|
DE MEINEEDIGE
Een vroolijke schets uit den Mobilisatietijd
7\TTg^p^^jaron Ernst von Eden had eerst tien weken
'j geleden de bekoorlijke, kleine Magda Born-
>3" stad gehuwd en hoewel het jonge paar dus
M?'; foO/O no& *n den gelukkigen tijd leefde, welke
men wittebroodsweken noemt, vond het
* sedert gisteren geen gelegenheid meer dan
slechts om het halfuur een kus te geven.
Onverstandige lieden zouden zeggen, dat ze het daarmede
wel konden doen — zelfs in de wittebroodsweken:
maar deze lieden hebben niet het minste begrip er van
hoe lief de jonge lui. elkander hadden en welk een ofter ze
elk gebracht hadden om elkander te kunnen toebehooren.
De baron had zijn geliefde huzaren-attila voor een groen
jachtbuis verwisseld om zelf het beheer over zijn landgoederen
in de Rijnprovincie op zich te kunnen nemen, en de
kleine barones had nog grooter offer gebracht: zij had
het tot een eedbreuk laten komen.
Er bestond namelijk tusschen haar en haar vriendin
PRINS FERDINAND VïCTOR ALBERT MA1NRAD,
de troonopvolger in Roemenië, is een neef van den overleden
konmg, wiens portret wij hiernaast geven. Hij werd 24 Aug.
1865 te Sigmaringen geboren en is dus 49 jaar oud.
Maria von Kashagen een in het pension gezworen zwaren
eed 1 Zij zouden nooit trouwen 1
Nooit! !
Zouden zij evenwel aan heur noodlot niet ontkomen, zoo
was er een andere bepaling van kracht, volgens welke
Maria en Magdalena slechts te zamen zouden trouwen —
en hoewel niet met denzelfden man, dan toch op hetzelfde
uur. in dezelfde kerk, en in eenzelfde bruidstoilet. De huwelijksreis
zou gemeenschappelijk ondernomen worden; natuurlijk
naar Italië, en meer dan vijf kinderen mocht geen
van beiden hebben op straffe van een pond pralines voor
iedere overtreding. Dit alles was plechtig bezworen en in
beider dagboeken vereeuwigd.
Gewoonlijk echter loopen vooraf bepaalde zaken geheel
anders af dan men denkt. Nauwelijks een jaar later was de
gravin Magda Bornstad een zonnige, gelukkige barones
Eden. En aangezien niets zoo vergeetachtig maakt als
geluk, had zij zich de verbreking van haar eed waarschijnlijk
in het geheel niet meer herinnerd, als niet het aanstaande
bezoek van haar vriendin haar plotseling al deze
dingen weder in herinnering had gebracht.
Wat toch was het geval?
De politieke horizont in Europa was plotseling zeer
verduisterd. De moord op den Oostenrijkschen Aartshertog
en diens gemalin had den toestand min of meer gespannen
gemaakt. Rusland proefmobiliseerde, ach, alles nog heel
onschuldig, wat evenwel niet wegnam, dat Ook Duitschland
het verstandig oordeelde tot een gedeeltelijke mobilisatie
en versterking zijner grenzen over te gaan.
Generaal von Kashagen had daatom bevel ontvangen
zich met zijn op oorlogssterkte gebrachte brigade naar de
grens te begeven en was nu tijdelijk met zijn staf op
het kasteel Poltow ingekwartierd. Een kwartier geleden
had de generaal aan zijn beminnelijke gastvrouw meegedeeld
dat zijn dochter Marie toestemming gevraagd
had eenige dagen bij haar oude vriendin door te brengen.
De kleine barones, die haar hoofdje bijna verloor onder
het gewicht van huishoudelijke bezigheden, zocht onder
tranen en zuchten naar haar man. Het bewuste halfuur
was bijna om en dan zou hij haar moeten helpen, raden.
Zij wist volstrekt niet, wat men doen moest als men een
eed gebroken had — en nog wel tegenover zulk een lief
en hartelijk wezen als Maria von Kashagen.
Wel lichtte het in Magda’s blonde kopje dat er tusschen
heden en toenmaals een wereld van gebeurtenissen lag, die
elk op zich zelf een verzachtende omstandigheid was, dat
haar vrouwenwaarde hoog verheven was boven pensioneeden
en de gemoedsathletiek van een dwepende meisjesvriendschap
: maar of ze al met alle verstandelijke beweegredenen
aankwam welke ze inderhaast bedenken kon, het
was en bleef niettemin een afschuwelijke geschiedenis.
Daarbij woog het haar bijzonder zwaar op de ziel, dat
haar vriendin zich door dien dommen eed waarschijnlijk
nog gebonden voelde, immers zij was toch ruim een half
jaar ouder en nog had zij niets gehoord van een verloving
of iets dat daartoe voeren kon.
Mijnheer von Eden trad de kamer binnen. Op beide
armen balanceerde hij een kleinen toren van sigarenkistjes.
Hij ging daarmede zeer voorzichtig te werk en trachtte met
de ellebogen de deur te sluiten, een echt jongleurskunststuk,
dat hem zou gelukt zijn, als niet een andere natuurmacht
alle voorzichtigheidsmaatregelen had te niet gedaan en
het wankelende gebouw van kisten en kistjes ten val gebracht.
„Ach Ernst, Ernst 1” lachte en vleide Magda aan den
hals van haar echtgenoot. „Is het niet verschrikkelijk?
Ik ben zoo gelukkig ! Denk eens, Maria Komt — in een
paar uur is zij hier I”
Heer von Eden keek met een treurigen blik naar de
wild door elkander geworpen soorten van zijn beste sigaren
en antwoordde werktuiglijk :
„Zoo ! Nu dat is zeer lief van Marie. Apropos ! Wie is
eigenlijk die Maria, mijn vischje ?”
, Maar Ernst ?”
Een wereld van verwijt lag in deze twee woorden.
„Ken-je Maria von Kashagen niet ? Mijn beste vriendin ?
De dochter van onzen generaal ?”
„Natuurlijk ! Zou ik Maria niet kennen. God zegene
haar ingang, opdat ons huis vol worde. — Als je me nu
maar zeggen wil, mijn poppetje, hoe ik die verschillende
sigarenmerken, die Bock en Henry Clay uit elkander zal
kunnen zoeken.
„Ach, laat toch die domme sigaren waar we aan zooveel
anders te denken hebben,” antwoordde het bekoorlijke
vrouwtje ongeduldig. Toen vatte zij het hoofd van haar
man in haar beide handen, zoodat hij haar aankijken moest,
en zei plechtig: „Ernst, ik heb Maria gezworen nooit te
trouwen 1”
„Heb je ! Ha, ha, ha I Nu dan is het anders gegaan !
Dat is toch heel eenvoudig!”
„Gezworen ...
„Welnu, wat zou dat? dat maakt immers niets uit,
kindlief! In het ernstigste geval neem ik alle schuld op
mij. Ik zal getuigen, dat je me volstrekt niet wilde hebben,
dat ik je geroofd heb, of gedwongen; dat je daarover nog
vreeselijk ongelukkig bent en dat je het nooit meer doen
zult.”
„O, jou lieveling!”
Magda nestelde zich aan de breede borst van haar gemaal
en omklemde zijn hals — het half uur was juist om —
als wilde ze hem nimmer meer loslaten. Het geluk maakt
vergeetachtig. Bovendien had de luchthartige wijze, waarop
Ernst von Eden haar gemoedsbezwaren had weggepraat,
het jonge vrouwtje geheel gerustgesteld. Dat beminde
ze juist zoo in hem. Ieder van haar zorgen — en ach, ze
had er zoo vele (was niet den vorigen dag Puts, haar schoothondje,
den ganschen voormiddag zoek geweest ?) — wist
hij weg te schertsen. Glad weg ! Zelfs een werkelijke meineed
! Het was toch zoo’n allerliefste vent! —
Terwijl zij voor den spiegel stond en met de kleine, blanke
handjes haar kapsel in orde bracht, dat onder de wederzijdsche
liefdesbetuigingen min of meer geleden had, raapte
de baron in allerijl zijn sigaren bijeen.
„Overigens.... wat ik zeggen wilde, mijn vischje,”
merkte hij intusschen op, „ik zou me sterk vergissen, als
PROF. Mr. g. van tienhoven, f
de oud-burgemeester van Amsterdam, is de vorige week overleden.
Achtereenvolgens was de overledene lid van de Tweede
en Eerste Kamer en Minister. Later werd hij benoemd tot
Commissaris van H. M. de Koningin.
ik den naam van uw vriendin reeds niet eerder had gehoord
— wacht eens, wat was het ook weer. De hoeveelheid
wijn, dien men bij zulke feestelijke gelegenheden
consumeeren moet, vormen een nevel in ons brein. *—
Ha, nu weet ik ’t! Ja juist, Frits Bensberg sprak over
haar, en zoo roerend en sentimenteel als een zieke kip.
Dat ligt heelemaal niet in zijn aard. ’k Heb me er toenmaals
over verwonderd !”
„Bensberg? De dolle Bensberg?”
„Zooals ik je reeds zei. En hij kwam mij uitermate tam
voor. Daar valt mij juist in : hij wist toen reeds dat freule
von Kashagen naar ons zou komen. Hoe zou hij dat zoo
goed geweten hebben ?”
„Wist hij het ?” vroeg de barones met levendige belangstelling,
terwijl ze haar echtgenoot .uit louter speelsche
blijdschap achterover op het tapijt trok. „Dat is werkelijk
merkwaardig. Maar vertel toch op, man, wat zei hij nog
verder ?”
„Dat weet ik niet meer, mijn popje. Hij was zoo dramatisch
gestemd en voor lyriek heb ik absoluut geen gevoel.
Hij had het over doodschieten of iets dergelijks. Ik
moet eerlijk bekennen, ik heb er niet al te veel naar geluisterd.
Even te voren had de generaal mij meegedeeld,
dat ik den hedennacht te houden velddienst in zijn gevolg
KONING KAROL I VAN ROEMENIË, f
die j.1. Zondag is overleden, was een Hohenzollernsche prins.
Hij bereikte den leeftijd van 75 jaar. Algemeen wordt er met
zijn heengaan ook een verandering in de buitenlandsche politiek
van Roemenië verwacht.
mocht meemaken en ik was daarover zoo dol van blijdschap,
dat i* aan niets anders had kunnen denken.”
„Ernst! Aan .... niets . . . anders .... kunnen ....
denken? Dus je hebt aan mij niet gedacht, Ernst?!”
„Maar kindlief ! Waar en wanneer zou ik niet aan je
denken ? Natuurlij* denk ik aan je, altijd ! — Sta eens op
schat! Je zit op mijn sigaren. — Neen ik meende zooeven :
aan hetgeen de anderen mij vertelden, daaraan heb ik
niet meer gedacht. Je weet, hoe ik met hart en ziel soldaat
geweest ben . .;. en nu eens uit eigen beweging een velddienst
te kunnen meemaken, zoo een die geheel op oorlogsvoet
is ingericht.... Hemelsche goedheid ! Huil je, schatteboutje
?. . .
Ernst von Eden stond haastig op en nam het zenuwachtig
snikkende vrouwtje in zijn armen.
„Je bemint mij niet!” riep zij uit. „Je hebt mij nooit
bemind! Je hebt er zeker nu al spijt van dat je mij getrouwd
hebt En ik verdien niet anders. Het is mijn gerechte straf
voor den eed, dien ik niet gehouden heb .... En geschoten
wordt er ook .... en dan ben jij dood .... en ... . en ik
ook . . . . en dat overleef ik niet!”
„Ta, ta! .... Hoe kan je nu tcch zoo dwaas redeneeren,
kindje ! Er wordt slechts met losse patronen geschoten en
daar kun je zonder schade gerust je hand voorhouden.
Je ziet ook alles even donker in. De ring waarom je kortgeleden
zooveel tranen vergoten hebt, en waarvoor ik het
kleed heb laten opnemen, vond je den volgenden dag op
je waschtafel liggen. De kleine Puts is toch ook teruggekomen
! En zoo zal ik, een oude soldaat, bij zoo’n onnoozele
oefening ook niet verloren gaan ! Wees nu eens verstandig,
kleintje ! Ik heb me er reeds zoo op verheugd.
Je hebt toch je vriendin bij je en des morgens vroeg ben
ik weer bij je!”
„Is dat zeker, Ernst?”
„Zeer zeker !”
„En je wordt niet doodgeschoten ?”
„Dat is dezen keer nog streng verboden !”
„Ik ben er toch niet gerust op, je hoort zoo over oorlog
praten en de kranten schrijven dat de toestand zoo ernstig
is, als er nu toch eens heusch gevochten werd vannacht!”
„Ach, onzin, kindlief ! De kranten leuteren maar wat.
Er is nog geen vuiltje aan de lucht, hoor!”
„Zoo, en waarom zijn hier dan zooveel militairen gekampeerd
en wat gaan ze dan eigenlijk vannacht nu uitvoeren
?”
|