|
PANORAMA No. 2 6 29 JUNI
OPERA-NOVELLEN
O
p het groote plein in Sevilla, waar de
wacht de aflossing verbeidt, staat
sergeant Moralès in gesprek met Micaela,
een meisje uit een der naburige dorpen.
Zij vraagt hem naar sergeant José, die
echter niet aanwezig is. De soldaten vertellen haar, dat hij spoedig zal komen en
dat zij hier op hem kan wachten, doch ’t
meisje onttrekt zich aan hun attenties en
verlaat het plein.
Spoedig daarna verschijnt de nieuwe
wacht onder commando van sergeant José,
vergezeld van de joelende straatjeugd en
de meisjes van de naburige sigarenfabriek,
onder wie Carmen is. De jonge mannen
en de soldaten trachten om strijd haar
aandacht te trekken, doch Carmen wijst
hen achteloos terug. Zij heeft slechts oogen
voor José, die haar echter niet ziet. Maar
wanneer zij hem een bloem toewerpt, ziet
hij haar aan en komt dadelijk onder
de bekoring van haar glimlach en haar
schitterende oogen; de bloem bergt hij
zorgvuldig in zijn gordel. Betooverd staart
hij haar na, terwijl zij met de andere
meisjes naar de fabriek gaat. Hij wordt in
zijn verliefde mijmeringen gestoord door de
komst van Micaela; zij brengt hem een brief
van zijn moeder, wat geld en ’n kus, dien zij
hem in haar onschuldige liefde ook geeft.
Plotseling komen eenige meisjes de fabriek uitstormen en vragen naar Zuniga,
den officier van de wacht, wien zij in de
grootste opwinding vertellen dat Carmen
twist heeft gehad met een ander meisje
en haar met een mes heeft gewond. Luitenant Zuniga laat Carmen naar de wacht
brengen, neemt haar in verhoor en beveelt
José dan om haar naar de gevangenis te
voeren. Maar deze komt weer onder den
invloed van zijn gevangene. Waarom zou
hij haar opsluiten en ongelukkig maken?
vraagt zij; zij houdt toch van hem, en hij
ook niet van haar? José offert zijn plicht
voor de smeekende oogen van zijn schoone
gevangene : terwijl zij de trap naar de cel
afdalen, geeft Carmen hem een duw, hij
valt en Carmen vlucht; in haar plaats wordt
José nu gevangen gezet.
Twee maanden later, op den dag dat hij
zal worden vrijgelaten, wacht zij hem bij
de taveerne van Lillas Pastia. Zij blijft
alleen achter, wanneer de andere gasten met
luitenant Zuniga en den beroemden, zeer
met zichzelf ingenomen stierenvechter
Escamillo de taveerne verlaten.
En José komt. Carmen ontvangt hem met
vreugde, lacht en zingt, drinkt met hem uit
één glas, en danst voor hem. Ondertusschen
zijn Dancairo en Remendado, de leiders
van een smokkelaarsbende, in de taveerne
gekomen; zij willen, dat Carmen en de
andere meisjes, Mercedes en Frasquita, de
aandacht der douanebeambten van de smokkelaars zullen leiden, doch Carmen weigert
hiertoe mede te werken.
Het wederzien van José en Carmen is
even kort als gelukkig. Terwijl zij voor
hem danst, hoort José het trompetsignaal,
dat hem naar zijn plicht in de kazerne roept.
Carmen smeekt hem te blijven, doet een
beroep op hun liefde, maar verandert van
tactiek, wanneer José standvastig blijft en
naar de kazerne wil gaan: met spottende
woorden verzoekt zij hem nu zelf, weg te
gaan. Op dat oogenblik komt Zuniga weer
in de taveerne; een spottend lachje en een
scherp woord van Carmen, en José trekt
zijn wapen tegen zijn meerdere. De officier
wordt door de smokkelaars, die Carmen te
hulp roept, ontwapend.
José, die zich door zijn aanval op luitenant
Zuniga in den militairen dienst onmogelijk
heeft gemaakt, sluit zich met Carmen bij
de smokkelaars aan; een andere uitkomst
was hem niet gebleven.
Eenzaam staat José in een boschje, halverwege het dal, waarheen de smokkelaarsbende is afgedaald; hij bewaakt den omtrek
om de smokkelaars voor een aanval in den
rug te behoeden. In de maanden dat hij
deel uitmaakt van de bende, is zijn afkeer
voor het lichtschuw bedrijf toegenomen.
Hij kan echter niet terug, hoewel niets hem
aan dit leven bindt. Want Carmen bemint
hem niet meer; zij heeft haar liefde gegeven
aan Escamillo, den beroemden Torero.
Een gerucht van sluipende voetstappen
wekt hem uit zijn gepeins; hij loert scherp
rond en ontdekt tot zijn verwondering Escamillo, die gekomen is omCarmen te zoeken.
Zij is hier achtergebleven, zonder dat
José het weet. Terwijl José zijn mededinger bespiedt, ziet hij tot zijn verbazing
Micaela naderen, Micaela, die hem overal
gezocht heeft om hem te smeeken dit leven
vaarwel te zeggen, niet langer Carmen te
volgen en naar zijn moeder terug te keeren.
Maar José luistert thans niet naar haar; hij
springt uit zijn schuilplaats te voorschijn
en valt Escamillo aan. Carmen, haar geliefde in gevaar ziende, tracht de strijdenden
te scheiden, hetgeen haar gelukt. Maar
José ziet niet af van zijn wraak; terwijl
Carmen hem spottend vraagt waarom hij
haar nog langer volgt en Micaela hem opnieuw smeekt naar zijn moeder terug te
keeren, roept hij Carmen, die met Escamillo den berg afdaalt, dreigend na dat zij
hem zal wederzien. Dan volgt hij Micaela.
Het einde kwam in de arena van Sevilla.
Carmen komt glorieus met den gevierden
Escamillo, die dezen dag weder zijn roem
als stierenvechter zal bevestigen, naar de kampplaats. Zij
weet niet, dat José naar Sevilla
is gekomen; hij heeft
zijn komst voor haar
geheim weten te houden,
doch niet voor Mercedes
en Frasquita. Zij waarschuwen haar en herinneren haar aan hetgeen
zigeunerinnen haar eens
hebben voorspeld : eerst
zou de dood voor haar
komen, dan voor José.
Doch de waarschuwing
maakt haar niet voorzichtiger, en wanneer zij
plotseling José ontmoet,
werpt zij hem zijn ring
in het gezicht in antwoord op zijn vurige
liefdesverklaringen en
zijn smeekbeden om zijn
liefde niet te versmaden.
Haar houding drijft hem
tot het uiterste, een dolkstoot >— en even later
vinden hem de gerechtsdienaars, wanhopig jammerend bij het lijk van
zijn geliefde.
OPERA CARMEN. Bij de
taveerne van Lillas Pastia.
10
|