|
DE BEGRAFENIS DER TE SCHEVENINÖEN AANGESPOELDE LIJKEN
VAN ENGELSCHE ZEELIEDEN.
Op de Algemeene Begraafplaats te ’s-Gravenhage werden een aantal slachtoffers der gezonken
Engelsche kruisers onder groote belangstelling met militaire eer begraven.
HET AMERIKAANSCH HOSPITAALSCHIP DER ..RED CROSS WARD”.
Het Amerikaansche Hospitaalschip meerde vorige week te Rotterdam aan den wal. Onze foto
geeft den Amerikaanschen gezant Dr. H. van Dijke (links op de foto met hoogen hoed) op het
punt om met majoor Dr. Patterson, per auto naar den Haag te gaan.
Grootmoeders Brief
Agnes Durbach schrijft, een klein pot-
>dje tusschen de bevende vingers.
In haar kamertje twinkelt de zon en speelt
het portret van den keizer en de ver-
ïekte fotografieën aan den wand. Soms, als
wind de boomen voor haar huisje speelziek
schudt, glijdt een nieuwsgierig zonnestraaltje over het
glanzend witte papier waarop Agnes aan haar kleinzoon
schrijft, die opgeroepen is in vaderlandschen dienst, maar
het oudje laat zich niet storen.
„Mijn lieve Hans!
Mijn man zaliger zei altijd : de tijden zullen veranderen,
moeder ! en dat merk ik nu. Hier zit ik, ouwe vrouw, en
neem voor ’t eerst na veertig jaren een potlood in de hand.
Vroeger deed je grootvader dat allemaal. Ik ben niet geletterd,
lieve Hans, kijk daarom niet naar de fouten.
Het was gisteren Zondag. Toen ben ik naar de kerk geweest;
dominee sprak heel mooi van vaderlandsliefde en
opoffering en heldenmoed en dat wij allen berusten moeten.
Als je dan den goeien man zoo rustig hoort spreken en het
orgel speelt, dan voel je je ook wel een beetje kalmer.
Toch, als ik dan den verwaarloosden moestuin zie en ik
kom in ons leege huisje, dan komt mijn verdriet weer dubbel
boven en moet ik eventjes uithuilen. — Ik hou ook erg
veel van onzen keizer; de man heeft me nooit iets gedaan,
maar jij bent mijn alles en het eenige wat ik op de wereld
nog tot steun heb. De keizer heeft zooveel en ik alleen
jou, daarom ga jij bij mij boven den Keizer, Hans !
Ik ben misschien niet genoeg met mijn tijd meegegaan,
dat kan wel. Maar ik ben nu te oud om nog te leeren, dat
het nobeler is voor je vaderland te sterven, dan voor je
moeder of je grootmoeder of je vrouw, die dagelijks bij je
zijn en voor je zorgen, te leven.
Lieve Hans, hoe gaat het nu met je ? Heb je nog zulke
kapotte voeten ? Je moet ze insmeren met groene zeep,
dat heeft je grootvader-zaliger in 1870 ook gedaan, wat
niet wegneemt dat ik mijn braven man toch heb moeten
verliezen. Maar dat heeft met die zeep natuurlijk niets
te maken.
Ik stuur je hierbij een worst en een stuk eigengebakken
koek. Ik wou dat ik je iederen dag zoo wat kon toestoppen,
maar je weet, grootmoeder wordt hoe langer hoe armer
nu de eenige kostwinner weg is en dus moet het zuinigjes-aan!
Lig je wel goed ’s nachts ? Hou je kraag toch vooral
goed dicht, jongen, je bent zoo vatbaar. Als je nu hoesten
gaat, kan ik geen kandij-stroop voor je maken en je ’s avonds
toedekken.
Het varken van boer Diehl heeft twaalf biggen, ach
zulke lieve rosé dingetjes! De boer zei ook al, ’t is zonde
dat Hans ze niet eens zien kan, hij zou er zoo’n pleizier
in hebben, maar ik heb mijn hoofd geschud en gedacht:
„Eer Hans terugkomt, hangen de zijden spek van de kleine
biggetjes misschien al in den rook I”
Als je me terugschrijft, moet je vooral groot schrijven;
mijn oogen laten me zoo zoetjes aan in den steek. Je zei
dat je zoo verlangde naar huis en de koe en Lotje Diehl.
Dat kan ik me allemaal best begrijpen, lieve Hans, maar
je moet je er toch een beetje tegen-in zetten, hoor I Ons
huisje loopt niet weg, de koe krijgt van mij op tijd haar
eten en Lotje Diehl zal warempel na den oorlog ook nog
wel te vinden zijn. Al haar vrijers zijn opgeroepen en ze
zullen haar dus niet voor je neus wegkapen. Ik ga zoo des
avonds nog weleens naar haar toe en wrijf haar onder den
neus hoe leelijk het staat de jongens zoo voor den gek te
houden. Van de week huilde ze een deuntje en zei, dat
ze het zoo naar vond dat jij weg was. Ik lachte in mijn
vuistje, want ik zou heel blij zijn als het naderhand met
jullie wat werd.
Maar zoover zijn we nog lang niet. Ik lees geen kranten
meer; als ik al die narigheid lees, heb ik rust noch duur
meer. Ik vind onze nieuwe kanonnen heel mooi en heel
knap uitgedacht, maar ze moesten er niet mee mogen
schieten ! Foei! het duizelde me toen ik las wat ze daarmee
uitvoeren ! Het spijt me nu, dat ik indertijd, toen ik met
je grootvader-zaliger in een museum was, zooveel schik
had in een kanon, maar het zag er toen ook zoo goedig
uit en het stapeltje kogels dat er naast lag, was al heelemaal
verroest.
Nu lieve Hans, mijn vingers zijn stijf van het geschrijf;
ik hou er mee op, hoor ! Je hebt nu weer wat van het oudje
gehoord en nu krabbel je maar eens gauw weerom ! Hou
die worst nu voor jezelf; als je aan ’t uitdeelen gaat, schiet
er weer niets voor jezelf over, ik weet hoe je bent 1 Dag
Hans ! sta niet stil als je de wacht hebt buiten; als je een
beetje heen *en weer loopt, blijf je warm en vat je geen
kou en denk aan de groene zeep en aan je hals. Schrijf
ook eens aan Lotje en haar vader en vergeet niet mij je
adres te sturen als je ergens anders heengestuurd wordt.
Ik ben nog maar dankbaar, dat je nog niet in ’t vuur
bent! Als het zoover is, is ’t met mijn leven gedaan. Je
hebt het zeker erg druk, hè ? Ik hoorde nu al in geen tien
dagen iets van je. Je laatste brief kwam net toen ik met
Juffrouw van Giel op het plaatsje stond te praten over
haar zoontje, je weet wel, dien langen Daniël. Die jongen
snoept zoo tegenwoordig. Nu, toen kwam de bode met
je brief en ik liet de juffrouw direct in den steek en ging
naar binnen. De toren van de Katholieke Kerk, waar
ze een nieuw kruis op zetten, sloeg juist elf uur. Wacht
dus niet te lang met schrijven.
Dag jongen ! Vele groeten en een dikke zoen van
je grootmoeder.
Je portret staat ’s nachts op het tafeltje voor mijn bed;
dan voel ik me niet zoo alleen.”
Agnes Durbach zucht van verlichting als ze haar werk
aanschouwt. Voorzichtig pakken haar beenige vingers de
verspreide velletjes bij elkaar en sluiten ze in de enveloppe
Op een bord in de keuken liggen in innige vriendschap
de worst en de koek. Grootmoeder pakt ze afzonderlijk in,
de worst in een extra stuk papier en deponeert haar gaven,
met den brief bovenop, in een stevig mandje, dat de vrachtrijder
straks aan zal komen halen om het naar Hannover
te brengen, waar Hans in garnizoen ligt.
Nu neemt Agnes haar breikous en zet zich in ’t zonnetje
voor ’t raam. Lief oud grootje ! inniger dan de speelsche
zonnestralen is de blik waarmee je het portret van je kleinzoon
aanschouwt!
Op den straatweg komt boer Diehl aanslenteren. Een
leeggebrand pijpje hangt achteloos in zijn linker-mondhoek,
zijn pet houdt hij in de hand en met zijn mouw veegt hij
telkens het zweet van zijn bruin voorhoofd. Boer Diehl
schijnt niet op zijn gemak.
Grootje tikt tegen het venster, beduidt hem met lieve
oudevrouwtjes-manieren om toch even binnen te komen.
Ja, ja, knikt Diehl. Hij laat zijn klompen voor de deur
staan, schuifelt op zijn dikke, gebreide kousen het kamertje
in, waar de portretten van den keizer en van lang-gestorven
familieleden aan den wand hangen.
„Nog wat nieuws, Diehl ?” vraagt grootje.
De boer draait zijn pet in beide handen rond. „Nééé —
ja, toch wel! maar je moet niet schrikken, Agnes!”
Agnes Durbach vouwt de handen; haar klare blauwe
oogen staren in kinderlijke verwondering naar den boer.
„Wat is er dan, dat ik schrikken kan ?”
„Och niets bijzonders!” prevelt Diehl, „iets met den
jongen !”
„Wat zeg je daar ? met Hans ? wat is er met hem ? wat
heeft hij?” hijgt grootje, zich vastgrijpend, aan de tafel.
Boer Diehl zegt niets. Hij is de juiste man niet om delicate
zendingen uit te voeren; hij weet niet hoe hij grootje geleidelijk
aan haar verstand moet brengen, dat haar blonde
Hans, haar eenige steun, die sedert vijf dagen in gevecht
gesteld was, gesneuveld is en hoe zijn naam vermeld staat
in een van de lange naamlijsten der vermoorden.
„Hij is toch niet ziek ?” angst grootje.
Diehl schudt traag het hoofd. „Nééé l” antwoordt hij,
een trek doende aan de uitgebrande pijp.
Agnes Durbach zwijgt een oogenblik, dan zegt ze toonloos
: „Hans is dood !”
Boer Diehl zucht en knikt. „Ja, zoo is het 1” klinkt het
eindelijk.
Grootje loopt moeizaam naar haar stoel voor het raam
en laat zich daarin neerzinken. Boer Diehl staat nog steeds
bij de deur, zijn pet in de hand, op de tafel ligt de breikous
en daarnaast het mandje met de worst en de koek en den
brief voor Hans.
Buiten stoeit de wind met de boomtakken en als ze
lachend uit elkaar stuiven, gluurt een speelsche zonnestraal
naar arm grootje.
2 October 1914. JULIA FRANK.
IN SPANNING.
Inwoners van Brassel, die hun beurt afwachten om te informeeren bij den Rooden-Kruisdienst
naar het lot hunner dierbaren.
ZOU TURKIJE NEUTRAAL BLIJVEN.?
Het gist aan de Bosporus en onze foto geeft een uiting van de oorlogskoorts in Constantinopel.
Een groot aantal vrijwilligers meldt zich bij de legerautoriteiten aan.
NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN.
|