|
PANORAMA No. 2 4 15 JUNI
OPERA-NOVE l_ L. E N
IV. B)e ^Barbier van ^Bagdad
In folterende minnepijnen
lag Nureddin te verkwijnen,
want hij begeerde Margiana tot vrouw,
terwijl haar pa het niet hebben wou.
Juist toen hij aan een nieuwen zucht wou beginnen
kwam er een hijgende dienstbode binnen
en sprak: „Uw meisje vraagt u op de thee,
vanmiddag, want dan is de baas naar de moskee!"
Nureddin, plotseling uitgekwijnd,
sprong overeind,
en hij vroeg om zijn Zondagsche kaftan
en kleedde zich op een draf an.
„Dienaren," riep hij, „breng den vlugsten barbier
van ons dierbare Bagdad onmiddellijk hier!"
En zie, nog geen dertien minuten later
kwam Abul Hassan Ali Ebn Bekar met kwast en warm water.
„Barbier," zei Nureddin, „je moet me eens kappen
en mijn onstuimigen baard opknappen."
Maar A. H. A. E. B. praatte meer dan hij schoor,
hij zei dat ie helderziend was en ratelde almaar door,
totdat Nureddin, om den stroom te stuiten toen hij er dol van was.
en ook omdat zijn mond wou uiten waar zijn hart zoo vol van was,
zelf ging praten en vertellen.
De gekke barbier scheen veel belang in liefde te stellen,
want hij vischte en vroeg, tot hij alles had vernomen,
óók dat Nureddin 's middags stiekum bij zijn meisje zou komen,
„Ojoei," riep hij uit, „blijf maar liever stil thuis!
Er wacht u slechts kommer in de-kadPz'n-huis!
En wil je met alle geweld aan den vrij gaan,
neem mij dan mee, dan zal ik je bijstaan."
„Je zeurt." — „Heer, ik weet. — „Ik ga toch." — „Ik ga mee."
„Ik heb je niet noodig!" — „Toch doe ik *t." — „Nee,"
riep nijdig Nureddin, en hij floot zijn personeel,
en wees naar den barbier, en zei: „pakt z’n keel,
daar heeft ie geweldige pijn in,
wrijven jullie hem van boven tot onder met azijn in,
elk uur ééns, vijf keer achter elkaar."
De bedienden hadden tegen zoo'n grap geen bezwaar,
ze hielden den barbier vast, één zocht naar azijn,
en Nureddin ging naar z'n engelijn.
* *
¥
De kadi was naar de moskee, en
De gelieven waren alleen met z'n tweeën.
Er werden gesuikerde woorden gesproken
en kussen gewisseld en oogen geloken,
maar opeens werd hun rozengeurstemming gebroken
door gezang, dat Nureddin herkende: ’t was de barbier
die had weten te vluchten, en nu was ie hier,
en meteen kwam er een vervaarlijke gil op hem af,
van een slaaf, die stout was geweest, en zijn straf
van den pas thuisgekomen kadi had ontvangen.
„Owaai," riep de barbier, „daar wordt Nureddin opgehangen!
Help! De brandweer!" Hij stormde de kamer binnen
waar de geliefden elkaar hadden zitten beminnen.
Maar Nureddin zag hij niet,
want Margiana, bevend als een riet
had haar vrijer weggestopt in den koffer
waar haar juweelen in zaten, met behulp van een kamerjoffer.
„Oeioei," kreet de barbier, „heb ik ’t niet voorzegd?
Ze hebben hem gedood, en zijn lijk... in die kist gelegd!"
Hij sprong vooruit, en begon den koffer mee te trekken,
om Nureddin ’n eerlijke begrafenis te verstrekken,
maar juist kwam de kadi en riep: „Hé daar dief,
wat moet jij met den schat van mijn dochtertjelief ?”
Toen riep de barbier verstoord:
„Zwijg stil! Jij hebt haar schat vermoord!"
En hij trok aan de kist als een dolle, en de kadi trok als een wilde,
en ze brulden om ’t hardst, en Margiana gilde,
en alle bedienden kwamen helpen schreeuwen,
en heel Bagdad liep te hoop, en ze vochten als leeuwen.
en als ’t zoo lang aan den gang was gebleven
was er niet één Bagdadder blijven leven.
Maar gelukkig kwam juist de kalif er aan
en die zei: „is ’t nou haast met die malligheid gedaan?"
Nureddin trad uit de kist,
inzoover hij met zijn geradbraakte leden
nog te voorschijn kon treden,
en ieder vertelde al wat hij wist.
Toen sprak de kalif deze wijze woorden:
„Kadi, jij bent ’t die de rust verstoorde:
had jij Nureddin als schoonzoon aangenomen,
dan had ik niet van mijn divan hoeven komen.
Leg dus gauw de handen van de jongelui in mekaar
en zet het bruiloftsmaal voor me klaar.
En jij, A. H. A. E. B., komt aan ’t hof:
voor sprookjes heb je vast altijd stof."
De barbier werd toegejuicht, en ze zongen: „Kijk ’m
lachen! Leve de kalif! Salem aleikum!"
Muziek van Peter Cornelius (1824-1874).
Eerste opvoering 15 December 1858 te Weimar.
19
|