Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11286 tot 11290 van 11897
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
13
Tekst
PANORAMA No. 2 4 15 JUNI DE KONINKLIJKE FAMILIE, na den herdenkingsdienst in de Nieuwe Kerk op den Dam terugkeerend naar het Paleis, DE INTOCHT TE AMSTERDAM. H. M. Koningin Emma met de Koninklijke Familie in de calèche na de aankomst aan het Centraal Station te Amsterdam. DE VERSIERDE INTOCHTSWEC het Damrak te Amsterdam. OP HET BALCON van het Paleis luistert de Koninklijke Familie naar de zanghulde op den Dam. 11
PDF
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
14
Tekst
PANORAMA No. 2 4 1 5 J U N I OPDE VELUWE. Rhenen met den Cuneratoren, naar een oude teekening. bewust of onbewust, de vreugde van het nieuwe en het vreemde; het werk, het dagelijksche leven, de bekende omgeving is ver weg, verdwijnt uit de gedachten ; men voelt meer ruimte. Methet verruimen van ons wereldje, wordt onze geest verruimd en verrijkt; het is de ruimte die grootendeels voor een stedeling een dag in de natuur tot een genot, tot een lichamelijke en geestelijke ontspanning maakt; het is de onmetelijke ruimte die ons in de zee aantrekt en tegelijk ontzag inboezemt; het is de ruimte, het echte vèrgezicht, dat ons op den top van berg of heuvel, in het wijde polderland of de onafzienbare hei, de blijde werkelijkheid van vacantie, d.i. de „leege” tijd, vrij van zorgen en dagelijksch werk, bewust doet worden. Deeenvoudige schoonheid van het polderland met koeien, molens en wonderlijke wolkenluchten (wij zien het te dikwijls en noemen het daarom; kaal,) de stilte van een wijde rimpellooze watervlakte of de vrede en rust van een bosch, spreekt daarom voor den stedeling, wien natuurgenieting bij beetjes is toebedeeld, niet zoo duidelijk en sterk als het onbeperkte en machtige panorama vanaf een berg of de onafzienbaarheid van een golvende heidevlakte. Het eerste bezitten OP DE VELUWE. Bij den Grebbeberg. FAe soms kinderlijke genieting — ofschoon het lang geen onvermengd genot is! — van een lange treinreis is terug te brengen tot het gevoel, dat de wereld voor ons grooter wordt. Het genot van vacantie en reizen is, goed beschouwd, het genieten van grootere bewegingsvrijheid dan gewoonlijk, het genieten van meer ruimte. Bij het overschrijden der landsgrenzen gevoelt men, wij niet in ons land, voor het tweede behoeven wij niet over de grenzen te trekken. Op de Veluwe is bosch en velerlei natuurschoon en de poezie van stroomende beekjes (wat beteekent „kabbelend beekje" niet voor een stedeling, die alleen grachten en slooten kent!), en op de Veluwe is heide, ruimte. En volkomen verklaarbaar is het, dat de groote vlakte met weinig dorpen in het OP DE VELUWE. 12
PDF
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
15
Tekst
PANORAMA No. 2 4 15 JUNI OP DE VELUWE. Heide. hart van ons land iederen zomer veel vaderlandsche toeristen trekt. De omgeving van Arnhem, Wageningen, Rhenen, Ede, Lunteren, Putten, Nunspeet, Hattem, de woeste heide bij Harskamp en andere plaatsjes trekken steeds voor vacantie of weekend, en velen die er geweest zijn, sporen anderen aan er ook heen te gaan. Er zijn weinigen die niet graag wandelen in een bosch waarvan men na drie stappen OP DE VELUWE. Heide en bosch. het einde niet ziet, die niet graag een dag besteden aan een fietstocht over de mooie paden, die zich niet voelen aangetrokken door de rust van een vacantie in een of ander moeilijk bereikbaar maar stil en mooi dorpje, die de bekoring niet ondergaan van de bruine en paarse golving, wanneer men op een hooggelegen punt van de hei staat, die aan eene zijde wordt afgesloten door een zware boschstreep en aan den anderen kant zich eindeloos schijnt uit te strekken tot aan den horizon, tot waar de wereld ophoudt, soms onderbroken door de vreemde schoonheid van een vlakte met kale zandverstuivingen. Er is vrijheid, licht, ruimte. OP DE VELUWE. Beboschte glooiing. OP DE VELUWE. Aan den heiderand. 13
PDF
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
16
Tekst
PANORAMA No. 2 4 15 JUNI de Kamer. ï/ EHDEKAMER. S>’° D e kamer was in Praxton Street» hetgeen in de nabijheid is van Euston Road. Haar afmetingen waren 5 M. bij 3,5 M. en zij bezat één deur en één raam. Voor het raam hingen kanten gordijntjes, hier en daar gescheurd, en bovendien rood pluchen overgordijnen, die, wanneer ze zoo ver mogelijk dichtgetrokken werden, toch altijd nog een halven meter van elkaar af bleven. Het meubilair bestond uit een ronde, ietwat wankele tafel, een buffet uit den tijd van Koningin Victoria, met verweerde spiegels in het bovenste paneel, een fauteuil, met een ongemakkelijke zitting — alleen langdurige training verhoedde dat men er afgleed — nog twee stoelen met groen fluweelen zitting en een grooten bloempot, waarin een aspidistra den strijd om het bestaan streed. Tusschen deur en raam stond een ijzeren geraamte dat bij nadere beschouwing een bed bleek te bevatten. De muren waren bedekt met een zonderling gebloemd behangselpapier, dat zeer onregelmatig golfde. Verder waren de wanden versierd met een paar schilderijen; één stelde, in een uitvoering van schreeuwende kleuren, de kroning voor van Koning George; op de andere was een kleine jongen afgebeeld die een stuk cake in de hand hield, waar een hond met merkwaardig melancholieke blikken de oogen op gevestigd hield. Op den vloer lag een karpet, waarvan het patroon niet meer vast te stellen viel. Rondom de gaskroon speelden een dozijn vliegen haar eeuwigdurend spel. Dit is een korte beschrijving van de levenlooze voorwerpen, behalve dan de vliegen. Maar we weten allen, dat zelfs levenlooze voorwerpen, vooral zoo n verzameling als hier was — al bezitten ze dan geen ziel —* toch wel iets te zeggen kunnen hebben. En James Wilbraham Waite, die op een mooien Juli-namiddag in zijn ongemakkelijken fauteuil zat, zeiden ze plotseling iets. Hij had zijn kamer rondgekeken en zei halfluid tot zichzelf: ,/t Is hier afschuwelijk als de hel!” Zeven jaar had hij nu op deze kamer gewoond en al die tijd was noodig geweest om den intensen afkeer te kweeken die zich aldus uitte. Want dit was geen plotseling opgeschoten haat, maar door de jaren gegroeide teleurstelling en ontevredenheid. Deze banale kamer was de belichaming van alles wat hij verachtte en wenschte te vluchten. James was sinds zeven jaar op een makelaarskantoor te Londen. Zijn geschiedenis gedurende die zeven jaar tot dezen bijzonderen Juli-namiddag was een zeer eentonige en we zullen haar daarom niet vertellen. Zij zou zich trouwens hoofdzakelijk tot de Kamer moeten bepalen. Bij stukjes en beetjes was zijn salaris gestegen tot 3 pond, vijf shilling. Volgens hetzelfde proces zou het over zeven jaar -— wanneer hij vijf-en-dertig waS — tot vijf pond gekomen zijn. Maar het waren niet deze materieele overwegingen en vooruitzichten, die hem hinderden. Het was dat eeuwige gevoel van ingewortelde ontevredenheid. Hij verachtte zijn werk. Aan zijn schrijftafel zat hij altijd te droomen. Hij droomde van verafgelegen landen, van schoonheid, en liefde, en romantiek. Hij werd lid van 'n bibliotheek en bracht zijn meeste avonden door met lezen. En wanneer hij volkomen verplaatst was in een andere wereld, placht hij op te zien — en vond zichzelf in de kamer. Hij zag dan zijn gezicht in de verweerde spiegels, de jongen met de cake scheen hem toe te grinneken, Koning George in zijn kroningsgewaad zag er belachelijk uit en het golvend behangselpapier maakte hem onpasselijk. Op dezen bijzonderen namiddag waren het de vliegen die hem irriteerden. Hij was vroeg thuis gekomen — ’t was slappe tijd op kantoor — en las een roman, die in de woestijn speelde. In visioenen zag hij de dadelpalmen in de oase, hij ademde de geuren in van den Arabischen nacht en hoorde vage klanken van een vreemde muziek. Toen keek hij plotseling op en zag die Londensche vliegen rond de gaskroon spelen. In een vlaag van woede greep hij zijn handdoek en sloeg er naar. Drie seconden bleven zij weg. „Vervloekte vliegen!” barstte hij uit. Er kwam een trek van grimmige vastberadenheid op zijn gezicht. Weer greep hij zijn handdoek en begon de campagne opnieuw. Maar vliegen doodslaan is een lastig werk en levert wel eens een niet bedoeld resultaat op. In dit geval bestond het hierin, dat door een onbesuisden slag de glazen ballon van de gaskroon geraakt werd, die een moment later in gruizels op den vloer lag. Een paar minuten later hoorde hij de zware stappen van zijn rheumatische hospita de trap opkomen. Vóór hij nog gelegenheid had tot een besluit te komen betreffende de aan te nemen houding, klonk de bekende tik op de deur en trad Mrs. Beldam binnen. Tot zijn verrassing hield zij een brief in de hand. Het stukvallen van den ballon had zij blijkbaar niet gehoord, noch zag zij de op den grond liggende fragmenten. Hij nam den brief aan, zei automatisch „dank u”, en op dezelfde wijze: „Ik heb uw ballon gebroken toen ik naar een vlieg sloeg.” „Oh dear,” merkte Mrs. Beldam op, „hm! Ik zal even stoffer en blik halen.” Toen zij met de verzamelde restanten verdwenen was, bepeinsde hij, dat ze niet eens over schadevergoeding gesproken had. Maar zijn verwondering daarover maakte plaats voor heel andere gevoelens toen hij den brief las. Hij kwam van 'n notaris uit Liverpool met het bericht, dat hij door den dood van een oom, die in Indië geleefd had, erfgenaam was geworden van 600 pond. 600 pond! Voor het eerst keek hij de Kamer rond met oogen, die haar verschrikkingen niet zagen. Hij keek door den wand met het golvende behangsel heen, recht in de eindelooze ruimten van de wereld. Hij zag een machtig schip; hij zag witte steden met minarets en moskeeën, glinsterend in de zon; groene valleien — een vrouw kwam op hem toe —. 600 Pond! Hij moest met iemand spreken en omdat hij in het huis niemand kende dan de hospita, ging hij haar opzoeken, beneden in de keuken. Zij bleek zich te occupeeren met het strijken van een nachthemd. „Mrs. Beldam,” viel hij met de deur in huis, „ik heb geld geërfd.” „Oh, dat is prettig voor u,” zei ze. „Hoeveel is het?” „Ongeveer 600 Pond.” Ze zag weer op ’t nachthemd; de eerste gedachte, die haar besprong was, dat ze waarschijnlijk een huurder verliezen zou. Zij herhaalde: „Dat is prettig voor u.” Toen: „Volgt u mijn advies, Mr.Waite, en koop er solide certificaten voor. Certificaten oorlogsleening!” Bijna ontsteld zag hij haar aan. Ah! hij begreep haar. Zij wilde hem op de Kamer houden. Certificaten oorlogsleening! Goeie hemel; en hij had den gouden sleutel tot de vrijheid in zijn bezit. Hij snauwde: „We zullen zien,” en rende terug naar de kamer, die nu nog afschrikwekkender was. Het duurde een maand voor hij zijn cheque ontving. Om zijn geschiedenis gedurende die maand met een paar woorden te vertellen: hij werkte zijn plannen uit, bestudeerde kaarten en gidsen, zei met welbehagen zijn betrekking op; repeteerde zijn Fransch, droomde van witte steden afstekend tegen blauwe luchten, en zijn eenige vrees was, dat er nog iets tusschenbeide zou komen en hij de Kamer niet zou kunnen ontvluchten. Maar dat bleek dwaasheid. Een der eerste dagen van September gaf hij den sleutel van de kamer aan de hospita en verliet haar voor altijd. Vier dagen later was hij in Algiers; vermoeid, maar zeer opgewonden. Hij beschouwde Algiers als een geschikt begin voor zijn avonturen. Wat er zou gebeuren als zijn geld op was, liet hem koud. Zijn plan was een tocht naar de woestijn te maken, maar daar het land hem absoluut vreemd was, wist hij niet hoe zijn plan uit voeren. Gedurende een week logeerde hij in een rustig hotel en zwierf door de stad. Na verloop van dien tijd maakte hij kennis met twee Fransche handelsreizigers, die met hun auto naar de Oase van Laghouat in het zuiden moesten. Hij sloot zich bij hen aan en twee dagen fater, kort tegen zonsondergang, bereikten zij het kleine hotel, dat even buiten Laghouat was gelegen. De romantiek der reis had intusschen al iets van haar glans verloren. Het was een vermoeiende tocht geweest, hij had last van de hitte en het stof en het ergste was dat hij zich, ondanks het gesnater der handelsreizigers, eenzaam begon te voelen. Bovendien had hij dien nacht van de Kamer gedroomd en begon zich nu af te vragen of er een plekje op aarde was, waar hij zich ooit eens thuis zou kunnen voelen. Toen hij gebaad en zich verkleed had, ging James een wandeling maken. Hij beklom een kleine hoogte en gaf, toen hij den top had bereikt, een kreet van verbazing. Op den voorgrond zag hij de witte daken van Laghouat, omzoomd door duizenden dadelpalmen, en daarachter aanschouwde hij in eindelooze golvingen, gelijk de oceaan, de woestijn. De zon raakte den horizon, een schot klonk en op het dak van de minaret H
PDF
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
17
Tekst
PANORAMA No. 2 4 15 JUNI verscheen de figuur van den priester. Hij hoorde zijn stem waarmee hij de geloovigen tot het gebed opriep. Voor het eerst sedert hij de Kamer verlaten had, voelde James Waite zich verzadigd van genot. „Ik heb het gevonden," dacht hij en gaf een zucht van tevredenheid. Dien nacht sliep hij slecht. Hij werd verontrust door het probleem, hoe hij vast zou houden wat hij hier had gevonden. Hoe zou hij thuis raken in deze atmosfeer ? Hoe kon hij leven? Hij was een buitenlandsche gast, die in het eenige hotel verbleef van een Arabische stad. Veefokkerij was hier het eenige middel van bestaan. Gedurende een week zwierf hij door de stad; en toen, den achtsten dag, werd zijn lot vastgesteld door de ontmoeting met Harry Duxberry. James zat in de voorgalerij van het hotel toen een lange, in ’t wit gekleede figuur het huis naderde en aan het tafeltje naast hem plaats nam. Men scheen hem te kennen, want er werd hem oogenblikkelijk een whisky-soda gebracht, binnen korten tijd gevolgd door drie andere. Toen wendde hij zich plotseling tot James: „U is Engelschman ?" „Ja," zei James verbaasd. „Ook een whisky?" Het zou onbeleefd zijn geweest teweigeren; onder het genot van een whisky-soda maakten Waite en Duxberry kennis met elkaar. Mr. Duxberry was een man, forsch en verbrand door de zon, maar zijn oogen keken vermoeid en zijn bewegingen waren apathisch. Hij sprak weinig en hoofdzakelijk in één-lettergrepige woorden; hij was beu van alles — behalve dan wellicht van den drank. In den loop van het niet zeer vlotte gesprek bleek het Waite dat zijn nieuwe kennis in een oase woonde, 15 mijlen zuidelijker gelegen waar hij, in dienst van een Engelsche firma, een depot beheerde. De inboorlingen brachten hem daar het in die streek veelvuldig groeiende halfa-gras, dat gebruikt werd voor de papier-fabricage. Hij leefde daar als blanke alleen en het eenige genoegen, dat hij zich gunde, was eens per week een uitstapje naar Laghouat om zich te bedrinken. Voor hij dien avond dit resultaat had bereikt, had hij James uitgenoodigd hem in zijn oase eens te bezoeken en hem den weg nauwkeurig aangeduid. Drie dagen later ging James. De oase vond hij makkelijk. Zij was maar klein; tusschen de dadelpalmen stonden een paar tenten, een groote bergplaats en een klein woonhuis, gebouwd uit modder en cement. Duxberry zat juist aan zijn lunch. Zonder eenig verder vertoon van hartelijkheid zei hij: „Hallo, dus toch gekomen!" Het huisje bleek spaarzaam gemeubeld, maar zeer zindelijk. Het eten, door een negervrouw opgediend, was smakelijk klaargemaakt. Na de lunch sliepen zij en zaten daarna te rooken, buiten onder een afdak. James vroeg veel, maar kreeg slechts éénlettergrepige woorden tot DE AANVOERDER uan het Nederlandsche elftal, Van Kol, droomde in zijn hotel te Stockholm van een mooie overwinning in den voetbalwedstrijd Nederland—Zweden. De droom bleek echter zeer bedriegelijk — de overwinning werd een 6—2 nederlaag. antwoord. Terwijl zij daar zaten, voerden zwarte dragers voortdurend nieuwe voorraden halfa-gras aan, terwijl Duxberry korte aanwijzingen gaf. Het viel James op hoe rustig en vredig hier alles was. Een oogenblik dacht hij aan de Kamer. Wat een contrast! Hij werd jaloersch op den man naast hem, en plotseling vroeg hij hem of er nog niet zoon baantje was. Duxberry staarde hem aan. „Voor wien?" vroeg hij. „Voor mij." „Voor jou?" Hij scheen het niet te kunnen begrijpen. „Je kunt je passage naar Engeland toch betalen, nietwaar?" „Zeker, maar ik zou liever hier leven," antwoordde James. „Liever in dit gat dan in Engeland? Duxberry werd er welsprekend van. „Ja!" — „Maar waarom?" „Ik weet niet! ’t Is alleen maar het idee van vrijheid en ruimte, en zon en lucht." De andere man keek hem ernstig aan. „Beste kerel, als je mijn ervaringen had beleefd, zou je niet zoo spreken. Ik heb dertig jaar over de wereld gezworven en ik heb nog maar één ideaal —* terug naar Engeland. En jij zou hier willen leven!" Kort daarna ging James terug naar Laghouat. Hij bleef er nog een week, en gedurende dien tijd dacht hij lang en diep na — Engeland — de Kamer. Hij walgde er van. En Duxberry zou er graag heen willen. Wel, laat hij het doen en zien hoe hem dat beviel. James zou zijn plaats hier innemen. Den dag daarna kwam Harry Duxberry naar het hotel voor zijn wekelijksch drinkgelag. James wachtte tot hij zijn vijfde whisky verschalkt had en kwam toen met zijn voorstel: Duxberry moest het met de firma regelen dat Waite zijn plaats kreeg ; in ruil daarvoor zou hij van James honderd pond krijgen om naar Engeland terug te kunnen keeren. Duxberry schoot ervan overeind. „Honderd pond!" riep hij. Zijn oogen zeiden: „Jou enorme idioot!" Toen bespraken zij een en ander. En om de geschiedenis van een maand weer kort te maken: de zaak kwam in orde; er werd gecorrespondeerd met ’t hoofdkantoor in Algiers; James reisde er heen om zich voor te stellen; hij bracht nog twee weken door bij Duxberry om met het bedrijf op de hoogte te komen, en leerde eenige Arabische woorden en uitdrukkingen. En toen overhandigde hij Duxberry honderd pond, die ze zorgvuldig wegstopte en daarna — zijn paard stond gereed — de hand uitstak: „Veel geluk voor jou!" James voelde zich vreemd bewogen; hij kon nauwelijks spreken. Maar dan zei hij: „Veel geluk voor jou!" Meer werd er niet gezegd. Duxberry wuifde nog eens en reed weg. James stond daar in de oase te midden der uitgestrekte vlakte en ademde de warme lucht in. Wat een ruimte; wat een vrijheid! En zoo zat Harry Duxberry op een goeden dag als bewoner van de Kamer in den ongemakkelijken fauteuil, waar men, —- mits langdurige training, — zoo gemakkelijk afgleed. Hij was thuisgekomen van een wandeling en keek met innig welbehagen de Kamer rond. Daar was een prachtig buffet met spiegels, 'n prettige ronde tafel. Daar was aan den wand een kleurig behang en aardige schilderijen: een jongen met ’n stuk cake in de hand en een hond, die er op loerde. En dan de kroning van Koning George! Hij zuchtte van tevredenheid. Tachtig pond had hij nog over; hij behoefde de deur maar uit te gaan en daar waren menschen, cinema’s, cabarets, drukte. Hij kon ’n betrekking zoeken, trouwen, leven! Begeesterd keek hij zijn kamer nog eens rond, en zei halfluid: „Ah! Ik voel mij hier in den hemel!" Als iedereen, die lang in de eenzaamheid heeft geleefd, had hij de gewoonte, luidop met zichzelf te praten. Hij sprak de kamer aan: „Hemelsche goedheid! Wat een gek! Hij zal er spoedig genoeg van hebben, daar. Hij zal gauw genoeg ontnuchterd terugkomen. Maar in elk geval, mijn Kamer zal hij me niet meer ontnemen. Het was een eerlijke ruil." 15
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11286 tot 11290 van 11897