|
PAN O R A M A No. 21 2 5 MEI
Indrukken en Herinneringen door J. de Meester IX
T
erwijl ik op het feest van Kloos de
potlooden der verslaggevers zag huppelen, dacht ik aan den 70sten verjaardag
van Beets, in 1884 te Utrecht gevierd. Een
heele reeks van sprekers, toen. De pers zat
goed, wij hoorden en zagen. Daar kwam
Ten Kate — nu zou men wat hooren! Men
hoorde, men zag dat de spreker.... niet
voortkwam. De kanselredenaar hakkelde....
Toen opeens, een ruk van het hoofd, als
van iemand die plots een besluit neemt en
nu stroomden de woorden: de regels, want...
nu was het poëzie! En ook dit was onvoorbereid. Impromptu's heb ik vaak
gehoord, doch dat het rijm hielp, de
maat op dreef bracht, iemand die eerst
zijne woorden niet vond ■— ik heb het
alleen bij Ten Kate gezien. Vier regels
heb ik bijgehouden, toen (ik kende
geen stenografie) moest ik den vluggen
stroom laten glippen. Of de courant er
iets mee verloor ? ... Een andere
dan .... psychologische waarde had
deze improvisatie niet. Een poos later
zou Ten Kate nog met een uitvoerig
gedicht op de Nieuwe Kerk te Amsterdam voor den dag komen, maar
— zooals Prof. Prinsen in zijn „Geschiedenis' schrijft: de uren van zijn
roem waren geteld — „het Nieuwe”
zat al in de lucht en de leider van
dit nieuwe is thans o.a. bij monde
van den oud-minister van O. K.
en W. Dr. J. Th. de Visser geprezen.
Voor mij was het gróóte oogenblik der
dubbele hulde, toen Kloos, die naast Van
Deyssel aan den feestdisch zat, opstond.
Beiden zijn rijzig, zwaar gebouwd; ook
fysiek twee groote mannen. En van hun
tijd de leidende mannen. Hierom heeft het
tweede huldebetoon, waarbij Dr. De Visser
het woord voerde, als getuigenis niet van
vrienden, doch uit het publiek, genoegen
gedaan.
In de deftige „Kunstzaal Kleijkamp” zijn
al heel wat kunstenaars „befoven”, Ik zie
er Toorop — ook rijzig, maar ziek reeds —
de welkome hulde uit Rome ontvangen. En
ik zie het moeë gelaat van Couperus, dat
nochtans even een blijden glans kreeg, toen
Van Deyssel hem, den niet-Nieuwe-Gidser.
met onbegrensde warmte prees. Te vermoeid, heeft hij niet geantwoord en een
poos later was hij dood, evenals Jan Veth
onverwachts het slachtoffer van een te inspannend verblijf in het Oosten — Veth op
Java, hij in Japan.
Al werkt hij er nu al sinds jaren. de te
Amsterdam geboren Kloos is geen Hagenaar
geworden. Zijn vrouw werd het wel, door
een aantal romans. Kloos is en bleef een
Amsterdammer. Zijn vrouw toont reeds met
de keus van een aantal romans den invloed
te hebben ondergaan van dien Hagenaarbij-uitnemendheid Louis Couperus, die ook
met het Indische in hem en bij het vele
schoons, dat Italië hem deed schrijven, thuis
hoorde in de Residentie. Zoo zagen ook
Veth en Haverman hem. bij het maken van
zijn portret.
De laatste, Hagenaar geworden, was aan
Pulchri, veel meer dan aan Arti verknocht
en Pulchri heeft onlangs een werkelijk
overzichtelijke tentoonstelling van zijn arbeid
gehouden. Met zijn niet-onverwachten dood
heb ik den laatsten van mijne vrienden der
jeugd, een dien ik haast vijftig jaar lang
mocht kennen, verloren. In zoover was hij
wel Amsterdammer, als de onvergetelijke
Allebé. onder wiens invloed na de ..HaagseHe
School” er eene van de lijn ontstaan is,
hem als den oudste van zijne lievelingsleerlingen beschouwde. Naast Veth als
portrettist vermaard, was Haverman tevens
een schilder van het naakt, dat hem, ook
door Allebé s louterenden invloed „louter
Dr. Jan ten Brink, die grooten
invloed op Louis Couperus'
vorming oefende, omstreeks 1888.
om schoonheidswille ' lief was. Ik zag
in Pulchri De Vlucht terug, een typisch
academie-werk, maar dat bij de voltooiing
in 1883 reeds om den ten onzent niet meer
voorkomenden omvang en aan de doelbereikende kundigheid (o.a. in den vooruitgestoken arm en het sterk verkorte been
van den vluchtenden jongeling), hoog gewaardeerd werd.
Behalve in zijn ieermeester, heeft Haverman een beschermer gevonden in den man
die zijn schoonvader worden zou, den
planter G. Birnie. Alvorens in de verloving
met zijne dochter toe te stemmen, stuurde
de heer Birnie Haverman een jaar naar
Spanje; een jaar op proef, dat een jaar
was van arbeid, van waarlijk niets dan
werken, werken, ook daar in de nog al
gevaarlijke sferen, waar kunstenaars zich
in Spanje bewegen. — Haverman was verzot
op citaten, geen brief of er kwam althans
één citaat in. hoewel zijn eigen pittige
zegswijs telkens citaten .... voor anderen
inhield. Als Veth was Haverman portrettist,
doch meer dan Veth was Haverman
schilder.
Het op initiatief van Henri van Booven
te Hilversum gestichte Genootschap Louis
Couperus, dat zich ten doel stelt de belangstelling in den arbeid der dooden levend
te houden, beperkt zijn invloed geenszins
tot het Gooi en deed zich ook in Den Haag
reeds gelden.
Daar was Couperus’ vriendschap met
den veel van hem verschillenden Netscher;
daar vond hij den steun van Jan ten Brink,
een steun die over zijn leven besliste.
Zat er in Ten Brink een professor ? Was
Huet niet véél beter geweest? Veel is daar
vroeger over geschreven en in den eersten
Nieuwe-Gids-tijd heeft Van Deyssel gesold
met Ten Brink. Doch in het mooie boek
over J. A. Alberdingk Thym heeft de zoon
den vriend zijns vaders juist en niet onheusch geteekend. Zeggend, dat zijn vader
op Ten Brink's gezelschap was gesteld,
gaat hij voort: „Dezelfde hoedanigheden
die Ten Brink's werk beletten eene zekere
superioriteit te bereiken, verhoogden de
aangenaamheid van het persoonlijk verkeer.
Vergeleken met Ten Brink waren
de andere letterkundigen eenigszins
droge vrienden. Ten Brink was een
causeur, wiens gesprek vonkelde van
geestigheid.”
Ten Brink genoot, wanneer er feest
was en van hoe weinig hij genoot,
heb ik eens geconstateerd tijdens een
Letterkundig Congres te Arnhem, toen
ik den hoogleeraar in het meest bezochte koffiehuis der binnenstad vóór
een destijds nog niet zóó algemeen als
„broodjes met...” gebruikten „plat
du jour” zag zitten, zoo’n dingetje
van zestig cent, dat hij prees als
„exquis, ” waarlijk kinderlijk blij, onderwijl zijn papieren servetje met de welverzorgde handjes rechtstrijkend over
zijn blauwe flapdas tusschen de krullende bakkebaardjes, eerbiedig ais
was het papier damast. Er zijn hondjes met
baardjes zooals Ten Brink droeg, doch er
zijn ook diplomaten, die zich met deze haarweelde tooien.
Hoe weinig hij een diplomaat was, ervoer
ik op datzelfde Congres. Tijdens de „gezellige bijeenkomst” van ’s avonds verzocht
een jonge, kort na dien gestorven schrijfster
van uitmuntende boeken voor grootere
meisjes en van één goed bundeltje novellen
voor volwassenen mij. haar aan den hoogleeraar-romancier. tevens redacteur en criticus van het tijdschrift Nederland, voor te
stellen. Zij vond de ontmoeting blijkbaar
gewichtig en bedankte Ten Brink voor twee
recensies. Zij deed dit, niet zonder ontroering, eerbiedig. En wat zei toen die
ijdele man?
„Zoo, heeft het u plezier gedaan ? Ja.
en ik had toch heelemaal geen enkele reden
om u plezier te doen, ha, ha, ha •”
Hevig blozend keek zij hem aan en durfde,
naar ze mij later bekende, nu niet meer
vragen naar een vertelling, hem voor
Nederland gezonden.
Kinderlijkheid en ijdelheid, die... zusjes
leefden in Jan Ten Brink. Hij heeft er veel
over moeten hooren en zich dat dikwijls
aangetrokken. Want hij had behoefte aan
vreugde. Makkelijk raakte hij opgewonden:
een der geestigste caricaturen van Holswilder
is „Jan” geweest als feestredenaar, met een
hoog glas champagne hoog vóór zich uit.
Beter leeraar dan hoogleeraar, heeft hij
wellicht zijn beste jaren als docent in Den
Haag gehad. Daar kreeg hij Louis Couperus
als leerling en voor hém is hij véél geweest.
Ten Brink’s eigen romans hadden geen
blijvende beteekenis. Den schepper van den
modernen roman in Nederland, is hij op
een beslissend moment van de jeugd,
wanneer zoo n hulp het leven maakt, tot
helderzienden bijstand geweest.
6
|