|
PANORAMA No. 26 2 9 JUNI
^Bier en Optimisme
door StacyAumonier
T
oen Mr. Priest, Albert Hector Priest,
na een afwezigheid van 25 jaar weer
naar Tibbelsford terug kwam, beschouwden
de inwoners hem als een vreemdeling. Het
duurde eenigen tijd, alvorens zij overtuigd
waren, dat hij in hun stad geboren en opgevoed was. Als jonge man van 25 jaar
was hij na den dood van zijn beide ouders
naar Londen geëmigreerd. Hij was een
handige jongen, niet dom en na de traditioneele 12 ambachten en 13 ongelukken
doorgemaakt te hebben, sloot hij deze periode af en begon een nieuwe met de uitvinding van een broekenklem. De „patent
Priest broekenklem" bracht hem een fortuin
op, zoodat Priest op 50-jarigen leeftijd
zich uit de zaak terugtrok, met z'n vrouw
en twee zoons een reis om de wereld
maakte en daarna naar Tibbelsford kwam
om zich daar voorgoed te vestigen. Hij
had zich in het voornaamste deel der stad
'n hyper-modern huis laten bouwen, voorzien van alle Amerikaansche gemakken.
Die inrichting van zijn huis nam hem zoozeer in beslag, dat het eenige maanden
duurde voor hij zijn aandacht aan de stad
zelf kon geven. Verschillende jeugdkennissen
bleken toen van het tooneel verdwenen,
maar afgezien daarvan trof het hem dat de
stad zoo goed als onveranderd was gebleven. Het trof hem zelfs heel bijzonder,
Daar was het oude café, „De Witte Duif"
van Mr. Selden Wright, dat nog altijd ’t
voornaamste der stad was en in welks
danszaal alle groote vergaderingen werden
gehouden. De school die hij had bezocht:
onveranderd; de straten: precies hetzelfde
als 25 jaar geleden. Slechts hier en daar
’n paar nieuwe winkelpuien, eenige garages
en een stuk of wat nieuwe huizen. En dat
was alles. Want niet alleen het stadsbeeld
had zoo weinig veranderingen ondergaan,
ook geestelijk was de plaats hetzelfde gebleven.
„Goede hemel," dacht Priest, „ze zijn
hier versteend."
De menschen dachten en handelden precies als 25 jaar geleden. Ze waren niet
meegegaan met hun tijd, zij kenden het
moderne leven niet. — Op zekeren avond
thuiskomend van een bezoek aan George
Splutter, den barbier —* waar hem tot zijn
verbazing bleek, dat hij onder het scheren
zijn schoenen niet kon laten poetsen —
zei hij, diep overtuigd, tot zijn vrouw:
„Maisie, deze stad is schijndood; daar
moeten leven en vooruitgang in gebracht
worden!" En van dat oogenblik stond
het bij Albert Hector Priest vast, dat het
zijn verdere taak in dit bestaan was, leven
en vooruitgang in Tibbelsford te brengen.
Als de ex-broekenklemfabrikant onze tachtigers had gekend, zou hij gezegd hebben, dat hij Tibbelsford ging „opstuwen
in de vaart der volkeren". Maar hoe?
Hij besprak de kwestie lang en breed met
zijn oudsten zoon James, die voor architect
trachtte te studeeren. De jongste zoon was
weer naar Canada teruggekeerd, na zijn
verachting te hebben uitgesproken voor
Engeland, het „halve-centjes-land".
„Dat kan zoo niet langer met Tibbelsford," zei de oude heer Priest, overtuigendbetoogend. „Denk je even in: een stad
van deze grootte, absoluut zonder sociaal
leven, zonder vooruitgang. De lui doen
hun sleurwerk van iederen dag; zij gaan
naar de kerk, naar den winkel, naar het
café; zij doen alles nog precies hetzelfde
als in den tijd, dat ik nog een kleine
jongen was. Van ’t groote moderne leven,
van de gemakken en vermaken die ’t biedt,
van zijn groote ontwikkeling op technisch
en geestelijk gebied hebben zij geen flauw
benul." En hij vertelde nog van zijn barbier-ervaring, en dat zelfs in de geheele
stad geen theater was of een modern ingerichte zaal voor groote bijeenkomsten.
„Ik zeg je, James, het groote, moderne
moet hier ingevoerd worden."
En James, die een goed zoon was, en
voor zijn zakgeld van zijn vader afhankelijk,
zei dat hier voor zijn vader een groote
taak ter uitvoering was weggelegd. Maar
nog eens: hoe ? — Ook Mrs. Priest mengde
zich in de besprekingen en het resultaat
van den familieraad was dat een vereeniging
moest opgericht worden, die ten doel had:
de geestelijke en stoffelijke ontwikkeling
van Tibbelsford. Een heroïeke taak, waarvan Albert Hector Priest de geestelijke
vader en groote stuwkracht zou zijn. In
visioen zag hij zich reeds een standbeeld
opgericht. De meer gedetailleerde uitwerking
der plannen zou nog nader geschieden; eerst
was het noodig de voornaamste ingezetenen
voor zijn ideeën te winnen. Maar die bleken
buitengewoon sceptisch te staan tegenover
Priest’s plannen; beter gezegd zij namen
een afwijzende houding aan. Wanneer hij
een menschenkenner geweest was, zou hij
het hierbij gelaten hebben, maar Priest behoorde tot de klasse der optimisten, en dat
zijn doorgaans geen menschenkenners.
„Achterlijke lui," vertelde Priest zijn zoon,
„maar als ze eenmaal gewaar worden wat
voor nieuwe aspecten ik voor het leven
hier open, zullen ze spoedig genoeg bekeerd
zijn." En James was het daarmee eens; hij
opperde het idee dat zijn vader de beweging alleen moest beginnen. Hetgeen den
ex-broekklemmenfabrikant nog zoo’n kwaad
denkbeeld niet leek; nietwaar, dan was ook
de eer voor hem alleen.
Twee weken later ontving ieder burger
van Tibbelsford deze circulaire:
Aan de Burgers van Tibbelsford.
„Wat heeft Engeland noodig? Waarom
blijft Engeland achter bij de groote, moderne
voorwaarts strevende landen der wereld?
Waar zijn de krachten gebleven die ons
eenmaal de machtigste natie der aarde
maakten?" — En na nog eenig proza-vangewetens-onderzoek volgde: „Wij zijn versteend! Wat wij noodig hebben is een
sterker levensbewustzijn, een intensiever
ontwikkeling onzer krachten. Wij moeten
gebruik maken van alle hulpmiddelen der
moderne techniek; wij moeten aan de spits
komen te staan der naties," enz. Tenslotte
volgde de mededeeling dat tot dit doel een
vereeniging zou opgericht worden; de inschrijving voor het lidmaatschap kon geschieden Vrijdag en Zaterdag a.s. ten huize
van den heer Albert Hector Priest. „Aan
het lidmaatschap waren geen onkosten verbonden." Met den oproep zich „en masse"
aan te sluiten, eindigde dit door Priest
onderteekende document.
Het is wellicht onnoodig op te merken
dat de circulaire tallooze commentaren uitlokte. De ironie van het geval was dat
Priest absoluut in ernst was, maar dat
niemand dat wilde gelooven. Sommigen verklaarden hem voor een zwendelaar. Anderen
beweerden dat hij in dienst stond van
Rusland en de bedoeling had Bolschewistische ideeën in te voeren; enkelen ook
veronderstelden, dat de leerlingen van het
college een mop wilden uithalen. De zinsnede dat er geen onkosten aan verbonden
waren, klonk al zeer verdacht. De burgers
van Tibbelsford waren niet gewend iets
voor niets te ontvangen. Enkele dezer geruchten kwamen Mr. Priest ter oore, maar
hij was nu eenmaal een optimist en ging
dus kalm zijn gang.
Bijzonder bevredigend was het resultaat
der inschrijvingen op Vrijdag en Zaterdag
niet; met voorbijgaan der bijzonderheden
kan vermeld worden dat Mr. Priest bij het
afsluiten van zijn lijst op Zaterdagavond
totaal elf leden had geboekt. Of deze nu
bepaald de geschikte lui waren om het
leven van Engeland in ’t algemeen en van
Tibbelsford in ’t bijzonder te vernieuwen
was aan zeer gerechten twijfel onderhevig,
maar dat wist Mr. Priest niet. Hij wist
b.v. niet dat twee van hen gevangenisstraf
wegens diefstal hadden ondergaan, dat één
'n bekende dorpsidioot uit de omstreken
was en de rest meerendeels beruchte leegloopers en drinkers waren. Allen namen als
basis voor hun redeneeringen, dat er geen
onkosten aan verbonden waren, en verder
dat de rijke Mr. Priest op de bijeenkomsten
allicht bier zou presenteeren. En bier was
waard dat men dit experiment-zonder-kosten
eens waagde. Dat zijn nieuwe medestanders
niet tot de élite behoorden zag Albert
Hector Priest wel, „maar het is een begin,"
verklaarde de optimist, „als ik eenmaal begonnen ben, volgt de rest wel." Zijn zoon
was het daarmee eens, vooral toen hij in
opdracht van zijn vader op een door hem
gekocht braak liggend stuk grond een houten
hulpgebouw met een groote vergaderzaal
moest bouwen, wat James de gelegenheid
gaf bij den plaatselijken aannemer een bevredigend geheim commissieloon voor zichzelf te bedingen.
In afwachting der voltooiing van het
voorloopige vereenigingsgebouw riep Mr.
Priest, een week na de inschrijving, de leden
op tot een vergadering te zijnen huize.
Van de elf ingeschreven leden kwamen
dien avond slechts zeven opdagen, maar
persoonlijke activiteit van vader en zoon
had er nog negen bijgewonnen, zoodat
zestien leden de openingsvergadering bijwoonden. Daaronder bevonden zich hun
eigen tuinman en Mr. Cornice, de aannemer
van het vereenigingslokaal. De laatste vooral
was zeer enthousiast over de plannen van
Mr. Priest. Deze hield een rede die meer
dan een uur duurde en sprak daarin over
goed burgerschap, vaderlandsliefde, vooruitgang, de koloniën, broekklemmen ,de ontwikkeling van Tibbelsford, liefde en eerzucht. De nieuw ingeschrevenen luisterden
18
|