|
PANORAMA
t hier volgt is ontleend aan een brief van een den vrees elijksten der
jonge vrouw, die uit België naar Holland gevlucht
is. Hoewel hareontboezemingen zijn uit
het begin van den oorlog, toen België alle
vreemde elementen uitstootte, zijn zij toch zeker
op heden nog van interesse. Zij bewijzen een
keer te meer van hoe ontzaggelijk groote waarde ons
neutraliteitsbehoud, niet alléén voor ons, maar ook voor
de andere naties is, wier families, kinderen, vrouwen en
mannen in Holland een gastvrij onthaal vinden.
* ♦*
De brief werd ons, in het Fiansch gesteld, vanuit den
Haag toegezonden. De schrijfster, een Poolsche van geboorte,
woonde in België en volgde daar voor haar vertrek
het academisch onderwijs.
♦ *
♦
,,De oorlog, wie heeft nooit de angstige gedachte daaraan
als een obsessie gevoeld”, zoo begint zij.
Wie heeft nooit er over nagedacht, hoe
de oorlog als een der grootste verschrikkingen
der menschheid de beschaving
vernietigt en rampspoed om zich heen
zaait. De aarde, doordrenkt van menschenbloed,
ademt ziekte en ellende uit en deze
slechte daad brengt naast de verschrikking
in zich, ook nog de rampspoed, in den
vorm van een epidemie, na zich.
Wie er ver van afstaat, begrijpt den rouw,
welke over een land komt, dat door den
oorlog geteisterd werd. Wee hen echter, die
deze teistering zelf ondervonden. En zeker
is het lot verschrikkelijk van hen, die als
vreemden in een land wonen, daar hun
rustige woning wisten te verwerven, hun
bestaan veroverden, hun kinderen als zonen
en dochteren van het vreemde land trachtten
op te voeden en dan .... plotseling
van haard en goed weg moeten.
Ik behoor zelve tot diegenen, wien dat
lot trof.
En mijn verdrukt gemoed zoekt verlichting
door aan het papier toe te vertrouwen,
datgene, wat ik met zoovele
anderen geleden heb en de dankbaarheid
die mij doortintelt, nu ik ook kan getuigen
van het vele goede dat ons, vluchtelingen,
in Holland ten deel viel.
Dat edele en weldadige Holland, dat
zijn hulp aan al die ongelukkigen geeft
op een wijze, welke men gerust buitengewoon
kan noemen.
Mannen en vrouwen, jongens en meisjes
zijn voor ons in de weer. Men denkt aan
alles, men geeft niet alleen onderhoud,
kleeren, medicijnen, maar men zorgt voor
nog zooveel andere dingen meer.
Jonge meisjes, met een opwekkenden
glimlach om de lippen, geven ons kleine
versieringen voor onze tijdelijke woonplaats,
zoodat wij er ons meer thuis zullen
gevoelen, men opent de deuren der woningen
voor ons en tracht niet alleen leed te
verzachten, maar het ook te doen vergeten.
Dat is de hoogste wijze van hulp
schenken.
Voor de kleinen komt speelgoed, voor
de grooten ontspanningslectuur.
Ons hart is vol dankbaarheid ...
En toch ...
Neemt het dien armen vluchtelingen
niet kwalijk, dat zij naar hun eigen haardsteden
terugverlangen en de gedachte
aan wat zij verlieten, hen geen oogenblik
verlaat.
Onder hen toch zijn kooplieden, die al
hun zaken, hun geheel fortuin moesten verlaten. Vrouwen,
die na het gemak van een leven vol comfort wegvluchten
moesten, die gescheiden zijn van haar meest
geliefde betrekkingen. Viouwen en mannen ook, die zich
in een zekere werkkring meenden te mogen verheugen en
die niets liever verlangen dan terug te gaan naar hun
arbeid, maar die wel weten dat deze tijd nog verre is,
terwijl zij daar, in het gastvrije, doch voor hen in ieder
geval vreemde land, vertoeven en.... steun moeten aanvaarden.
En ondanks de schrijnende werkelijkheid kunnen zij
zich nog niet indenken, hoe het mogelijk was, dat zoo
plots hun geluk verstoord werd. En terwijl zij bij elkaar
zitten, peinzen zij en praten zij telkens weer over het
verleden.
Onder hen zijn er ook, die ver van hun geboorteland
trokken om aan de vreemde universiteiten te studeeren,
die thans, doordat zij den steun van huis ontberen,
verplicht zijn van de weldadigheid, welke Holland hun
zoo edelmoedig schenkt, te profiteeren.
En niets is zwaarder te dragen dan de gift, welke
men niet gewend was te aanvaarden.
Onder de uitgewekenen vindt men mannen en vrouwen
van allerlei rang, stand, afkomst en beschaving. En
iedereen heeft zijn eigen verhaal van beproevingen, zijn
eigen avonturen. En al is de uittocht van allen in den
grond gelijk, de bijzonderheden verschillen. En telkens
weer vertelt een ander van wat hem overkomen is, terwijl
de toehoorders feitelijk geen geduld hebben om die verhalen
aan te hooren, omdat ook zij branden om van eigen
leed te gewagen.
Vervloekt zijn zij die dezen oorlog op hun geweten
hebben, zoo zuchten de beangsten, terwijl er toch weer
anderen zijn, die met breeder blik den toestand willen
overzien, die ook het nut van dezen strijd willen erkennen.
VOOR DE BELGISCHE VLUCHTELINGEN.
IN OSTENDE.
Boy Scouts in Ostende beijveren zich. het groot aantal refugieetjes, die ook daar bij duizenden
binnenstroomen, de behulpzame hand te bieden.
DE TENTOONSTELLING IN PULCHI.
De Nederlandsche artisten hebben in de zalen van Pulchi-Studio te ’s-Gravenhage een keurcollectie
schilderijen, waterverfteekeningen, etsen en beeldhouwwerk bijeengebracht, ais prijzen voor een
verloting ten bate van het Nederlandsch Vluchtelingen-Comité. Wij bevelen deze sympathieke steunpoging
ten zeerste in de belangstelling onzer lezers aan.
Maar allen voelen den vreeselijken druk der gebeurtenissen,
zien als een spookverschijning de slachtvelden,
waar honderdduizenden krachtige, jonge levens aan dood
en verderf zijn blootgesteld, de steden door den ijzeren
greep der belegeraars omkneld. En zij halen zich voor
den geest de eindelooze schaar van weduwen en weezen
en droevige ouders, om dan ten slotte ook den krijg
van uit het diepste hunner harten te verwenschen.
En dan zwijgen zij weer.
En in hun harte is de hooge gedachte aan bet vele
goede, dat wel tijdelijk verborgen kon blijven, maar dat
leeft in al die millioenen, die nu als vijanden tegenover
elkaar staan, dat zoo heerlijk uitschijnt in het land dat
neutraal bleef in den oorlog en neutraal blijft in zijn
goeddoen, in zijn hartelijke gastvrijheid voor al die arme
schipbreukelingen, gestrand door
wereldstormen, „den oorlog”.
Zoo schrijft deze dankbare vreemdelinge en terwijl zij dit
schreef, kwamen nieuwe scharen naar Hollands grenzen
en ziet men in de Hollandsche steden telkens weer van
die heilzoekenden.
En ’t Hollandsche hart verloochende zich weer niet
en zal zich niet verloochenen.
Zonder zelfverheffing mag ons land zich de toevlucht
van velen noemen. Een toevlucht die met grootmoedigheid
geschonken wordt.
Overal, van Roozendaal tot Amsterdam en verder
nog, naar Oost en West, naar Zuid en Noord komende
vluchtelingen, die uit het gebombardeerde Antwerpen wegtrokken,
om het veege lijf te redden, heengetogen, zeker
dat zij onderdak zouden vinden.
Er hebben zich hartroerende, doch
ook hartverheffende tafereeltjes afgespeeld.
Niet alleen de gegoeden waren tot helpen
gereed, uit alle rangen en standen
kwamen aanbiedingen en het Comité met
zijn plaatselijke vertakkingen, gesteund
hier door padvinders, daar door vrijwilligerscorpsen,
elders door speciale vereenigingen
of groote particuliere instellingen,
heeft de handen meer dan vol, doch het
kan veel hulp geven.
Een onzer fotografen, die in Rotterdam
de groepen vluchtelingen voor ons blad
had opgenomen, kam terug en was vol
lof over de hulp, welke bijvoorbeeld ook
door de Directie der Holland-Amerikalijn
geboden werd.
Ik heb vele zorgelijke momenten meegemaakt,
zoo zei hij, en als beroepsfotograaf
laat je niet alles op je inwerken,
maar vandaag had ik het vaak te kwaad.
Zooveel ellende zag ik nog niet bij elkaar,
maar even treffend was de groote bereidwilligheid,
waarmee het hulpbetoon zoo
hartelijk werd verleend.
België heeft in zijn verbittering in den
laatsten tijd wel eens wantrouwig zijn
nabuur aangekeken. En niet steeds drongen
de verzekeringen, welke wij ter verdediging
en verklaring van onze houding
gaven, tot het hart van het volk door.
Maar nu ondervindt het Belgische volk
dat onze gevoelens van menschelijkheid
en vriendschap onverflauwd en onveranderd
zijn.
Wij hoeven dit artikel niet te sluiten
met een opwekking aan onze lezers om
ook te steunen, ieder naar zijn krachten
en vermogen.
Er wordt veel gevraagd, voor de kinderen
van eigen bodem en voer de vreemden,
maar laat ons niet vergeten dat, hoeveel
er van ons gevorderd wordt, het toch
een zegen is vrijwillig te kunnen geven.
En laat ons ook bedenken, dat de oorlog
binnen onze grenzen toch meer, oneindig
meer zou vorderen.
PANORAMA IN ALLES VOORAAN.
W
rij mogen thans onzen lezers een mededeeling doen,
die hun aangenaam zal zijn. Panorama dat op 1 Aug.,
den dag van de mobilisatie, voor een éénjarige al
reeds een respectabel getal vrienden telde, heeft in de
2 maanden na dien verloopen, het getal dezer vrienden
enkele malen zien verdubbelen.
Zonder zelfverheffing mogen wij dan ook gerust zeggen,
dat wij ons uiterste best hebben gedaan om deze vermeerdering
te verdienen. Het heeft ons groote opofferingen
gevraagd om den lezers datgene aan te bieden, wat
blijkbaar hun belangstelling en voorliefde voor Panorama
zoo versterkte, terwijl het door ons gekozen drukprocédé,
de rotogravure, met haar snelle leveringsmogelijkheden
ons groote diensten van fraaie en vlugge aflevering schonk.
En wij gaan verder. „Altyt Waek Saem”, is niet voor
niet het devies der uitgeefster I
Belgische Vluchtelingen In Neutraal Nederland Veilig
|