Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1081 tot 1085 van 11897
Nummer
1914, nr.16, 9 oct. 1914
Blad
04
Tekst
UKUMSafe UIT HET BELGISCHE KAMP jsmwtsws DE STRIJD OM ANTWERPEN. — BELGISCHE ARTILLERIE BRENGT DE KANONNEN IN STELLING. DE VERDEDIGING VAN ANTWERPEN. Boomen, die dekking kunnen verschaffen aan de aanvallers, worden uit den weg geruimd. EEN RUSTIG' OOGENBLIK. Al weten de Belgen den vijand op korten afstand, toch genieten zij van het korte oogenblik rust, dat hun gegeven wordt. VERSNAPERINGEN VOOR DE SOLDATEN. ‘ De Belgische huisvrouwen weten welke ontberingen de soldaat moet lijden en reiken den rustenden versnaperingen. EEN FRISCH MORGENBAD. Wel leent de temperatuur zich nu niet meer bij uitstek voor rivierbad doch de Belgische soldaat is hiertegen gehard.
PDF
Nummer
1914, nr.16, 9 oct. 1914
Blad
05
Tekst
'T KRIJGSGEVANGENENKAMP TE FRIEDRICHSFELD AARDAPPEL JASSEN. DE HOOFDKEUKENS, Fransche krijgsgevangenen zorgen voor hun eigen middagmaal. bestemd voer het bereiden der spijzen voor Fransche krijgsgevangen. Het krijgsgevangenenkamp te Fnedrichsfeld bij Wesel I n ons vorig nummer gav.en wij enkele foto’s van de krijgsgevangenenkampen in Engeland. Met heel veel moeite zijn wij er nu in geslaagd ook toestemming te krijgen tot het fotografeeren in het kamp te Friedrichsfeld. waar op het oogenblik een 10.000 Russen,Engelschen. Franschen enz. verblijf houden. Ofschoon het was verboden met onzen fotograaf te spreken, ving deze zoo hier en daar wel een uitdrukking op, waaruit was op te maken, dat zij het, zooals wel te begrijpen is, in ’t geheel niet naar hun zin hadden. In de eerste plaats hadden zij last van de koude; zij mogen niet correspondeeren met hun bloedverwanten; alles is hen afgenomen, geld. messen enz. Stoelen zijn er in het kamp niet, de gevangenen zijn dus genoodzaakt te staan of te loopen en willen zij rusten dan gaan zij maar voor een oogenblik op den grond zitten. Voor eiken soldaat, die voorbij gaat, moeten zij in de houding gaan staan. Aan allen was het te merken, dat zij ondanks het gevaar voor hun leven, liever in den strijd zijn. dan hier te zijn opgeborgen. (foto's Molster). Tommy Atkins in het Duitsche krijgsgevangenenkamp. ooooooooooooooooooo Fransche strijdmakkers, blank en bruin, in Duitschland. EEN FRANSCHE BARBIER AAN HET WERK. DE GROOTE WASCH. Scheermessen zijn ten strengste verboden. De soldaten zorgen hier zelf voor het wasschen van hun onderkleederen.
PDF
Nummer
1914, nr.16, 9 oct. 1914
Blad
06
Tekst
DE DUITSCHE VERDEDIGING VAN BRUSSEL DUITSCHE KANONNEN BOVEN OP HET PALAIS DE JUSTICE. HET PALAIS DE in elkaar gezet zijn. De achter- en voorsteven bestaan uit bijzonder hechte en stevige stukken. De reus groeit intusschen verder. Nu komen de dekbalken en wordt het gepantserde dek gemaakt Rails die om de helling heen liggen, waarop wagens rijden, die materieel aanbrengen, groote kranen, windassen, alles wordt gebruikt om den bouw een vluggen voortgang te doen hebben. Als het dek klaar is met zijn- pantsering van 4 a 5 centimeter, dan zijn in de groote doos, die bij wijze van spreken nu ontstaan is, al de levenswichtige organen van het schip beschermd: stoomketels, machineriën, ammunitiebewaarplaatsen, torpedo’s en een plaats waar alle toestellen, die dienen om orders over te brengen, zijn ondergebracht. Inderdaad is de buitenpantsering dikwijls 27 a 30 centimeter dik. Vroeger was de maat nog grooter, zelfs tot 60 cM. toe, maar daar het „kuiras” toen ongeveer 4O°/o van het gewicht van het geheele schip woog, begon men naar hardere en dunnere pantsergordels om te zien, en nu wordt er chroom of nickelstaal gebruikt en bijzonder verhard staal. Op de waterlijn en een meter daaronder is de pantsering 27 cM. dik, naar de beide uiteinden ongeveer 17 cM. Boven dezen gordel bevindt er zich een, die tot 6.5 M. boven de waterlijn een dikte van 22 cM. in het midden en een van 17 cM. naar de voor- en achtersteven toe heeft, die op hun beurt ook reeds gepantserd zijn; van voren met 22 cM. en van achteren met 19 cM. dikte. Achter den geheelen pantsergordel bevindt zich een ring van 10 cM. dik hout die tot doel heeft, de schokken der projectielen te neutraliseeren, en ze over een grootere oppervlakte te verdeelen. Boven het dek worden eenigszins schuin staande balken aangebracht die het hoogere dek zullen dragen. Daarboven op wordt de kommandotoren gezet, waarvan de pantsering ongeveer 30 cM. bedraagt. Een jaar is ongeveer met den bouw op de helling voorbijgegaan, en men treft toebereidselen voor den stapelloop. De groote pantserschepen hebben 8—9000 kilogram vet noodig, om met het stuk hout, waarop zij staan, hetgeen in een soort slede loopt, van de helling af te glijden. Men heeft het tegenwoordig zoo ingericht dat men ook het water om het schip kan laten heenloopen, waartoe eenvoudig de deuren van de helling worden geopend, en dat is veel gemakkelijker dan de tot dusver gevolgde wijze. De romp is nu wel klaar, maar het schip mist nog zijn voortbewegings- en verdedigingsorganen. Een leger van werklieden Krioelt nu op en in den reus, en machines krijgen hun plaats, de gepantserde torens verrijzen, de schoorsteenen komen boven het dek uitkijken, de kanonnen worden geplaatst, de verblijven voor manschappen en officieren worden ingericht de ziekenkamer komt gereed, de ammunitie wordt ingeladen en dan is de drijvende vesting klaar, om aan de verdediging der belangen van het vaderland kracht bij te zetten met donderend en vernietigend geweld. Om een pantserschip geheel ,,af” te maken is ongeveer drie jaar in Frankrijk en Duitschland noodig en twee jaar in Engeland. Vickers, de engelsche Krupp, heeft het zelfs reeds in 22^2 maand klaargespeeld. De kolos heeft ongeveer JUSTICE TE BRUSSEL GEBARRICADEERD. 30 Millioen gekost, zijn grootste kanonnen van 34 cM. welker vervaardiging twintig maanden kost, en die na 100 schoten, ongeveer 50 minuten, onbruikbaar zijn, die 65000 KG. wegen en 15 meter lang zijn kosten / 250000. Het projectiel is 0.80 M. hoog en weegt 500 K.G. Met de lading kost het maar eventjes / 2600. Een kanon van 28 cM. weegt 20000 K.G. kost / 100000, het schot weegt 216 K.G. en kost / 600. Een stuk van 16 cM. weegt 9000 K.G. Het kost / 40000, het schot heeft een gewicht van 25 K.G. en kost ƒ 135. Een der kleinste kanonnen, 8 cM., kost veel minder en is van zelf veel lichter; het schot kost slechts / 25. Men kan nu begrijpen welke ontzaglijke sommen bij een zeegevecht verloren gaan. De groote pantserschepen hebben 10 a 12 kanonnen van 34 cM. aan boord. Zelfs indien ze totaal niet beschadigd zijn, maar wanneer ze hun ammunitie verschoten hebben dan is er vijf millioen gulden mede gemoeid, in den tijd van één uur. Lanceerbuizen, waaruit torpedo's kunnen afgeschoten worden zijn ook aangebracht. Een van die groote klapsigaren kost / 10000. En dan, wanneer de vernielingswerktuigen hun plicht hebben gedaan en een vijandelijk schip in den grond hebben geboord, dan ligt er voor 30 millioen gulden op den bodem der zee, en rn de gezonken vesting, velen der 1000 man officieren en manschappen, die de bemanning uitmaakten en niet konden gered worden, als slachtoffers van den haat dien de volkeren tegen elkaar koesteren. OPNAMEN IN DE GEVECHTSLINIE. BEIERSCHE TROEPEN BIJ BERGEN. DUITSCHE VERKENNERS IN ST. AMAND. Onze fotocorrespondent slaagde er in tot aan de gevechtslinie in Zuid-België en Noord-Frankrijk door te dringen. Uit een serie zeer fraaie kieken, precies vóór het afdrukken van dit nummer ontvangen, reproduceeren wij bo/enstaande opnamen.
PDF
Nummer
1914, nr.16, 9 oct. 1914
Blad
07
Tekst
S. VITA ISRAËL, t een bekend Amsterdammer, wiens overlijden een groot verlies is voor de Portugeesch-Israelitische Gemeente. Een Brief van Joopie. Oorlogscorrespondent. oude waarheid, die altijd nieuw blijft, 3 deze, dat men de zaken nooit van én kant moet bekijken. Ik zal dadelijk vertellen, waarom ik .an die oude waarheid herinner, doch noet vooraf nog iets anders zeggen. )at is óók een oude waarheid, nl. deze: 1 doende leert men. Nu ben ik lang genoeg oorlogscorrespondent om het klappen van de zweep te kennen, maar je leert toch steeds iets van een ander. Ik weet niet of het ’t groote publiek is opgevallen, dat de Hollandsche oorlogscorrespondenten, op een enkele na, als van het aardrijk verdwenen zijn. In de eerste weken had één enkele groote krant er ten minste een half dozijn. Thans zijn ze verdwenen als sneeuw voor de zon. Aangezien ze niet gesneuveld zijn, moeten ze ergens wezen. Vermoedelijk zijn zij thans in het leger, in het leger der werkloozen, bedoel ik, verzeild geraakt. Buitenlandsche oorlogscorrespondenten evenwel, een enkele niet te na gesproken, lappen ’t ’m beter. Ik heb het genoegen gehad enkele van die heeren te ontmoeten en te zien naar welke methoden zij arbeiden. Het was te Ostende, waar ik met de vrouw een paar dagen heb doorgebracht. Ostende ziet er thans nog heel anders uit dan Scheveningen bijvoorbeeld. Het is er nog een en al leven en beweging en de verschijning van een bommengooiende Zeppelin is er niet eens een welkome afleiding. Wij hebben zoo’n geval meegemaakt. De meeste menschen in het hotel waren al naar bed, maar ik zat met eenige heeren nog een praatje te maken, toen de ontploffingen onze whiskey- en sodaglazen deden rinkelen. Dat gaf een kabaal van belang. Hónderden vrouwen in nachtgewaad en met hangende haren liepen op de hotelgangen angstig dooreen. Maar toen het per slot van rekening bleek, dat de eenige non-combattant die buiten gevecht gesteld werd, een hond was, keerde de kalmte spoedig weder en keerden wij tot onze half leeggedronken glazen terug. Ostende is, meende ik dan te zeggen, de tegenwoordige bakermat van veel oorlogsnieuws. De oorlogscorrespondenten leiden hier een goed leven; de zeelucht is gezond en prikkelt de fantaisie. Hier komen ook de cinema-menschen en fotografen terug met hun films en negatieven, teneinde die rustig af te werken. Zij brengen het eigenlijke oorlogsnieuws mede voor de correspondenten. Van hetgeen zij gezien 'en gehoord hebben, worden heele verhalen gebrouwen, die ongeveer zoo betrouwbaar zijn als de officieele mededeelingen van weerskanten. Ik mag als bekend onderstellen, dat volgens de officieele berichten uit Oostelijk Europa de oorlog daar feitelijk ten einde is. Het Russische leger bestaat niet meer en het Oostenrijksche is van den aardbodem weggevaagd. Alleen schijnt nog twijfelachtig of alle Russische en Oostenrijksche soldaten dood of gewond zijn, dan wel of het Oostenrijksche leger het Russische en het Russische leger het Oostenrijksche in zijn geheel heeft gevangen genomen. Om kort te gaan, ik heb nu een dieper inzicht in het bedrijf van den oorlogscorrespondent gekregen en mijn gezichtskring verruimd. Met laatstgenoemd doel ben ik naar Engeland gegaan en deze brief bereikt U uit Londen. Wij hebben de reis gemaakt over Holland, omdat we in patria nog het een en ander te doen hadden en ik ben daar niet rouwig om. Want in den trein hadden we nog een typisch avontuur. Wij kwamen nl. te zitten in een coupé met een paar heeren, die, te oordeelen naar hun uiterlijk, en omdat ze Duitsch spraken, blijkbaar in Nederland gevestigde, wellicht genaturaliseerde Germanen, kennelijk te bejaard waren om nog tot den landstorm te behooren. Nauwelijks waren we gezeten of een hunner haalde een Duitsch bulletin voor den dag en wilde mij dat overhandigen. Ik bedankte, afwijzend, maar hoffelijk, want ik wilde mijn neutraliteit onder geen voorwaarde prijs geven. Mijn hoffelijkheid werd niet beantwoord. Integendeel, de man werd boos. „Dat gunt u me zeker niet ?” bromde hij. „Mijn waarde heer,*’ zei ik, zoo beleefd mogelijk, „U weet niet wat ik U gun.” „Ik ben er ook niet nieuwsgierig naar,” zei hij weer. Er waren natuurlijk meer menschen in den wagen en zijn metgezel gaf hem een wenk. Hij werd gaandeweg beleefder. „Waar reist u heen ?” vroeg hij belangstellend. „Naar Londen.” „Daar zullen wij in vier weken ook zijn,” zeide hij met overtuiging. „Onze Keizer zal in Hyde Park parade houden over de garde regimenten 1” Ik vond het verstandiger maar niets te zeggen, stak een sigaar op en ging in den corridor. Mijn vrouw kwam bij me en gaf me een zoen. „Joopie,” zei ze, „ik ben trotsch op je. Waar hadt je dat flinke antwoord zoo ineens vandaan ? Je lijkt wel een geboren diplomaat.” „Ik weet het zelf niet,” erkende ik bescheiden, en ik was zelf blij dat het er uit was. „Ik geef je mijn woord, dat ik er niet toe in staat ben om nog eens zoo’n antwoord te bedenken.” Dat scheen zij ook wel te gelooven. Enfin, we kwamen dan in Londen, dat er heel gewoon uitzag, net als iedere andere dag. Het verkeer was normaal druk en de kans om door een taxi of een autobus op Trafalgar Square te worden overreden was niet minder groot, veeleer grooter, dan de kans om op het oorlogsveld een kogel te krijgen. Ik heb dan ook een aantal malen mijn zondige ziel in hooger bescherming aanbevolen, alvorens dat plein in de eene of andere richting over te steken. In Londen had ik een goede ge’egenheid om menschkundige opmerkingen te maken, vooral deze dat, de Angelsaksen mogen dan met de Germanen in strijd zijn, er toch zekere overeenkomst is in beider gevoelsleven gedurende dezen oorlogstijd. Behalve uit het gesprek in den trein van Rotterdam naar Vlissingen wist ik reeds uit brieven van Duitschers, dat de stemming in Duitschland „gehoben” was. Die in Engeland bleek „cheerfull”, wat verwonderlijk wel op hetzelfde neerkomt. Bij de bewoners van beide Rijken kan men voorts een verschijnsel waarnemen, dat in beide landen volkomen identiek is, een soort van oorlogspsychose, bestaande uit het verkoopen van de huid vóórdat de beer geschoten is. Zoo ontmoette ik een Brit, die eigenlijk voor den oorlog zelf niet veel belangstelling over had, maar des te meer, voor hetgeen geschieden zou wanneer de oorlog was afgeloopen. Hij had een nieuwe indeeling gereed van de kaart van Europa als gevolg van vredesvoorwaarden die hij voor zichzelf reeds geheel en al in orde had gemaakt en waaraan niet te tornen viel. ’t Merkwaardigste daarvan was, dat hij voor Engeland geen vierkante yard grondgebied in Europa verlangde, hoogstens de Duitsche koloniën, speciaal Oost-Afrika. En dan geld, veel geld. Op een milliard meer of minder, door Duitschland te betalen natuurlijk, kwam het er bij hem niet op aan. Alleen was het hem zelf niet duidelijk waar Duitschland, casu quo, al die millioenen vandaan moest halen. In dit opzicht meende ik hem gerust te mogen stellen, er op wijzende dat de Duitschers in korten tijd 200 millioen pond oorlogsleening bijeenbrachten. VOOR ONZE MILITAIREN. Veel wordt er gedaan om onze soldaten eenige afleiding te bezorgen. Bovenstaand gezelschap, bestaande uit de dames Nelly van der Gugten, pianiste, Hetty ter Laag, violiste en de heer Q. J. van Trigt, baritonzanger, allen uit ’s-Gravenhage, bezoeken onze garnizoenen en oogsten overal veel succes in. (foto A. v. Beurden.) E. A. M. VAN DER KUN. t lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, is de vorige week overleden. Maar hij beweerde, dat de eerste 200 millioen pond niets beteekenden in een oorlog als deze; ’t kwam op de laatste 200 millioen pond aan, zei-ie. En patati, en patata, om met de Franschen te spreken. Merkwaardig overigens, hoe kalm de Engelschen zich gedragen. Ja, er zijn er zelfs onder die net doen of ze niet weten dat er oorlog is. Het was mooi weer en we zaten boven op een bus. Rechts van ons zat een werkman, niet zoo heel jong meer, zijn krant te lezen. Een kennis van hem kwam ook op de bus, tikte hem op den schouder, zei: „hallo Bill” (de Engelschen heeten om den ander Bill of Edward) en vroeg : „Nieuws van den oorlog ?” „Welke oorlog?” „Met de Duitschers 1” „Vechten die ?” „En óf 1” „Nou, dan hebben ze er tenminste een mooien dag weer voor uitgezocht 1” En hij las rustig door. Overal zagen we Kitchener’s oproeping om dienst te nemen aangeplakt, wervingbureaux ingericht en werfagenten bezig. Maar dat interesseerde ons maar weinig. Mijn oorlogscorrespondenten-ziel dorste naar de wetenschap of er nu werkelijk Russische kozakken in Engeland waren aangekomen en naar Frankrijk overgebracht. Officieele menschen schudden het hoofd. Maar de wereld bestaat niet alleen uit officieele menschen. Dus stak ik mijn voelhorens naar alle zijden uit. Ik ontmoette iemand, die een neef heeft (wat trouwens véél menschen overkomen kan), wiens zwager den stationschef van St. John had gesproken en die chef had hem verteld (d. w. z. aan den zwager van den neef) dat op één nacht veertig treinen met militairen langs dit kleine plaatsje waren voorbijgereden en dat hij (de chef) er op zweren wilde, dat het geen Engelsche soldaten geweest waren. Dit was iets, maar het was niet voldoende. Summa summarum evenwel heb ik alleen menschen gesproken die van een ander hadden gehoord omtrent de kozakken in Engeland, maar niemand die ze heeft gezien. Nu is het verschil tusschen een tabakspijp en een kozak, dat je een tabakspijp wèl zien en ruiken, maar niet hooren moet, daarentegen een kozak wèl hooren, maar niet zien en niet ruiken. Enfin, ik concludeer dus, dat er geen kozakken in Engeland zijn geweest, subsidiair, zou de officier van justitie zeggen, dat niemand er een heeft gezien en dat ze dus in Engeland niet anders hebben bestaan dan in wat onze vroegere minister Heemskerk de „geachte verbeelding” van het geëerde publiek zou hebben genoemd. Mijn vrouw stelde bijzonder veel belang in het lot der gewonde Tommies, van wie er eenigen, geheel of gedeeltelijk, op een bank in een der Londensche parken waren aan te treffen. Ze werden geweldig vertroeteld en dat waren ze blijkbaar van het eerste oogenblik af van hun opneming in de Fransche lazaretten, want ze hadden den mond vol van de lieftalligheid der Fransche verpleegsters. Daar zijn er bij die, naar het schijnt, met pleizier nog eens gewond zullen raken, al is het alleen maar om door een Fransch „zusje” te worden verpleegd. Die zoo spraken waren vanzelf alleen ongehuwden, want de getrouwde vrouwen zijn in Engeland al net eender als overal elders. Hetgeen volgt uit wat een van die vroolijke jongens vertelde van een kameraad, wien een been was afgeschoten, en die nu een houten been had gekregen. „De arme bl. . ..!”, zei ie. „Hij vertelde me gisteren dat zijn houten been hem Zaterdagavond aardig pijn had gedaan.” „Kom,” meende ik, ongeloovig, „hoe kan een houten been pijn doen ?” „Z’n vrouw heeft ’m ’n tik er mee gegeven !” zei de Tommie en trok eens flink aan zijn pijp. Hopende dat het bij U van hetzelfde is, Hoogachtend, A. S. JOOPIE, Oorlogscorrespondent.
PDF
Nummer
1914, nr.16, 9 oct. 1914
Blad
08
Tekst
PANORAMA-OORLOGSKAART XVI NOORD-WEST FRANKRIJK — WEST BELGIË. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1081 tot 1085 van 11897