|
S. VITA ISRAËL, t
een bekend Amsterdammer, wiens overlijden een
groot verlies is voor de Portugeesch-Israelitische
Gemeente.
Een Brief van Joopie.
Oorlogscorrespondent.
oude waarheid, die altijd nieuw blijft,
3 deze, dat men de zaken nooit van
én kant moet bekijken.
Ik zal dadelijk vertellen, waarom ik
.an die oude waarheid herinner, doch
noet vooraf nog iets anders zeggen.
)at is óók een oude waarheid, nl. deze:
1 doende leert men. Nu ben ik lang
genoeg oorlogscorrespondent om het klappen van de zweep
te kennen, maar je leert toch steeds iets van een ander.
Ik weet niet of het ’t groote publiek is opgevallen, dat
de Hollandsche oorlogscorrespondenten, op een enkele na,
als van het aardrijk verdwenen zijn. In de eerste weken
had één enkele groote krant er ten minste een half dozijn.
Thans zijn ze verdwenen als sneeuw voor de zon. Aangezien
ze niet gesneuveld zijn, moeten ze ergens wezen. Vermoedelijk
zijn zij thans in het leger, in het leger der werkloozen,
bedoel ik, verzeild geraakt. Buitenlandsche oorlogscorrespondenten
evenwel, een enkele niet te na gesproken,
lappen ’t ’m beter. Ik heb het genoegen gehad enkele van
die heeren te ontmoeten en te zien naar welke methoden
zij arbeiden. Het was te Ostende, waar ik met de vrouw
een paar dagen heb doorgebracht.
Ostende ziet er thans nog heel anders uit dan Scheveningen
bijvoorbeeld. Het is er nog een en al leven en beweging
en de verschijning van een bommengooiende Zeppelin
is er niet eens een welkome afleiding. Wij hebben
zoo’n geval meegemaakt. De meeste menschen in het hotel
waren al naar bed, maar ik zat met eenige heeren nog een
praatje te maken, toen de ontploffingen onze whiskey- en
sodaglazen deden rinkelen. Dat gaf een kabaal van belang.
Hónderden vrouwen in nachtgewaad en met hangende
haren liepen op de hotelgangen angstig dooreen.
Maar toen het per slot van rekening bleek, dat de eenige
non-combattant die buiten gevecht gesteld werd, een hond
was, keerde de kalmte spoedig weder en keerden wij tot
onze half leeggedronken glazen terug.
Ostende is, meende ik dan te zeggen, de tegenwoordige
bakermat van veel oorlogsnieuws. De oorlogscorrespondenten
leiden hier een goed leven; de zeelucht is gezond
en prikkelt de fantaisie. Hier komen ook de cinema-menschen
en fotografen terug met hun films en negatieven, teneinde
die rustig af te werken. Zij brengen het eigenlijke oorlogsnieuws
mede voor de correspondenten. Van hetgeen zij
gezien 'en gehoord hebben, worden heele verhalen gebrouwen,
die ongeveer zoo betrouwbaar zijn als de officieele
mededeelingen van weerskanten. Ik mag als bekend onderstellen,
dat volgens de officieele berichten uit Oostelijk
Europa de oorlog daar feitelijk ten einde is. Het Russische
leger bestaat niet meer en het Oostenrijksche is van den
aardbodem weggevaagd. Alleen schijnt nog twijfelachtig
of alle Russische en Oostenrijksche soldaten dood of gewond
zijn, dan wel of het Oostenrijksche leger het Russische en
het Russische leger het Oostenrijksche in zijn geheel heeft
gevangen genomen.
Om kort te gaan, ik heb nu een dieper inzicht in het
bedrijf van den oorlogscorrespondent gekregen en mijn
gezichtskring verruimd.
Met laatstgenoemd doel ben ik naar Engeland gegaan
en deze brief bereikt U uit Londen.
Wij hebben de reis gemaakt over Holland, omdat we
in patria nog het een en ander te doen hadden en ik ben
daar niet rouwig om. Want in den trein hadden we nog
een typisch avontuur. Wij kwamen nl. te zitten in een
coupé met een paar heeren, die, te oordeelen naar hun
uiterlijk, en omdat ze Duitsch spraken, blijkbaar in Nederland
gevestigde, wellicht genaturaliseerde Germanen,
kennelijk te bejaard waren om nog tot den landstorm te
behooren.
Nauwelijks waren we gezeten of een hunner haalde
een Duitsch bulletin voor den dag en wilde mij dat overhandigen.
Ik bedankte, afwijzend, maar hoffelijk, want ik wilde
mijn neutraliteit onder geen voorwaarde prijs geven.
Mijn hoffelijkheid werd niet beantwoord. Integendeel,
de man werd boos.
„Dat gunt u me zeker niet ?” bromde hij.
„Mijn waarde heer,*’ zei ik, zoo beleefd mogelijk, „U
weet niet wat ik U gun.”
„Ik ben er ook niet nieuwsgierig naar,” zei hij weer.
Er waren natuurlijk meer menschen in den wagen en
zijn metgezel gaf hem een wenk. Hij werd gaandeweg
beleefder.
„Waar reist u heen ?” vroeg hij belangstellend.
„Naar Londen.”
„Daar zullen wij in vier weken ook zijn,” zeide hij met
overtuiging. „Onze Keizer zal in Hyde Park parade houden
over de garde regimenten 1”
Ik vond het verstandiger maar niets te zeggen, stak een
sigaar op en ging in den corridor. Mijn vrouw kwam bij
me en gaf me een zoen.
„Joopie,” zei ze, „ik ben trotsch op je. Waar hadt je
dat flinke antwoord zoo ineens vandaan ? Je lijkt wel
een geboren diplomaat.”
„Ik weet het zelf niet,” erkende ik bescheiden, en ik
was zelf blij dat het er uit was. „Ik geef je mijn woord, dat
ik er niet toe in staat ben om nog eens zoo’n antwoord
te bedenken.”
Dat scheen zij ook wel te gelooven.
Enfin, we kwamen dan in Londen, dat er heel gewoon
uitzag, net als iedere andere dag. Het verkeer was normaal
druk en de kans om door een taxi of een autobus op Trafalgar
Square te worden overreden was niet minder groot,
veeleer grooter, dan de kans om op het oorlogsveld een
kogel te krijgen. Ik heb dan ook een aantal malen mijn
zondige ziel in hooger bescherming aanbevolen, alvorens
dat plein in de eene of andere richting over te steken.
In Londen had ik een goede ge’egenheid om menschkundige
opmerkingen te maken, vooral deze dat, de Angelsaksen
mogen dan met de Germanen in strijd zijn, er toch
zekere overeenkomst is in beider gevoelsleven gedurende
dezen oorlogstijd. Behalve uit het gesprek in den trein
van Rotterdam naar Vlissingen wist ik reeds uit brieven
van Duitschers, dat de stemming in Duitschland „gehoben”
was. Die in Engeland bleek „cheerfull”, wat verwonderlijk
wel op hetzelfde neerkomt. Bij de bewoners van beide
Rijken kan men voorts een verschijnsel waarnemen, dat
in beide landen volkomen identiek is, een soort van oorlogspsychose,
bestaande uit het verkoopen van de huid vóórdat
de beer geschoten is.
Zoo ontmoette ik een Brit, die eigenlijk voor den oorlog
zelf niet veel belangstelling over had, maar des te meer,
voor hetgeen geschieden zou wanneer de oorlog was afgeloopen.
Hij had een nieuwe indeeling gereed van de kaart
van Europa als gevolg van vredesvoorwaarden die hij
voor zichzelf reeds geheel en al in orde had gemaakt en
waaraan niet te tornen viel.
’t Merkwaardigste daarvan was, dat hij voor Engeland
geen vierkante yard grondgebied in Europa verlangde,
hoogstens de Duitsche koloniën, speciaal Oost-Afrika.
En dan geld, veel geld. Op een milliard meer of minder,
door Duitschland te betalen natuurlijk, kwam het er bij
hem niet op aan. Alleen was het hem zelf niet duidelijk
waar Duitschland, casu quo, al die millioenen vandaan
moest halen.
In dit opzicht meende ik hem gerust te mogen stellen,
er op wijzende dat de Duitschers in korten tijd 200 millioen
pond oorlogsleening bijeenbrachten.
VOOR ONZE MILITAIREN.
Veel wordt er gedaan om onze soldaten eenige afleiding te
bezorgen. Bovenstaand gezelschap, bestaande uit de dames
Nelly van der Gugten, pianiste, Hetty ter Laag, violiste en de
heer Q. J. van Trigt, baritonzanger, allen uit ’s-Gravenhage,
bezoeken onze garnizoenen en oogsten overal veel succes in.
(foto A. v. Beurden.)
E. A. M. VAN DER KUN. t
lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, is
de vorige week overleden.
Maar hij beweerde, dat de eerste 200 millioen pond niets
beteekenden in een oorlog als deze; ’t kwam op de laatste
200 millioen pond aan, zei-ie.
En patati, en patata, om met de Franschen te spreken.
Merkwaardig overigens, hoe kalm de Engelschen zich
gedragen. Ja, er zijn er zelfs onder die net doen of ze niet
weten dat er oorlog is.
Het was mooi weer en we zaten boven op een bus. Rechts
van ons zat een werkman, niet zoo heel jong meer, zijn
krant te lezen. Een kennis van hem kwam ook op de bus,
tikte hem op den schouder, zei: „hallo Bill” (de Engelschen
heeten om den ander Bill of Edward) en vroeg :
„Nieuws van den oorlog ?”
„Welke oorlog?”
„Met de Duitschers 1”
„Vechten die ?”
„En óf 1”
„Nou, dan hebben ze er tenminste een mooien dag weer
voor uitgezocht 1” En hij las rustig door.
Overal zagen we Kitchener’s oproeping om dienst te
nemen aangeplakt, wervingbureaux ingericht en werfagenten
bezig. Maar dat interesseerde ons maar weinig.
Mijn oorlogscorrespondenten-ziel dorste naar de wetenschap
of er nu werkelijk Russische kozakken in Engeland
waren aangekomen en naar Frankrijk overgebracht.
Officieele menschen schudden het hoofd.
Maar de wereld bestaat niet alleen uit officieele menschen.
Dus stak ik mijn voelhorens naar alle zijden uit. Ik ontmoette
iemand, die een neef heeft (wat trouwens véél
menschen overkomen kan), wiens zwager den stationschef
van St. John had gesproken en die chef had hem verteld
(d. w. z. aan den zwager van den neef) dat op één nacht
veertig treinen met militairen langs dit kleine plaatsje
waren voorbijgereden en dat hij (de chef) er op zweren
wilde, dat het geen Engelsche soldaten geweest waren.
Dit was iets, maar het was niet voldoende.
Summa summarum evenwel heb ik alleen menschen
gesproken die van een ander hadden gehoord omtrent de
kozakken in Engeland, maar niemand die ze heeft gezien.
Nu is het verschil tusschen een tabakspijp en een kozak,
dat je een tabakspijp wèl zien en ruiken, maar niet hooren
moet, daarentegen een kozak wèl hooren, maar niet zien
en niet ruiken. Enfin, ik concludeer dus, dat er geen kozakken
in Engeland zijn geweest, subsidiair, zou de officier
van justitie zeggen, dat niemand er een heeft gezien en
dat ze dus in Engeland niet anders hebben bestaan dan
in wat onze vroegere minister Heemskerk de „geachte
verbeelding” van het geëerde publiek zou hebben genoemd.
Mijn vrouw stelde bijzonder veel belang in het lot der
gewonde Tommies, van wie er eenigen, geheel of gedeeltelijk,
op een bank in een der Londensche parken waren aan
te treffen.
Ze werden geweldig vertroeteld en dat waren ze blijkbaar
van het eerste oogenblik af van hun opneming in de Fransche
lazaretten, want ze hadden den mond vol van de
lieftalligheid der Fransche verpleegsters. Daar zijn er bij
die, naar het schijnt, met pleizier nog eens gewond zullen
raken, al is het alleen maar om door een Fransch „zusje”
te worden verpleegd.
Die zoo spraken waren vanzelf alleen ongehuwden, want
de getrouwde vrouwen zijn in Engeland al net eender als
overal elders.
Hetgeen volgt uit wat een van die vroolijke jongens
vertelde van een kameraad, wien een been was afgeschoten,
en die nu een houten been had gekregen.
„De arme bl. . ..!”, zei ie. „Hij vertelde me gisteren
dat zijn houten been hem Zaterdagavond aardig pijn had
gedaan.”
„Kom,” meende ik, ongeloovig, „hoe kan een houten
been pijn doen ?”
„Z’n vrouw heeft ’m ’n tik er mee gegeven !” zei de
Tommie en trok eens flink aan zijn pijp.
Hopende dat het bij U van hetzelfde is,
Hoogachtend,
A. S. JOOPIE, Oorlogscorrespondent.
|