|
PANORAMA No. 24 15 JUNI
In de
Eetkamer
door
W. W. JACOBS
H
et vertrek bevond zich aan den achterkant van het huis op de derde verdieping en deed dienst als eetkamer en
bibliotheek. Een oude huishoudster en een
meid zorgden voor de twee ongetrouwde
compagnons, Trayton Burleigh en James
Fletcher, die het huis tien jaar geleden van
een familielid hadden geërfd.
Trayton Burleigh leunde achterover in
zijn stoel en tuurde naar den rook van zijn
sigaar. Af en toe keek hij het goed gemeubelde vertrek rond, of staarde met een
koude uitdrukking van haat in zijn oogen
naar Fletcher, die zijn pijp rookte. Morgen
zou Trayton Burleigh het huis moeten verlaten, dat voor de helft zijn eigendom was,
en een zwerver op aarde worden. Dat had
James Fletcher gezegd.
„Je hebt er zeker niet aan gedacht, dat
ik je voorwaarden wel eens kon weigeren,”
zei Burleigh plotseling.
„Neen,” zei Fletcher.
Burleigh deed een krachtigen trek aan
zijn sigaar en blies den rook langzaam uit.
„Ik moet dus weggaan en alles voor jou
achterlaten?” vervolgde hij. „Jij zult hier
blijven als de eenige eigenaar van het huis
en van de zaak ? Jij doet jezelf niet te kort,
James Fletcher.”
„Ik ben een eerlijk man,” zei Fletcher;
„als ik genoeg geld bij elkaar heb gebracht
om jouw oplichterijen te herstellen, zal ik
daar heusch niet bij winnen, dat weet je.”
„Je hebt in je groote vriendelijkheid zooveel geregeld,” zei Burleigh, „heb je ook
geregeld hoe ik leven moet?”
„Je hebt twee handen aan je gezonde
gestel,” antwoordde Fletcher. „Ik zal je de
tweehonderd pond geven waar ik je van
gesproken heb. Je kunt ze nu krijgen.”
Hij haalde een leeren portefeuille uit zijn
binnenzak en nam daar een pakje bankbiljetten uit. Burleigh, die hem rustig gadesloeg, stak zijn hand uit en nam ze van de
tafel. Toen kreeg hij plotseling een driftbui,
frommelde ze in elkaar en wierp ze in een
hoek van de kamer. Fletcher rookte door.
„Is juffrouw Marl uit?” vroeg Burleigh
plotseling.
Fletcher knikte.
„Zij blijft vannacht uit en Jane ook,”
zei hij langzaam. „Ze zijn geloof ik naar
een bruiloft, maar ze komen morgenochtend
om half negen terug.”
„Laat me dan nog eenmaal hier ontbijten,”
zei Burleigh. „Half negen, half....”
Hij stond op uit zijn stoel. Fletcher nam
de pijp uit zijn mond en sloeg hem nauwlettend gade. Burleigh bukte zich, raapte de
bankbiljetten op en stak ze in zijn zak.
„Als ik dan weg moet gaan, zal ik jou
niet hier laten,” zei hij moeilijk.
Hij sloot de deur. Daarna nam hij een
klein Japansch zwaard van den muur en
trok het uit de scheede.
„Ik geef je één kans, Fletcher,” zei hij
grimmig. „Je bent een man van je woord.
Beloof me om deze zaak te sussen en alles
bij het oude te laten, en er zal niets gebeuren.”
„Leg dat neer,” zei Fletcher scherp.
„Verdraaid, ik meen wat ik zeg!” riep
de ander.
„En ik meen ook wat ik gezegd heb!”
antwoordde Fletcher.
Hij keek om zich heen om een wapen
te vinden. Toén voelde hij plotseling een
hevige pijn en zag hij Burleigh’s gesloten
vuist, die bijna zijn borst raakte. De hand
trok weg van zijn borst en nog iets anders
ook. Ook Trayton Burleigh ging plotseling
heel ver weg en de kamer werd donker.
Fletcher wilde zijn handen opheffen, maar
viel met een slag op den grond.
Burleigh wierp het wapen op den grond.
Duizelig wankelde hij achteruit naar de
deur, tot het lichaam door de tafel aan
zijn blikken werd onttrokken. Toen kon
hij weer denken.
Hij keek zorgvuldig rond en inspecteerde
zijn kleeren en zijn schoenen. Toen draaide
hij het licht uit.
Hij opende de deur
en bleef boven
aan de trap stil
staan. Het licht
op de gang en
de trap zag er
zoo prozaïsch
en gewoon uit,
dat hij niet kon
gelooven wat
er gebeurd was.
Langzaam ging
hij naar beneden
en deed het licht
uit. Het was
thans boven in
het huis zoo
DE LONDENSCHE
BOBBIES zijn nieuwsgierig naar den uitslag
der groote Derbypaardenrennen van de
vorige week.
donker dat hij in een plotselinge paniek
de trappen afrende naar de verlichte hall,
waar hij zijn hoed van den kapstok nam
en door het voortuintje naar buiten liep.
Het regende en de modderige weg stond
vol plassen. Hij was bij het tuinhek blijven
staan en trachtte moed te verzamelen om
weer naar binnen te gaan. Toen zag hij
een gestalte langzaam den weg afkomen.
Als Fletcher eens niet dood was en zou
gaan schreeuwen?
Hij nam een onverschillige houding
aan, zei goedenavond toen de agent voorbij kwam, en maakte een opmerking over
het weer.
Nog voor het geluid der zich verwijderende voetstappen weggestorven was, draaide
hij zich om en ging het huis weer binnen.
De eerste trap was nog verlicht door de
lamp in de hall. Verder draaide hij geen
lichten aan, liep haastig langs de deur van
de eetkamer en maakte licht op zijn slaapkamer.
Hij had nog acht uur vóór de huishoudster
en de meid terugkwamen. Acht uur en
tweehonderd pond aan bankbiljetten. Hij
deed zijn geldkist open, haalde alles eruit,
liep de kamer door en nam enkele kleine
dingen van waarde mee.
De eerste schrik was nu voorbij; hij was
thans alleen bang om gesnapt te worden.
Hij had vaak gelezen van.. . van misdadigers die tenslotte in handen der politie
vielen, omdat ze een kleinigheid over het
hoofd hadden gezien. Uit een la nam hij
zijn revolver en overtuigde zich dat die
geladen was. In het ergste geval zou het
gauw gebeurd zijn.
Hij stond op en liep zenuwachtig de kamer
op en neer. Het was niet zoo eenvoudig
als hij gedacht had.
De klok op den schoorsteenmantel sloeg
één, onmiddellijk gevolgd door die in de
eetkamer. Hij vroeg zich af of het lichaam
daar op den grond dat ook hoorde. Hij
vroeg zich af.. .
Hij schrok en hield van angst den adem
in. Ergens beneden kraakte een tree. Hij
ging naar de deur, opende die op een
kiertje, zonder naar buiten te kijken, en
luisterde.
Hij was er nu zeker van dat er op de
trap iets bewoog. Hij hoorde de treden
kraken en eenmaal ook de spijlen in de
leuning rammelen. Als Fletcher hem daar
eens in het donker opwachtte...
Hij bedwong zijn vrees en opende de
deur.
In doodsche stilte ging hij langzaam de
donkere trap af. Toen betrok zijn gezicht,
en voelde hij zich weer duizelig worden.
De deur van de eetkamer, die hij zich herinnerde gesloten te hebben, stond open.
Hij hoorde duidelijk een stoel verschuiven.
Hij sloop naar de deur, hopend er voorbij te komen voor men hem daarbinnen
had opgemerkt. Maar een plotselinge ingeving deed hem den deurknop pakken,
de deur Jdichttrekken, den sleutel in het
slot omdraaien en als een gek de trap
afstormen.
Eenvreeselijke schreeuwklonk uitdekamer
en een zware vuist bonsde tegen de deur.
Het huis weergalmde van de slagen. Halverwegen de hall hield Barleigh stil, met zijn
hand op de balustrade, om te luisteren.
Het slaan hield op, en een mannestem
schreeuwde om er hem uit laten.
Ineens begreep Barleigh wat er gebeurd
was en wat dat voor hem kon beteekenen.
Een inbreker was aan den achterkant het
6
|