zal u de geschiedenis
eens vertellen, hoewel ik als oude ruwe soldaat
het maar op eenvoudige wijze doen kan.
Ja ik wil graag opstaan — als u mij even
helpt, zoo, dank u — en met u drinken op
mijn cnsterfelijken keizer. Het is vandaag zijn
geboortedag, daarom draag ik deze viooltjes.
Ik wii beginnen bij den tijd dat ik mijn
kleine geliefde Margot, de dochter van den
dorpssmid, bitter weenende achterliet in het
woud achter Cartoucheres, terwijl ik trots stappend in de
gelederen van een afdeeling recruten uit volle borst
meezong : ,,Aux armes, citoyens !”
Margot had zich getroost met de gedachte aan een terugkeer
van mij vol roem, maar aan dezen droom werd in
Parijs ruw een einde gemaakt. Den avond van onze aankomst
in de hoofdstad werden we door onzen sergeant zoo
volop van wijn voorzien, dat we onze zinnen verloren en
den volgenden morgen bemerkten we, dat een tiental van
ons, waaronder ook ik, den eed gedaan hadden om als
artillerie-voerman dienst te doen in het leger der republiek.
U zult begrijpen hoe teleurgesteld we waren, als u weet
dat de kanonnen-voerlui de meest verachte lieden in het
leger waren. Ze werden niet als militairen beschouwd en
mochten niet eens de uniform dragen van het regiment
waartoe zij behoorden, en evenmin deelen in den roem der
veldslagen die zij hielpen winnen. Het was daarom begrijpelijk
dat wanneer de Franschen aan de verliezende hand
waren, de voerlieden de touwen, waarmee hun paarden aan
de kanonnen verbonden waren, doorsneden en vluchtten,
het kanon in de handen der vijanden achterlatende.
Ondanks onze teleurstelling durfden we niet te luid
morren, want in die dagen der revolutie stond niemands
hoofd bijzonder vast. We berustten dus in hetgeen de
goede God ons oplegde en werden spoedig daarop naar
den Rijn gezonden, waar we half stervende en in lompen
gehuld vier jaar lang wanhopig vochten. Onze verliezen
waren daar ook zoo groot, dat toen een tijdelijke schorsing
der vijandelijkheden het Directoire gelegenheid gaf ons
terug te roepen, ik, die nauwelijks twintig jaar telde,
niettemin de oudste voerman van onze batterij was.
Hoe klein is de wereld toch, monsieur! Op den dag dat
ik te Parijs aankwam, ontmoette ik op de Place Vendome
mijn lieve Margot. Hoewel ze met een grooten kerel,
gekleed in de uniform der Nationale Garde, liep, herkende
ik haar onmiddellijk. Ik liep op haar toe en vatte haar
beide handen, te ontroerd om te spreken. Gebruind en
mannelijker geworden in de jaren van mijn afwezigheid
herkende ze mij eerst niet. Ondertusschen was de kerel
mij genaderd en behandelde mij zoo beleedigend en geringschattend,
dat ik van woede en jaloerschheid hem met de
eene hand bij den kraag pakte en de andere met volle
kracht op zijn gelaat deed neerkomen. Toen herkende
Margot mij opeens, ze lachte mij blij toe en eenige oogenblikken
later waren we, in een vriendschappelijk gesprek
gewikkeld op weg naar haars vaders woning in Parijs.
Mijn geluk duurde niet lang, misschien een week, zoover
ik mij herinner; toen begon ik te bemerken, dat Margot mij
niet langer liefhad. Haar hoofd was heelemaal op hol gebracht
door die fatterige uniform van de Nationale Garde.
De Bloemententoonstelling in , Kras” te Amsterdam, gehouden ten bate van het
Nationaal Steuncomité. (foto D. v.
Koninklijk
Kreveld).
Ze klaagde er over dat ik geen uniform droeg en toen,
op een dag, snauwde zij me af, mij, een der veteranen van
den Rijn, in tegenwoordigheid van dien pocher, die nooit
van huis geweest was.
Ah, monsieur weet wat vrouwen zijn !
Een kleurig pakje, een paar glimmende knoopen en ... .
ware, trouwe liefde is niets.
Haar steeds ongenaakbaarder houding maakte me dol
jaloersch en, op een avond, brak de bom los. Ik overlaadde
haar met de bitterste verwijten ; zij antwoordde mij sarrend;
ik wond me steeds meer op en ten laatste zei ik iets
wat ik niet had moeten zeggen. Toen beval ze mij trotsch
en koel haar te verlaten, voor immer.
Haar woorden ontnuchterden mij. Ik zag opeens wat
ik gedaan had, en, mijn armen om haar hals slaande bad
Vluchtelingen in de Leidsche Dekenfabriek
--------der firma J. C. Zaalberg & Zn.---------
Het bereiden van maaltijden met behulp van militaire koks
ik haar om vergiffenis. Zij duwde mij weg.
,,Nooit meer !” riep ze uit. ,,Ga !’
Zij meende wat ze zei, en haar woorden
vernietigden al mijn levensgeluk. Ik bleef niet
langer, het was van geen nut. De afgod die
mij bij alle gevaren aan den Rijn voor den
geest had gezweefd, was vernietigd. Zonder
Margot kon ik niet langer leven. En zoo in
de onbezonnenheid mijner jeugd rende ik weg,
naar de Seine, om mij te verdrinken.
Ik stond op den oever der rivier op het
punt mij in het donkere water beneden mij
te werpen, toen een hand op mijn schouder
mij tegenhield. Ik keek om, een man met
een gladgeschoren gelaat stond naast mij.
„Wat moet je van mij ?” vroeg ik ruw.
Het was maar een klein tenger persoon,
en ik bevond mij in een stemming om hem
met mij in den vloed te slingeren. Maar terwijl
ik sprak, kwam de maan van achter de
wolken te voorschijn en verlichtte met haar
bleeke stralen het gelaat van den vreemdeling.
Ik snakte naar adem !
De oogen van den man staarden doordringend
in de mijne. Hij doorzag mij, las
in mijn ziel al mijn geheimen. Ik zag in zijn
blik belangstelling, sympathie, maar het ovale
gelaat zelf was boven alle beschrijving. Schilders
hebben dwaselijk gepoogd hem uit te beelden — O, honderden
malen 1 maar voor hun fijnste werk in een lijst
van goud zou ik niet willen ruilen de beeltenis, die ik zie,
telkenmale als ik de oogen sluit!
Maar ik dwaal af. De vreemdeling sprak mij aan.
„Eenmaal,” zei hij zacht, „ontnam de regeering mij mijn
laatste hoop en gebrek stond mij te wachten. Toen kwam
ik hier op deze zelfde plaats om mij het leven te benemen,
doch een vriend redde mij. De schuld aan dezen man zal
ik nimmer kunnen aflossen. Ga terug, kameraad ! Van alle
lafaards door God geschapen, is de ergste die de hand aan
zichzelven slaat.”
„Ik ben geen lafaard !” zei ik met gloeiend gelaat. „Ik
vocht met Moreau aan den Rijn !”
„Een soldaat 1 Waar is je uniform ?”
Ik kon niet antwoorden, maar hij zag tranen in mijn
oogen opwellen.
„Vertel mij uw leed !” hernam hij.
Het klonk eenvoudig en toch zweer ik u, monsieur, dat
ofschoon hij slechts deze simpele woorden zei, ik me gedwongen
voelde hem mijn geschiedenis te vertellen. Er
was zoo’n toovermacht in die stem, dat ik evenmin had
kunnen zwijgen als nu salueeren met mijn arm die onder
een dooden kozak begraven ligt op het slagveld te Leipzig.
Ik vertelde hem alles, de geheele historie. Toen ik geëindigd
had, keek ik hem aan en ik zag dat hij glimlachte.
Voor een oogenblik kwam mijn woede weer boven, één
oogenblik slechts want in zijn glimlach las ik iets dat mij
hoop gaf nieuwe, plotselinge hoop. — Voor ik spreken
kon, begon de naastbijzijnde torenklok te spelen.
„Ik moet weg,” zei hij haastig. „Goeden nacht kameraad !
Luister naar mijn raad : blijf bij je kanon en hoop. Er is
altijd hoop, zelfs voor een verliefden dwaas !”
Hij lachte nog eens, terwijl hij verdween in de duisternis,
en ik — wel, ik wist niet of ik vroolijk of woedend moest
zijn en dus keerde ik naar mijn kwartier terug en zocht
mijn bed op.
Nog geen week later op een dag naar de kazerne terugkeerende
vond ik mijn kameraden in een buitengewonen
staat van opwinding. Ze namen mij mee naar het plein
en toonden me een dagorder. Daar in groote letters stond
te lezen dat de voerlieden der kanonnen gelijkgesteld
werden met alle andere militairen. Onze vroegere verdiensten
werden geprezen en ons verden voor de toekomst
roem en belooning toegezegd maar boven alles ; we kregen
een uniform. Sapperloot 1 wat zijn de rijdende artilleristen
dien dag dronken geweest!
Eh bien ! Om verder te gaan, de magnifieke uniform
van het 26ste regiment deed Margot weer tot mij terugkeeren
Haar vader had mij reeds hoop gegeven, maar spoedig
J-Joe 500 vluchtelingen in een der fabrieken ondergebracht werden. (foto's Jonker & Zn.) Aan den maaltijd, waarvoor in de fabrieksgebouwen de tafeltjes werden neergezet
|