Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11281 tot 11285 van 11897
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
08
Tekst
PANORAMA No. 24 15 JUNI In de Eetkamer door W. W. JACOBS H et vertrek bevond zich aan den achterkant van het huis op de derde verdieping en deed dienst als eetkamer en bibliotheek. Een oude huishoudster en een meid zorgden voor de twee ongetrouwde compagnons, Trayton Burleigh en James Fletcher, die het huis tien jaar geleden van een familielid hadden geërfd. Trayton Burleigh leunde achterover in zijn stoel en tuurde naar den rook van zijn sigaar. Af en toe keek hij het goed gemeubelde vertrek rond, of staarde met een koude uitdrukking van haat in zijn oogen naar Fletcher, die zijn pijp rookte. Morgen zou Trayton Burleigh het huis moeten verlaten, dat voor de helft zijn eigendom was, en een zwerver op aarde worden. Dat had James Fletcher gezegd. „Je hebt er zeker niet aan gedacht, dat ik je voorwaarden wel eens kon weigeren,” zei Burleigh plotseling. „Neen,” zei Fletcher. Burleigh deed een krachtigen trek aan zijn sigaar en blies den rook langzaam uit. „Ik moet dus weggaan en alles voor jou achterlaten?” vervolgde hij. „Jij zult hier blijven als de eenige eigenaar van het huis en van de zaak ? Jij doet jezelf niet te kort, James Fletcher.” „Ik ben een eerlijk man,” zei Fletcher; „als ik genoeg geld bij elkaar heb gebracht om jouw oplichterijen te herstellen, zal ik daar heusch niet bij winnen, dat weet je.” „Je hebt in je groote vriendelijkheid zooveel geregeld,” zei Burleigh, „heb je ook geregeld hoe ik leven moet?” „Je hebt twee handen aan je gezonde gestel,” antwoordde Fletcher. „Ik zal je de tweehonderd pond geven waar ik je van gesproken heb. Je kunt ze nu krijgen.” Hij haalde een leeren portefeuille uit zijn binnenzak en nam daar een pakje bankbiljetten uit. Burleigh, die hem rustig gadesloeg, stak zijn hand uit en nam ze van de tafel. Toen kreeg hij plotseling een driftbui, frommelde ze in elkaar en wierp ze in een hoek van de kamer. Fletcher rookte door. „Is juffrouw Marl uit?” vroeg Burleigh plotseling. Fletcher knikte. „Zij blijft vannacht uit en Jane ook,” zei hij langzaam. „Ze zijn geloof ik naar een bruiloft, maar ze komen morgenochtend om half negen terug.” „Laat me dan nog eenmaal hier ontbijten,” zei Burleigh. „Half negen, half....” Hij stond op uit zijn stoel. Fletcher nam de pijp uit zijn mond en sloeg hem nauwlettend gade. Burleigh bukte zich, raapte de bankbiljetten op en stak ze in zijn zak. „Als ik dan weg moet gaan, zal ik jou niet hier laten,” zei hij moeilijk. Hij sloot de deur. Daarna nam hij een klein Japansch zwaard van den muur en trok het uit de scheede. „Ik geef je één kans, Fletcher,” zei hij grimmig. „Je bent een man van je woord. Beloof me om deze zaak te sussen en alles bij het oude te laten, en er zal niets gebeuren.” „Leg dat neer,” zei Fletcher scherp. „Verdraaid, ik meen wat ik zeg!” riep de ander. „En ik meen ook wat ik gezegd heb!” antwoordde Fletcher. Hij keek om zich heen om een wapen te vinden. Toén voelde hij plotseling een hevige pijn en zag hij Burleigh’s gesloten vuist, die bijna zijn borst raakte. De hand trok weg van zijn borst en nog iets anders ook. Ook Trayton Burleigh ging plotseling heel ver weg en de kamer werd donker. Fletcher wilde zijn handen opheffen, maar viel met een slag op den grond. Burleigh wierp het wapen op den grond. Duizelig wankelde hij achteruit naar de deur, tot het lichaam door de tafel aan zijn blikken werd onttrokken. Toen kon hij weer denken. Hij keek zorgvuldig rond en inspecteerde zijn kleeren en zijn schoenen. Toen draaide hij het licht uit. Hij opende de deur en bleef boven aan de trap stil staan. Het licht op de gang en de trap zag er zoo prozaïsch en gewoon uit, dat hij niet kon gelooven wat er gebeurd was. Langzaam ging hij naar beneden en deed het licht uit. Het was thans boven in het huis zoo DE LONDENSCHE BOBBIES zijn nieuwsgierig naar den uitslag der groote Derbypaardenrennen van de vorige week. donker dat hij in een plotselinge paniek de trappen afrende naar de verlichte hall, waar hij zijn hoed van den kapstok nam en door het voortuintje naar buiten liep. Het regende en de modderige weg stond vol plassen. Hij was bij het tuinhek blijven staan en trachtte moed te verzamelen om weer naar binnen te gaan. Toen zag hij een gestalte langzaam den weg afkomen. Als Fletcher eens niet dood was en zou gaan schreeuwen? Hij nam een onverschillige houding aan, zei goedenavond toen de agent voorbij kwam, en maakte een opmerking over het weer. Nog voor het geluid der zich verwijderende voetstappen weggestorven was, draaide hij zich om en ging het huis weer binnen. De eerste trap was nog verlicht door de lamp in de hall. Verder draaide hij geen lichten aan, liep haastig langs de deur van de eetkamer en maakte licht op zijn slaapkamer. Hij had nog acht uur vóór de huishoudster en de meid terugkwamen. Acht uur en tweehonderd pond aan bankbiljetten. Hij deed zijn geldkist open, haalde alles eruit, liep de kamer door en nam enkele kleine dingen van waarde mee. De eerste schrik was nu voorbij; hij was thans alleen bang om gesnapt te worden. Hij had vaak gelezen van.. . van misdadigers die tenslotte in handen der politie vielen, omdat ze een kleinigheid over het hoofd hadden gezien. Uit een la nam hij zijn revolver en overtuigde zich dat die geladen was. In het ergste geval zou het gauw gebeurd zijn. Hij stond op en liep zenuwachtig de kamer op en neer. Het was niet zoo eenvoudig als hij gedacht had. De klok op den schoorsteenmantel sloeg één, onmiddellijk gevolgd door die in de eetkamer. Hij vroeg zich af of het lichaam daar op den grond dat ook hoorde. Hij vroeg zich af.. . Hij schrok en hield van angst den adem in. Ergens beneden kraakte een tree. Hij ging naar de deur, opende die op een kiertje, zonder naar buiten te kijken, en luisterde. Hij was er nu zeker van dat er op de trap iets bewoog. Hij hoorde de treden kraken en eenmaal ook de spijlen in de leuning rammelen. Als Fletcher hem daar eens in het donker opwachtte... Hij bedwong zijn vrees en opende de deur. In doodsche stilte ging hij langzaam de donkere trap af. Toen betrok zijn gezicht, en voelde hij zich weer duizelig worden. De deur van de eetkamer, die hij zich herinnerde gesloten te hebben, stond open. Hij hoorde duidelijk een stoel verschuiven. Hij sloop naar de deur, hopend er voorbij te komen voor men hem daarbinnen had opgemerkt. Maar een plotselinge ingeving deed hem den deurknop pakken, de deur Jdichttrekken, den sleutel in het slot omdraaien en als een gek de trap afstormen. Eenvreeselijke schreeuwklonk uitdekamer en een zware vuist bonsde tegen de deur. Het huis weergalmde van de slagen. Halverwegen de hall hield Barleigh stil, met zijn hand op de balustrade, om te luisteren. Het slaan hield op, en een mannestem schreeuwde om er hem uit laten. Ineens begreep Barleigh wat er gebeurd was en wat dat voor hem kon beteekenen. Een inbreker was aan den achterkant het 6
PDF
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
09
Tekst
Irt plaats van vinger(poot)afdrukken, worden tegenwoordig neusafdrukken genomen ter registreering van honden. huis binnengedrongen toen hij in den tuin was. Nu hoefde hij niet weg te gaan. De gek daarboven had hem gered. Hij draaide zich om en holde de trap op. „Wie is daar?’* riep hij luid. „Laat me er uit!’" gilde een opgewonden stem. „Doe die deur open! Er is hier iets gebeurd." „Blijf maar waar je bent!" schreeuwde Burleigh. „Als je er uit komt, schiet ik je neer!" Het eenige antwoord was een daverende slag tegen het slot van de deur. Burleigh nam zijn revolver en schoot op borsthoogte door het paneel. Op den knal van het schot volgde een onwezenlijke stilte en toen het geluid van een raam dat haastig geopend werd. Burleigh haastte zich de trap af, wierp de buitendeur open en schreeuwde luid om hulp. Een inspecteur en een agent waren toevallig in de buurt. Zij kwamen op het huis toerennen. Onsamenhangend sprekend, holde Burleigh achter hen aan de trappen weer op. De gevangene was nog in de eetkamer en trachtte nog steeds het slot te forceeren. De inspecteur nam een aanloop en rammeide de deur open. Gevolgd door den agent ging hij de kamer in, die slechts door twee strepen licht uit de lantaarns aan hun gordel werd beschenen. Een man stond achter de deur en trachtte te ontsnappen; het volgend oogenblik waren de drie mannen handgemeen. Burleigh stond in den deurpost toe te kijken en prepareerde zich op de scène die volgen moest. Men hoorde alleen het worstelen der mannen en het hijgen van den inbreker. Er viel een helm af. Daarop een gekreun en een klinkend geluid. Een lange gestalte stond op; de andere hield den man op den grond nog vast. De inspecteur tastte naar den schakelaar en draaide het licht in de kamer aan. Burleigh keek naar den half bewusteloozen man op den vloer — een korte, dikke kerel, met een vuil gezicht en een zwarte snor. Zijn lip bloedde. Tersluiks keek Burleigh naar de tafel. Het kleed was er afgegleden naar den kant waar Fletcherlag. „Warm werk, mijnheer/* zei de inspecteur, met een glimlachje. „Gelukkig dat we in de buurt waren.” De gevangene hief het hoofd op en keek met een uitdrukking van afgrijzen in zijn oogen rond. „Ik geef me gewonnen/* zei hij tegen den agent. „Maar ik was nog geen tien minuten in het huis.” De inspecteur keek hem eenigszins verbaasd aan. „Dat doet er niet toe/* zei hij langzaam: „tien minuten of tien seconden maakt heelemaal geen verschil.” De man rilde en begon te jammeren. „Het lag hier toen ik kwam,” zei hij; „schrijft u dat op, inspecteur. Het is de waarheid. Ik was er net en het lag er al. Ik probeerde weg te komen, maar de deur was gesloten/’ „Wat was er al?” vroeg de inspecteur. „Dat,” zei hij wanhopig. De inspecteur volgde den blik der angstige, donkere oogen en hurkte bij de tafel neer. Toen trok hij, met een kreet PANORAMA No. 24 15 JUNI van verbazing het tafelkleed weg. Met een gil van afgrijzen wankelde Burleigh achteruit tegen den muur. „Kalm maar, mijnheer,” zei de inspecteur, hem opvangend. „Kijkt u maar een anderen kant uit.” Hij duwde hem in een stoel, liep naar het buffet en schonk hem een glas whisky in. De inspecteur wachtte geduldig. „Wie is het mijnheer?” vroeg hij eindelijk. „Mijn vriend Fletcher,” bracht Burleigh er met moeite uit. „Wij woonden hier samen.” Hij wendde zich tot den gevangene: „Vervloekte schurk!” „Hij was dood toen ik in de kamer kwam,” hield de inbreker vol. „Hij lag daar dood op den grond, en zoodra ik hem gezien had, probeerde ik weg te komen. Het is de waarachtige waarheid. U heeft me hooren roepen, mijnheer. Ik zou toch niet geroepen hebben als ik hem vermoord had.” „Het is goed,” bromde de inspecteur; „zwijg maar.” De inspecteur knielde neer en richtte het hoofd van den doode op. „Ik heb er niets mee te maken gehad,” herhaalde de geboeide man. „Ik was nog geen tien minuten in huis. Noteert u dat inspecteur.” De inspecteur raapte het Japansche zwaard op en hield het hem voor. „Datheb ik nooit gezien,’ ’ zei degevangene. „Dat hing hier aan den muur,” zei Burleigh. „Hij moet het er afgehaald hebben. Het hing er nog toen ik hier vanavond met Fletcher zat.” De man op den grond draaide zijn hoofd om en keek hem onderzoekend aan. „Jij hebt het gedaan!” riep hij toen woest. „Jij hebt het gedaan en je wilt er mij voor laten opdraaien." „Nu is het genoeg,” zei de agent verontwaardigd. De inspecteur legde het hoofd van den verslagene weer voorzichtig op den vloer en ging naar Burleigh. „Voelt u zich al wat beter, mijnheer?” vroeg hij daarna aan Burleigh. De ander knikte flauwtjes. „Dat hebt u niet meer noodig,” zei de inspecteur. Hij wees op de revolver, die de ander nog altijd in de hand hield, nam hem die voorzichtig af en stak hem in zijn zak. „U hebt uw pols bezeerd, mijnheer,” merkte hij toen op. Burleigh hief eerst de eene hand op en toen de andere. „Dezen meen ik,” zei de inspecteur. „Ik zag het zoo juist.” Hij nam de polsen van den ander en hield die plotseling in ijzeren greep vast. Snel haalde hij iets uit zijn zak — iets dat hard en koud was en zich om Burleigh’s polsen sloot. „Zoo,” zei de inspecteur; „kalm blijven.” De agent draaide zich verbaasd om; Burleigh sprong woedend op hem af. „Doe die dingen af!” hijgde hij. „Zijn jullie gek geworden? Doe ze af!” „Later,” zei de inspecteur. „Doe ze af!” herhaalde Burleigh. Als eenig antwoord pakte de inspecteur hem stevig beet, keek hem scherp in het bleeke gelaat en bracht hem naar het andere eind van de kamer, waar hij hem in een stoel duwde. „Collins,” riep hij toen. „Inspecteur?” zei de verbaasde agent. „Loop zoo hard als je kunt naar den dokter op den hoek!” zei de ander. „Die man is niet dood!” Toen de agent de kamer uitging, nam de inspecteur een glas met whisky, knielde naast Fletcher neer en probeerde hem den drank in zijn mond te gieten. Burleigh in zijn stoel keek als verdoofd toe. Hij zag den agent terugkeeren met den ademloozen dokter, zag de drie mannen zich over Fletcher buigen, zag de oogen van zijn slachtoffer open gaan en de lippen bewegen. Hij zag den inspecteur enkele aanteekeningen maken in een boekje, zag dat iedereen hem scherp opnam. De inspecteur kwam op hem af en en legde een hand op zijn schouder. Gehoorzaam stond hij op en ging mee naar buiten. 7
PDF
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
10
Tekst
PANORAMA N o. 2 4 - 1 5 J U N I in the dark.’’ In het Amerikaansch heet de film The mysterious Lady, welke naam in het Hollandsch veranderd werd in De Tania en de Oostenrijksche officier Karl (Conrad Nagel) die, ondanks haar liefde, door haar in het ongeluk gestort wordt. D e nieuwste productie van de Metro Goldwyn Mayer is een Greta Garbofilm, een dramatisch werk gemaakt naar den roman van Ludwig Wolft: „The War Spionne. Het gegeven behandelt de geschiedenis van een vrouw, die in spionnage-dienst den man moet berooven, op wien zij zwaar verliefd is geworden. Het is een film, die zeer veel vergt van het speeltalent van de ster Greta Garbo. De groote actrice onder bijzonder effectvolle opname. 8
PDF
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
11
Tekst
PANORAMA No. 2 4 15 JUNI DERTIEN EEUWEN Hendrik van Vianden, bisschop van Utrecht (13e eeuw) begroet Cleopatra van Egypte (le eeuw vóór Christus) bij een repetitie van het Regentesse-spel in het Amsterdamsche Stadion, Dr, F, M, WIBAUT, oud-wethouder van Amsterdam en lid van de Eerste Kamer, hoopt 23 Juni a. s, den zeventigjarigen leeftijd te bereiken. TIJDENS DE FEESTEN der Weensche Festspielwoche werd o.a. een optocht gehouden, waarin door deze vroolijke Weensche meisjes de kartonnage-industrie werd voorgesteld. DE FAUTEUIL, waarin Owen Young de bijeenkomsten der Deskundigen voor de Herstelbetalingen heeft gepresideerd, is hem als blijvend aandenken aangeboden en is van Parijs naar New- York verzonden. 9
PDF
Nummer
1929, nr. 24, 15 juni 1929
Blad
12
Tekst
PANORAMA No. 24 15 JUNI REGO PRO REGE. Aleidis van Avennes, eerste Nederlandsche regentes, en de jonge Floris V (links) brengen hun hulde aan de Nederlandsche Maagd, die omgeven is door Cultuur, Wetenschap. Kunst, Handel, Scheepvaart. Nijverheid, Landbouw, Oost en West. Rego pro Rege M eer dan 4500 medewerkenden, 750 zangeressen en zangers, drie muziekcorpsen — en bijna evenveel toeschouwers als het Olympisch Stadion te Amsterdam kan bevatten. Al deze duizenden kijkers, waaronder de Koninklijke Familie en vele autoriteiten en hoogwaardigheidsbekleeders, hebben twee en een half uur gezien en geluisterd, zonder dat het vermoeiend werd en zonder dat oogen of ooren veel misten; dat is niet het geringste succes van het Regentesse-spel Rego pro rege (ik regeer in plaats van den koning), ontworpen en geregisseerd door Frank Luns. De regie moest hier wel een straffe leiding zijn; de regisseur moest tevens de massa-regie wél verstaan. Frank Luns heeft getoond, dat hij de vele en zeer bijzondere moeilijkheden van dit massa-spel in de uitgestrekte openlucht-spelplaats heeft begrepen en.... weten te overwinnen. Door de vondst van de decoratieve muren aan beide zijden van het veld, waar tevens de instrumentale en vocale medewerkers een goede plaats vonden, was een goede oplossing verkregen voor het vraagstuk van het opkomen en afgaan der spelenden. Het publiek heeft geen hapering gezien, terwijl het concentratie-punt van het spel, het podium in het midden van het veld, voor allen zichtbaar was. De algemeene gedachte van het Regentessespel mag een gelukkige genoemd worden: eerst wordt de eerste Nederlandsche regentes, Aleidis van Avennes, regeerend voor den minderjarigen Floris V (1260), geëerd door edelen, burgers en gilden, waarna onder begroeting van muziek, gezang en geschut de Nederlandsche Maagd, omgeven door Cultuur, Handel, Nijverheid enz. verschijnt. Aan haar en de eerste Nederlandsche regentes wordt dan hulde gebracht door de vrouwen, die in den loop der eeuwen -het regentschap hebben waargenomen: Cleopatra in Egypte, Gallia Placidia in Rome, Blanche van Castilië in Frankrijk, Maria de Guise in Schotland, Sophia Romanoff in Rusland, enz. Wanneer honderden vorsten, edelen, soldaten, burgers, een speciale Amsterdamsche stoet en meer dan twee duizend kinderen en danseresjes, hun hulde aan de Nederlandsche Maagd vereenigen in een grootsche apotheose, brengt deze alle hulde over aan H. M. Koningin Emma, de laatste regentes van Nederland. Haar ter eere dondert het geschut, schalt het Alleluja, groeten vorsten en edelen en juichen de kinderen. Het groote veld met den rijkdom van kleuren der vorstelijke gewaden en de witte kinderen met de honderden oranjevlaggetjes was toen een schoon gezicht, een mooier schouwspel dan een Stadion met voetballers of wielrenners. Het Regentessespel was een groote en grootsche hulde aan de Regentesse Koningin Emma, en het was een gelukkige oplossing voor het vraagstuk, waarvoor iedere goede oplossing welkom is: veredeling van het Volksvermaak. 10
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11281 tot 11285 van 11897