|
P A N O R A M A No. 2 5 2 2 J U N I
71 ^o°bPH 'Z; G>NVCHFIELD
X Rol
B
rinton voelde, dat hij een beweging van
schrik maakte en bleek werd, toen het
idee in hem opkwam. Gelukkig was er
niemand, die zijn opwinding kon opmerken.
Hij was alleen naar buiten gegaan op het
terras en had aan Bruce Bodley de gelegenheid gelaten zijn geluk eens te beproeven bij het spel, waarmede hij de laatste
drie dagen zooveel verloren had. Zou hij
het wagen?
Waarom eigenlijk niet? Hij had niet geïntrigeerd om bij de Kirklands geïnviteerd
te worden alleen voor zijn gezondheid of
voor zijn genoegen en in plaats van te
profiteeren van het kaartspel in een huis
waar om zeer hooge inzetten gespeeld werd,
had hij bijna alles, wat hij bezat verloren.
Het was absoluut noodzakelijk, dat hij tenminste van een van deze menschen wat
terugkreeg, op wat voor manier dan ook.
En van wie kon hij het beter nemen, dan
van deze rijken, die in de veronderstelling. dat hij er even goed aan toe was
als zij, hem alles hadden afgenomen.
Mrs. Heyworth’s parel-collier — zij droeg
het hedenavond niet, dus was het in haar
kamer — zou de rekening wel weer effen
maken. Dan zou een bezoek aan de kamer
van Lady Kirkland ook wel de moeite
loonen, alsook aan die van de Newells.
Maar de moeilijkheid was, dat juist
tusschen de kamer van Lady Kirkland en
Mrs. Heyworth de kamer van Esme Fenton
gelegen was en dat het vreemd zou lijken,
als een dief wel de andere kamers zou
berooven, maar niet de hare. Toch was
Brinton er niet op gesteld, om haar iets te
ontstelen. Hij voelde er niets voor de kans
te loopen, dat hij iets zou wegnemen, waaraan zij veel meer hechtte dan de werkelijke
waarde als herinnering aan haar vader en
moeder — iets wat al de rijkdom van de
Kirklands niet vervangen kon.
Het is wel eigenaardig, dat Stanway
Brinton bij een dergelijke onderneming zich
met deze overwegingen zou ophouden en
hij verbaasde zich over zichzelf. Hij was
zeer zeker niet verliefd op het meisje — daar
was hij zelfs zoo zeker van, dat als een
eerlijke toekomst een oneerlijk verleden zou
hebben kunnen uitwisschen en hem als belooning bovendien nog de nicht en erfgename der Kirklands zou hebben gegeven,
hij nog geaarzeld zou hebben, om zijn
levenswijze te veranderen, evenals hij nu
aarzelde met zijn plannen.
Maar Esme had toch wel een zekeren
invloed op hem uitgeoefend; door de royale
vriendschap, die zij met hem gesloten had,
door haar aantrekkelijken ernst en zachtmoedigheid was zij hem meer nabij gekomen,
dan eenige vrouw, die hij ooit gekend had.
„Ik zal het probeeren,” mompelde hij en
zijn sigaret over de balustrade latende vallen,
liep hij met lichte schreden het terras langs,
waarna hij plotseling omkeerde en door de
open ramen van den salon naar binnen stapte.
„Ik moet u vier heeren even privé
spreken, Sir John.’* zei hij met onderdrukte
stem, achter den stoel van zijn
gastheer staan blijvend en rondkijkend, om ook de aandacht van
de andere heeren op zich te vestigen. „Ik zou voorstellen, dat de
vier dames even een spelletje
maken, terwijl wij weg zijn. Kom
nu dadelijk.”
Sir John liet zijn kaarten op de
tafel vallen en stond op; een oogenblik was
Brinton overstelpt door de sensatie, die hij
zelf had opgewekt en niet in staat op het
kruisvuur van vragen, dat op hem gericht
werd te antwoorden.
„Neen, neen!” lachte Brinton. „Niets om
u ongerust over te maken. Volgt u mijn
raad nu op; excuseer ons voor korten tijd
en blijft allen hier. Ik sta absoluut in voor
uw veiligheid.”
Bodley en Leyton stonden al in de hall
en Sir John en Mr. Newell volgden Brinton
dicht op de hielen.
„Een inbreker,” kondigde Brinton fluisterend aan, toen hij de deur van den salon
sloot.
„Ik kan het natuurlijk niet zeker zeggen,
maar toen ik zooeven op het terras stond,
meende ik een man door een van de ramen
naar binnen te zien klimmen vanaf de waranda. En ik geloof, dat als u allen ieder
een hoek van het huis wilt bezetten en de
anderen wilt alarmeeren op het oogenblik,
dat u hem ziet en ik er op af ga, om hem
op te jagen, wij hem netjes zullen vangen.
Ik neem op mij, het huis te doorzoeken,
omdat wij maar één man voor deze taak
beschikbaar hebben en ik vrij vlug ben. Ik
ga nu naar boven om mijn revolver te halen.”
Hij trok zijn schoenen uit, toen zij door
de onverlichte gang waren weggegaan en
liep geruischloos naar zijn kamer.
Die heele bangmakerij met een inbreker
was natuurlijk noodig, niet alleen om de
verdwijning te verklaren van de juweelen,
die hij wilde wegnemen, maar ook om die
verdwijning niet in verband te zien brengen
met zijn afwezigheid uit den salon. Bovendien had hij daardoor de vrijheid de verschillende slaapkamers binnen te gaan, waar
hij wellicht juweelen zou vinden, omdat dat
de kamers waren, waar hij de meeste kans
had den inbreker aan te treffen. Maar om
zichzelf van alle verdenking vrij te pleiten,
achtte hij het noodig om hun te laten zien,
dat er een vreemde man in het huis was
geweest en dit was dan ook het doel,
waarmee hij zich naar zijn kamer begaf.
Hij had een zwarten baard noodig en een
doosje Fransche lucifers, een pet om over
zijn oogen te trekken, een lichte overjas
over zijn smoking en zijn revolver. Jas en
pet liet hij echter op het bed liggen.
Het licht uitdraaiend, liep hij snel de
kamer uit; met zijn revolver in de eene en
de lucifers in de andere hand liep hij recht
op Mrs. Heyworth’s deur af.
De lucifers in zijn zak stekend, opende
hij met vaste hand de deur en sloop naar
binnen. Hij sloot half de deur en streek een
van de lucifers aan, die een oogenblik de
duisternis deed verdwijnen. Hij liet den
lucifer daar vallen waar zij zeker gezien
zou worden en daar dat oogenblik licht
hem een algemeen idee gegeven had van
den toestand van de kamer, liep hij naar de
kaptafel. Nog een lucifer aanstrijkend, stak
hij een kaars aan en vond onmiddellijk
Mrs. Heyworth’s juweelenkistje. Het was
zelfs niet gesloten en hij ledigde het in zijn
zakken. Toen maakte hij handig de laden
van de kaptafel open en rommelde die door
elkaar, om er een schijn van werkelijkheid
aan te geven. Daarna begaf hij zich naar
de gang en niemand daar vindend, lachte
hij om zijn eigen vrees. Snel Esme Fenton’s
deur voorbij gaand, ging hij de kamer van
Lady Kirkland binnen.
Daar had hij de aangename verrassing
in een gesloten lade van de kaptafel —
de sleutel lag in een andere lade van dezelfde tafel gereed — onder wat losse
kant een paar diamanten oorknoppen en
een broche te vinden. Verder nam hij nog
n half dozijn ringen met een met parels bezet
armband-horloge en ’n gaar gouden hangers
in ruil voor eenige goed zichtbaar neergeworpen lucifers.
De kamer verlatend rende hij over het
portaal en de gang naar zijn eigen kamer,
waar hij een Engelschen waslucifer uit zijn
eigen doosje gebruikte om zijn kaars aan
te steken.
Zonder zich op te houden om zijn zakken
te ledigen, trok hij de overjas aan, deed
den zwarten baard voor, trok de pet goed
diep over de oogen en ’t licht uitblazend
op t oogenblik, dat hij zijn revolver weer
opnam, begaf hij zich weer naar de gang
en ging naar Esme Fenton’s kamer, trad
snel binnen en was al half de kamer door,
voor ’t tot hem doordrong, dat Esme daar
zelf was.
Zij stond bij een kleine tafel achter de
deur en blies juist den lucifer uit, waarmede
zij een kaars had aangestoken.
Hij had de kamer uit kunnen loopen.
zijn vermomming af kunnen werpen en een
oogenblik later terugkomen als Brinton,
maar deze gedachte kwam niet bij hem op.
Als het een van de andere vrouwen in ’t
huis geweest was, zou die gedachte zeer
zeker wei bij hem opgekomen zijn, maar
nu werd hij in twijfel gehouden door de
uitdrukking van afschuw, die hij zich over
haar gezicht zag verspreiden.
Voor hij nog iets zeggen kon, poogde
zij de deur te bereiken; en zijn impulsieve
beweging om haar tegen te houden, opdat
zij niet om hulp zou roepen, deed haar ’n
beweging maken om hem te ontwijken.
Hierdoor sloot zij de half geopende deur
voor zij nog de kruk kon grijpen, om die
open te trekken. Zij keerde zich tegen de
deur geleund om en bleef met haar rug er
tegen staan met uitgespreide handen en
hem wanhopig aankijkend, als begreep zij,
dat zij in de val zat.
Brinton voelde dit ook en zijn beweging
in haar richting inhoudend, keek ook hij
haar aan met oogen, die donker gloeiden
van angst.
„Geen schreeuw,” waarschuwde hij met
schorre stem in gebroken Engelsch, omdat
hij zijn Fransch niet goed genoeg achtte
om haar er tusschen te nemen. Hij richtte
zijn revolver op haar en liet zijn oog over
den loop gaan. „Als u schreeuw — ik dit
heb. Sta opzij en ik niets u zal doen —”
Zij bewoog zich niet. Onbeweeglijk stond
zij hem aan te staren, haar lippen met de
tong bevochtigend en moeilijk slikkend.
„Sta opzij!”
Zij strekte haar rechterarm tastend naar
de tafel uit en ging een weinig terzijde
terwijl zij de oogen strak op zijn gelaat
gevestigd hield.
„Weg daar!” beval hij met zijn linkerhand naar haar wijzend, want hij wilde
niet dichter langs haar heengaan dan noodig was. „Ik niets heb van hetgeen u behoort.”
Zij trok zich nog verder terug en bereikte
18
|