|
PANORAMA No. 2 4 15 JUNI
de Kamer. ï/
EHDEKAMER. S>’°
D
e kamer was in Praxton Street» hetgeen
in de nabijheid is van Euston Road.
Haar afmetingen waren 5 M. bij 3,5 M.
en zij bezat één deur en één raam. Voor het
raam hingen kanten gordijntjes, hier en daar
gescheurd, en bovendien rood pluchen overgordijnen, die, wanneer ze zoo ver mogelijk
dichtgetrokken werden, toch altijd nog een
halven meter van elkaar af bleven. Het
meubilair bestond uit een ronde, ietwat
wankele tafel, een buffet uit den tijd van
Koningin Victoria, met verweerde spiegels
in het bovenste paneel, een fauteuil, met
een ongemakkelijke zitting — alleen langdurige training verhoedde dat men er afgleed — nog twee stoelen met groen fluweelen zitting en een grooten bloempot,
waarin een aspidistra den strijd om het
bestaan streed. Tusschen deur en raam
stond een ijzeren geraamte dat bij nadere
beschouwing een bed bleek te bevatten.
De muren waren bedekt met een zonderling
gebloemd behangselpapier, dat zeer onregelmatig golfde. Verder waren de wanden
versierd met een paar schilderijen; één
stelde, in een uitvoering van schreeuwende
kleuren, de kroning voor van Koning
George; op de andere was een kleine jongen
afgebeeld die een stuk cake in de hand
hield, waar een hond met merkwaardig
melancholieke blikken de oogen op gevestigd hield. Op den vloer lag een karpet,
waarvan het patroon niet meer vast te
stellen viel. Rondom de gaskroon speelden
een dozijn vliegen haar eeuwigdurend spel.
Dit is een korte beschrijving van de
levenlooze voorwerpen, behalve dan de
vliegen. Maar we weten allen, dat zelfs
levenlooze voorwerpen, vooral zoo n verzameling als hier was — al bezitten ze
dan geen ziel —* toch wel iets te zeggen
kunnen hebben.
En James Wilbraham Waite, die op een
mooien Juli-namiddag in zijn ongemakkelijken fauteuil zat, zeiden ze plotseling iets.
Hij had zijn kamer rondgekeken en zei
halfluid tot zichzelf:
,/t Is hier afschuwelijk als de hel!”
Zeven jaar had hij nu op deze kamer
gewoond en al die tijd was noodig geweest om den intensen afkeer te kweeken
die zich aldus uitte. Want dit was geen
plotseling opgeschoten haat, maar door de
jaren gegroeide teleurstelling en ontevredenheid. Deze banale kamer was de belichaming van alles wat hij verachtte en
wenschte te vluchten.
James was sinds zeven jaar op een
makelaarskantoor te Londen.
Zijn geschiedenis gedurende die zeven jaar
tot dezen bijzonderen Juli-namiddag was
een zeer eentonige en we zullen haar
daarom niet vertellen. Zij zou zich trouwens
hoofdzakelijk tot de Kamer moeten bepalen. Bij stukjes en beetjes was zijn salaris
gestegen tot 3 pond, vijf shilling. Volgens
hetzelfde proces zou het over zeven jaar
-— wanneer hij vijf-en-dertig waS — tot
vijf pond gekomen zijn. Maar het waren
niet deze materieele overwegingen en vooruitzichten, die hem hinderden. Het was
dat eeuwige gevoel van ingewortelde ontevredenheid.
Hij verachtte zijn werk. Aan zijn schrijftafel zat hij altijd te droomen. Hij droomde
van verafgelegen landen, van schoonheid,
en liefde, en romantiek. Hij werd lid van
'n bibliotheek en bracht zijn meeste avonden
door met lezen. En wanneer hij volkomen
verplaatst was in een andere wereld, placht
hij op te zien — en vond zichzelf in de
kamer. Hij zag dan zijn gezicht in de verweerde spiegels, de jongen met de cake
scheen hem toe te grinneken, Koning George
in zijn kroningsgewaad zag er belachelijk
uit en het golvend behangselpapier maakte
hem onpasselijk.
Op dezen bijzonderen namiddag waren
het de vliegen die hem irriteerden. Hij was
vroeg thuis gekomen — ’t was slappe tijd
op kantoor — en las een roman, die in
de woestijn speelde. In visioenen zag hij
de dadelpalmen in de oase, hij ademde de
geuren in van den Arabischen nacht en
hoorde vage klanken van een vreemde
muziek. Toen keek hij plotseling op en zag
die Londensche vliegen rond de gaskroon
spelen. In een vlaag van woede greep hij
zijn handdoek en sloeg er naar. Drie
seconden bleven zij weg.
„Vervloekte vliegen!” barstte hij uit.
Er kwam een trek van grimmige vastberadenheid op zijn gezicht. Weer greep
hij zijn handdoek en begon de campagne
opnieuw. Maar vliegen doodslaan is een
lastig werk en levert wel eens een niet
bedoeld resultaat op. In dit geval bestond
het hierin, dat door een onbesuisden slag
de glazen ballon van de gaskroon geraakt
werd, die een moment later in gruizels op
den vloer lag. Een paar minuten later
hoorde hij de zware stappen van zijn rheumatische hospita de trap opkomen. Vóór
hij nog gelegenheid had tot een besluit te
komen betreffende de aan te nemen houding,
klonk de bekende tik op de deur en trad
Mrs. Beldam binnen. Tot zijn verrassing
hield zij een brief in de hand. Het stukvallen van den ballon had zij blijkbaar niet
gehoord, noch zag zij de op den grond
liggende fragmenten. Hij nam den brief aan,
zei automatisch „dank u”, en op dezelfde
wijze: „Ik heb uw ballon gebroken toen
ik naar een vlieg sloeg.”
„Oh dear,” merkte Mrs. Beldam op, „hm!
Ik zal even stoffer en blik halen.” Toen
zij met de verzamelde restanten verdwenen
was, bepeinsde hij, dat ze niet eens over
schadevergoeding gesproken had. Maar zijn
verwondering daarover maakte plaats voor
heel andere gevoelens toen hij den brief
las. Hij kwam van 'n notaris uit Liverpool
met het bericht, dat hij door den dood van
een oom, die in Indië geleefd had, erfgenaam
was geworden van 600 pond. 600 pond!
Voor het eerst keek hij de Kamer rond
met oogen, die haar verschrikkingen niet
zagen. Hij keek door den wand met het
golvende behangsel heen, recht in de eindelooze ruimten van de wereld. Hij zag een
machtig schip; hij zag witte steden met
minarets en moskeeën, glinsterend in de
zon; groene valleien — een vrouw kwam
op hem toe —. 600 Pond!
Hij moest met iemand spreken en omdat
hij in het huis niemand kende dan de
hospita, ging hij haar opzoeken, beneden
in de keuken. Zij bleek zich te occupeeren
met het strijken van een nachthemd.
„Mrs. Beldam,” viel hij met de deur in
huis, „ik heb geld geërfd.”
„Oh, dat is prettig voor u,” zei ze.
„Hoeveel is het?”
„Ongeveer 600 Pond.”
Ze zag weer op ’t nachthemd; de eerste
gedachte, die haar besprong was, dat ze
waarschijnlijk een huurder verliezen zou.
Zij herhaalde:
„Dat is prettig voor u.” Toen: „Volgt u
mijn advies, Mr.Waite, en koop er solide certificaten voor. Certificaten oorlogsleening!”
Bijna ontsteld zag hij haar aan. Ah! hij
begreep haar. Zij wilde hem op de Kamer
houden. Certificaten oorlogsleening! Goeie
hemel; en hij had den gouden sleutel tot de
vrijheid in zijn bezit. Hij snauwde: „We
zullen zien,” en rende terug naar de kamer,
die nu nog afschrikwekkender was.
Het duurde een maand voor hij zijn
cheque ontving. Om zijn geschiedenis gedurende die maand met een paar woorden
te vertellen: hij werkte zijn plannen uit,
bestudeerde kaarten en gidsen, zei met welbehagen zijn betrekking op; repeteerde zijn
Fransch, droomde van witte steden afstekend tegen blauwe luchten, en zijn eenige
vrees was, dat er nog iets tusschenbeide
zou komen en hij de Kamer niet zou kunnen
ontvluchten.
Maar dat bleek dwaasheid. Een der eerste
dagen van September gaf hij den sleutel van
de kamer aan de hospita en verliet haar
voor altijd.
Vier dagen later was hij in Algiers; vermoeid, maar zeer opgewonden. Hij beschouwde Algiers als een geschikt begin
voor zijn avonturen. Wat er zou gebeuren
als zijn geld op was, liet hem koud. Zijn
plan was een tocht naar de woestijn te
maken, maar daar het land hem absoluut
vreemd was, wist hij niet hoe zijn plan uit
voeren. Gedurende een week logeerde hij
in een rustig hotel en zwierf door de stad.
Na verloop van dien tijd maakte hij
kennis met twee Fransche handelsreizigers,
die met hun auto naar de Oase van Laghouat in het zuiden moesten. Hij sloot zich
bij hen aan en twee dagen fater, kort tegen
zonsondergang, bereikten zij het kleine
hotel, dat even buiten Laghouat was gelegen.
De romantiek der reis had intusschen al
iets van haar glans verloren. Het was een
vermoeiende tocht geweest, hij had last van
de hitte en het stof en het ergste was dat
hij zich, ondanks het gesnater der handelsreizigers, eenzaam begon te voelen. Bovendien had hij dien nacht van de Kamer
gedroomd en begon zich nu af te vragen
of er een plekje op aarde was, waar hij
zich ooit eens thuis zou kunnen voelen.
Toen hij gebaad en zich verkleed had,
ging James een wandeling maken. Hij beklom
een kleine hoogte en gaf, toen hij den top
had bereikt, een kreet van verbazing. Op
den voorgrond zag hij de witte daken van
Laghouat, omzoomd door duizenden dadelpalmen, en daarachter aanschouwde hij in
eindelooze golvingen, gelijk de oceaan, de
woestijn. De zon raakte den horizon, een
schot klonk en op het dak van de minaret
H
|