Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11316 tot 11320 van 11897
Nummer
1929, nr. 25, 22 juni 1929
Blad
17
Tekst
PANORAMA No. 2 5 2 2 JUNI drinken, vieren deelen en zelfs koken. Maar zooals gezegd, Meister Franz was een humaan mensch en de vroede rechters van Neurenberg schijnen daarmee rekening te hebben gehouden. Het toepassen der martelingen om verdachten tot bekentenis te brengen behoorde ook tot de bezigheden van den beul. Zij werden als zóó vanzelfsprekend beschouwd, dat zelf onze humane Meister Franz daartegen nooit eenig bezwaar heeft gemaakt. Zelfs is gebleken, dat de folterkamer van Neurenberg een der gruwzaamste vanEuropa was. Meister Franz zelf vertelt in zijn dagboeken van zijn werkzaamheden als folteDE RING aan de galg, waarin ter dood verooordeelden vóór de executie werden ingesloten. raar.... niets. Wel krijgen we een nauwkeurig verslag van de „lichtere” straffen welke hij toepaste. Meineed en vredebreuk werden gestraft met het afkappen van eenige vingers of een der handen. Die bedrog in den handel pleegden of zich schuldig maakten aan kleine diefstallen, kregen daarvan een levenslange herinnering mee in den vorm van een brandmerk. Meister Franz plaatste dat bij voorkeur op de wang. Iedere stad had haar eigen brandmerk. Zij, die binnen de rechtspalen van Neurenberg hun vingers niet konden beheerschen, droegen er een mee in den vorm van een arend. Geeseling, — de straf voor verschillende kleine vergrijpen, — werd zeer veelvuldig toegepast; volgens de annalen, waaruit we bezig zijn te putten, vormden zij voor den Neurenberger beul een bijna dagelijksch werk. Dat de strenge lijfstraffen dier tijden toch dikwijls niet in staat waren de misdadigers blijvend op het pad der deugd terug te voeren, moge wellicht onwaarschijnlijk schijnen, maar de gedenkschriften van verscheidene beulen toonen het ons aan. Merkwaardig is in dit opzicht de door den Gentschen beul verhaalde historie van een jongmensch dat in 1639 tot een ontijdig einde kwam. De man werd in Januari te Gent gegeeseld, nog eens in Mei en vervolgens weer in December, Januari en Juni daaropvolgend. Waarschijnlijk om dezen vasten klant kwijt te raken, werd hij in laatstgenoemde maand voor twintig jaar verbannen. Maar ondanks zijn onprettige ervaringen scheen hij toch aan Gent te hechten, want in Augustus werd hij weer in de stad aangetroffen. Hij werd opnieuw gegeeseld en voor veertig jaar verbannen. Doch in November was hij weer in Gent. Ditmaal werd hem een dubbele portie toegediend waarna de beul hem in den letterlijken zin van het woord de stad uitsloeg, thans voor den tijd van vijftig jaar. Desondanks bevond hij zich in Januari daarop weer binnen de stedelijke rechtspalen; de straf werd herhaald en de tijd der verbanning bleef op denzelfden tijdsduur bepaald. Nu scheen de goede stad Gent toch haar magische bekoring voor hem verloren te hebben want geeselen en brandmerken hadden kort daarna plaats in Lille en Brussel. De beul van Gent heeft blijkbaar den man, met wien hij ambtelijk zoo dikwijls kennis had gemaakt, in 't oog gehouden; in zijn journaal vermeldt hij tenminste dat de jonge man een jaar later in Brussel, waar men niet zoo lankmoedig was als te Gent, werd onthoofd. Uit de 18e eeuw is ons een ander belangwekkend dagboek bewaard gebleven, dat van Franz Joseph Wohlmuth, den beul van Salzburg. Evenals Schmidt, heeft hij aanteekening gehouden van al zijn executies, waarvan de eerste uitgevoerd werd toen hij zijn ambt op negentienjarigen leeftijd aanvaarde en de laatste zestig jaren later, toen hij als negen en zeventigjarige een moeder-moordenaar onthoofdde. Zijn dagboek vermeldt niet zooveel terechtstellingen als dat van Meister Franz; in die zestig jaren bedroeg het getal zijner slachtoffers slechts twee en negentig. Hetgeen zoowel kan wijzen op het deugdzaam leven der Salzburgers als op een milde wetgeving. Tot denzelfden tijd behoort ook Karl Huss, de beul van Eger, die behalve een bekwaam scherprechter ook een ontwikkeld man was. Hij werd in 1761 geboren als zoon van den beul van Brüx, maar verhuisde later naar Eger, waar hij omstreeks 1780 zijn oom als scherprechter opvolgde. Maar reeds vrij kort daarna, in 1787, werd de doodstraf in Eger afgeschaft. En daar EENMODERNE BEUL, Anton Kozarek, de tegenwoordige beul van Hongarije. de beul geen genoegen scheen te nemen met geeselen en brandmerken, nam Karl Huss zijn ontslag. Hij ging zich daarna meer wetenschappelijk toeleggen op de studie der anatomie — waarmee iedere beul wel eenigszins vertrouwd was — en heeft het daarin tot een beduidende hoogte gebracht. Bovendien slaagde hij er in een rijk huwelijk te sluiten, zijn sociale positie was daardoor verzekerd en deze werkelijk veelzijdig ontwikkelde man raakte bevriend met verschillende groote mannen van zijn tijd. Goethe o.a. was jarenlang een groot vriend van hem. De beul van Rothenburg, die aldaar in de eerste helft der 16e eeuw werkzaam was, verhaalt in zijn dagboek, dat hij in 1525 door de wanhoop van een moordenares, die hij moest terechtstellen, zoo bewogen werd dat hij haar van den dood redde door haar te huwen. Men weet, dat het in die tijden mogelijk was een ter dood veroordeelde aan zijn straf te onttrekken, indien, bij het bestijgen van het schavot, iemand uit het aanwezige publiek verklaarde hem of haar tot echtgenoot(e) te willen nemen. Dat de beul zelf op deze wijze een veroordeelde redde, is een uniek geval gebleven — De Rothenburgsche scherprechter schijnt een bijzonder medelijdend man te zijn geweest — maar uit de verschillende dagboeken blijkt dat verscheidene keeren een terechtstelling wegens het bekend maken van een voorgenomen huwelijk overbodig werd. Dezelfde Rothenburgsche scherprechter vertelt in dit genre een geval, dat niet onvermakelijk is. Een jong meisje bood hart en hand aan een dief, die op ’t punt stond opgehangen te worden; de eerste trede van de fatale ladder had hij reeds betreden. Hij staarde haar eenige oogenblikken aan — en ging toen zwijgend verder de ladder op. Tegenover alle ellende, waarvan de dagboeken der beulen uiteraard verhalen, is het dubbel aangenaam hier en daar iets te lezen, dat niet vrij is van zekeren humor. Men kent het eigenaardig spottend vernuft der middeleeuwers; ook in hun straffen kwam dit uit. — Zoo werden vrouwen, die den goeden naam hunner stadsgenooten beklad hadden, de mond gesloten met een instrument, dat het best te vergelijken is met onze tegenwoordige waschknippen. en zoo door de straten gevoerd. Openbare dronkaards werden te pronk gesteld, opgesloten in een groot vat, waar het hoofd juist bovenuit stak. 15
PDF
Nummer
1929, nr. 25, 22 juni 1929
Blad
18
Tekst
PANORAMA No. 2 5 2 2 JUNI WAT DE HOLLANDSCHE VROUW DRAAGT Een trois pièces-sportpakje met bijpassende sjaal, die ook als bayardère-ceintuur gebruikt kan worden, H olland is een waterland; zonder onze plassen, meren, binnenwateren en rivieren zou ons leven anders zijn. Wie zou ooit de schoonheid willen missen van een winterdag, wanneer de middagzon rood gloeiend ondergaat en de frissche gezichten van de schaatsenrijders dat licht wel lijken op te vangen, te weerkaatsen? Wit beijzeld liggen de platgetreden weilanden, in de verte een boerderij, waarop alle leven verstild schijnt. Dat is de Hollandsche winter. Met de zon en den zomer keeren de eerste zwaluwen terug, op het water glijden de eerste wit-bezeildoekte booten. Met de Varsity op Hemelvaartsdag als inzet, die gewoonlijk door striemenden slagregen vergezeld wordt (dit jaar mochten we gelukkig als gunstige uitzondering tellen), is het zeilseizoen geopend. Wordt menig zonnig week-end buiten op de boot doorgebracht. Wat draagt het Hollandsche meisje, wanneer het scheepje te wachten ligt? Het is eentonig; wol, wol en nog eens wol. Wollen jerseys in de meest sprekende kleuren. Er zijn origineele ontwerpen onder. Puntvormig in gebreide motieven, waarvan de punt zich van voorpand op mouw voortzet. Als het ware het idee gevend van een driehoekige sjaal die dan over één schouder nonchalantweg neervalt. Gestreepte wollen pakjes, deux-pièces, trois pièces. Een wollen jersey, een wollen rokje plus manteltje in bijpassende tint. Een heel aardige vinding van dit seizoen is de wollen of wol-met-zijde sjaal, die in de kleur van het pakje gekocht wordt, bij koud weer om den hals wordt gedragen en tegelijkertijd dienst kan doen als breede bayardère-ceintuur of gordel. Voor smalle, heuplooze figuurtjes (of die ooit uit de gratie komen?) what you call! Ziet u het monogram, dat bijgaande Fransche demoiselle op haar manteltje meedraagt ? Dat is ’n onderdeel, dat nooit verwaarloosd mag worden door ’t sportmeisje, wanneer zij tenminste werkelijk prijs stelt op ’n uitrusting, die tot in de puntjes verzorgd is. De Fransche modehuizen brengen heel aardige zeil- en sportkleeding onder de vrouwen. Een donkerblauw rechtlijnig jasje met grooten gladden matrozenkraag. Koperen beankerde knoopen en groote, ruime zakken, waarin zoo (a la die Hollandsche jongen van Beets) van alles en nog wat verdwijnen kan. Een „fair haired” Hollandsche of Engelsche beauty zal zoo n donkerblauw, wit. goud geheel allerliefst staan. Verder een soort paradepakje, imitatie van het uniform der marine-officieren. Donkerblauw costuum, de pantalon afgebiesd met JO OOMS een goudglanzende streep. Revers van het jasje plus bovenstuk van de jersey in correspondeerende kleuren. De paarlen (eeuwige tegenstelling, die het vrouwelijke accentueert) ontbreken ook hier niet. Ik waag mij niet aan voorspellingen van welken aard ook, maar men behoeft nu niet bepaald over bijzondere gaven te beschikken om de uitwerking te kunnen voorzien, die een entrée in een dergelijk costuum zou maken op het zeilschip, waar men voor een week-end genoodigd is. „Shocking,’’ zal de oude dame zeggen, die alles afkeurt. „Idioot, zielig, wat een schaap,” de meisjeskennisen. Let u vooral op de intonatie. Er klinkt geen afgunst, slechts me-de-lij-den door. En de heeren kennissen zullen zich na begroeting omdraaien, een sigaret opsteken en al rookwolkjes blazend op’ de voorplecht tegen elkaar zeggen; „Laat ze bij de Lido of aan de Rivièra blijven. Ze bederft hier de heele stemming.” Na deze zomer week-ends komt dé week der weken, de Kaagweek, de onvervalschte echte zeilweek op de Kager plassen, waarop alles wat in Holland reilt en zeilt elkaar rendez-vous geeft. Vanzelfsprekend is men dan niet klaar met een sporttenue. Een mondain avondtoiletje, de rok golvend en ruim hangend, van achteren bijna tot op den grond, van voren tot op kniehoogte, een levende roos op den linkerschouder (ouderwetsch, maar het begint er weer in te komen) ziedaar heusch geen overbodige luxe. De Kaagweek is nu eenmaal voor de echte liefhebbers meer waard dan een maandenlange kostbare reis in het buitenland. Zon op het water, een luw windje, de boot ligt zeilklaar. Starten, de spanning, men nadert het einddoel, no. één! Dan het triomfantelijke gevoel overwinnaar te zijn, te land als te zee. Immers in den avond wordt het feesten voortgezet. Danstentjes — ici on dance. Zeiltenue danst, dwarrelt tusschen de meest verfijnde avondtoiletjes. Een zongebruinde hand rust op ’t zilverwit van een zijden japon. Buiten sterren, avondschemer. Midsummernightdreams in Hollandsch formaat en omvang. Een andere tak van sport, het tennissen. Voor haar, die wél tennister, echter geen tennisster zijn (deze banen, zoeken en vinden eigen wegen, ontwerpen haar eigen mode, zie Helen Wills’s kousenlooze dracht) bijgaande afbeelding. Niet van eigen bodem, on-Hollandsch, maar misschien zal het navolging vinden. In de Amerikaansche en Engelsche society is ieder meisje lid van een bepaalde club, met nummer en naam ingeschreven. Deze draagt haar eigen clubkleuren en de mode16
PDF
Nummer
1929, nr. 25, 22 juni 1929
Blad
19
Tekst
P A N O R A M A N o. 2 5 2 2 J U N I huizen, die altijd klaar staan ontwerpen te geven voor de vrouw, die zich financieel „imbeschrankt” bewegen kan. leverden bijgaand geheel. Niet onaardig, n’est ce pas? Ziet u eens, hoe keurig die wit-zwarte strepen zich reien op de mouw van het jasje en het voorpand. Kleuren, die voortgang vinden in de das, welke geflankeerd door een vuurroode streep het witte tennisjaponnetje versiert. De voorhoofdband, of het net met oogklep — algemeen aangenomen tennis- en stranddracht — wordt hier vervangen door een witte sportbaret, welke wat Arabierachtig het voorhoofd bezet. Voor het tennissen zelf blijft wit altijd dé dracht; niets is zoo charmeerend als een in ’t wit gestoken figuurtje, dat zich in ’n vlug tempo over de baan beweegt. Maar tijdens de rust ’t wollen jasje omgeworpen of bijgaande sweater, die misschien weldra in de kleuren van de tennisclub, waarvan men lid is, nagevolgd zal worden. Zwemmen? Wat draagt de vrouw, die een onderdompeling in ’t koele nat prefereert boven ’n wandeling in een stoffige elkaar gestikt. Driehoekige ingezette gedeeltes van ruitstof ter rechterschouder, linkerheup, Een heel leuk badpakje zagen wij nog in een van onze eerste modehuizen. Een nabootsing van de z.g. Schotsche ruiten, waarvan kortgeleden zulke gezellige jurken werden gemaakt. Dit dan in tricot wollen weefsel en in het pakje, zooals tegenwoordig dikwijls voorkomt, de brassière gehecht. Als badmuts een in de kleur van het badpakje gehouden sjaal, die van achteren in den hals met de slippen van het sjaaltje eindigde. Nog een aardig badcostuum : geel zwart. Het broekje zwart, het lijfje helgeel, de rug niets anders dan een paar kruislings gestrikte banden, één zwart, één geel. Zwart het tricot mutsje, swastika-motief helgeel links opzij. Hieronder kwam een donker snuitje uitgluren, gitzwart de oogen. Geen haartje, geen krulletje te zien onder de muts, die alles verbergt. Wel in tegenstelling met de zeenimfen, die vroeger op de hooge rotsen zeer zichtbaar de haren kamden : Sie kammt ihr gold'nes Haar Und singt ein Lied dabei. — De tijd van Heine. wel ligt die ver . . Marine-sportpak]e, blauw met wit en breede gouden bies op de pantalon. stad of straat? Dit is zeer verschillend en vóór alles afhankelijk van plaats en tijd. Aan de kleeding b.v. van de vrouw in ’n kleine provincieplaats, die in het badhuis ter stede een zwembad neemt, worden andere eischen gesteld dan aan die van de vrouw, welke in het volle seizoen in een van onze groote Noordzeebadplaatsen, of Blankenbrughe, Ostende in zee gaat. Kan de eerste volstaan met het bijna klassieke, de slanke jonge figuur zoo goed omkleedende tricot, de badmuts met de margariet of chrysant in gummi, de tweede zal zich, ook waar het haar badpakje betreft, niet kunnen onttrekken aan Madame Mode. De mode is, waar het ’t mondaine badpakje betreft, zeer of eenigszins (dit hangt af van smaak en opvatting) gewaagd. De avondjaponnen zonder rug, of laten we zeggen met diep ingesneden ruggedeelten, u kent ze. Eh bien, het ruglooze badpakje belooft bij ’n warmen zomer de „schlager” van het seizoen te worden, op den rechterschouder vastgehouden door ’n vuurrooden band, die voor- en achtergedeelte verbindt. Verder badpakjes, die ter linker- of rechterschouder diep uitgesneden zijn, waarbij dus een schouder bedekt, een onbedekt is. Ook vinden we hier weer die eenigszins kubistische motieven terug, die winter en voorjaar onze wollen pakjes versierden. Ruiten, vierkantjes, in verschillende kleuren over Blauwe sportmantel m. matrozen- Sportpakje voor kraag en koperen knoopen. tennissen. 17
PDF
Nummer
1929, nr. 25, 22 juni 1929
Blad
20
Tekst
P A N O R A M A No. 2 5 2 2 J U N I 71 ^o°bPH 'Z; G>NVCHFIELD X Rol B rinton voelde, dat hij een beweging van schrik maakte en bleek werd, toen het idee in hem opkwam. Gelukkig was er niemand, die zijn opwinding kon opmerken. Hij was alleen naar buiten gegaan op het terras en had aan Bruce Bodley de gelegenheid gelaten zijn geluk eens te beproeven bij het spel, waarmede hij de laatste drie dagen zooveel verloren had. Zou hij het wagen? Waarom eigenlijk niet? Hij had niet geïntrigeerd om bij de Kirklands geïnviteerd te worden alleen voor zijn gezondheid of voor zijn genoegen en in plaats van te profiteeren van het kaartspel in een huis waar om zeer hooge inzetten gespeeld werd, had hij bijna alles, wat hij bezat verloren. Het was absoluut noodzakelijk, dat hij tenminste van een van deze menschen wat terugkreeg, op wat voor manier dan ook. En van wie kon hij het beter nemen, dan van deze rijken, die in de veronderstelling. dat hij er even goed aan toe was als zij, hem alles hadden afgenomen. Mrs. Heyworth’s parel-collier — zij droeg het hedenavond niet, dus was het in haar kamer — zou de rekening wel weer effen maken. Dan zou een bezoek aan de kamer van Lady Kirkland ook wel de moeite loonen, alsook aan die van de Newells. Maar de moeilijkheid was, dat juist tusschen de kamer van Lady Kirkland en Mrs. Heyworth de kamer van Esme Fenton gelegen was en dat het vreemd zou lijken, als een dief wel de andere kamers zou berooven, maar niet de hare. Toch was Brinton er niet op gesteld, om haar iets te ontstelen. Hij voelde er niets voor de kans te loopen, dat hij iets zou wegnemen, waaraan zij veel meer hechtte dan de werkelijke waarde als herinnering aan haar vader en moeder — iets wat al de rijkdom van de Kirklands niet vervangen kon. Het is wel eigenaardig, dat Stanway Brinton bij een dergelijke onderneming zich met deze overwegingen zou ophouden en hij verbaasde zich over zichzelf. Hij was zeer zeker niet verliefd op het meisje — daar was hij zelfs zoo zeker van, dat als een eerlijke toekomst een oneerlijk verleden zou hebben kunnen uitwisschen en hem als belooning bovendien nog de nicht en erfgename der Kirklands zou hebben gegeven, hij nog geaarzeld zou hebben, om zijn levenswijze te veranderen, evenals hij nu aarzelde met zijn plannen. Maar Esme had toch wel een zekeren invloed op hem uitgeoefend; door de royale vriendschap, die zij met hem gesloten had, door haar aantrekkelijken ernst en zachtmoedigheid was zij hem meer nabij gekomen, dan eenige vrouw, die hij ooit gekend had. „Ik zal het probeeren,” mompelde hij en zijn sigaret over de balustrade latende vallen, liep hij met lichte schreden het terras langs, waarna hij plotseling omkeerde en door de open ramen van den salon naar binnen stapte. „Ik moet u vier heeren even privé spreken, Sir John.’* zei hij met onderdrukte stem, achter den stoel van zijn gastheer staan blijvend en rondkijkend, om ook de aandacht van de andere heeren op zich te vestigen. „Ik zou voorstellen, dat de vier dames even een spelletje maken, terwijl wij weg zijn. Kom nu dadelijk.” Sir John liet zijn kaarten op de tafel vallen en stond op; een oogenblik was Brinton overstelpt door de sensatie, die hij zelf had opgewekt en niet in staat op het kruisvuur van vragen, dat op hem gericht werd te antwoorden. „Neen, neen!” lachte Brinton. „Niets om u ongerust over te maken. Volgt u mijn raad nu op; excuseer ons voor korten tijd en blijft allen hier. Ik sta absoluut in voor uw veiligheid.” Bodley en Leyton stonden al in de hall en Sir John en Mr. Newell volgden Brinton dicht op de hielen. „Een inbreker,” kondigde Brinton fluisterend aan, toen hij de deur van den salon sloot. „Ik kan het natuurlijk niet zeker zeggen, maar toen ik zooeven op het terras stond, meende ik een man door een van de ramen naar binnen te zien klimmen vanaf de waranda. En ik geloof, dat als u allen ieder een hoek van het huis wilt bezetten en de anderen wilt alarmeeren op het oogenblik, dat u hem ziet en ik er op af ga, om hem op te jagen, wij hem netjes zullen vangen. Ik neem op mij, het huis te doorzoeken, omdat wij maar één man voor deze taak beschikbaar hebben en ik vrij vlug ben. Ik ga nu naar boven om mijn revolver te halen.” Hij trok zijn schoenen uit, toen zij door de onverlichte gang waren weggegaan en liep geruischloos naar zijn kamer. Die heele bangmakerij met een inbreker was natuurlijk noodig, niet alleen om de verdwijning te verklaren van de juweelen, die hij wilde wegnemen, maar ook om die verdwijning niet in verband te zien brengen met zijn afwezigheid uit den salon. Bovendien had hij daardoor de vrijheid de verschillende slaapkamers binnen te gaan, waar hij wellicht juweelen zou vinden, omdat dat de kamers waren, waar hij de meeste kans had den inbreker aan te treffen. Maar om zichzelf van alle verdenking vrij te pleiten, achtte hij het noodig om hun te laten zien, dat er een vreemde man in het huis was geweest en dit was dan ook het doel, waarmee hij zich naar zijn kamer begaf. Hij had een zwarten baard noodig en een doosje Fransche lucifers, een pet om over zijn oogen te trekken, een lichte overjas over zijn smoking en zijn revolver. Jas en pet liet hij echter op het bed liggen. Het licht uitdraaiend, liep hij snel de kamer uit; met zijn revolver in de eene en de lucifers in de andere hand liep hij recht op Mrs. Heyworth’s deur af. De lucifers in zijn zak stekend, opende hij met vaste hand de deur en sloop naar binnen. Hij sloot half de deur en streek een van de lucifers aan, die een oogenblik de duisternis deed verdwijnen. Hij liet den lucifer daar vallen waar zij zeker gezien zou worden en daar dat oogenblik licht hem een algemeen idee gegeven had van den toestand van de kamer, liep hij naar de kaptafel. Nog een lucifer aanstrijkend, stak hij een kaars aan en vond onmiddellijk Mrs. Heyworth’s juweelenkistje. Het was zelfs niet gesloten en hij ledigde het in zijn zakken. Toen maakte hij handig de laden van de kaptafel open en rommelde die door elkaar, om er een schijn van werkelijkheid aan te geven. Daarna begaf hij zich naar de gang en niemand daar vindend, lachte hij om zijn eigen vrees. Snel Esme Fenton’s deur voorbij gaand, ging hij de kamer van Lady Kirkland binnen. Daar had hij de aangename verrassing in een gesloten lade van de kaptafel — de sleutel lag in een andere lade van dezelfde tafel gereed — onder wat losse kant een paar diamanten oorknoppen en een broche te vinden. Verder nam hij nog n half dozijn ringen met een met parels bezet armband-horloge en ’n gaar gouden hangers in ruil voor eenige goed zichtbaar neergeworpen lucifers. De kamer verlatend rende hij over het portaal en de gang naar zijn eigen kamer, waar hij een Engelschen waslucifer uit zijn eigen doosje gebruikte om zijn kaars aan te steken. Zonder zich op te houden om zijn zakken te ledigen, trok hij de overjas aan, deed den zwarten baard voor, trok de pet goed diep over de oogen en ’t licht uitblazend op t oogenblik, dat hij zijn revolver weer opnam, begaf hij zich weer naar de gang en ging naar Esme Fenton’s kamer, trad snel binnen en was al half de kamer door, voor ’t tot hem doordrong, dat Esme daar zelf was. Zij stond bij een kleine tafel achter de deur en blies juist den lucifer uit, waarmede zij een kaars had aangestoken. Hij had de kamer uit kunnen loopen. zijn vermomming af kunnen werpen en een oogenblik later terugkomen als Brinton, maar deze gedachte kwam niet bij hem op. Als het een van de andere vrouwen in ’t huis geweest was, zou die gedachte zeer zeker wei bij hem opgekomen zijn, maar nu werd hij in twijfel gehouden door de uitdrukking van afschuw, die hij zich over haar gezicht zag verspreiden. Voor hij nog iets zeggen kon, poogde zij de deur te bereiken; en zijn impulsieve beweging om haar tegen te houden, opdat zij niet om hulp zou roepen, deed haar ’n beweging maken om hem te ontwijken. Hierdoor sloot zij de half geopende deur voor zij nog de kruk kon grijpen, om die open te trekken. Zij keerde zich tegen de deur geleund om en bleef met haar rug er tegen staan met uitgespreide handen en hem wanhopig aankijkend, als begreep zij, dat zij in de val zat. Brinton voelde dit ook en zijn beweging in haar richting inhoudend, keek ook hij haar aan met oogen, die donker gloeiden van angst. „Geen schreeuw,” waarschuwde hij met schorre stem in gebroken Engelsch, omdat hij zijn Fransch niet goed genoeg achtte om haar er tusschen te nemen. Hij richtte zijn revolver op haar en liet zijn oog over den loop gaan. „Als u schreeuw — ik dit heb. Sta opzij en ik niets u zal doen —” Zij bewoog zich niet. Onbeweeglijk stond zij hem aan te staren, haar lippen met de tong bevochtigend en moeilijk slikkend. „Sta opzij!” Zij strekte haar rechterarm tastend naar de tafel uit en ging een weinig terzijde terwijl zij de oogen strak op zijn gelaat gevestigd hield. „Weg daar!” beval hij met zijn linkerhand naar haar wijzend, want hij wilde niet dichter langs haar heengaan dan noodig was. „Ik niets heb van hetgeen u behoort.” Zij trok zich nog verder terug en bereikte 18
PDF
Nummer
1929, nr. 25, 22 juni 1929
Blad
21
Tekst
de tafel; Brinton ging met korte passen naar de deur. Haar steeds onder schot houdend, liet hij de linkerhand zakken en tastte naar den sleutel. Hij kon dien zoo gauw niet vinden en naar beneden kijkend, om te zien waar hij eigenlijk precies zat, viel zijn oog op den gouden ring met een enkelen diamant, dien hij aan zijn pink droeg; hij keerde zijn hand snel om, om dien ring voor haar oogen te verbergen, want hij was nogal opvallend — ’n breede, platte gouden band met den diamant. Op hetzelfde oogenblik herinnerde hij zich zijn keurige zwarte pantalon en zwarte lakschoenen en weer keek hij op naar Esme’s gelaat. Toen hij de kruk omdraaide en de deur opende, glipte de sleutel uit zijn hand; gedreven door de gedachte, dat als hij bukte om dien op te rapen, haar aandacht op zijn schoenen gevestigd zou worden — schoenen, zooals geen enkele inbreker ze dragen zou — liep hij de kamer uit naar het portaal, trok de deur achter zich dicht en snelde naar zijn eigen kamer. Zich niet den tijd gunnend om licht te maken, maar wel verwachtend, dat ieder oogenblik Esme’s hulpgeroep op de gang weerklinken zou, trok hij zijn pet, jas en baard af en ledigde den inhoud van zijn smoking in zijn koffer, die aan het voeteinde van zijn bed stond. Toen liep hij snel naar Esme’s kamer terug — weer in zijn rol van dievenjager. Zeer voorzichtig greep hij de kruk en draaide die om. De deur was gesloten. Hij wachtte even en klopte toen. „Wie is daar ?” vroeg hij met gebiedende stem. „Ik ben er,” antwoordde Esme's stem niet ver van de deur. „Miss Fenton?” riep hij op verbaasden toon. „O, pardon, dan is het in orde! Teleurgesteld in zijn verwachting om stil haar kamer binnen te gaan en dan z.g. tot zijn verbazing Esme en niet den inbreker te vinden, stond hij ’n oogenblik besluiteloos. Haar toon van gedwongen kalmte bevreemdde hem. Maar na een oogenblik kreeg het spel hem weer te pakken en Lady Kirkland’s kamer binnengaande, liep hij naar het raam. „Leyton,” fluisterde hij heesch. „Bodley! — kijk uit. Ik zag hem geen minuut geleden het portaal oversteken. Zeg het aan de anderen.” Zonder op antwoord te wachten, maar rekenend, dat Bodley en Leyton, Sir John en Newell van hun post zouden roepen, om hun de boodschap te geven en zoodoende noodzakelijkerwijze den achterkant van ’t huis gedurende eenige oogenblikken onbewaakt zouden laten, haastte hij zich de kamer uit, liep snel naar beneden en ging langs de achtergang den tuin in door dezelfde deur, waardoor de anderen het huis hadden verlaten. Sir John en Newell waren niet te zien. „Vooruit heeren! Waar zijn jullie?” riep Brinton en rende zoo hard als hij kon naar de plaats, waar lange diepe schaduwen over het grasveld lagen. Toen Bodley en Leyton, die de anderen gemakkelijk voorkwamen hem bereikten, was hij bezig ’t struikgewas te doorzoeken. Hij greep Bodley bij den arm en viel bijna tegen hem aan. „Verduiveld!” zei hij, alsof hij geheel buiten adem was. „Waarom was die vervloekte revolver niet geladen? Ik had hem kunnen hebben.' DE EERSTE FELICITATIE op den huwelijksdag van miss Ligget, een bekende honden - vriendin, door haar lievelingshond Diidi, „Luister!” riep Leyton uit; zij hoorden het gesnor van een automobiel van den naastbijzijnden weg. „Daar gaat hij I” riep Brinton uit. „Je kunt er van op aan, dat hij dat is! Wij zijn hem kwijt, Str John. Laten wij teruggaan en zien of hij iets meegenomen heeft.” Lady Kirkland kwam hen op het terras van den salon tegemoet. Mrs. Heyworth en Mrs. Newell stonden in de open deuren. „Wat was dat voor geschreeuw, John?” vroeg Lady Kirkland. terwijl zij weer den salon binnenging. „Er is hier een inbreker geweest,” antwoordde Sir John. „Wij zullen eens moeten zien of hij iets meegenomen heeft. En wij moeten de politie maar laten komen.” Dit nieuws veroorzaakte bij de dames groote opwinding, en het was niet dan met eenige moeite, dat Mrs. Heyworth overgehaald kon worden naar haar kamer te gaan. Brinton bood aan haar te begeleiden en bij haar deur op wacht te blijven staan. „Waar is Esme?” vroeg Lady Kirkland plotseling. „Zij was voor eenige oogenblikken nog in haar kamer,” antwoordde Brinton. „Haar deur was gesloten, toen ik die probeerde, even voor ik den kerel uit Mrs. Heyworth’s kamer zag komen ; dus is hij klaarblijkelijk niet bij haar geweest.” Brinton bleef terzijde staan, om den anderen de gelegenheid te geven eerst den salon binnen te gaan. Hij wilde zelf niet naar binnen — was eigenlijk bevreesd. Er zou iets gebeuren maar wat wist hij zelf niet, en evenmin hoe hij ’t kon voorkomen, of hoe hij er aan kon ontsnappen. Een minuut later, toen Sir John den salon binnenkwam, zat Brinton op de armleuning van een stoel en maakte zich gereed, om op zijn meest amusante manier zijn vervolgingspogingen van den dief te vertellen. Plotseling zag hij de menschen, die met het gezicht naar de deur gekeerd zaten, opspringen en naar de deur staren. Toen zij uitroepen van verwondering en vroolijkheid slaakten en hard lachten, draaide hij zich op zijn stoelleuning om en stond op. Esme kwam de kamer in, een kartonnen deksel van een hoedendoos voor zich uitdragend, waarop al de verduisterde juweelen lagen; zij had zijn zwarten baard voorgedaan. „Ziehier de buit!” zei zij theatraal, maar met een lichte trilling in haar stem. „Het was een grap van Mr. Brinton, beste menschen en al getuigt die misschien niet van goeden smaak, de uitvoering was uitstekend. Hij kwam mijn kamer in met zijn valschen baard. Natuurlijk herkénde ik hem dadelijk, maar stemde er in toe, om de zaak door te zetten.” P A N O R A M A No. 2 5 2 2 JUNI In een oogenblik begreep Brinton, wat hem te doen stond; ofschoon het hem een geweldige inspanning kostte, liet hij zich in een stoel vallen en barstte in een luid gelach uit. Hij liet zich achterover vallen en lachte — verborg zijn gezicht in zijn handen en lachte, lachte, tot de geheele kamer met hem meelachte. Maar inwendig worstelde hij met een onzegbare schaamte. Zij wist de waarheid en hij begreep, dat hij liever gewild had. dat de geheele wereld het geweten had, dan dat zij ook maar een oogenblik hem verdacht. Zij had hem tegelijk beschuldigd en gered en door dit te doen had zij bewezen, dat zij van hem hield. Zij had haar afschuw over zijn daad, haar verontwaardiging en haar verbazing opzij gezet om hem te redden en had in dit tragisch moment zichzelf belachelijk gemaakt, grotesk, om zelfs voor zij nog een woord gezegd had, vast te leggen, dat de geheele zaak een grap was. Het was iets meer dan tact en medelijden, dat haar aangespoord had, om dien afschuwelijken baard voor te doen — iets meer dan de geest van genade. Zij had hem hierdoor verteld, dat zij van hem hield en hij wist, dat hij haar liefhad — haar zoo liefhad, dat haar genade hem veroordeelde tot jaren van geheim en schaamtevol berouw. „Ik bied mijn verontschuldigingen aan.” zei hij ademloos. „Het was een zeer slecht gekozen grap — en dan nog zoo laat in den avond — maar ik zal morgen met de eerste gelegenheid moeten vertrekken, om — om een boot te halen, die twee dagen vroeger vertrekt, dan verwacht werd. Ik weet echter, dat ik het beter had kunnen laten. En daarom — nogmaals — bied ik u mijne verontschuldigingen aan.” Hij glimlachte stijf tegen den kring van voor hem slechts vaag zichtbare gezichten en zich omkeerend zag hij de uitdrukking van pijn in Esme’s blauwe oogen. Het stak hem en hij voelde de ongeheelde wond gedurende vele jaren — zijn hardste en eerlijkste jaren. 19
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11316 tot 11320 van 11897