|
PANORAMA No. 22 1 JUNI
HILDESHEIM. Doorkijkje in een oude straat.
Reizen
boor ben
(Loenst
door
br. W. 5. v. Balen
I
n sommige streken van Duitschland
gaat men de feudale overblijfselen
uit den middeleeuwschen riddertijd
bekijken, en laat men zich door die
romantische burchten en door de sentimenteele legenden, die aan de meeste
ruïnes verbonden zijn, zoo graag in de _ _________________
ware stemming brengen die men noodig heeft
om een goed glas Rijnwijn te kunnen waardeeren.
Andere streken daarentegen trekken onze belangstelling door
een geheel ander karakter waarvan zij in alle opzichten getuigen:
het innig-burgerlijke, het welvarende en zelf-bewuste van hun
stadswezen.
De ridder was trotsch op zijn stamboom, op de oudheid van
zijn geslacht, op den roem zijner voorouders, op de kracht zijner
eigen wapenen — en hij voelde zich als een hooger soort mensch
te midden van de handeldrijvende bourgeoisie, den geleerden clerus
en het vulgus, dat uit handwerklieden en boeren bestond. Zijn
kracht lag in zijn isolement: eenzame burchten, hooge muren, diepe
grachten en ravijnen — dat was ’t waar hij het in zocht. Lezen en
schrijven behoefde hij niet te kennen: dat mochten de geestelijken
leeren. Inkomsten ? Van zijn onderhoorige boeren trok hij pacht en
allerlei andere opbrengsten. En was dit niet genoeg, dan werd er
tolgeld geheven over den weg, over de rivier, over eiken doorgang
waar hij zich in staat voelde om desnoods met geweld zijn gezag
te laten gelden — en waar tevens genoeg handeldrijvende reizigers
langs kwamen om het de moeite van een tol waard te maken.
Heel anders de burger. Opgegroeid uit de dichte gelederen der
lijfeigenen, was de vrije burgerij pas tot bloei gekomen tijdens de
kruistochten, toen er op deelname de premie gesteld werd van
voortaan vrij te zijn. Waarvan leefden deze vrijen? Van handel
en ambachten. Dus hun belang was ’t niet om geïsoleerd op een rotspunt te wonen; dit gedeelte der middeleeuwsche bevolking zocht
elkaar. De een kon den ander niet missen in handel en bedrijf, en
te zamen vormde men corporaties, die als geheel véél meer gewicht
in de schaal legden dan elk afzonderlijk bij machte ware geweest.
De tijd van de burgerij brak aan, van poorters en gilden en
Nu het reis-seizoen spoedig aanbreekt en landstreken als de Harz k.
u/eer vele toeristen zullen trekken, publiceeren wij hier een
artikel van onzen medewerker, dat er toe zal bijdragen het toeS ristisch en ontwikkelend genot van de vacantiereis zeer te verhoogen. r
machtige stadsbesturen, van uitgebreide verbonden, die dwars door
een dozijn staten heen een eigen staatsverband vormden, en machtiger
waren dan menige koning. De tijd van de Hansa, het handelsverbond dat heel Noord Europa omvatte, en éénzelfde handelsrecht
deed gelden van het Kanaal tot aan Rusland. De tijd van de fraaie
stadhuizen met deftige, soms zelfs pralende raadszalen, en doorgaans
een gezelligen Raadskelder er bij, waar de welgestelde burgers hun
glas wijn kwamen drinken.
De rijke kooplieden in de groote handelssteden wilden graag
weten hoe welgesteld zij waren: van hun welvaart getuigen grootsche
praalgebouwen in de belangrijke koopsteden van die dagen, in
Neurenberg, Augsburg, Antwerpen, Yperen, Keulen en Lübeck —,
om niet te spreken van Lombardije en Venetië, waar ook de groote
burgerlijke geslachten weldra alle allures van den grooten adel
gingen aannemen.
Dit waren de brandpunten van den handel, meestal gelegen op
kruispunten van groote verkeerswegen. Wat daartusschen in lag,
kwam natuurlijk pas in de tweede of derde plaats tot bloei, maar
met het voorbeeld der groote centra voor oogen wilden ook deze
kleinere burgersteden niet onder doen in kunstlievendheid en
burgerzin.
Men scheen in die tijden iets voor zijn stad over te hebben,
en werkelijk gaarne trotsch te zijn op de plaats zijner inwoning.
Rijk vloeiden de bijdragen voor een nieuwe kerk, die de vorige,
en vooral die van de naburige stad in afmetingen en pracht moest
overtreffen. Flinke sommen werden genoteerd voor een nieuw
stadhuis, voor een passende schouw in de schepenzaal, voor een
waag, voor een stadswijnhuis, enz. Het schijnt of er daarna eeuwen
lang een soort van publieke onverschilligheid voor dergelijke dingen
geheerscht heeft, en of pas in onzen tijd weer de eerste schuchtere
verschijnselen te bespeuren zijn, zooals een grootgrondbezitter die
een stuk kostbaar terrein kosteloos voor een publiek gebouw afstaat,
van een groep burgers die aan hun stad een klokkespel aanbieden,
of gebrandschilderde ruiten aan de kerk, of een park aan de gemeente.
2
|