|
P A N O R A M A No. 2 5 2 2 J l) N I
van den uitvinder geeft ie een pond per week! De schurk’*’ Maar wat moest hij beginnen? Welke macht kon de ridderlijkheid van een tweede-handsboekverkooper uitoefenen? Hij moest
iemand raad vragen. . . iemand die verstand van zaken had. en
connecties... wacht! Zijn klant mr. Wilmington. alderman, gewezen mayor .. . diè zou den grooten Ramsdale wel aankunnen!
Penny stak het document in zijn zak en ging onmiddellijk met
de tram naar ’t huis van den raadsman, dien hij zich gekozen
had. Hij deed daar zijn verhaal, dat groote verbazing en een zeer
ernstig gezicht veroorzaakte.
„We zullen een paar feiten precies moeten nagaan, beste jongen,’
sprak de oude heer. „Eerst die ontploffing, waarbij Burland omkwam,” — en hij greep naar een deel van zijn ingebonden Wolborough Observer — „te beginnen met 6 October . .. Kijk, daar
is ’t al — op 7 October heeft dat ongeluk plaats gehad. Precies
den dag, nadat hij dat memorandum schreef!”
„En precies den dag, nadat hij ’t model aan Ramsdale gaf,”
mompelde Penny, terwijl Wilmington een bundel kleinere bladen
nam.
„Dit is de officieele publicatie van het patent-bureau,” zei hij
al bladerend, „als een uitvinder zijn aanvraag ... met teekeningen
en zoo. .. indient, wordt dat allemaal onderzocht. . . dat duurt ’n
week of zes, acht. . . dat klopt! Ramsdale’s Multiplex staat aangekondigd in December! Dus heeft hij in October de aanvraag gedaan! Jongen, Penny, als Burland’s memorandum waarheid spreekt,
dan heeft die Ramsdale een allergemeensten streek uitgehaald!”
„En wat moeten we nu doen, sir?” vroeg Penny.
Wilmington keek op zijn horloge.
„’t Is half negen,” zei hij peinzend, „de avond is nog lang
genoeg om iets te doen. Maar wij kunnen ’t niet af. Kom mee —
we gaan naar mr. Cheswick. Als die Ramsdale aanspreekt, zal
Ramsdale wel luisteren. En nu is ’t daar de beste tijd voor. Want
Ramsdale doet zijn best om ’n handvat aan zijn naam te krijgen,
knight of baronet of zooiets... en als dit gevalletje uitkomt, is
zijn kans daarop verkeken!”
III
Penny kende bij reputatie de schranderheid van mr. Cheswick;
in ’t eerste gedeelte van het gesprek tusschen Wilmington en den
rechtsgeleerde kon hij die schranderheid constateeren... tot zijn
ontmoediging.
De advocaat stelde zich kalm op Ramsdale’s standpunt, en
bewees, dat er met ’t memorandum alleen eigenlijk niets te beginnen was. Ramsdale was geen kind! Hij had zijn maatregelen
natuurlijk genomen!
„Wij zouden moeten aantoonen, dat Burland precies dezelfde
machine heeft geconstrueerd, die nu als Ramsdale’s Multiplex bekend staat. Wij gelooven dat Martin Ramsdale een gewetenlooze
dief is; maar hoe zullen we 't bewijzen?”
Het gevoelige hart van Alfred Penny zwol van verontwaardiging, die zijn verlegenheid jegens die twee groote mannen overwon.
„En die arme vrouw met haar dochter ?” riep hij uit, „moeten
we die dan zoo maar in den steek laten?”
„Daarover gaat ’t tweede deel van mijn betoog,” vervolgde
Cheswick. „Om iets voor de dames te bereiken, moeten we Ramsdale over de brug jagen door schrik: door hem te overbluffen.”
„Hoe dan?” vroeg Wilmington.
„Door hem den indruk te geven, dat wij in ’t bezit zijn van...
enfin, dat we veel sterker staan dan we staan. Meneer Penny,
schrijft u nu eens ’t adres van mevrouw Burland op. Zoo. Komt
u nu morgen om dit uur hier — dan is Ramsdale er ook. U zegt
niets, als ik ’t u niet vraag... LI figureert als de menschen die
weten, — die méér weten dan we Ramsdale vertellen zullen, hè?
Da’s de eenige manier: bluf, pure bluf!”
„En denkt u, dat de dames er wat aan hebben zullen ?” vroeg
Penny, toen de advocaat zijn bezoekers uitlieL
Cheswick glimlachte even. „II zult ’t plezier hebben, ze ’t
goede resultaat te gaan meedeelen,” zei hij.
IV
Ramsdale, de eigenaar van de wereldberoemde machine-fabriek
die zijn naam droeg, voelde zich den volgenden morgen meer dan
tevreden. De Multiplex bracht goud op. Hij had al aan drie andere
fabrieken concessie gegeven, de machines te bouwen — tegen behoorlijke provisie, ’t Moest zoo nog wel een jaar of drie duren —
en hoe rijk hij dan wel zou zijn, kon hij niet eens berekenen.
Gewetensbezwaren had hij niet. Als Burland nog geleefd had,
zou Ramsdale de uitvinding van hem gekocht hebben. Nu gaf hij
Burland’s familie een pond per week — voor zulke menschen valt
een pond er heel aardig in! ’t Meisje was nu twintig. . . veronderstel dat ze zeventig werd, — dan ontving ze 4. 2.600. ’n Knap
sommetje vond Ramsdale, en zeer voldoende!
De overgroote tevredenheid van het oogenblik was veroorzaakt
door twee brieven; de eene kwam van het Parlementslid der stad,
en bevatte de verzekering, dat ’t met den adelstitel gelukt mocht
heeten. De andere was van een groote machine-fabriek, die 10.000
machines wou bouwen, en 4 10 per stuk aanbood, contant bij de
teekening der overeenkomst.
Ramsdale hield van zulke brieven: 4' 100.000 voor ’t teekenen
van een stuk papier... En hij zat proeven te nemen op zijn toekomstige handteekening: Sir Martin Ramsdale, Bart., toen een klerk
’t privé-kantoor betrad en een brief overreikte.
„Van Cheswick en Radboume, meneer,” zei hij; „wordt niet
op antwoord gewacht.”
Ramsdale bleef zich nog even amuseeren met zijn adeldom;
toen, even glimlachend om zijn eigen kinderachtigheid, sneed hij
de enveloppe van Cheswick en Radboume open.
Een minuut later stond hij op van zijn bureau, met een gevoel in zijn hersens alsof er een ruwe slag in gegeven was. En even
vlug ging hij weer zitten — en staarde en staarde weer naar de
weinige strak geformuleerde zinnen. Zijn brein verhelderde geleidelijk en nuchter zag Ramsdale de waarheid in ’t gezicht: hij
was ontmaskerd!
Hoe ’t mogelijk was, begreep hij niet. Niemand kón iets weten.
Maar Cheswick was een man van feiten — en Cheswick ontbood
hem, dwingend, tegen drie uur.
Toen hij, klokslag op tijd, Wilmington en Cheswick zag zitten,
met een bescheiden jongmensch, dat hij niet kende, wist hij zijn
vrees te verbergen achter bravour. Hij wierp den brief van den
advocaat op diens bureau, en vroeg wat dat beteekende.
Kalm schoof Cheswick den brief terug.
„Kom, meneer Ramsdale,” zei hij, „zóó wint u niets. Hoe eer
u begrijpt, dat u in onze macht is, hoe beter het voor u zijn zal.
U kunt niet willen, dat de heele wereld weet, wat wij weten.
Wéten, begrijpt u? De machine die u hebt uitgevonden, hebt u
heelemaal niet uitgevonden. Nog geen schroefje er van. Den vijfden
October hadt u er nog geen flauw idee van — den zesden bracht
Burland u model en teekeningen — den zevenden verongelukte de
stakker in uw dienst — den achtsten beschouwde u uzelf als den
uitvinder en eigenaar van de Multiplex. We weten wat u weet —
en omgekeerd: u weet b.v. evengoed als wij, dat u dien titel,
waarnaar u hengelt, nooit krijgt, als u voor ’t publiek staat als
een gewone dief. LI verstaat me ?”
Ramsdale’s oogen glinsterden en de aderen van zijn voorhoofd
zwollen op — maar hij kende Cheswick, en zijn eenig verzet was
de vraag: „Waar is het bewijs?”
„Hier,” zei Cheswick, zijn hand leggend op een gevouwen
papier, dat vóór hem lag, en daar en daar,” wees hij naar
Wilmington en Penny. „Wat wenscht u ? Herstel van onrecht —
of aanklacht?”
„Dat is toch zeker een zaak,” opperde Ramsdale. „waar ik niet
over kan beslissen zonder nadenken?”
„U hebt er ’n heel jaar over kunnen denken,” gaf Cheswick
terug, „daar kunnen geen tien minuten meer bij. Ik heb volmacht
van de nagelaten betrekkingen — met ’n betamelijke som willen
ze genoegen nemen.”
Even dacht Ramsdale na. „Een woordje met mr. Cheswick
alleen dan,” zei hij.
Een kwartier later zat Alfred Penny in een cab, om mevrouw
Burland een strook papier te brengen, waarop stond :
Gelieve te betalen aan Mts. Burland of order tweehonderd
vijftig duizend pounds. Martin Ramsdale.
En toen hij dat papiertje had overhandigd, feliciteerde hij niet
en kuste niet, maar holde hard weg.
Een week later echter stond miss Burland weer in zijn winkel
en joeg een blos op zijn verbleekte wangen.
„Meneer Penny,’ sprak miss Burland, „waarom hebben we u
nooit meer gezien sinds u ons dat goede nieuws gebracht hebt ?
Nu? Is ’t misschien omdat... om ’t geld, meneer Penny?”
Penny’s wangen werden al rooder en rooder.
„Meneer Penny,” ging miss Burland voort, al haar charme
in het gevecht "brengend, „als u 's Zondags niet bij ons komt theedrinken, hoeft u er niet op te rekenen, dat ik ooit...”
Zij zweeg en Penny vond de kracht om twee woorden
te uiten :
„Ooit. .. wat ?” fluisterde hij.
Maar miss Burland schudde het hoofd.
„Neen,” antwoordde ze. „ik hoef ’t niet te zeggen, want u
komt, is ’t niet ?”
Zoo kwam Alfred Penny aan zijn vrouw. Soms kwam hij
Ramsdale op straat tegen en die keek dan alsof hij graag iets zou
willen vragen en Penny’s gelaat werd strak als dat van een standbeeld der Deugdzame Terechtwijzing.
8
|