Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11226 tot 11230 van 11897
Nummer
1929, nr. 22, 1 juni 1929
Blad
05
Tekst
No. 22 1 JUNI GOSLAR. Het huis Brusttuch. PANORAMA GOSLAR. Oude huizen (zie artikel van dr. v. Balen) Behalve de publieke gebouwen, verteonden ook de particuliere wroningen dezen burgertrots; de allereerste stadswoningen van belang lijken nog wat op kasteeltjes, met tinnen en bastionnetjes. maar langzamerhand ontwikkelt zich een bourgeois-bouwkunst die eigen vorm zoekt. Nóch de kerkelijke, nóch de feudale stijl bevallen den burger: hij wil een woning, die hij voor zijn eigen doeleinden gebruiken kan, en die tevens getuige moet zijn van zijn stand. Zoo vinden wij in Vlaanderen en Holland de trapgeveltjes, waarvan elk schijnt te willen zeggen: ik ben zelf iemand! Alles, steentje voor steentje, uit den inheemschen baksteen opgetrokken, met alleen de ornamenten van geïmporteerden zandsteen. Die baksteenkunst vindt men van de Fransche kust tot aan de Oostzee toe, een onderwerp voor een boek op zichzelf. Maar in de bergstreek ziet men natuurlijk den natuursteen als bouwstof bij uitnemendheid. De Saksers hebben daar hun eigen systeem op gevonden : een geraamte van balken, en daartusschen brokken bergsteen. Wat kalk tusschen de spleten (want van voegen mag men nauwelijks spreken), en daarna de steenen vlakken gewit en de balken donker geverfd. Een levendig gebouw van hout en steen staat voor ons. De arme boer laat het er zoo bij. De stedeling echter wenscht iets mooiers: een handwerksman uit de streek zelf, of liefst uit Zuid-Duitschland, zal de balken fraai bewerken. Hij maakt er gebeeldhouwde consoles van, of snijdt er heele tafereelen in uit, die op het beroep van den burger betrekking hebben. De een wil het nog mooier doen dan de ander, en de eene burger heeft er nog meer voor over óók dan de ander. Zoo zijn de talrijke kleine stadjes tot hun waarlijk opmerkelijke schoonheid gekomen, die men in plaatsjes van deze grootte alleen maar vindt voor zoover ze uit de latere middeleeuwen of uit den renaissancetijd afkomstig zijn. Tegenwoordig is een nieuwe stad van die grootte gewoonlijk van alle karakter of schoonheid ontbloot: een verzameling van banale en vervelende bouwsels, zonder stijl, zonder burgerzin of kunstliefde. Op z’n best bootst men iets uit dien ouden tijd na.... De Harz-stadjes zijn van dezen burgerzin op bescheiden schaal een goed voorbeeld. Er zijn groote en kleine bij, en nu is het opmerkelijke, dat de kleinere volstrekt niet de minst belangrijke zijn. Naast Hildesheim, Halberstadt en Brunswijk (die ik de grootere noem) mogen Goslar, Wernigerode en Quedlinburg genoemd worden. Zelfs heeft het ontbreken der noodzakelijkheid om uit te breiden en op te ruimen, aan deze kleinere plaatsjes een veel grootere ongereptheid gelaten, die tegenwoordig als een kostbare erfenis uit het verleden beschouwd en angstvallig bewaakt wordt. 3
PDF
Nummer
1929, nr. 22, 1 juni 1929
Blad
06
Tekst
PANORAMA No. 22 1 JUNI DE A.S. KAMERVERKIEZINGEN De heer H. v.d. Horst te Vijfhuizen, die candidaat voor de Tweede Kamer is gesteld voor de Anti Stemdwang partij. INDISCHE WERELDVLIEGERS. Mr. Kabali. een Hindoesche student, ontvangt een krans van zijn landgenoote, die op het vliegveld van Crogdon zijn vliegmachine, waarmede hij naar Britsch Indië wil vliegen, doopte. BURGEMEESTER PATIJN van 's Gravenhage als schutter, ter opening van de nationale schietwedstrijden op de revolver, welke de Haagsche Politie Sportvereeniging organiseerde bij haar 10-jarig bestaan. DE TWEEDE INTERNATIONALE Juweliersconferentie werd in „De Twee Steden ’ te ’s Gravenhage gehouden onder leiding van de heeren W. van Rossum du Chattel (Ned.), C. Dodd (Engeland, v. l. n. r.) en C. J. A. Begeer (Ned., rechts naast dame.) 4
PDF
Nummer
1929, nr. 22, 1 juni 1929
Blad
07
Tekst
PANORAMA No. 2 2 1 J U N I DE VLOOT der Vereenigde Staten houdt groote manoeuvres in den Stille Oceaan bij de kust van Californie, waarbij het geschut, zooals op deze foto blijkt, in groot formaat werkte. n.l. van den EEN FRANS HALS, 't portret van Judith Leyster, is op een verkooping in de Ehrich-galerij te New-York door een kunsthandelaar uit Washington gekocht voor f 750.000. LINDBERGH wordt reeds als zoo’n groote held beschouwd,datzijn beeltenis in een gebrandschilderd venster van de Methodistenkerk te Springfield (Ver, St.) is geplaatst. Onderhem ’n voorstelling van 'n conferentie tusschen Stresemann, Briand en Kellog. DE DELI PLANTERS VEREENIGING heeft haar vijftigjarig bestaan gevierd, — Hiernaast het bestuur der vereenigingvoor’tstandbeeld van Cremer. 5
PDF
Nummer
1929, nr. 22, 1 juni 1929
Blad
08
Tekst
P A N O R A M A No. 2 2 1 J U N I 'De £mc/, Je föewa^e* e/t Je u/£e D ear Gabble, Vanavond vertrek ik uit Londen en over een maand kom ik terug. Of juister gezegd : ik verdwijn voor een maand uit ons wereldje. Ik veronderstel dat ’t eenige sensatie zal geven en dat je weer iets te babbelen zult hebben. Je kunt ervan denken, wat je wilt, dat ik genoeg heb van het society-leven, dat ik 'n landhuisje gehuurd heb, waar ik rustig een studie over Willem den Veroveraar kan schrijven, of weet ik wat. Je hoeft niet ongerust te zijn; ik zal me heel goed amuseeren, en na een maand zul je me gelukkig en gezond terugzien. Daag! Hugh. De oudste zuster van Lord Normanstowe was niet zeer verbaasd over dit briefje. Het was niet de eerste excentrieke inval van haar broer, die in dit opzicht een zeer bijzondere reputatie had. Zij was alleen razend nieuwsgierig en nijdig, omdat hij haar niet geschreven had waarheen hij ging en wat hij van plan was. Lord Normanstowe had het epistel den vorigen avond in zijn club geschreven, nadat hij een minuut te voren ’n stuk had geteekend, waarin hij verklaarde voor een maand uit Londen te verdwijnen, spoorloos te verdwijnen; mocht hij tusschentijds ontdekt worden, dan zou hij aan Sir Charles Wrigge tienduizend pond betalen. Dezelfde som zou hij echter ontvangen, indien het hem gelukte een maand lang uit Londen te verdwijnen, d.w.z. in Londen te blijven, zonder dat iemand hem zou opsporen. „Je mag heel Scotland Yard mobiliseeren, advertenties plaatsen, particuliere detectives laten speuren, belooningen uitloven, je mag alles doen — en ik wed dat ik desondanks onvindbaar zal zijn. Ik vertrek vanavond, en vanaf morgen 12 uur mogen de nasporingen beginnen.” De weddenschap was aangenomen en Lord Normanstowe begon enkele uren later aan de uitwerking van zijn plan. Hij liet een taxi roepen en reed naar huis. Daar kleedde hij zich in een oud tweed pak van 'n onbestemde kleur; hoed, das en schoenen waren van een even vage kwaliteit. Hij stak eenig kopergeld in zijn vestzak, scheerde zijn snor af en verliet zijn huis door de deur van de dienstboden en de leveranciers. Op straat ontmoette hij verschillende vrienden, maar niemand herkende hem. Bij een kapperswinkel bekeek hij zichzelf in een spiegel van de etalage en knikte vergenoegd tegen zijn eigen beeld. Het was geen wonder, dat hij niet herkend was. Hij zag eruit als een bediende van een kruidenier, of man, die de gasmeters komt controleeren, of een huisknecht, die naar de bioscoop gaat — iemand, die waarschijnlijk Smith of Robinson heette. Tevreden en welgemoed reed hij in een autobus naar een stille arbeiderswijk. Uit een plantsoentje nam hij enkele flinke keisteenen ; slenterend liep hij door de straten, tot hij een politiebureau ontdekte. Voor het raam van de wachtkamer zag hij een agent zitten; de deur was open, en in de gang stond een brigadier. Lord Normanstowe nam een steen, mikte lang en slingerde den steen door het venster van de wachtkamer. Onmiddellijk schoot de DOOR J. S. FLETCHER brigadier naar buiten, maar de dader had zich reeds lang verborgen in een portiek. Een minuut later kletterde de tweede steen door een ruit, en de derde volgde spoedig; maar nu had de brigadier den schuldige ontdekt. Lord Normanstowe — het was nu John Smith — vluchtte, maar juist in de armen van een agent, die uit de andere richting naderde. Smith had hem wel gezien en kon, als het moest, gemakkelijk ontkomen; dat strookte echter niet met zijn plannen. Zoo maakte Smith vöor het eerst in zijn leven kennis met de handen van politieagenten en de wachtkamer van een politiebureau. Hij vond dat de handen niet overmatig zachtzinnig te werk gingen, en de kamer ietwat gezelliger gemeubeld kon zijn. Ook moest hij zichzelf eraan herinneren dat hij John Smith was en niet Lord Normanstowe, toen een inspecteur hem op een eenigszins andere manier aansprak dar de kellner in Normanstowe’s club. „Waarom heb je drie ruiten van het bureau vernield?” vroeg de inspecteur. „Och, zoo maar.” zei de arrestant. „Zoo maar? Wat zoo maar?’ „Ja, zoo maar.” „Naam en adres?” „Ik laat het aan u over om dat uit te vinden. Ik spreek uit principe zoo weinig mogelijk met de politie. De inspecteur keek hem aan, haalde zijn schouders op en beval den brigadier, met ’n gezicht van „Hij zal wel spraakzamer worden,” den arrestant naar cel 4 te brengen. De brigadier voerde het bevel terstond uit en weldra werd de deur van cel 4 gesloten achter Lord Normanstowe. eigenaar van een der weelderigste buitenplaatsen in EnMODERNENONSENS. Een Amerikaan, die waarschijnlijk geen kans ziet op een andere manier bekend te worden, heeft zich een „bol des doods" laten maken, waarin hij op zijn motor rondtoert met een snelheidvan 45mijlper uur. geland, een groot huis in de city, uitgestrekte jachtvelden in de Hooglanden en een stal met renpaarden, die velen hem benijdden. Toen hij voor den politierechter verscheen, wilde hij evenmin zijn naam en adres opgeven, en hij bekende gulhartig dat hij de ruiten had vernield, en op de vraag waarom hij het had gedaan, antwoordde hij weer: „Och, zoo maar.” „Wat is dat zoo maar?” vroeg de politierechter. „Wat dat is?” De beklaagde keek den magistraat trouwhartig en peinzend aan „Wat dat is7 Ik denk dat ik het grappig vond om ruiten te hooren rinkelen. En ik deed het ook om te protesteeren.” „Profest ? Waartegen ?’ „Tegen de regeering en zoo,” begon Smith. „Ziet u, ik ben van meening ....” De politierechter voorkwam een debat en gaf het woord aan den officier. Smith moest een flinke boete betalen en de schade van de gebroken ruiten. „Of vier weken gevangenisstraf,” zei de rechter. „Zeer verplicht,” antwoordde de beklaagde. „Ik bezit niet meer dan twee shilling. Kan ik misschien onbepaald crediet krijgen?” De politierechter schreef iets op een gewichtig uitziend folio-papier en Smith werd naar den gevangenisauto gebracht. Een half uur later zat hij in zijn cel; hij installeerde zich zoo behaaglijk mogelijk op de houten bank en begon in het beste humeur wat 6
PDF
Nummer
1929, nr. 22, 1 juni 1929
Blad
09
Tekst
hij zijn rustkuur noemde. Het was stellig zeer rustig in de cel, maar gerust was Smith niet. Hij piekerde over den bewaker, die hem naar de gevangenis had geleid «en hem in zijn cel had gesloten. „Ik ken dien man,” dacht hij, „en als ik hem ken, is er ook kans dat hij mij kent.” Dat beteekende groot gevaar, dat alles aan het licht zou komen en hij zijn weddenschap van tienduizend pond zou verliezen. Evenwel, de bewaker gaf hem zijn eten, bracht hem naar de binnenplaats en de kamer van den directeur, zonder .dat hij blijk gaf den gevangene te kennen. Smith was weer gerust; het zou ook vrijwel onmogelijk zijn hem te herkennen. Maar den vierden dag kwam de bewaker op een ongewoon uur in zijn cel. Smith keek vragend op van de gonjezakken, welke hij moest herstellen en voelde zijn vrees weer opkomen. Want de bewaker deed zeer onbewaker-achtig. „Vraag excuus, mylord, ik wou... eh...” Smith keek hem woedend aan, waardoor de man nog zenuwachtiger werd. „Vraag excuus,” begon hij weer aarzelend, terwijl hij den gevangene een krantenknipsel toereikte. „Ik ben geen lord,” zei hij nijdig. „Ik ben John Smith.” „Vraag excuus, mylord, maar ... dat lidteeken achter uw oor. U zult het zich herinneren — enkele jaren geleden... wij hebben samen aan het front gelegen. .. u werd licht gewond door een granaatscherf. Ik herkende u, zoodra ik u zag — vraag excuus, mylord, maar...” „Je vindt het vreemd mij hier terug te zien, hé?” vulde Smith aan. „Ja kerel, het leven is wisselvallig, niet. Een driftige bui, vechten...” „Ik begrijp alles, mylord,” zei de bewaker. „Maar u hebt niet gevochten, mylord.” Hij wees op het krantenknipsel. Smith greep het nu. Zijn verdwijning had geweldige sensatie gewekt, las hij; politie en particuliere detectives zochten het heele land af, en er was een belooning van vijfduizend pond uitgeloofd voor hem, die Lord Normanstowe levend of dood vond. Hij zag in dat hij voor den bewaker niet meer kon veinzen en besloot open kaart te spelen, om zijn weddenschap te redden. „Je begrijpt me wel...” „Copper, mylord. Ik was soldaat in uw compagnie.” „Je begrijpt wel Copper, dat het om een weddenschap gaat. Ik heb gewed, dat ik een maand spoorloos zal verdwijnen en ik wil winnen. Ik moet winnen. Je wilt me helpen, Copper?” „Heel graag, mylord. Tot uw dienst. Maar., vraag excuus mylord... vijfduizend pond is veel.” „Begrepen.” antwoordde Smith; „heb je mij indertijd niet verteld, dat je naar ZuidAfrika wilde gaan, dat je er stellig rijk zou worden, maar dat je geen geld had voor de reis en zoo ?” „Juist mylord; een klein kapitaaltje — en over tien jaar ben ik rijk. En... vraag excuus mylord...” „Nog meer bijzondere verlangens.Copper?” informeerde Smith. „Vraag excuus mylord; ik heb er altijd naar verlangd, om eens heelemaal en echt het leven der groote wereld mee te maken, diners, bals, en zoo.” „In orde Copper. Zoo gauw ik weer Lord Normanstowe ben, krijg je vijfduizend CONSTANCE TALMADGE is ook in dit opzicht een goede filmster, dat zij nu en dan van echtgenoot verwisselt, thans voor den derden keer. Zij heeft de gelegenheid natuurlijk tevens benut voor reclame - doeleinden. PANORAMA No. 2 2 1 JUNI pond en ben je twee weken mijn gast — Copperthwaite, een van mijn beste vrienden, begrepen ?” De bewaker ging, en Smith dacht, zakken repareerend, na, hoeveel menschen er zouden zijn, die vijfduizend pond betaalden, om vier weken in de gevangenis door te brengen. De terugkeer van Lord Normanstowe, even plotseling en even onverklaarbaar als zijn verdwijning, bracht nog meer sensatie dan zijn onverklaarbaar vertrek uit de society. Hij was voor het eerst weer geconstateerd in zijn club, waar de ingewijden hem vol spanning wachtten, en Sir Charles Wrigge hem een cheque voor tienduizend pond gaf. De president van de club hield een speech en noemde lord Normanstowe PhileasFogg denTweede.Natuurlijk vroegen allen nieuwsgierig hoe het hem gelukt was een maand lang onzichtbaar te blijven, midden in Londen. Hij vertelde daarover echter niets. Niemand was nieuwsgieriger dan zijn zuster Gabble, maar ook zij hoorde niet meer dan: „Ik ben in Londen gebleven.” Overal waar Normanstowe na zijn terugkeer verscheen, was hij in gezelschap van een jongeman, iemand met beschaafde en bescheiden manieren, dien hij voorstelde als zijn vriend Copperthwaite. De jongeman werd overal graag ontvangen; meermalen, ’s avonds thuis of in een taxi, sloeg Normanstowe zijn ex-bewaker op den schouder en lachte: „Kerel, ik heb nooit zoo’n pret gehad. Is het geen prachtig avontuur ?” Dan lachte Copper bescheiden terug en antwoordde: „Het is heel prettig mylord. Ik amuseer me buitengewoon.” Maar hóé goed Copper zich amuseerde, wist Normanstowe niet. Dat leerde hij, toen hij op een morgen door de telefoon gestoord werd in de interessante bezigheid, om na te rekenen, hoeveel zijn renpaarden hem dat jaar hadden gekost. Het was zijn zuster Gabble. „Hallo, Hugh. Morgen. En vertel me eens gauw wie die Copperthwaite is.” „Copperthwaite? ’n Vriend, een beste vriend. Samen gevochten aan de Yzer.” „Je hebt meer vrienden aan de Yzer gehad. Ik bedoel, wat is het voor iemand? Is het een gentleman?” „Dat kun je zelf beoordeelen.” „Hm, ja, je hebt gelijk. En hij is bescheiden ook. Jonge mannen mochten allen zoo bescheiden zijn. Maar.... ik bedoel... . weet je, ik maak me ongerust over Alma Stuvesant. Zij ontmoeten elkaar iederen dag.” „Alma Stuvesant? Die schatrijke Ameridaansche erfgename! Vijf millioen, hè? — Ik zal probeeren zekerheid te krijgen.” Hij belde haastig af en ging naar de kamer van Copper. „Je maakt het avontuur te avontuurlijk, Copper,” zei hij. „Alma Stuvesant! Weet je wei, dat zij alleen met een hertog tevreden is? Laat je hoofd niet op hol brengen — en dit hoort ook niet bij onze afspraak. Apropos^ wanneer begin je je zaken in Zuid Afrika?” „Morgenavond vertrek ik.” antwoordde Copper. „Allright. Ik zal je straks de cheque geven. — Toch een mooie tijd geweest, niet?” „Heel mooi,” antwoordde Copper bescheiden lachend. Den volgenden morgen zag hij hem een taxi nemen en naar de city rijden. Hij meende dat Copper passage ging bestellen op de boot en keek hem tevreden na; alles was goed afgeloopen. Maar 's middags belde zijn zuster hem op; zij scheen vreeselijk nerveus. „Hugh? Jij Hugh? Luister 'ns gauw. Die Copperthwaite, die bescheiden vriend van jou... „Ja, wat?” „Vanmorgen heeft hij Alma getrouwd! —« Ik kom dadelijk bij je! 't Is jouw schuld!” „Dank je voor de mededeeling,” antwoordde Normanstowe bedaard. „Ik zal je bezoek niet afwachten,” dacht hij, terwijl hij den hoorn ophing. Hij belde zijn knecht, die spoedig verscheen. „Robert,” zei hij, „wees 'ns vlug en pak in tien minuten mijn koffers. Ik ga naar Egypte, voor langen tijd. En als er bezoek komt, mijn zuster bijv, zeg je, dat ik vandaag op reis ben gegaan — waarheen weet je niet.” 7
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11226 tot 11230 van 11897