|
HET ROODE KRUISWERK.
Een gewonde Duitscher wordt door Belgische ambulance-soldaten, bijgestaan
door een Roode Kruis-Geestelijke, in een ambulance-trein gedragen.
WILDE TREINEN.
De treinen met erts geladen, welke door de Belgen werden afgezonden om
den spoorweg te versperren.
niet in de stemming om zijn aanzoek een gunstig onthaal
te verschaffen. Integendeel, de heer Verhoef was eenigen
tijd bepaald ongenietbaar. Toen werd hij opeens vertrouwelijk
en deelde aan Veldman de oorzaak van zijn zorgen
mede.
Naast het koffiehuis van den heer Verhoef, had zich
een nieuwe hotelier gevestigd, die hem al zijn clienteele
afhandig maakte, niet door eerlijk zakendrijven, maar
door allerlei minderwaardige trucs. Willem Spoor, een
Amsterdammer, had nog nauwelijks zijn nieuw café geopend
of hij begon door verschillende kunstgrepen en reclamemiddelen
de zaak van zijn buurman en concurrent afbreuk
te doen, wat hem wonderwel gelukte.
Zoo had hij kort geleden weer een nieuwe attractie uitgedacht
: Langs den tuin van zijn huis stroomde een tien
meter breede rivier. Aan de overzijde was de oever zeer
steil en dicht begroeid met biezen. Nu had hij tal van
liefhebbers der zwemsport uitgenoodigd met hem een wedstrijd
aan te gaan wie den langsten tijd onder water zou
kunnen blijven. Geen enkele der zwemmers gelukte het
evenwel Spoor te overtreffen. Ook schreef hij wedstrijden
uit voor de dorpelingen onderling, waaraan hij dan deelnam
buiten mededinging. Zoo zette hij de sportlui in verbazing
door meer dan vijf minuten onder water te blijven.
Een en ander lokte tal van bezoekers naar zijn café zeer
tot schade der andere koffiehuizen en inzonderheid van
dat van zijn buurman Verhoef.
Uit een en ander zal men begrijpen, dat de taak aan
Veldman door zijn aanstaanden schoonvader opgedragen
lang geen gemakkelijke was. Dat er bedriegerij in het spel
was, daarvan was de jongeman overtuigd. Hoe hij echter
zijn hersens peinigde, hij wist er geen oplossing voor te
vinden.
Hij besloot ten laatste het koffiehuis van Spoor te gaan
opzoeken, ten einde met den eigenaar kennis te maken
en het tooneel van den strijd te verkennen. Zoodra hij
binnentrad ondervond hij evenwel zijn eerste teleurstelling :
baas Spoor was voor enkele dagen afwezig. Bertus
troostte zich evenwel met de gedachte dat hij nu beter
gelegenheid had om de localiteit te verkennen. Hij wandelde
den tuin door en zette zich aan het einde hiervan
bij de rivier neer, terwijl hij een biertje bestelde. Hij bestudeerde
nauwkeurig de rivier en de beide oevers.
„Vijf minuten onder water blijven,” peinsde hij. „Geen
adem halen al dien tijd en dan zoo frisch als een hoentje
weer boven komen, ’t Is een mooi smoesje 1 Natuurlijk
haalt hij adem. De vraag is maar : hoe levert hij ’m dat ?”
Zijn bier bleef onaangeroerd, terwijl hij daar zat te
peinzen en in het water te staren.
„Met tal van kijkers hier aan den oever is het voor Spoor
onmogelijk boven water te komen,” zei Bertus tot zichzelf.
„Toch moet hij ademhalen. Sapperloot, hoe doet hij dat ?”
Geen antwoord vindende op zijn vragen, stond hij eindelijk
ontmoedigd op, dronk zijn bier uit en vertrok. Hij
zou er maar eens op gaan slapen, wellicht bracht de nacht
onbewust de oplossing van het probleem.
Den volgenden morgen was hij vroeg op en wandelde
het huis uit, voordat Verhoef beneden was. Hij was het
beu nog langer over de kwestie te praten en daarom vastbesloten
als de oude heer bij zijn besluit bleef, zijn koffer
te pakken en naar de stad terug te keeren. Hij ging dus
het huis uit en wandelde voor het laatst langs de rivier,
nu aan den anderen oever en zette zich eindelijk na een
korte wandeling neer aan den oever tegenover de plek,
waar hij den vorigen middag gezeten had.
Zoo zat hij daar misschien tien minuten, toen hij eensklaps
opsprong met een kreet. Neen, het was geen „Eureka 1”
wat hij uitriep, want „ontdekt” had hij nog niets, dat is
te zeggen, niets bijzonders, alleen dat hij midden in een
mierennest was gaan zitten. Door zijn haastig opstaan
slipte hij evenwel en gleed pardoes langs den steilen oeverkant
het water in. Zooals reeds hiervoren gezegd was de
oever dicht begroeid met biezen en deze biezen waren sterk.
Dat was zijn geluk, want zich hieraan vast grijpende gelukte
het hem weer spoedig vasten en drogen grond onder
de voeten te krijgen. Doch terwijl hij, nu voor de tweede
maal aan den oever zat, een bosje afgebroken biezen in
de hand, maakte zijn ergernis plaats voor groote vreugde.
Nu kon hij met recht roepen „Eureka !” want hij had
de oplossing van het raadsel gevonden. Wat hinderde het
dat hij een paar natte beenen had ! Bertha was de zijne
en de honderd pop bovendien. Hij had wel kunnen dansen
van blijdschap als zijn voeten maar niet *zoo nat waren
geweest. Hij verschool zich achter wat struikgewas, wrong
daar het water uit broek, schoenen en kousen, en haastte
zich toen naar huis.
De oude heer Verhoef zat met de grootste verbazing
te luisteren naar de verklaringen van Bertus Veldman,
welke laatste zoo verstandig was zijn ontdekking niet toe
te schrijven aan een bloot toeval, zooals werkelijk het
geval was, maar aan de bijzondere werkzaamheid van
zijn scherpzinnig brein.
„Ik vroeg mij zelven af,” vertelde Bertus, „als ik nu
eens zoo’n kunststuk uithalen moest, hoe zou ik dat doen ?
Ik bedacht toen verschillende middelen en meende <^t
Spoor van deze wel het eenvoudigste zou kiezen, zette de
proef op de som, en, warempel, ik had gelijk 1”
„Hij is een leugenaar !” riep Verhoef woedend uit.
„Een dief, een zwendelaar,” voegde Veldman er aan toe.
„Om me mijn eerlijk verdiend geld op zoo’n gemeene
manier af te zetten,” ging Verhoef voort. „Maar ik heb
hem nou in mijn macht. Ik zal ’t hem inpeperen. Ik zal
hem hier onmogelijk maken.”
„Ja hij kan zijn biezen wel pakken,” stemde Bertus
toe. „Maar hoe gaat ’t nu met je vijf en twintig gulden
en . . . .” voegde hij er bij, „met mijn honderd?”
„Vergeet je Bertha ?” vroeg Verhoef, nu in een bijzonder
vroolijke en welwillende stemming. „Je hebt toch hersens,
Bertus !”
„Dankje!”
„Ik had nooit gedacht dat je zoo rijk was!”
„Mijn honderd pop !” hernam Bertus.
Verhoef had in werkelijkheid niet gedacht, dat Veldman
de moeilijkheid zou hebben opgelost. Anders zou hij niet
zoo royaal met zijn honderd gulden hebbenomgesprongen.
„Die honderd gulden was natuurlijk maar een grapje,”
antwoordde hij. „Wat Bertha betreft, die kun je krijgen,
met al mijn vaderlijke zegeningen en wenschen voor een
gelukkige toekomst.”
„Uw milddadigheid, mijnheer Verhoef, wordt alleen
overtroffen door uw grcote waardeering voor de werkingen
van het menschelijk brein.”
Verhoef nam dit op als een compliment en dankte glimlachend.
„Nu moet je je vijfentwintig gulden nog terug zien te
krijgen,” opperde Veldman, die snel een middel bedacht
had om toch de beloofde honderd gulden meester te worden.
„Ja, da’s waar !” stemde zijn aanstaande schoonvader
toe. „Wist ik maar een middel om dat klaar te spelen.”
„We! ik heb een idee !” En Bertus legde zijn plan uit.
Behalve dat Spoor voor het geheele dorp ontmaskerd zou
worden, zou Verhoef tevens gelegenheid hebben niet alleen
zijn geld terug te krijgen maar bovendien nog een aardige
som er bij te verdienen. Bertus stelde namelijk voor met
Spoor een wedstrijd in ’t duiken te houden.
„Je kunt gerust tegen iedereen die het wil wedden dat
ik het winnen zal. Spoor zal zeker een flinke som willen
wagen overtuigd dat hij het wint. Maar ik zal hem met
zijn eigen wapen slaan. Zoo wordt hij bekend gemaakt
en je hebt er nog financieel voordeel bij.”
„Er is geen mogelijkheid dat Spoor te weten gekomen
is, dat je zijn geheim kent ?”
Bertus zei van neen en Verhoef wien het plan wel toelachte,
besloot het ten uitvoer te brengen. Hij maakte
algemeen bekend dat hij een kampioen gevonden had, die
Spoor in het duiken en onder water blijven verre overtreffen
zou en hij raadde den bezoekers van zijn café aan op zijn
man een kansje te wagen. De meesten waren echter zeer
sceptisch gestemd en weinig genegen den raad op te volgen,
tot Verhoef hun heel in het geheim vertelde, dat Veldman
het raadsel van Spoor’s duikkunst ontsluierd had en hiervan
nu tegen hem gebruik zou maken. Verhoef ging, dom
genoeg, in zijn verlangen om zijn concurrent schade te
doen zoo ver, dat hij aan iedereen uitlegde welke truc, die
in werkelijkheid heel eenvoudig was, Spoor eigenlijk gebezigd
had.
Spoor had namelijk aan de overzijde in het riet een
gummi ademhalings-apparaat verborgen, waaraan onderaan
een slang bevestigd was en welks top tusschen de biezen
juist boven water uitkwam. Als hij nu dook, zwom hij naar
de overzijde der rivier, vond onder de biezen de tube met
de slang, blies door de laatste eerst al het water weg dat
er mocht zijn in geloopen en bleef dan kalm ademhalen,
zoolang hij wilde.
Dit alles was Veldman duidelijk geworden, toen hij van
den oever tusschen het riet in het water gleed.
Bij zijn pogingen om weder aan wal te komen, had hij
met de biezen ook een stuk van de slang in handen gekregen.
Zoo’n drukte en opwinding als nu had er nog nooit in
het dorp geheerscht.
Er zou een wedstrijd plaats hebben tusschen de heeren
Spoor en Veldman.
Er werd gewed wie van de beide kampioenen het
winnen zou.
Het meerendeel wedde op Spoor.
Verhoef had natuurlijk zijn geld op zijn aanstaanden
schoonzoon gezet en dezen grootmoedig de helft van de
winst beloofd.
De groote dag was aangebroken.
Tal van personen, ook uit de omgeving, waren naar het
hoffiehuis van Spoor gekomen waar goede zaken gemaakt
werden.
Eindelijk stonden de beide kampvechters op den oever
gereed, omringd van een groote menigte nieuwsgierige
toeschouwers.
De rivier was voor elk der competitors met touwen
afgezet.
Eindelijk riep de scheidsrechter :
„Klaar! Een, twee, drie!” En onder het gejuich der
menigte plonsden beiden in het water.
Tien seconden, twintig seconden, dertig .... de rimpels
aan de oppervlakte van den stroom vervaagden — vijj
en dertig, het water was nu glad als een spiegel, niets zag
men rneer bewegen, toen opeens, het was nu zeven en
dertig seconden, zag men weer beweging en tot elks verwondering
kwam er een hoofd boven, het hoofd van Bertus
Veldman. Een algemeen hoongelach brak los, terwijl hij
naar den oever zwom.
Verhoef en- diens vrienden, die op Veldman gewed hadden,
waren buiten zich zelf van woede. Ze hielpen hem
op den wal met meer kracht dan hulpvaardigheid en begonnen
hem allerlei vragen te stellen; Bertus evenwel in
plaats van te antwoorden, viel bewusteloos neer. Op dat
oogenblik kwam ook Spoor boven, hij was nog nimmer
zoo korten tijd onder geweest. Ook hij werd op den oever
getrokken.
„Ik heb ’t verloren,” riep hij uit. „’t Gaat niet! Het
water is vergiftigd !”
Toen geraakte ook hij buiten kennis.
Geen van beiden schenen ^echter ernstige gevolgen te
ondervinden van het vergiftigde water. Toen Bertus Veldman
weer bij kennis kwam had hij nog een benauwd
kwartiertje door te maken met zijn woedenden toekomstigen
schoonvader. Maar Bertus zelf was ook woedend, want hij
had natuurlijk de weddenschap verloren.
Had de oude heer Verhoef echter geweten dat Bertus
den volgenden dag met Spoor de winst samen deelden,
dan zou hij met reden nog verontwaardigder geweest zijn.
Toch was ’t zijn eigen schuld; had hij zijn v.ooid gehouden
en de beloofde honderd gulden betaald, dan zou Bertus
niet samen met Spoor den zoogenaamden wedstrijd op touw
gezet hebben met het vooiaf afgesproken resultaat.
|