Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11341 tot 11345 van 11897
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
16
Tekst
PANORAMA No. 2 6 2 9 JUNI ondanks energie en inspanning bleef de achteruitgang, tot in 1890 het geheele bedrijf aan de Staatsspoor kwam. In het Zuiden werd de eerste spoorlijn geopend in 1853 door de Aken—Maastrichtsche Spoorweg Mij.; een jaar later kwam de voorname verbinding RoosendaalAntwerpen tot stand. Zoo groeide langzaam het net van spoorwegen in ons land, langzamer of sneller, onder ongunstige omstandigheden en in perioden van bloei. Na den energieken en bekwamen ingenieur F. W. Conrad stond de H. IJ. S. M. gedurende 35 jaar onder de krachtige leiding van A. K. van Hasselt. Als eerste Directeur-Generaal van de Staatsspoor trad op F. 's Jacob van 1869 tot 1879. De Rijnspoor heeft veelte danken gehad aan mr. H. Ameshoff, directeur van deze Mij. van 1855 tot 1890 en van de Ned. In het Spoorweg Museum. Deel van een servies uit de vorige eeuw met versieringen, ontleend aan de Spoorwegen. Centraal Spoorweg Mij. van 1885 tot 1890. De laatste Mij. was te Amsterdam opgericht in 1860 en opende haar bedrijf met de lijn Utrecht— Amersfoort—Zwolle. Na de overeenkomst van 1890 kwamen de meeste aandeelen, zooals boven gezegd, in handen van de Staatsspoor. De ontwikkeling van het spoorwegwezen is een belangrijk en interessant onderdeel van onze geschiedenis vanaf 1839 tot heden. Beter dan in deze regels, kan men deze geschiedenis leeren kennen in ’t Ned. Spoorweg Museum te Utrecht. Men krijgt er een denkbeeld van de moeilijkheden die de pioniers moesten overwinnen, van den groei van het bedrijf en ’t tempo waarin het spoorwegnet zich ontwikkelde ; de technische ontwikkeling wordt er gedemonstreerd door modellen van bruggen, locomotieven, rails, sein- en veiligheidsinrichtingen; men ziet er oude spotprenten, teekeningen, kaarten, penningen, eigenaardige reglementen en tarieven uit den begintijd, De geschiedenis van het vervoerwezen in beeld: de postkoets, de diligence, de trekschuit en de stoomwagen, — een oude prent in het Spoorweg Museum, De Puffy Bill, model van de eerste Engelsche locomotieven. enz. In het kort: het nog jonge Spoorwegmuseum te Utrecht geeft aanschouwelijk de geschiedenis van het spoorwegbedrijf, dat nu 90 jaar heeft medegewerkt tot de materieele welvaart van ons land. In het Spoorweg Museum. Model van een rol-spoorbrug. Het eene gedeelte (links op de foto) werd terzijde gerold, waarna de brug, met handkracht, kon worden opengerold. Dit ontwerp is nooit uitgevoerd. H
PDF
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
17
Tekst
J.F.TIER1E.JI Opjewckt vertellend F. DE ^UAY ZANG . 0Matige beweging. PedciaI ■ pkl7 71 Jr- 'IHlXW; ri-r P /?.;<•/ , \rcthjMx aX ov^Jt. oIl, x^z ^ptL Xe/m ^ — ■ ■ j’SS^T- „^alïade.” Up 5*p- | ƒ | J J* J J*| r J J* |ii«l J1 J ƒ €ueAx ax/wcL^vt ^Mjlxc4e- 'Xuü^Uc'n, OWVcit TJl/Ls', F- ƒ > <• j J- J -> i xctü <7p<£e l; - r f y : r t; y. . ----------- rrvxx>t ^^oezu>cU_ .TO -vwJU- €je>rt4&nr ywxxA, •axe-, t/£ Xm ruxt|inne^v Xa. - J-ltUztUz vnAo ■ 7^.k fr ! ■> »<■ ut/kvaA ^ojyn ètx r ~ ümKocaA 4w\kx.^ >. *Baafegioi;jf 1; E. ; |ji dca- te^n-y JSAxrKaAen vcvnoiX/t cte, 7j2£.; Ok*" -kxm vw w> nüd: Xxxte^u ikwuMuw oufcpvw cw tj^ ^rtr-111 •F^l|^31fW“ji|L-^‘f-TW^W ■ J-^^lS* *
PDF
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
18
Tekst
PANORAMA No. 26 2 9 JUNI Maximum Ele&ance in Minimum Bestek T oen, op een regen-morgen, allerlei straat-muzikanten van diverse punten binnen mijn gehoorwijdte een voldoende aantal malen „Ich Küsse Ihre Hand, Madame” hadden gejammerd en gejubeld, gefluisterd en gedreigd, begon een „trekpiano”- virtuoos voor de variatie „Ramona” te spelen. Zóó kwamen mijn gedachten op ónze „Ramona”, onze ambulante vriendin. Overigens is „Ramona” haar bijnaam, niet naar het liedje, maar een beter klinkende verbastering van „Cramona”, en dat hadden we weer afgeleid van „Crammon”, den glorieuzen lanterfanter, velen uwer bekend uit „Christian Wahnschaffe”. We noemden haar naar dezen charmanten romanheld, omdat ze, evenals hij, een hobby heeft, een geweldige, alles-beheerschende nietsontziende hobby, n.1. een verzameling Egyptische bronsfigurcn. En, zooals Crammon op zoek naar een agaat-schaal, half Europa doorkruist, zoo ziet onze Ramona er niet tegen op, een half werelddeel door te reizen, wanneer zij een schijn van kans vermoedt, daardoor een kostelijk stuk aan haar selecte verzameling te kunnen toevoegen. Het is niet erg, zoo’n hobby te hebben, er is zelfs iets verhevens in, want, waar is de grens tusschen hobby en idéé fixe, waar de overgang van idéé fixe naar ideaal ? Daarbij komt, dat Ramona nog tallooze genoeglijke eigenschappen bezit; één ervan is haar altijd bijzonder goe4 verzorgd uiterlijk GARDËROBE LEVIT1CUS bij een — dank zij haar veeleischend stokpaardje — vrij klein kleeding-budget. Ze houdt er een heerlijk-compacte garderobe op na, in een middel-grooten handkoffer, weekend-formaat. In dat minimum bestek een maximum aan élégance, gewoonlijk een mantelpak met een wollen truitje en een gekleede blouse, één of twee japonnen, schoenen, lingerie, toilletbenoodigdheden, tasch, bijoux, een shawl en nog eenige petits riens. „Woensdag kom ik op de doorreis een paar uur bij jullie,” schreef Ramona onlangs. „Kunnen we niet weer eens met onze oude club in de stad eten? Ik arriveer 18.47 en 16
PDF
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
19
Tekst
PANORAMA No. 2 6 2 9 JUNI verheugde me alvast op jullie allen en op de beroemde hors d'oeuvre.” En zoo togen we dien bewusten Woensdagavond met ons zessen, dadelijk na aankomst van den trein, naar ons dierbaar stamrestaurant, onze Vliegende Hollandsche in ’n eenvoudige, zeer gedistingeerde reisjas van beige kashaduvetine, een beige-geelbruine crêpe de Chine shawl, hoog aan den hals gesloten, beige slangenleeren schoenen en een zwart taupe hoedje. ,/k Ga me eerst ’n klein beetje opdoffen; ga jij even mee?” vraagt Ramona me, „we komen dadelijk.” Onderwijl trekt ze haar mantel uit. „Gezellige jas, vind je niet; als ik niet reis, draag ik haar 's middags buitenstebinnen, zwart met goud, zie je, vrij gekleed.” Intusschen trekt ze de plooien van haar japon een beetje in model, ’n beige kanten japon met 'n jasje met lange, wijde mouwen. „Jullie bent allemaal zoo en grand gala”; ’t jasje gaat uit, de aquamaryne agraffe. die als sluiting diende, verhuist naar den hoed, die met een voiletje, dat inmiddels uit een blauwleeren suit-case te voorschijn kwam, tot avondhoed gepromoveerd wordt. Dan komen ook de andere aquamarynen voor den dag — ketting, armband, oorbellen, twee ringen — en met een tikje rouge, wat poeder, parfum en ’n vos, is de stemmig-gekleede reizende vrouw gemetamorphoseerd in een superelegante verschijning; de bescheiden beige cocon had zich ontpopt tot een éclatanten vlinder. Zóó maakt ze, met veel succes, haar joyeuse entree ! Al behoort ’n collectie Egyptische kunst betrekkelijk tot de zeldzaamheden — een binnen bepaalde grenzen gehouden kleedingbudget is een veelvoudig voorkomend verschijnsel. En het heeft een zekere charme om met zorg, smaak en niet al te veel middelen, een uitrusting samen te stellen, die, ondanks haar beperktheid, alles bevat, wat de correct-gekleede vrouw noodig heeft. Daarommaaktenwij ineen onzer modehuizen, waar wij doorgaans veel belangwekkende modellen en nieuwtjes zien, bijgaande teekeningen, met de bedoeling, in theorie een compacte garderobe samen te stellen, voor de velen onzer, voor wie financieel beleid een eisch, modieuze élégance een wensch is. Een beetje overleg en voila, wat denkt u van: Een sportieve zomerjas, Een wol-met-zijden sweater, Een trois-pièces van crêpe de Chine (zie fig. 1). Een dergelijk pakje heeft vele mogelijkheden, kan mét en zonder jasje worden gedragen; — de bovengenoemde sweater moet zoo zijn gekozen, dat deze met den rok van de trois-pièces een goed geheel vormt voor ’s morgens. Een donkere crêpe satin jurk met batist garnituur (fig 2). Een echt zomersche, gebloemde crêpe Georgette japon. Een avondjapon met bijpassend jakje. Eventueel enkele eenvoudige shantung of batisten jurken? Of nemen we eens aan, dat u 'n „klassiek” tailleur-costuum bezit, dat, aan geen enkele mode onderhevig, vele seizoens meedoet? Zoon mantelpak heeft met een wollen sweater, een zijden blouse, ’n brokaten casaque, een kleurige shawl, telkens een ander aspect. Daarbij zou ik u voorstellen: Eén of twee sportieve zomerjurkjes. Een effen, lichte crêpe Georgette japon. Een gebloemde crêpe de Chine jurk (fig. 3). Een bij deze beide japonnen passende zomermantel b.v. van crêpe Georgette. Een avondjapon a doublé usage. en Madame is geëquipeerd voor elk uur van den dag en voor het geheele zomerseizoen. Een klein vilthoedje, ’n groote stroohoed, beide met weinig garneering, maar markant van lijn, vullen het geheel aan. Waarlijk, het is niet noodig, een groot aantal japonnen, hoeden, mantels te bezitten. Belangrijker, minder kostbaar en practischer is ’t, elk seizoen met overleg enkele nieuwe kleedingstukken te kiezen. Dat is voor de moderne vrouw een interessante opgave en — men zou met ’n variant op Goethe kunnen zeggen: „In der Beschrankung zeigt sich erst die Meisterin.’ HITTE in den Londenschen Dierentuin. 17
PDF
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
20
Tekst
PANORAMA No. 26 2 9 JUNI ^Bier en Optimisme door StacyAumonier T oen Mr. Priest, Albert Hector Priest, na een afwezigheid van 25 jaar weer naar Tibbelsford terug kwam, beschouwden de inwoners hem als een vreemdeling. Het duurde eenigen tijd, alvorens zij overtuigd waren, dat hij in hun stad geboren en opgevoed was. Als jonge man van 25 jaar was hij na den dood van zijn beide ouders naar Londen geëmigreerd. Hij was een handige jongen, niet dom en na de traditioneele 12 ambachten en 13 ongelukken doorgemaakt te hebben, sloot hij deze periode af en begon een nieuwe met de uitvinding van een broekenklem. De „patent Priest broekenklem" bracht hem een fortuin op, zoodat Priest op 50-jarigen leeftijd zich uit de zaak terugtrok, met z'n vrouw en twee zoons een reis om de wereld maakte en daarna naar Tibbelsford kwam om zich daar voorgoed te vestigen. Hij had zich in het voornaamste deel der stad 'n hyper-modern huis laten bouwen, voorzien van alle Amerikaansche gemakken. Die inrichting van zijn huis nam hem zoozeer in beslag, dat het eenige maanden duurde voor hij zijn aandacht aan de stad zelf kon geven. Verschillende jeugdkennissen bleken toen van het tooneel verdwenen, maar afgezien daarvan trof het hem dat de stad zoo goed als onveranderd was gebleven. Het trof hem zelfs heel bijzonder, Daar was het oude café, „De Witte Duif" van Mr. Selden Wright, dat nog altijd ’t voornaamste der stad was en in welks danszaal alle groote vergaderingen werden gehouden. De school die hij had bezocht: onveranderd; de straten: precies hetzelfde als 25 jaar geleden. Slechts hier en daar ’n paar nieuwe winkelpuien, eenige garages en een stuk of wat nieuwe huizen. En dat was alles. Want niet alleen het stadsbeeld had zoo weinig veranderingen ondergaan, ook geestelijk was de plaats hetzelfde gebleven. „Goede hemel," dacht Priest, „ze zijn hier versteend." De menschen dachten en handelden precies als 25 jaar geleden. Ze waren niet meegegaan met hun tijd, zij kenden het moderne leven niet. — Op zekeren avond thuiskomend van een bezoek aan George Splutter, den barbier —* waar hem tot zijn verbazing bleek, dat hij onder het scheren zijn schoenen niet kon laten poetsen — zei hij, diep overtuigd, tot zijn vrouw: „Maisie, deze stad is schijndood; daar moeten leven en vooruitgang in gebracht worden!" En van dat oogenblik stond het bij Albert Hector Priest vast, dat het zijn verdere taak in dit bestaan was, leven en vooruitgang in Tibbelsford te brengen. Als de ex-broekenklemfabrikant onze tachtigers had gekend, zou hij gezegd hebben, dat hij Tibbelsford ging „opstuwen in de vaart der volkeren". Maar hoe? Hij besprak de kwestie lang en breed met zijn oudsten zoon James, die voor architect trachtte te studeeren. De jongste zoon was weer naar Canada teruggekeerd, na zijn verachting te hebben uitgesproken voor Engeland, het „halve-centjes-land". „Dat kan zoo niet langer met Tibbelsford," zei de oude heer Priest, overtuigendbetoogend. „Denk je even in: een stad van deze grootte, absoluut zonder sociaal leven, zonder vooruitgang. De lui doen hun sleurwerk van iederen dag; zij gaan naar de kerk, naar den winkel, naar het café; zij doen alles nog precies hetzelfde als in den tijd, dat ik nog een kleine jongen was. Van ’t groote moderne leven, van de gemakken en vermaken die ’t biedt, van zijn groote ontwikkeling op technisch en geestelijk gebied hebben zij geen flauw benul." En hij vertelde nog van zijn barbier-ervaring, en dat zelfs in de geheele stad geen theater was of een modern ingerichte zaal voor groote bijeenkomsten. „Ik zeg je, James, het groote, moderne moet hier ingevoerd worden." En James, die een goed zoon was, en voor zijn zakgeld van zijn vader afhankelijk, zei dat hier voor zijn vader een groote taak ter uitvoering was weggelegd. Maar nog eens: hoe ? — Ook Mrs. Priest mengde zich in de besprekingen en het resultaat van den familieraad was dat een vereeniging moest opgericht worden, die ten doel had: de geestelijke en stoffelijke ontwikkeling van Tibbelsford. Een heroïeke taak, waarvan Albert Hector Priest de geestelijke vader en groote stuwkracht zou zijn. In visioen zag hij zich reeds een standbeeld opgericht. De meer gedetailleerde uitwerking der plannen zou nog nader geschieden; eerst was het noodig de voornaamste ingezetenen voor zijn ideeën te winnen. Maar die bleken buitengewoon sceptisch te staan tegenover Priest’s plannen; beter gezegd zij namen een afwijzende houding aan. Wanneer hij een menschenkenner geweest was, zou hij het hierbij gelaten hebben, maar Priest behoorde tot de klasse der optimisten, en dat zijn doorgaans geen menschenkenners. „Achterlijke lui," vertelde Priest zijn zoon, „maar als ze eenmaal gewaar worden wat voor nieuwe aspecten ik voor het leven hier open, zullen ze spoedig genoeg bekeerd zijn." En James was het daarmee eens; hij opperde het idee dat zijn vader de beweging alleen moest beginnen. Hetgeen den ex-broekklemmenfabrikant nog zoo’n kwaad denkbeeld niet leek; nietwaar, dan was ook de eer voor hem alleen. Twee weken later ontving ieder burger van Tibbelsford deze circulaire: Aan de Burgers van Tibbelsford. „Wat heeft Engeland noodig? Waarom blijft Engeland achter bij de groote, moderne voorwaarts strevende landen der wereld? Waar zijn de krachten gebleven die ons eenmaal de machtigste natie der aarde maakten?" — En na nog eenig proza-vangewetens-onderzoek volgde: „Wij zijn versteend! Wat wij noodig hebben is een sterker levensbewustzijn, een intensiever ontwikkeling onzer krachten. Wij moeten gebruik maken van alle hulpmiddelen der moderne techniek; wij moeten aan de spits komen te staan der naties," enz. Tenslotte volgde de mededeeling dat tot dit doel een vereeniging zou opgericht worden; de inschrijving voor het lidmaatschap kon geschieden Vrijdag en Zaterdag a.s. ten huize van den heer Albert Hector Priest. „Aan het lidmaatschap waren geen onkosten verbonden." Met den oproep zich „en masse" aan te sluiten, eindigde dit door Priest onderteekende document. Het is wellicht onnoodig op te merken dat de circulaire tallooze commentaren uitlokte. De ironie van het geval was dat Priest absoluut in ernst was, maar dat niemand dat wilde gelooven. Sommigen verklaarden hem voor een zwendelaar. Anderen beweerden dat hij in dienst stond van Rusland en de bedoeling had Bolschewistische ideeën in te voeren; enkelen ook veronderstelden, dat de leerlingen van het college een mop wilden uithalen. De zinsnede dat er geen onkosten aan verbonden waren, klonk al zeer verdacht. De burgers van Tibbelsford waren niet gewend iets voor niets te ontvangen. Enkele dezer geruchten kwamen Mr. Priest ter oore, maar hij was nu eenmaal een optimist en ging dus kalm zijn gang. Bijzonder bevredigend was het resultaat der inschrijvingen op Vrijdag en Zaterdag niet; met voorbijgaan der bijzonderheden kan vermeld worden dat Mr. Priest bij het afsluiten van zijn lijst op Zaterdagavond totaal elf leden had geboekt. Of deze nu bepaald de geschikte lui waren om het leven van Engeland in ’t algemeen en van Tibbelsford in ’t bijzonder te vernieuwen was aan zeer gerechten twijfel onderhevig, maar dat wist Mr. Priest niet. Hij wist b.v. niet dat twee van hen gevangenisstraf wegens diefstal hadden ondergaan, dat één 'n bekende dorpsidioot uit de omstreken was en de rest meerendeels beruchte leegloopers en drinkers waren. Allen namen als basis voor hun redeneeringen, dat er geen onkosten aan verbonden waren, en verder dat de rijke Mr. Priest op de bijeenkomsten allicht bier zou presenteeren. En bier was waard dat men dit experiment-zonder-kosten eens waagde. Dat zijn nieuwe medestanders niet tot de élite behoorden zag Albert Hector Priest wel, „maar het is een begin," verklaarde de optimist, „als ik eenmaal begonnen ben, volgt de rest wel." Zijn zoon was het daarmee eens, vooral toen hij in opdracht van zijn vader op een door hem gekocht braak liggend stuk grond een houten hulpgebouw met een groote vergaderzaal moest bouwen, wat James de gelegenheid gaf bij den plaatselijken aannemer een bevredigend geheim commissieloon voor zichzelf te bedingen. In afwachting der voltooiing van het voorloopige vereenigingsgebouw riep Mr. Priest, een week na de inschrijving, de leden op tot een vergadering te zijnen huize. Van de elf ingeschreven leden kwamen dien avond slechts zeven opdagen, maar persoonlijke activiteit van vader en zoon had er nog negen bijgewonnen, zoodat zestien leden de openingsvergadering bijwoonden. Daaronder bevonden zich hun eigen tuinman en Mr. Cornice, de aannemer van het vereenigingslokaal. De laatste vooral was zeer enthousiast over de plannen van Mr. Priest. Deze hield een rede die meer dan een uur duurde en sprak daarin over goed burgerschap, vaderlandsliefde, vooruitgang, de koloniën, broekklemmen ,de ontwikkeling van Tibbelsford, liefde en eerzucht. De nieuw ingeschrevenen luisterden 18
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11341 tot 11345 van 11897