|
rE N
THUIS
RanucciBeckman
PANORAMA No. 2 5 2 2 JUNI
Is het niet heerlijk om eens
echt lui te zijn?”
Mevrouw Betsy RanucciBeckman, die het zei, zat in
een gemakkelijk hoekje van
de canapé.
„Het is heerlijkmevrouw.”
De man met ’t boekje en
het potlood die het beaamde,
in een gemakkelijk fauteuiltje!
„Luiheid mevrouw, d.w.z. vrij-zijn van
werk en alle beslommeringen en zorg, die
’t werk meebrengt, waardeert en geniet men
het meest na ingespannen arbeid. En dan
veronderstel ik..
„Ja, deze week gaan mijn man, Dirk
Verbeek, en ik op reis; de vacantie is begonnen en ik zeg van harte: gelukkig. Al
geef je met liefde alle energie en tijd aan
je werk, na een flinke periode van arbeid
verlang je niet alleen naar rust, maar heb
je ook rust noodig. Dan moet alle gedachte
aan je werk volkomen uit het hoofd. Dus
lekker luieren d.w.z. niet meer denken aan
stukken en premières en zoo, en op reis!
Liefst naar het buitenland. De voorkeur
voor het buitenland wordt me niet ingegeven
door de gedachte, dat ons eigen land niet
mooi is. Menig plekje van typisch natuurschoon in het kleine vaderlandje zal men
tevergeefs over de grenzen zoeken, maar
het schijnt soms wel, of men er pas heelemaal uit is, wanneer men de grenzen heeft
gepasseerd, een reis van 24 uur of langer
heeft gemaakt. Dan lijkt het werk, de woonplaats, de bekende omgeving, het gewone
leven heel ver, dan valt alles weg. Daargelaten de andere voordeelen van het reizen
in een vreemd land, in vreemde omgeving
en levensomstandigheden, als verruiming van
blik en het verkrijgen van andere inzichten
e.d.! Dat geldt voor iedereen, doch zeker
voor een tooneelkunstenaar.
Hoe ging het vroeger ? Onder de vacantie
ging je op reis, in het pension van een
Nederlandsche badplaats, of een vredig
dorpje ontmoette je collega's en je zat
weer midden in het werk, dat je ontvlucht
was! Je komt er in het buitenland licht
toe, om een schouwburg te bezoeken, —
ofschoon in het vacantie-seizoen natuurlijk
niet druk gespeeld wordt, — maar je zult
over de grenzen minder bekende collega’s
ontmoeten, dan wanneer allen in eigen
land bleven en dus minder aan je werk
herinnerd worden. Dat is een waarheid als
zeker bekend en nuttig beest!”
Wie belangstelling heeft voor het tooneel,
strekt deze belangstelling ook uit tot de
artisten.
Men ziet ze in verschillende rollen,
men herkent hun stem, men leest over
hen in critieken en interviews en ziet ze
op foto's.
De toestanden zijn ook in dit opzicht
veranderd, dat tooneelkunstenaars „bekender” zijn dan vroeger, doch voor
velen zijn ze nog anders dan anderen, en
men maakt elkaar — vooral op zekeren
leeftijd! — op straat of in restaurant op
hen opmerkzaam als op een ontdekking:
„dat is nu die.... welke die en die rol
speelt.”
Na hen alleen achter het voetlicht —
of bij den artisten-uitgang van den
schouwburg! — te hebben gezien, is het
dan een eigenaardige sensatie en een gebeurtenis, wanneer men ze in de omstandigheden des dagelijkschen levens, thuis,
ziet. In deze gemoedsgesteltenis is het
begrijpelijk en te vergeven dat men, iets
onbescheidener dan een gast misschien
betaamt, de omgeving opneemt, terwijl
Betsy Ranucci vertelt.
Wij zien een smaakvol en „thuis’'-
gemeubelde kamer, hier en daar
een inheemsch of Oostersch
kunstwerkje, een bureau en
een prachtige schemerlamp,
een zware canapé en vier
boekenkasten met een mooie
verzameling literatuur; wij zien
dat zij een gezellig kuiltje
in haar wang heeft als zij
lacht. En wij hooren dat, wanneer zij eenige onderwerpen
heeft besproken die overeenstemmen met den titel van
deze rubriek Artlsten Thuis,
zij langzaam en onwillekeurig
komt tot hét onderwerp voor
haar: tooneel; zij vertelt van
keuze der stukken en premières,
van repetities en
veel zorg, van critiek
deering, van lezen
talen en schriften,
speciale première-publiek dat
komt uit belangstelling voor
het spelende gezelschap, van
het bezoek gedurende het afgeloopen seizoen en van de
belangstelling van het publiek in het algemeen, die den
laatsten tijd grooter is geworden.
„Ondervindt u geen concurrentie van de bioscopen,
doordat een zeker deel van
het filmprogramma, dat zoo
„gemakkelijk” is, het publiek
ongeschikt maakt voor de
zwaardere, geestelijke inspanning van het tooneel ?”
„Ik geloof niet, dat de
tooneelgezelschappen daarvoor
hoeven te zijn. Al zou de
werk en
en waaren vervan het
meer wordt
vergeet de
het stof van
schoenen te
bang
film een deel van het publiek uit
den schouwburg houden, dan staat daartegenover, dat de weg naar den schouwburg drukker bewandeld wordt dan vroeger,
zooals ik reeds zei, gelijk er
uitgegaan dan vroeger. En
volksvoorstellingen niet!”
„En nu vacantie ...
„Ja, het zal goed doen om
het Leidsche Plein van de
schudden en alles ver weg te laten. Als je
het overgroote deel van het jaar ingespannen hebt gewerkt, kun je je echt verheugen over den komenden vrijen tijd.
Daar is bijv, een première; u begrijpt dat
je het leest en leest en nog eens herleest,
peinst over de rolverdeeling, over de algemeene idee van het stuk, over de aankleeding van het tooneel, enz. Telkens
ontdek je iets anders en zoek je naar
de middelen om het zoo goed en zoo mooi
mogelijk te maken. Je gaat er mee slapen,
je droomt er van, en 's morgens bij het
opstaan is het je eerste gedachte.”
„En toch veronderstel ik....”
„Juist; toch laat het je niet heelemaal
los. Het is natuurlijk altijd prettig, wanneer
je een stuk vindt, dat je heelemaal boeit,
waar je in valt. Maar het is nog prettiger
idee, wanneer je op vacantie gaat met de
zekerheid, dat na dien tijd een stuk wacht,
waaraan je met plezier je arbeid zult geven.
Ik zal vrij en onbezorgd mijn vacantie genieten, maar het is fijn te weten, dat ik al
een stuk gevonden heb, waaraan ik met
genoegen mijn werk weer zal opnemen,
na het reizen en rusten. Het eerste zoeken
voor het nieuwe seizoen is tenminste reeds
gedaan.” H. A.
10
|