Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11336 tot 11340 van 11897
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
11
Tekst
PANORAMA - No. 26 - 29 JUNI DE ROTTERDAMSCHE DIERGAARDE ontvangt zijn nieuwen gast, een olifant die per s.s. Japine te Rotterdam was aangekomen. Foto C^Cieuws DE EERSTE AARDBEIEN op de exportveiling te Beverwijk. DE NIEUWE GEZANT van Siam bij het Nederlandsche Hof, Phya Vyitavongs, die ook te Parijs is geaccrediteerd en aldaar standplaats heeft, maakte te 's Gravenhage zijn opwachting bij den Minister van BuitenlandscheZaken. 9
PDF
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
12
Tekst
PANORAMA No. 2 6 29 JUNI OPERA-NOVELLEN O p het groote plein in Sevilla, waar de wacht de aflossing verbeidt, staat sergeant Moralès in gesprek met Micaela, een meisje uit een der naburige dorpen. Zij vraagt hem naar sergeant José, die echter niet aanwezig is. De soldaten vertellen haar, dat hij spoedig zal komen en dat zij hier op hem kan wachten, doch ’t meisje onttrekt zich aan hun attenties en verlaat het plein. Spoedig daarna verschijnt de nieuwe wacht onder commando van sergeant José, vergezeld van de joelende straatjeugd en de meisjes van de naburige sigarenfabriek, onder wie Carmen is. De jonge mannen en de soldaten trachten om strijd haar aandacht te trekken, doch Carmen wijst hen achteloos terug. Zij heeft slechts oogen voor José, die haar echter niet ziet. Maar wanneer zij hem een bloem toewerpt, ziet hij haar aan en komt dadelijk onder de bekoring van haar glimlach en haar schitterende oogen; de bloem bergt hij zorgvuldig in zijn gordel. Betooverd staart hij haar na, terwijl zij met de andere meisjes naar de fabriek gaat. Hij wordt in zijn verliefde mijmeringen gestoord door de komst van Micaela; zij brengt hem een brief van zijn moeder, wat geld en ’n kus, dien zij hem in haar onschuldige liefde ook geeft. Plotseling komen eenige meisjes de fabriek uitstormen en vragen naar Zuniga, den officier van de wacht, wien zij in de grootste opwinding vertellen dat Carmen twist heeft gehad met een ander meisje en haar met een mes heeft gewond. Luitenant Zuniga laat Carmen naar de wacht brengen, neemt haar in verhoor en beveelt José dan om haar naar de gevangenis te voeren. Maar deze komt weer onder den invloed van zijn gevangene. Waarom zou hij haar opsluiten en ongelukkig maken? vraagt zij; zij houdt toch van hem, en hij ook niet van haar? José offert zijn plicht voor de smeekende oogen van zijn schoone gevangene : terwijl zij de trap naar de cel afdalen, geeft Carmen hem een duw, hij valt en Carmen vlucht; in haar plaats wordt José nu gevangen gezet. Twee maanden later, op den dag dat hij zal worden vrijgelaten, wacht zij hem bij de taveerne van Lillas Pastia. Zij blijft alleen achter, wanneer de andere gasten met luitenant Zuniga en den beroemden, zeer met zichzelf ingenomen stierenvechter Escamillo de taveerne verlaten. En José komt. Carmen ontvangt hem met vreugde, lacht en zingt, drinkt met hem uit één glas, en danst voor hem. Ondertusschen zijn Dancairo en Remendado, de leiders van een smokkelaarsbende, in de taveerne gekomen; zij willen, dat Carmen en de andere meisjes, Mercedes en Frasquita, de aandacht der douanebeambten van de smokkelaars zullen leiden, doch Carmen weigert hiertoe mede te werken. Het wederzien van José en Carmen is even kort als gelukkig. Terwijl zij voor hem danst, hoort José het trompetsignaal, dat hem naar zijn plicht in de kazerne roept. Carmen smeekt hem te blijven, doet een beroep op hun liefde, maar verandert van tactiek, wanneer José standvastig blijft en naar de kazerne wil gaan: met spottende woorden verzoekt zij hem nu zelf, weg te gaan. Op dat oogenblik komt Zuniga weer in de taveerne; een spottend lachje en een scherp woord van Carmen, en José trekt zijn wapen tegen zijn meerdere. De officier wordt door de smokkelaars, die Carmen te hulp roept, ontwapend. José, die zich door zijn aanval op luitenant Zuniga in den militairen dienst onmogelijk heeft gemaakt, sluit zich met Carmen bij de smokkelaars aan; een andere uitkomst was hem niet gebleven. Eenzaam staat José in een boschje, halverwege het dal, waarheen de smokkelaarsbende is afgedaald; hij bewaakt den omtrek om de smokkelaars voor een aanval in den rug te behoeden. In de maanden dat hij deel uitmaakt van de bende, is zijn afkeer voor het lichtschuw bedrijf toegenomen. Hij kan echter niet terug, hoewel niets hem aan dit leven bindt. Want Carmen bemint hem niet meer; zij heeft haar liefde gegeven aan Escamillo, den beroemden Torero. Een gerucht van sluipende voetstappen wekt hem uit zijn gepeins; hij loert scherp rond en ontdekt tot zijn verwondering Escamillo, die gekomen is omCarmen te zoeken. Zij is hier achtergebleven, zonder dat José het weet. Terwijl José zijn mededinger bespiedt, ziet hij tot zijn verbazing Micaela naderen, Micaela, die hem overal gezocht heeft om hem te smeeken dit leven vaarwel te zeggen, niet langer Carmen te volgen en naar zijn moeder terug te keeren. Maar José luistert thans niet naar haar; hij springt uit zijn schuilplaats te voorschijn en valt Escamillo aan. Carmen, haar geliefde in gevaar ziende, tracht de strijdenden te scheiden, hetgeen haar gelukt. Maar José ziet niet af van zijn wraak; terwijl Carmen hem spottend vraagt waarom hij haar nog langer volgt en Micaela hem opnieuw smeekt naar zijn moeder terug te keeren, roept hij Carmen, die met Escamillo den berg afdaalt, dreigend na dat zij hem zal wederzien. Dan volgt hij Micaela. Het einde kwam in de arena van Sevilla. Carmen komt glorieus met den gevierden Escamillo, die dezen dag weder zijn roem als stierenvechter zal bevestigen, naar de kampplaats. Zij weet niet, dat José naar Sevilla is gekomen; hij heeft zijn komst voor haar geheim weten te houden, doch niet voor Mercedes en Frasquita. Zij waarschuwen haar en herinneren haar aan hetgeen zigeunerinnen haar eens hebben voorspeld : eerst zou de dood voor haar komen, dan voor José. Doch de waarschuwing maakt haar niet voorzichtiger, en wanneer zij plotseling José ontmoet, werpt zij hem zijn ring in het gezicht in antwoord op zijn vurige liefdesverklaringen en zijn smeekbeden om zijn liefde niet te versmaden. Haar houding drijft hem tot het uiterste, een dolkstoot >— en even later vinden hem de gerechtsdienaars, wanhopig jammerend bij het lijk van zijn geliefde. OPERA CARMEN. Bij de taveerne van Lillas Pastia. 10
PDF
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
13
Tekst
PANORAMA No. 26 29 JUNI DE NIEUWE ENGELSCHE PREMIER gaat naar het Lager Huis, waar dezer dagen de nieuwe leden van het Parlement werden beëedigd en de Speaker, voorzitter, werd gekozen. (pingen HELEN WILLS EN WILLIAM TILDEN onder het publiek bij het Wimbledon tennis-tournament tijdens het spel van hetjeugdige Amerikaansch tenniswonder Wilbur Coen, GENERAAL BOOTH’S, de leider van het Leger des Heils, laatste tocht door Londen, 11
PDF
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
14
Tekst
PANORAMA No. 2 6 29 JUNI Negentig jaar treinen in Nederland De concessie werd verleend, hoewel van de zijde der regeering weinig medewerking werd ondervonden, en kort daarna overgedragen aan de Hollandsche Ijzeren Spoorweg Mij., die 8 Augustus 1837 werd opgericht met een kapitaal van f 1.300.000. Dit initiatief dat met succes werd beD e reizigers zijn verplicht stil te blijven zitten en niet op te staan gedurende den overtogt. Zoo zij er om vragen, kunnen aan de reizigers der eerste klasse ter verwarming koperen flesschen met warm water worden uitgereikt.” Aldus enkele bepalingen van de Holl. Ijzeren Spoorweg Mij. uit den tijd, dat de bagage gewoon op de banken der open rijtuigen werd gelegd, een maatregel die de bepaling noodig maakte, dat „wachters, ploegbazen en verdere arbeiders alle goederen van de reizigers, pakgoederen enz. die gedurende de reis van de rijtuigen mogten vallen, met nauwgezetheid moesten verzamelen en naar het naburige station brengen/’ Zoo comfortabel reisde men in de eerste periode van de kroond, was reeds voorafgegaan door een *plan van den luitenant-kolonel W. Bake, die een spoorwegverbinding tusschen Amsterdam en Keulen propageerde; men vreesde in ons land zware concurrentie voor Rotterdam en Amsterdam wanneer in België de spoorweg Antwerpen-Keulen zou zijn voltooid, waarvoor reeds concessie was verleend. Bake’s pogingen voor een leening mislukten echter. Later, in 1836, werd een Staatscgpmissie ingesteld, wier rapport aanleiding gaf tot een wetsontwerp, dat echter in de Kamer met groote meerderheid werd verworpen. Het plan voor een Staatsspoorweg naar den Rijn mocht niet gelukken. De H.IJ.S.M. ging dus in ons land voor. De eerste ingenieurdirecteur Brade behield zijn functie niet lang; hij trad af na een conflict, naar aanleiding van de overdracht der concessie aan de Maatschappij, en werd opgevolgd door ingenieur F. Conrad, die eerst nog de plannen moest ontwerpen voor de droogmaking der Haarlemmermeer. Daarna heeft hij alle energie gegeven aan de Maatschappij gedurende 13 jaar; ongeveer de geheele lijn tot Rotterdam is onder zijn leiding en naar zijn plannen uitgevoerd. Voordat de eerste Nederlandsche spoorlijn van het station aan de Haarlemmervaart te Amsterdam, tegenover de Eenhonderd, Roe tot Rotterdam was voltooid, moesten zeer veel moeilijkheden en tegenwerking worden overwonnen. Met de regeering ondervond men moeilijkheden over de spoorwijdte; niet minder dan 98 bruggen op dit traject moesten gebouwd worden, waarvan twaalf beweegbare. Conrad ontwierp hiervoor kraanbruggen en draaibruggen, benevens een houten traliebrug bij Vogelenzang. Zeer veel stagnatie ondervond men van de zijde van onwillige grondeigenaren, waarbij de Maatschappij nog viel onder de bepalingen 1839 en 1929. Een oude locomotief in het Spoorweg Museum te Utrecht, hetzelfde model als de Snelheid en de Arend, die den eersten trein in 1839 van Amsterdam naar Haarlem trokken — en een verkleinde uitgave van een moderne locomotief H. IJ. S. M. waarvan het eerste lijntje tusschen Amsterdam en Haarlem nu 90 jaar geleden, op 20 September 1839, werd in gebruik genomen. De Nederlanders van toen schenen er echter genoegen mede te nemen, want in de eerste drie maanden vervoerde het treintje, waarvan alleen de rijtuigen der eerste klasse gesloten waren, ruim 77.000 passagiers en in 1840 bijna 350.000. Niet minder dan 29 wachters en wachteressen zorgden in dien tijd voor de veiligheid op het traject Amsterdam-Haarlem. Zij gaven elkaar seinen met roode groene of witte vlaggen, s’avonds met lantaarns. De optische signalen-installatie is tot 1871 in gebruik gebleven. In 1835 zonden drie mannen te Amsterdam: R. Ie Chevalier, kap. W. Brade van de genie en L. L. Serrurier bij den koning een aanvrage in om concessie voor den aanleg van een spoorweg tusschen Amsterdam en Rotterdam, om te beginnen tot Haarlem. 12
PDF
Nummer
1929, nr. 26, 29 juni 1929
Blad
15
Tekst
HET EERSTE WERK DER STAATSSPOOR, Koning Willem III legt den eersten steen voor de spoorbrug te Zutphen op 22 October 1861 (prent in het Spoorweg Museum.) PANORAMA No. 2 6 29 JUNI wilde hij er de gebrekkigheid van de onteigeningswet mede aantoonen. Hij liet om het laantje een hoefijzervormige hulplijn leggen, het „kromme lijntje”, waarover de treinen, indien noodig gesplitst, door reserve-locomotieven werden getrokken. Bij den openingsrit en bij het gewone verkeer werd dit onmiddellijk algemeen bekend geworden lijntje gebruikt. Toen de oplossing een goede bleek te zijn, boden de eigenaars van het laantje een schikking aan welke echter door de Maatschappij werd afgewezen.De publieke opinie keerde zich intusschen tegen de eigenaars, die van politiek veranderden; op 7 Juni 1847 boden zij het stukje grond zonder eenige voorwaarde aan de Maatschappij aan (31 Mei 1847 was de lijn geopend). Nadat de eerste lijn der H. IJ. S. M., die steeds een der voornaamste en voordeeligste is gebleven, was voltooid, duurde het F. W. CONRAD, ingenieurdirecteur van de Hollandsche Spoor van 1840 tot 1853. der oude onteigeningswet van 1810. Als typisch en sterkst sprekend voorbeeld diene hiervoor de geschiedenis van het „kromme lijntje”, het laantje van v. d. Gaag in de omgeving van Delft. Dit laantje, een stuk grond van 3 Are, moest door de spoorlijn loodrecht worden doorsneden. De Maatschappij bood f 100 voor den grond en van der Gaag vroeg f 20.000! Voordat de eigenaar werd gedagvaard, was het laantje op naam gebracht van de heeren A. K. van Lennep, mr. A. H. v. Wickevoort Crommelin en J. v. d. Meije, die de Mij. aldus ertoe wilden brengen een halte te stichten aan de Zandvoorder laan bij Heemstede ; na het proces volgde een ander proces en weer een proces. Intusschen vorderde het werk aan den spoorweg en werd de datum van de opening vastgesteld, terwijl de lijn bij het laantje nog steeds onderbroken was. Conrad vond ten laatste de oplossing, die hem ook de overwinning bezorgde; tevens borgde de interestbetaling der leening van 9 millioen, indien de opbrengst van de spoorlijn hiertoe onvoldoende zou zijn. In 1843 kon het gedeelte Amsterdam—Utrecht worden geopend. Ook hier moest men kampen tegen den onwil van grondeigenaren; uit dezen tijd reeds dateert ook de lastige bepaling, dat alle treinen te Nieuwersluis moesten stoppen. De eigenaar van den grond, die hier voor den aanleg noodig was, H. Doude van Troostwijk, had bij de overeenkomst uitdrukkelijk bepaald, dat alle treinen te Nieuwersluis moesten stoppen. Lang heeft men deze overeenkomst betreurd; zelfs toen later de trein Amsterdam—Rotterdam niet te Nieuwersluis stopte, protesteerde de andere partij met succes hiertegen. Toen de minister de zomerdienstregeling goedkeurde onder bepaling dat de beurstrein te Nieuwersluis zou doorrijden, bracht de heer Doude van Troostwijk, toen beklag bij den minister niet hielp, de zaak voor den Hoogen Raad, welke besliste dat f 10.— moest betaald worden voor eiken trein, die te Nieuwersluis niet zou stoppen. Eerst veel later is een oplossing verkregen in deze kwestie. In 1845 werd de Rijnspoorweg overgedragen aan een groep personen, die de Nederl. Rijnspoorweg Mij. vormden; het vertrouwen in de toekomst van de spoorwegverbinding was echter in ons land zoo gering, dat de meerderheid der aandeelen in Engelsch bezit was. Onder groote moeilijkheden arbeidde deze Mij. aan uitbreiding van het net; men ondervond veel tegenspoed in de eerste periode, gevolgd door een tijd van bloei ongeveer sinds 1856. Scherpe conc rrentie ondervond men van de H. IJ. S. M. en de Mij. tot exploitatie van Staatsspoorwegen, welke in 1863 was opgericht; in 1885 boekte zij een belangrijk succes door meer dan de helft der aandeelen op te koopen van de Centraal Spoorweg Mij. Maar twintig jaar voordat tot uitbreiding werd overgegaan. Wel had de Maatschappij verschillende plannen; men wilde aansluiting met de Rijnspoor door middel van een ringbaan om Amsterdam, verbinding van Schiedam met de Maas voor een directe verbinding met een stoombootdienst op Engeland, men had plannen voor een lijn door de Haarlemmermeer van Amsterdam naar Leiden (nog voordat de Haarlemmermeer was drooggelegd) en voor een spoorweg door Noord Holland, doch moeilijkheden met de Regeering verhinderden de uitvoering van deze plannen. Na de eerste pogingen van een Rijnspoor in Nederland, bepaalde de Koning bij wijze van maatregel van inwendig bestuur (30 April 1838) dat een spoorweg zou worden aangelegd van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, later uit te breiden met een zijlijn Utrecht— Rotterdam en verlenging van Arnhem naar de Duitsche grens. Koning Willem zelf waarHET „KROMME LIJNTJE" om het laantje van V. d. Gaag bij Delft, (zie artikel). 13
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11336 tot 11340 van 11897