|
hij zijn rustkuur noemde. Het was stellig
zeer rustig in de cel, maar gerust was
Smith niet.
Hij piekerde over den bewaker, die
hem naar de gevangenis had geleid «en hem
in zijn cel had gesloten. „Ik ken dien man,”
dacht hij, „en als ik hem ken, is er ook
kans dat hij mij kent.”
Dat beteekende groot gevaar, dat alles
aan het licht zou komen en hij zijn weddenschap van tienduizend pond zou verliezen. Evenwel, de bewaker gaf hem zijn
eten, bracht hem naar de binnenplaats en
de kamer van den directeur, zonder .dat
hij blijk gaf den gevangene te kennen.
Smith was weer gerust; het zou ook vrijwel onmogelijk zijn hem te herkennen.
Maar den vierden dag kwam de bewaker
op een ongewoon uur in zijn cel. Smith
keek vragend op van de gonjezakken,
welke hij moest herstellen en voelde zijn
vrees weer opkomen. Want de bewaker
deed zeer onbewaker-achtig.
„Vraag excuus, mylord, ik wou... eh...”
Smith keek hem woedend aan, waardoor
de man nog zenuwachtiger werd.
„Vraag excuus,” begon hij weer aarzelend, terwijl hij den gevangene een krantenknipsel toereikte.
„Ik ben geen lord,” zei hij nijdig. „Ik
ben John Smith.”
„Vraag excuus, mylord, maar ... dat lidteeken achter uw oor. U zult het zich herinneren — enkele jaren geleden... wij
hebben samen aan het front gelegen. .. u
werd licht gewond door een granaatscherf.
Ik herkende u, zoodra ik u zag — vraag
excuus, mylord, maar...”
„Je vindt het vreemd mij hier terug te
zien, hé?” vulde Smith aan. „Ja kerel, het
leven is wisselvallig, niet. Een driftige bui,
vechten...”
„Ik begrijp alles, mylord,” zei de bewaker. „Maar u hebt niet gevochten, mylord.” Hij wees op het krantenknipsel.
Smith greep het nu. Zijn verdwijning had
geweldige sensatie gewekt, las hij; politie
en particuliere detectives zochten het heele
land af, en er was een belooning van vijfduizend pond uitgeloofd voor hem, die
Lord Normanstowe levend of dood vond.
Hij zag in dat hij voor den bewaker niet
meer kon veinzen en besloot open kaart
te spelen, om zijn weddenschap te redden.
„Je begrijpt me wel...”
„Copper, mylord. Ik was soldaat in uw
compagnie.”
„Je begrijpt wel Copper, dat het om een
weddenschap gaat. Ik heb gewed, dat ik
een maand spoorloos zal verdwijnen en ik
wil winnen. Ik moet winnen. Je wilt me
helpen, Copper?”
„Heel graag, mylord. Tot uw dienst.
Maar., vraag excuus mylord... vijfduizend
pond is veel.”
„Begrepen.” antwoordde Smith; „heb je
mij indertijd niet verteld, dat je naar ZuidAfrika wilde gaan, dat je er stellig rijk
zou worden, maar dat je geen geld had
voor de reis en zoo ?”
„Juist mylord; een klein kapitaaltje —
en over tien jaar ben ik rijk. En... vraag
excuus mylord...”
„Nog meer bijzondere verlangens.Copper?”
informeerde Smith.
„Vraag excuus mylord; ik heb er altijd
naar verlangd, om eens heelemaal en echt
het leven der groote wereld mee te maken,
diners, bals, en zoo.”
„In orde Copper. Zoo gauw ik weer
Lord Normanstowe ben, krijg je vijfduizend
CONSTANCE
TALMADGE is
ook in dit opzicht
een goede filmster, dat zij nu
en dan van echtgenoot verwisselt,
thans voor den
derden keer. Zij
heeft de gelegenheid natuurlijk
tevens benut voor
reclame - doeleinden.
PANORAMA No. 2 2 1 JUNI
pond en ben je twee
weken mijn gast —
Copperthwaite, een van mijn beste vrienden,
begrepen ?”
De bewaker ging, en Smith dacht, zakken
repareerend, na, hoeveel menschen er zouden
zijn, die vijfduizend pond betaalden, om
vier weken in de gevangenis door te brengen.
De terugkeer van Lord Normanstowe,
even plotseling en even onverklaarbaar als
zijn verdwijning, bracht nog meer sensatie
dan zijn onverklaarbaar vertrek uit de society. Hij was voor het eerst weer geconstateerd in zijn club, waar de ingewijden
hem vol spanning wachtten, en Sir Charles
Wrigge hem een cheque voor tienduizend
pond gaf. De president van de club hield
een speech en noemde lord Normanstowe
PhileasFogg denTweede.Natuurlijk vroegen
allen nieuwsgierig hoe het hem gelukt was
een maand lang onzichtbaar te blijven,
midden in Londen. Hij vertelde daarover
echter niets. Niemand was nieuwsgieriger
dan zijn zuster Gabble, maar ook zij hoorde
niet meer dan: „Ik ben in Londen gebleven.”
Overal waar Normanstowe na zijn terugkeer verscheen, was hij in gezelschap van
een jongeman, iemand met beschaafde en
bescheiden manieren, dien hij voorstelde
als zijn vriend Copperthwaite. De jongeman
werd overal graag ontvangen; meermalen,
’s avonds thuis of in een taxi, sloeg
Normanstowe zijn ex-bewaker op den
schouder en lachte:
„Kerel, ik heb nooit zoo’n pret gehad.
Is het geen prachtig avontuur ?”
Dan lachte Copper bescheiden terug en
antwoordde:
„Het is heel prettig mylord. Ik amuseer
me buitengewoon.”
Maar hóé goed Copper zich amuseerde,
wist Normanstowe niet. Dat leerde hij,
toen hij op een morgen door de telefoon
gestoord werd in de interessante bezigheid,
om na te rekenen, hoeveel zijn renpaarden
hem dat jaar hadden gekost. Het was zijn
zuster Gabble.
„Hallo, Hugh. Morgen. En vertel me
eens gauw wie die Copperthwaite is.”
„Copperthwaite? ’n Vriend, een beste
vriend. Samen gevochten aan de Yzer.”
„Je hebt meer vrienden aan de Yzer
gehad. Ik bedoel, wat is het voor iemand?
Is het een gentleman?”
„Dat kun je zelf beoordeelen.”
„Hm, ja, je hebt gelijk. En hij is bescheiden ook. Jonge mannen mochten allen
zoo bescheiden zijn. Maar.... ik bedoel... . weet je, ik maak me ongerust over Alma
Stuvesant. Zij ontmoeten elkaar iederen
dag.”
„Alma Stuvesant? Die schatrijke Ameridaansche erfgename! Vijf millioen, hè? —
Ik zal probeeren zekerheid te krijgen.”
Hij belde haastig af en ging naar de
kamer van Copper.
„Je maakt het avontuur te avontuurlijk,
Copper,” zei hij. „Alma Stuvesant! Weet
je wei, dat zij alleen met een hertog tevreden
is? Laat je hoofd niet op hol brengen —
en dit hoort ook niet bij onze afspraak.
Apropos^ wanneer begin je je zaken in
Zuid Afrika?”
„Morgenavond vertrek ik.” antwoordde
Copper.
„Allright. Ik zal je straks de cheque
geven. — Toch een mooie tijd geweest, niet?”
„Heel mooi,” antwoordde Copper bescheiden lachend.
Den volgenden morgen zag hij hem een
taxi nemen en naar de city rijden. Hij meende
dat Copper passage ging bestellen op de
boot en keek hem tevreden na; alles was
goed afgeloopen.
Maar 's middags belde zijn zuster hem op;
zij scheen vreeselijk nerveus.
„Hugh? Jij Hugh? Luister 'ns gauw. Die
Copperthwaite, die bescheiden vriend van
jou...
„Ja, wat?”
„Vanmorgen heeft hij Alma getrouwd! —«
Ik kom dadelijk bij je! 't Is jouw schuld!”
„Dank je voor de mededeeling,” antwoordde Normanstowe bedaard. „Ik zal je
bezoek niet afwachten,” dacht hij, terwijl
hij den hoorn ophing.
Hij belde zijn knecht, die spoedig verscheen.
„Robert,” zei hij, „wees 'ns vlug en pak
in tien minuten mijn koffers. Ik ga naar
Egypte, voor langen tijd. En als er bezoek
komt, mijn zuster bijv, zeg je, dat ik vandaag op reis ben gegaan — waarheen weet
je niet.”
7
|