|
OP, VOOR DEN VREDE....
F. M. KNOBEL,
Voorzitter van den Nederlandschen Anti-Oorlog Raad.
(foto Weissenborn).
^^^^^^^Nanneer we te midderi van de verschrikkingen
r :< van den oorlog, het toch nog wagen om een
KO en ander over de vredesbeweging te zeggen,
a dan is dat niet een gevolg van een te ver
doorgevoerde dweeperij met de vredesidee,
doch dan doen we dat in de volle overtuiging,
dat het onze plicht is.
De plicht van elk mensch, wien het wel en wee van onze
samenleving ter harte gaat, is om in deze tijden niet moedeloos
bij de pakken neer te zitten en te redeneeren: nu er
eenmaal oorlog is, helpt het zoeken naar middelen om den
oorlog tegen te gaan of in de toekomst te verhinderen niets,
neen, verre van dat rust juist op ons allen de taak om onze
beste krachten te wijden aan dit moeilijke probleem.
Wanneer in vollen vrede de oorlog op velerlei wijzen
voorbereid wordt, wanneer men van te voren alle organisatievermogen
besteedt om zoo sterk mogelijk te staan in
een komenden oorlog, dan vindt „men” dat de gewoonste
zaak ter wereld. Een groot werk, dat ondernomen wordt,
eischt nu eenmaal, lang voor dat men zelfs eenig begin er
van ziet, duchtige voorbereiding. Welnu zoo is het ook
met den vrede gesteld. Wil men bereiken dat ereindelijk
aan de krankzinnige oorlogswoede, waardoor Europa geteisterd
wordt eens een einde komt en dan wel zoo, dat we
voor goed bevrijd zullen zijn van dergelijke plagen der
wereld, dan dient men, reeds midden in den oorlog z’n
aandacht op dat doel te vestigen en de noodige preperatieven
te treffen om dit doel eenmaal met succes te kunnen bereiken.
Wellicht zullen er lezers zijn, die zich afvragen hoe ik
dan meen dat er ooit een einde zal kunnen komen aan
het met de wapens beslechten van geschillen tusschen de
diverse staten. Mijn antwoord hierop is het volgende.
Eeuwen geleden kende men slechts tusschen de menschen
onderling het recht van den sterkste: bloedwraak was
aan de orde van den dag, het privaateigendom werd slechts
door ’t geweld beschermd. Dat men in die tijden zich ooit
een voorstelling heeft kunnen maken van overeenkomsten
op wier niet-nakoming straf gesteld is, welke straf tenslotte
geëxecuteerd kan worden door de van overheidswege
daartoe aangestelde machten, dat men zich ooit heeft
kunnen indenken in het straffen van den misdadiger door
den staat, welke niet gedoogt dat de binnenlandsche orde
verstoord wordt en die tevens een voorbeeld aan anderen
wil stellen, ik geloof het niet.
En thans : wee dengene die een overeenkomst niet nakomt.
Hij zal bij vonnis van den rechter het zij tot nakoming,
het zij tot schadevergoeding gedwongen worden.
En op strafrechtelijk gebied zien we dat de staat er voor
zorgt dat de misdadiger niet ongestraft blijft rondloopen.
Welnu, evenals het mogelijk is geweest, dat tusschen de
individuen aldus een geregelde rechtsorganisatie is gekomen
welker handhaving door een centraal gezag gewaarborgd
wordt, evenzoo zal ook eenmaal op internationaal gebied
de chaos van weleer verdwijnen, dewillekeurvan eiken staat op
zich zelf buigen voor ’t recht, gehandhaafd door een centraal
gezag. Zooals thans de enkeling er niet aan denkt eigen
richting te zoeken of met geweld z’n recht te verkrijgen,
evenzoo zullen eenmaal de staten geen oorlog meer voeren
tot verkrijging van hun recht, maar zich houden aan de
door het internationale recht gestelde regelen.
Men beweert wel eens, dat dit een onmogelijkheid zal
wezen, daar de concurrentie, die tusschen de verschillende
volken, heerscht niet weg te nemen is en juist deze veelal
een aanleiding was en zal zijn tot een conflict beslecht
door de wapenen. Is dan — zoo zou ik willen opmerken —
de concurrentie tusschen de individuen verdwenen sinds
zij zich houden aan de regelen van het voor hen gestelde
recht ?
Doch voor we zoover zijn, zullen er heel wat jaren verloopen
zijn; intusschen kan er een aanvang gemaakt worden
om de oorlogen zooveel mogelijk te voorkomen en hier toe
kunnen de volgende maatregelen meewerken : democratie
seering van de buitenlandsche politiek in de verschillende
staten en geleidelijke ontwapening.
Een geheel volk wordt in den oorlog gestort door slechts
enkele min of meer knappe diplomaten. Heeft eenmaal een
volk zelf invloed op de buitenlandsche politiek, door middel
van het door de kiezers gekozen parlement, dan zal men
niet spoedig een krijg zien ontstaan; bij vrije keuze is er
vrijwel geen natie ter wereld die haar stem voor een oorlog
zou uitbrengen. Wanneer dan daarenboven de diverse
staten met elkaar overeenkomen, dat, zoo er geschillen rijzen,
eerst na den tijd van een jaar waarin de daartoe bestemde
commissies hun nauwgezet onderzoek kunnen doen, de
oorlog verklaard mag worden, dan komt men ook hiermee
een heel eind verder op het pad dat ons verre houdt van
oorlog voeren. Tenslotte zal natuurlijk bij een minder
drukkende last van de bewapening het euvel weggenomen
worden dat die zware last, wanneer ze ondragelijk geworden
is, tot een oorlog dwingt, zooals velen meenen, dat thans
het geval is geweest.
Deze en andere ideeën nu worden door heel wat personen
aangehangen; vele vredesbonden zijn er die mutatis mutandis,
bovenvermelde punten in hun programma hebben opgenomen,
en toch er ontbrak een ding : krachtige organisatie.
En daaraan hoopt men thans een einde te maken.
Zooals men gelezen heeft zijn we sinds eenige dagen een AntiOorlog
Raad rijk en hoewel door middel van de dagbladpers
een en ander omtrent het doel bekend is geworden,
meenden we dat het toch niet zonder belang was om eens
iets nader omtrent dit lichaam te vernemen. We wendden
ons dus tot den secretaris van het Bestuur, Mr. de Jong
van Beek en Donk, die ons zeer bereidwillig te woord stond
en in het kort het volgende meedeelde:
Begin September rees bij de leiders der vredesbeweging
in Nederland het idee, dat er iets gedaan moest worden.
Moedeloos het hoofd in den schoot leggen en nu maar zwijgen
over de idealen die men koesterde ware een lafheid, een
verraad geweest. Hoe groot de teleurstelling ook was, hoe’n
tegenslag men ook had ontvangen door dezen Europeeschen
oorlog, men was van oordeel dat de handen uit de
mouwen gestoken moesten worden, en men ging na, hoe
’t kwam dat de vrienden van den vrede zich zoo zeer misrekend
hadden. Immers aanhangers telde de beweging er
zoovelen en niettegenstaande dat, bleek hun invloed van
nul en geener waarde.
Alras zag men in, dat een der hoofdfouten tot nu toe was
geweest: gebrek aan eenheid. Gedachtig aan de spreuk
„Eendracht maakt macht”, besloot men terstond de begane
fout te herstellen en zoodoende ontstond het plan tot oprichting
van een centraallichaam w. i. zitting zouden hebben
de vertegenwoordigers van de verschillende vredesbonden
en vereenigingen, die de vredesidee aanhangen. Het initiatief
ging uit van Vrede door Recht, welks voorzitter Mr. de
Pinto, een leidend aandeel in de beraadslagingen had;
doch weldra zag men in, dat er zich verschillende bezwaren
voordeden. Dit centrale lichaam zou afgevaardigden tellen
van ongelijksoortige grootheden : hoe zou de verhouding zijn
tusschen de vertegenwoordigers van een groote vereeniging
of een groote partij en die van een, welke ’n gering aantal
leden telde ? Bovendien, hoe den enkeling aldus te bereiken
? Ten slotte is men er dan ook toe gekomen om een
geheel nieuw lichaam op te richten, waarin menschen van
verschillende richtingzittingnamen,een lichaam dat ook velen,
niet bij vereenigingen enz. aangeslotenen, bereiken zal en dat
tevens de onafhankelijkheid van de bestaande corporaties
waarborgt. Slechts in die gevallen zal de Anti-Oorlog Raad
als vertegenwoordiger van de geheele vredesbeweging ten
onzent naar buiten optreden, waarin er volstrekte eenheid
tusschen allen bestaat.
Zoo zullen b. v. Vrede door Recht en deS. D. A. P. verschillende
punten speciaal aanstippen; waar eenstemmigheid
is zal dan de Raad z’n stem doen hooren.
Men heeft zoodoende alle richtingen weten te bereiken,
o. a. ook de S. D. A. P. welke — mogelijk ten onrechte —
steeds eenigszins afkeerig was van Vrede door Recht onder
’t motief, dat ’t werk van dezen bond te sentimenteel en
niet doortastend genoeg was. Vandaar dat men er de voorkeur
aangaf, nu juist samenwerking met de socialisten van
groot belang werd geacht, een nieuwe organisatie te stichten.
Het hoofddoel nu van den Anti-Oorlog Raad is : centralisatie
en tijdige voorbereiding. Wat de centralisatie betreft,
dat men tot een internationaal lichaam wil komen spreekt
van zelf. Reeds heeft men in Zwitserland een dergelijken
Raad opgericht en thans is men doende, ook in de overige
neutrale landen een gelijke organisatie te verkrijgen om
dan zoo spoedig mogelijk bijeen te komen. Hiertoe zal de
Anti-Oorlog Raad, óf met den Zwitserschen Raad te samen
óf alleen, aan invloedrijke personen in de neutrale staten
een schrijven zenden om overal een dusdanige aaneensluiting
van vrienden van den vrede te verkrijgen zonder
onderscheid van richting. In de strijdende landen zal getracht
worden diegenen te bereiken, zooals Fried, Renault enz.,
van wie men kan verwachten dat ze veel voor het streven
zullen voelen, al zal daar nog niets kunnen komen van het
oprichten van een anti-oorlog raad. Een belangrijk punt
van overweging zal uit maken het door middel van een
internationaal weekblad bereiken van de bevolking der
JHR. Mr. Dr. B. DE JONG VAN BEEK EN DONK,
Secretaris van den Nederlandschen Anti-Oorlog Raad.
(foto v. d. Stok).
oorlogvoerende naties, om de menschen in hun eigen taal
te wijzen op het onzinnige van het voeren van een oorlog,
dien niemand tenslotte gewenscht heeft.
Ik vernam, dat de groote Amerikaansche vredesvereenigingen
Wilson een adres hebben doen toekomen, waarin
verzocht werd dat hij bewerken zou, dat een bemiddeling
door alle neutrale landen gezamenlijk en niet door Amerika
alleen, ter gelegener tijd zou worden aangeboden en dat
hiertoe reeds thans door de verschillende regeeringen
overleg zou worden gepleegd. Vooral zat er bij voor, de meening,
dat ’twenschelijk zou zijn dat alle Europeesche staten aan
de onderhandelingen zouden deelnemen en niet alleen de
oorlogvoerende mogendheden, omdat men zoodoende een
voor Europa gezondere regeling zou kunnen krijgen. Ons
lijkt het op den weg van den Anti-Oorlog Raad te liggen
om zich in verbinding met onze regeering te stellen, of zij
tot een dergelijke voorbereiding van een gezamenlijke
actie, welke meer uitwerking nog zou hebben, niet bereid
zou zijn.
Naar onze zegsman ons mededeelde ligt ’t ook op den weg
van overweging dat de Anti-oorlog raad bij Kamerverkiezingen
aan de candidaten vragen zou voorleggen om hun
standpunt te weten te komen ten opzichte van verschilleride
punten op het gebied van de vredesbeweging ; dit alles echter
zonder dat er ooit ’n politieke anti-oorlogspartij zou in
’t leven geroepen worden. Dat de handelspolitiek een groote
factor kan zijn ten goede der beweging, is men zich bewust,
zoodat men ook op dit gebied vooral werkzaam denkt te
zijn.
Het praktische doel nu van den Anti-Oorlog raad is,
dit ter recapitulatie : het vormen van een krachtige centrale
internationale organisatie, welke trachten zal den
oorlog in de toekomst tegen te houden en daartoe dient men
zich tijdig voor te bereiden. Een propageeren van de vredesidee,
voornamelijk daar, waar ze nog geen vasten bodem
heeft gevonden, is een der eerste vereischten. Hiertoe zal
een internationaal weekblad veel kunnen meewerken,
terwijl binnenslands men voorloopig zich tevreden stelt
met de verspreiding van den oproep; (reeds verschenen in
het Vaderland van Dinsdagavond 13 October); is men
eenmaal na nauwgezet ernstig onderzoek, dat echter met
alle kracht zal ter hand genomen worden, over verschillende
vragen van internationaal belang tot ’n oplossing gekomen,
dan zullen brochures over een dergelijk onderwerp uitgegeven
worden. De aaneensluiting van zooveel mogelijk vereenigingen,
welke zich met de ideeën van de bestrijders
van den oorlog kunnen vereenigen is ten zeerste gewenscht,
terwijl elkeen, die het zijne wil bijdragen tot het bereiken
van wat wij in den aanvang van ditstuk aangaven, zich als lid
dient op te geven bij den secret. Mr. de Jong v. Beek en
Donk,Theresiastraat 51 ’s-Gravenhage; de contributie ad 0.25
is juist zoo laag gesteld opdat het finantieele voor niemand
een bezwaar tot toetreding zou zijn. Reeds kreeg men van vele
kanten instemming, doch men hoopt dat elk Nederlander zich
bewust zal zijn van de verplichtingen welke er op hem
rusten als inwoner van ’t land van den grooten, humanen
internationalist Hugo de Groot, als inwoner van ’t land
dat men waardig heeft gekeurd om er het Vredespaleis te
doen verrijzen, om er Het Hof v. Arbitrage te vestigen.
We zijn — aldus tot slot de woorden van Mr. de Jong
van Beek en Donk — ons bewust van de zware taak welke
ons te wachten staat. We zijn allerminst verblinde utopisten,
doch wij meenen dat het onze plicht is tegenover de menschheid
om, hoe droevig het er dan op ’t oogenblik ook moge
uitzien, niets achterwege te laten tot het trachten verkrijgen
van den vrede, zoo al niet den vrede op aarde,
dan toch dien in Europa. E. v. R.
|