|
PANORAMA No. 26 2 9 JUNI
af en toe naar hem, en hielden zich verder
bezig met het vraagstuk of na afloop bier
zou geschonken worden. Hoe langer het
duurde, hoe belangrijker het probleem werd:
zou er bier zijn of niet?
Tenslotte kwam dan toch een einde aan
de rede, en Mr. Priest zei opgewekt: „En
nu, mijne heeren, zullen we ons even bij
mijn vrouw in de eetkamer voegen om iets
te gebruiken.’* De heeren deden hun best niet te veel
haast te toonen de eetkamer te bereiken.
Bovendien, het vraagstuk was nog niet bevredigend opgelost: wat zou dat „iets’’ zijn?
Hun meest pessimistische verwachtingen
bleken gegrond: Mrs. Priest wachtte hen
met cake en thee.
De vergadering, die een week later werd
gehouden, werd slechts bezocht door Mr.
Cornice, een der heeren die twee jaar voor
diefstal had gezeten, één die toevallig nog
’n blanco strafregister had en den dorpsidioot.
Van de familie Priest was mevrouw de
eenige, die over dezen afval geen spijt had.
De reden was een zeer verklaarbare; den
morgen na de eerste vergadering miste zij
eenige lepels, een zilveren jardinière, een
kleine klok, een regenjas en een broche.
„Er mankeert bepaald iets aan mijn opzet,” merkte Mr. Priest nadenkend op; aan
de kwade trouw van zijn medeburgers geloofde hij niet. In den loop van den morgen
na de tweede vergadering sprak hij zijn
tuinman eens aan.
„Wel, Frank, wat is jouw idee over de
bijeenkomst, die je bijgewoond hebt?”
De tuinman leunde op zijn hark en keek
zijn patroon weifelend aan. Klaarblijkelijk
was het zijn bedoeling vooral niet onbeleefd
te schijnen.
„Och, ik weet niet,” zei hij, „’t is nog
een beetje nieuw.”
„Hoe breng je gewoonlijk je avonden
door, Frank?”
„Och, wel; ik blijf thuis; of ik ga met Sam
— dat is mijn buurman — een glaasje bier
drinken. We houden wel van een glaasje
bier, zoo ’s avonds.”
Mr. Priest kreeg een openbaring. Ah!
Bier! Dat was het. Wat dwaas dat hij niet
begrepen had, via ’n biertje deze
menschen tot zijn doel te kunnen
brengen. En wanneer hun
dat eenmaal klaar voor de
oogen stond, zouden ze ’t
materieel genot immers uit
eigen bewegingweer laten
schieten. Hij sprak er eens
over met Mr. Cornice,
wiens enthousiasme nog
onverzwakt was.
„Laat dat maar aan mij
over, Mr. Priest,” zei hij,
„zorgt u maar voor wat
bier en ’n paar flesschen
Johny Walker, en ik sta
er voor in, ’n behoorlijk
getal nieuwe leden ter
vergadering te brengen.”
Mr. Cornice bleek een
FROSTY, die haar kattenhome
in het South Park te Chicago
had ingericht, wilde verhuizen
en bracht haar kindertjes één
voor één naar haar nieuwe woning, De verkeersagent op den
drukken Michigan Boulevard verleende zijn welwillende medewerking om omgelukken bij de
verhuizing te voorkomen.
man van zijn woord; 42 heeren bezochten de
volgende bijeenkomst. In ’n hoek van de
kamer stonden op ’n stelling ’n vaatje bier en
eenige flesschen whisky. Mr. Priest werd
met gejuich ontvangen en zijn rede werd
herhaaldelijk door applaus onderbroken. Hij
voelde het, zijn ideeën sloegen in. Nietwaar,
een beetje tact slechts; Tibbelsford zou
binnenkort van aanschijn veranderen. Het
enthousiasme steeg nog toen de vergaderden
na afloop van de opgestelde dranken gingen
genieten. Inderdaad, Mr. Priest was de man
dien men in Tibbelsford noodig had. De stad
was achterlijk, zij moest een stoot hebben;
hier was de man; — ja, please, schenkt u mij
nog maar een glas in. Er deed zich slechts
een enkel incident voor. Toen de dorpsidioot
twee glazen gedronken had, stond hij erop
te zingen: „Ik ben een roover, frank en
vrij.” Toen hij het vijftien maal gezongen
had moest hij naar buiten geleid worden.
Mr. Priest was in de wolken. Het was
het succes van zijn leven. De eenige die
niet in zijn geestdrift deelde was zijn vrouw.
Niet, wijl er gestolen was, zij miste slechts
een wandelstok, een der coupes van het
vroeger vermelde klokje en een veldkijker.
Maar het was regenachtig weer geweest
en 42 paar modderschoenen hadden den
geheelen avond over haar karpetten gewandeld ; overal lagen asch en plasjes bier
en het heele huis stonk als een herberg.
Eén der dienstboden had haar betrekking
opgezegd en een andere was plotseling afgereisd, omdat haar moeder zwaar ziek lag.
„Kort en goed, ik wil hier in huis geen
vergadering meer hebben!” besloot zij haar
sermoen. Wat een pech! Juist nu honderden
aanvragen om het lidmaatschap binnenkwamen. Zeker, dat drinken was niet heelemaal in orde, maar naarmate de leden zich
meer bewust zouden worden van hun hooge
roeping, zou dat vanzelf verdwijnen.
Het hulpgebouw was nog niet geheel
gereed; daar op wachten zou te lang duren,
en de geestdrift moest vlammend gehouden
worden. Dus huurde Mr. Priest voor de
volgende vergadering de groote zaal af van
„De Witte Duif.” Na rijp beraad besloot
hij dien eenen keer consumptie te verstrekken,
iets waarop ook de eigenaar van „De
Witte Duif” sterk aandrong.
Op dien gedenkwaardigen avond was de
zaal stampvol. Mr. Priest sprak geestdriftig.
Voor zoover ’t enorm, telkens losbrekend,
applaus zulks mogelijk maakte, herhaalde
hij zijn rede van de eerste vergadering.
Hij eindigde met de verklaring, dat hij op
de volgende bijeenkomst meer uitgewerkte
plannen zou voorleggen. Thans zou men
nog een glaasje drinken op den vooruitgang
en ontwikkeling van Tibbelsford. Het werd
een bacchanaal. De eigenaar van „De Witte
Duif” had extra personeel in dienst genomen. De hoera’s voor Albert Hector
Priest waren niet van de lucht. Om half
twaalf waren de nuchtere leden te tellen;
en toen de wijkagent om twaalf uur kwam
waarschuwen dat 't sluitingstijd was, werd
hij er uit gesmeten. Maar toen kwam de
ontknooping snel. Te kwart over twaalf
werd de zaal op krachtdadige wijze ontruimd door een sectie agenten; alle arrestantenlokalen van de stad waren dien nacht
bezet en de dienstdoende inspecteur, die
de leiding voerde bij de ontruiming, vond
na afloop nog gelegenheid den pionier van den
vooruitgang van Tibbelsford eenige begrippen bij te brengen, die beslist in strijd
waren met de tot dusver door dezen heer
gehuldigde denkbeelden. Het moet trouwens
erkend worden, dat de laatste gebeurtenissen
van dien avond zijn beginselen toch reeds
een geduchten schok toegebracht hadden.
Aan het ontbijt den volgenden morgen
waagde Mr. Priest nog een paar vage opmerkingen tegen zijn woedende vrouw over
den achterlijken en bekrompen geest van
Tibbelsford, maar ook deze verstierven,
toen een briefje werd bezorgd van den commissaris van politie, waarin deze Mr. Priest
in de meest ondubbelzinnige termen waarschuwde tegen een herhaling van zijn actie.
Toen het voorloopige gebouw, binnen
welks wanden de kiemen voor Tibbelford’s
opheffing tot den eersten groei gebracht
moesten worden, gereed was, werd het voor
een appel en een ei verkocht aan ’n autohandelaar, die het als garage exploiteerde.
19
|