Panorama

Blad 
 van 2380
Records 11201 tot 11205 van 11897
Nummer
1929, nr. 21, 25 mei 1929
Blad
06
Tekst
PANORAMA No. 21 2 5 MEI BOLLENLAND IN ZEELAND. Ook in Zeeland kan men het feest der bollen-in-bloet, getuige deze foto van een narcissen-veld in Zeeuwsch- Vlaanderen, genieten. DE ONBEWAAKTE OVERWEG bij Rilland-Bath op de spoorlijn Vlissingen-Bergen op Zoom heeft weer slachtoffers gemaakt. Een Anttverpsche familie,bestaande uitvierpersonen. werd bij een botsing tusschen auto en trein gedood. De auto werd, zooals de foto toont, totaal vernield. DE ONTPLOFF1NGSRAMP in het ziekenhuis te Cleveland. Hiernaast een der meest curieuse inrichtingen van het hospitaal, waar de patiënten met samengeperste lucht werden behandeld. HET PETITIONEMENT met ongeveer 12.000 handteekeningen voor opheffing van de tollen in de Zaanstreek werd door het bestuur der Zaansche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer op t Ministerie van Waterstaat te 's Gravenhage aangeboden. 4
PDF
Nummer
1929, nr. 21, 25 mei 1929
Blad
07
Tekst
P A N O R A M A No. 2 1 2 5 ME NAAR DE ARK VAN NOË. Dr. A. Putterer, president van het Amerika-Jeruzalem Bybel Instituut, in zijn Arabische uitrusting, zooals hij een onderzoekingstocht in Palestina naar de Ark van Noach wil ondernemen. F O EEN ROMAN-ONDERWERP is momenteel in Engeland werkelijkheid geworden: de 56-jarige bakker James Perceval, hierboven met zijn echtgenoote. heeft plannen om in proces te treden met den Earl of Egmont. bekend als de Rancher-Earl. die op een ranch in Canada leeft. James Perceval beweert, dat hij, Perceval. aanspraak heeft op titel en rechten, die thans de Rancher-Earl bezit. EEN PALEIS-REVOLUTIE in klein formaat werd ontketend door Curtis, vice-president der Ver. Staten. Deze is weduwnaar, waarom zijn zuster, mrs Gann. de society-plichten in zijn huis vervult. Daarmede verkrijgt zij de eerste plaats onder de echtgenooten der diplomaten, waartegen dezen protesteeren, omdat zij slechts plaatsvervangster der echtgenoote van den vice-president is. Na gewichtige conferenties is besloten, dat mrs. Gann (hierboven) haar bevoorrechte plaats zal mogen behouden. DE DROOM van een hospitaalsoldaat, muurschildering in het Militair Hospitaal te Den Haag door den heer P, Daemen. Deze muurschildering is een voorbeeld van de schilderkunst, welke de heer Daemen, een korporaal-ziekenverpleger, in zijn vrije uren beoefent. j i i 5
PDF
Nummer
1929, nr. 21, 25 mei 1929
Blad
08
Tekst
PAN O R A M A No. 21 2 5 MEI Indrukken en Herinneringen door J. de Meester IX T erwijl ik op het feest van Kloos de potlooden der verslaggevers zag huppelen, dacht ik aan den 70sten verjaardag van Beets, in 1884 te Utrecht gevierd. Een heele reeks van sprekers, toen. De pers zat goed, wij hoorden en zagen. Daar kwam Ten Kate — nu zou men wat hooren! Men hoorde, men zag dat de spreker.... niet voortkwam. De kanselredenaar hakkelde.... Toen opeens, een ruk van het hoofd, als van iemand die plots een besluit neemt en nu stroomden de woorden: de regels, want... nu was het poëzie! En ook dit was onvoorbereid. Impromptu's heb ik vaak gehoord, doch dat het rijm hielp, de maat op dreef bracht, iemand die eerst zijne woorden niet vond ■— ik heb het alleen bij Ten Kate gezien. Vier regels heb ik bijgehouden, toen (ik kende geen stenografie) moest ik den vluggen stroom laten glippen. Of de courant er iets mee verloor ? ... Een andere dan .... psychologische waarde had deze improvisatie niet. Een poos later zou Ten Kate nog met een uitvoerig gedicht op de Nieuwe Kerk te Amsterdam voor den dag komen, maar — zooals Prof. Prinsen in zijn „Geschiedenis' schrijft: de uren van zijn roem waren geteld — „het Nieuwe” zat al in de lucht en de leider van dit nieuwe is thans o.a. bij monde van den oud-minister van O. K. en W. Dr. J. Th. de Visser geprezen. Voor mij was het gróóte oogenblik der dubbele hulde, toen Kloos, die naast Van Deyssel aan den feestdisch zat, opstond. Beiden zijn rijzig, zwaar gebouwd; ook fysiek twee groote mannen. En van hun tijd de leidende mannen. Hierom heeft het tweede huldebetoon, waarbij Dr. De Visser het woord voerde, als getuigenis niet van vrienden, doch uit het publiek, genoegen gedaan. In de deftige „Kunstzaal Kleijkamp” zijn al heel wat kunstenaars „befoven”, Ik zie er Toorop — ook rijzig, maar ziek reeds — de welkome hulde uit Rome ontvangen. En ik zie het moeë gelaat van Couperus, dat nochtans even een blijden glans kreeg, toen Van Deyssel hem, den niet-Nieuwe-Gidser. met onbegrensde warmte prees. Te vermoeid, heeft hij niet geantwoord en een poos later was hij dood, evenals Jan Veth onverwachts het slachtoffer van een te inspannend verblijf in het Oosten — Veth op Java, hij in Japan. Al werkt hij er nu al sinds jaren. de te Amsterdam geboren Kloos is geen Hagenaar geworden. Zijn vrouw werd het wel, door een aantal romans. Kloos is en bleef een Amsterdammer. Zijn vrouw toont reeds met de keus van een aantal romans den invloed te hebben ondergaan van dien Hagenaarbij-uitnemendheid Louis Couperus, die ook met het Indische in hem en bij het vele schoons, dat Italië hem deed schrijven, thuis hoorde in de Residentie. Zoo zagen ook Veth en Haverman hem. bij het maken van zijn portret. De laatste, Hagenaar geworden, was aan Pulchri, veel meer dan aan Arti verknocht en Pulchri heeft onlangs een werkelijk overzichtelijke tentoonstelling van zijn arbeid gehouden. Met zijn niet-onverwachten dood heb ik den laatsten van mijne vrienden der jeugd, een dien ik haast vijftig jaar lang mocht kennen, verloren. In zoover was hij wel Amsterdammer, als de onvergetelijke Allebé. onder wiens invloed na de ..HaagseHe School” er eene van de lijn ontstaan is, hem als den oudste van zijne lievelingsleerlingen beschouwde. Naast Veth als portrettist vermaard, was Haverman tevens een schilder van het naakt, dat hem, ook door Allebé s louterenden invloed „louter Dr. Jan ten Brink, die grooten invloed op Louis Couperus' vorming oefende, omstreeks 1888. om schoonheidswille ' lief was. Ik zag in Pulchri De Vlucht terug, een typisch academie-werk, maar dat bij de voltooiing in 1883 reeds om den ten onzent niet meer voorkomenden omvang en aan de doelbereikende kundigheid (o.a. in den vooruitgestoken arm en het sterk verkorte been van den vluchtenden jongeling), hoog gewaardeerd werd. Behalve in zijn ieermeester, heeft Haverman een beschermer gevonden in den man die zijn schoonvader worden zou, den planter G. Birnie. Alvorens in de verloving met zijne dochter toe te stemmen, stuurde de heer Birnie Haverman een jaar naar Spanje; een jaar op proef, dat een jaar was van arbeid, van waarlijk niets dan werken, werken, ook daar in de nog al gevaarlijke sferen, waar kunstenaars zich in Spanje bewegen. — Haverman was verzot op citaten, geen brief of er kwam althans één citaat in. hoewel zijn eigen pittige zegswijs telkens citaten .... voor anderen inhield. Als Veth was Haverman portrettist, doch meer dan Veth was Haverman schilder. Het op initiatief van Henri van Booven te Hilversum gestichte Genootschap Louis Couperus, dat zich ten doel stelt de belangstelling in den arbeid der dooden levend te houden, beperkt zijn invloed geenszins tot het Gooi en deed zich ook in Den Haag reeds gelden. Daar was Couperus’ vriendschap met den veel van hem verschillenden Netscher; daar vond hij den steun van Jan ten Brink, een steun die over zijn leven besliste. Zat er in Ten Brink een professor ? Was Huet niet véél beter geweest? Veel is daar vroeger over geschreven en in den eersten Nieuwe-Gids-tijd heeft Van Deyssel gesold met Ten Brink. Doch in het mooie boek over J. A. Alberdingk Thym heeft de zoon den vriend zijns vaders juist en niet onheusch geteekend. Zeggend, dat zijn vader op Ten Brink's gezelschap was gesteld, gaat hij voort: „Dezelfde hoedanigheden die Ten Brink's werk beletten eene zekere superioriteit te bereiken, verhoogden de aangenaamheid van het persoonlijk verkeer. Vergeleken met Ten Brink waren de andere letterkundigen eenigszins droge vrienden. Ten Brink was een causeur, wiens gesprek vonkelde van geestigheid.” Ten Brink genoot, wanneer er feest was en van hoe weinig hij genoot, heb ik eens geconstateerd tijdens een Letterkundig Congres te Arnhem, toen ik den hoogleeraar in het meest bezochte koffiehuis der binnenstad vóór een destijds nog niet zóó algemeen als „broodjes met...” gebruikten „plat du jour” zag zitten, zoo’n dingetje van zestig cent, dat hij prees als „exquis, ” waarlijk kinderlijk blij, onderwijl zijn papieren servetje met de welverzorgde handjes rechtstrijkend over zijn blauwe flapdas tusschen de krullende bakkebaardjes, eerbiedig ais was het papier damast. Er zijn hondjes met baardjes zooals Ten Brink droeg, doch er zijn ook diplomaten, die zich met deze haarweelde tooien. Hoe weinig hij een diplomaat was, ervoer ik op datzelfde Congres. Tijdens de „gezellige bijeenkomst” van ’s avonds verzocht een jonge, kort na dien gestorven schrijfster van uitmuntende boeken voor grootere meisjes en van één goed bundeltje novellen voor volwassenen mij. haar aan den hoogleeraar-romancier. tevens redacteur en criticus van het tijdschrift Nederland, voor te stellen. Zij vond de ontmoeting blijkbaar gewichtig en bedankte Ten Brink voor twee recensies. Zij deed dit, niet zonder ontroering, eerbiedig. En wat zei toen die ijdele man? „Zoo, heeft het u plezier gedaan ? Ja. en ik had toch heelemaal geen enkele reden om u plezier te doen, ha, ha, ha •” Hevig blozend keek zij hem aan en durfde, naar ze mij later bekende, nu niet meer vragen naar een vertelling, hem voor Nederland gezonden. Kinderlijkheid en ijdelheid, die... zusjes leefden in Jan Ten Brink. Hij heeft er veel over moeten hooren en zich dat dikwijls aangetrokken. Want hij had behoefte aan vreugde. Makkelijk raakte hij opgewonden: een der geestigste caricaturen van Holswilder is „Jan” geweest als feestredenaar, met een hoog glas champagne hoog vóór zich uit. Beter leeraar dan hoogleeraar, heeft hij wellicht zijn beste jaren als docent in Den Haag gehad. Daar kreeg hij Louis Couperus als leerling en voor hém is hij véél geweest. Ten Brink’s eigen romans hadden geen blijvende beteekenis. Den schepper van den modernen roman in Nederland, is hij op een beslissend moment van de jeugd, wanneer zoo n hulp het leven maakt, tot helderzienden bijstand geweest. 6
PDF
Nummer
1929, nr. 21, 25 mei 1929
Blad
09
Tekst
P A N O R A M A No. 2 1 25 M EI D e rechter in het gerechtshof der Vereenigde Staten van het grens-district gelegen aan de Rio Grande, vond zekeren morgenhet volgende briefje tusschen zijn post: Rechter, Toen u mij vier jaar geleden veroordeelde, meende u tevens een en ander te moeten zeggen. Onder meer harde opmerkingen voegde u mij toen toe, dat ik een ratelslang was. Misschien ben ik er wel een — in elk geval hoort u thans mijn ratel. Toen ik een jaar in de cel had doorgebracht, stierf mijn dochter — men zegt van ellende. Gij hebt een dochter, rechter, en ik zal u laten voelen wat het zeggen wil er een te verliezen. Ook zal ik den officier treffen, die tegen mij geëischt heeft. Ik ben weer vrij en de rol van ratelslang lijkt mij. Meer zeg ik niet; dit is mijn ratel. Let op, wanneer ik toeschiet. De Uwe Ratelslang. Rechter Derwent legde het briefje achteloos terzijde. Het ontvangen van dergelijke epistels van door hem veroordeelde boeven was voor hem niets nieuws. Het maakte geen indruk meer op hem. Later op den morgen toonde hij den brief aan Littlefield. den jeugdigen procureur van het district, want Littlefield‘snaam werd er ook in genoemd en de rechter was alle zaken uiterst accuraat. Littlefield reageerde op den ratel van den schrijver, voor zoover het hem betrof met een glimlach van verachting, maar hij fronste de wenkbrauwen over de verwijzing naar de dochter van den rechter, want hij en Nancy Derwent zouden de volgende maand huwen. Hij ging naar het archief van het gerechtshof en keek de stukken na van vier jaar geleden. Hij kwam tot de conclusie dat de brief kon geschreven zijn door Mexico Sam.een halfbloed desperado, die vier jaar geleden wegens doodslag veroordeeld was geworden. Zijn werkzaamheden gedurende de rest van den dag verdreven de kwestie uit zijn geest en de ratel van den wraakzuchtigen briefschrijver werd vergeten. Het hof hield zitting in Brownsville. De meeste zaken betroffen gevallen van smokkelarij, muntvervalschingen en overvallen van PINKSTERBLOEMEN. postkantoren. Eén geval betrof dat van een jeugdigen Mexicaan. Rafael Ortiz, die door een sergeant der bereden politie op heeterdaad betrapt was bij het in betaling geven van een valschen dollar. Hij werd reeds lang verdacht, maar dit was de eerste maal dat men bewijzen in handen had. Ortiz wachtte gelaten in de cel tot zijn zaak voorkwam en doodde den tijd met het rooken van sigaretten. Kilpatrick, de sergeant, overhandigde den procureur op het kantoor den valschen dollar. Hij en een drogist konden zweren dat Ortiz hem in betaling had gegeven voor een flesch medicijnen. Het geldstuk was slecht nagemaakt; het was dof en zacht en bleek hoofdzakelijk uit lood te bestaan. Den volgenden dag zou deze zaak in behandeling komen en de procureur ging zich daarvoor prepareeren. „Geen expert noodig om het loodgehalte te bewijzen, hè Kil ?" lachtte Littlefield, terwijl hij den dollar op de tafel liet vallen, wat een klank gaf van bijna zuiver lood. „De Mexicaan is er bij." antwoordde de sergeant, die zijn patroontasch omgordde. „Hij ontkomt er niet aan. Ik had al lang vermoeden dat hij tot een bende valsche munters behoorde, maar dit is de eerste keer, dat wij een bewijs hebben. Heeft u zijn vrouw nooit gezien?" ging hij door, „ik zag haar een tijdje geleden toen ik bij zijn hut aan de rivier op de loer lag. Een schoonheid, mijnheer." Littlefield stak den dollar in zijn zak en schoof zijn memorandum van de zaak in een enveloppe. Juist op dat oogenblik stapte een als amazone gekleed bijzonder mooi, slank meisje het kantoor binnen. Het was Nancy Derwent. „O, Bob, worden de zittingen van het hof niet om 12 uur vanmiddag gesloten tot morgenochtend?" vroeg zij aan Littlefield. „Ja," zei de procureur, „en ik ben er blij om, lieve kind, want ik heb heel wat na te kijken vanmiddag, en —" „Dat is nu weer net iets voor jou. Jij en vader worden nog eens levende wetboeken. Ik had nu juist zoo graag dat je vanmiddag meeging kieviten schieten. De Long Prairie wemelt er van. Hè, zeg nu geen neen. Ik zou dolgraag mijn nieuwe buks eens probeeren, en ik heb bevel gegeven Fly en Bess te zadelen; zij staan zoo rustig onder het schieten. Ik heb er op gerekend, dat je mee zou gaan." De kieviten wonnen het van de in kalfsleer gebonden wetboeken. Littlefield begon zijn papieren op te ruimen. Toen werd op de deur geklopt. Kilpatrick opende en een mooie, zwartoogige vrouw met een huid van de teerste olijfkleur, kwam het vertrek binnen. Over het hoofd droeg zij een zwarte shawl, waarvan de slippen om haar hals geslagen waren. Zij begon oogenblikkelijk te spreken, een radde woordenstroom van welluidend Spaansch. Littlefield verstond geen Spaansch, maar de sergeant kon als tolk optreden en hij vertaalde haar woorden in gedeelten, af en toe de hand ophoudend om den vloed van haar woorden een moment te onderbreken. „Ze kwam om LI te spreken. Mr. Littlefield. Haar naam is Joya Ortiz. Ze wil LI spreken over dat zaakje van haar man. Zegt, dat hij onschuldig is, dat zij het geld gemaakt heeft en het hem heeft laten uitgeven. Geloof haar niet, Mr. Littlefield. Ik ken die Mexicaanschen; zij liegen, stelen of zullen zich laten dooden voor een kerel, als zij eenmaal verzot op hem zijn. Vertrouw nooit een vrouw die verliefd is!" „Mr. Kilpatrick!" Nancy Derwent's uitroep van verontwaardiging noopte sergeant Kilpatrick even tot de verklaring dat hij zijn gevoelens niet juist had uitgedrukt; hij ging daarna weer door met zijn vertaling. 7
PDF
Nummer
1929, nr. 21, 25 mei 1929
Blad
10
Tekst
F A N O R A M A Xo. 21 2 5 MEI „Ze zegt dat ze bereid is zijn plaats in de cel in te nemen, indien U hem vrij wilt laten. Beweert dat ze zwaar ziek van de koorts lag en dat de dokter verklaard had dat ze zou sterven indien zij geen medicijnen gebruikte. Daarom had hij den valschen dollar bij den apotheker in betaling gegeven. Haar leven is er door gered, zegt ze. En dan vertelt zij nog heel wat over liefde en al dat soort van dingen, die U toch niet wenscht te hooren.” Het was een verhaal zooals de procureur er in zijn practijk al zooveel had gehoord. „Zeg haar/ zei hij, „dat ik niets kan doen. De zaak komt morgen voor; het recht moet zijn loop hebben.” Nancy Derwent was niet zoo verhard. Zij keek beurtelings met sympathieke belangstelling naar Joya Ortiz en dan naar Littlefield. De sergeant vertaalde de woorden van den procureur voor de vrouw; zij sprak op zachter toon nog eenige woorden, trok de shawl wat dichter om zich heen en verliet het kantoor. „Wat zei ze nog?” vroeg Littlefield. „Niets bijzonders/* zei de sergeant. Ze zei: „als het leven van — ’s kijken, hoe zei ze dat ook weer —• Si la vida de ella a quien tu amas — als het leven van het meisje, dat gij bemint, ooit in gevaar is. denk dan aan Rafael Ortiz.’ Kilpatrick wandelde naar buiten in de richting van de kazerne „Kan je niets voor hen doen. Bob ?’* vroeg Nancy. ,/t Is zoon kleinigheid — één valschen dollar — om daarvoor het geluk van twee levens te verwoesten! Zij was in doodsgevaar en hij deed het om haar te redden. Kent de wet dan geen medelijden?” „Lieve kind,” zei Littlefield. „je begrijpt daar niets van. De man is betrapt op de uitgifte van valsch geld, de dollar kan getoond worden en iedere jury moet hem daarop veroordeelen.” * * <- De kievitenjacht was een succes dien namiddag; door de opwinding van de sport werden het geval van Rafael Ortiz en de smart van zijn vrouw vergeten. De procureur en Nancy Derwent waren vanuit de stad naar de drie mijlen verder gelegen Piedra Creek gereden. Achter de kreek begon de golvende vlakte van de Long Prairie, het geliefkoosde terrein van de kieviten. Toen zij de kreek naderden hoorden zij rechts achter zich het galoppeeren van een paard en zagen een als cowboy gekleed man naar de boschjes van den rand der prairie rijden. „Ik heb dien kerel al eens ergens gezien.” zei Littlefild. die een sterk geheugen voor gezichten bezat, „maar ik kan hem op t oogenblik niet thuis brengen. Een of andere cowboy zeker, die een korteren weg naar huis neemt.’ Zij brachten een paar uur door op Long Prairie en hadden een goede jacht. Nancy Derwent, gewend aan het leven in een betrekkelijke wildernis, hanteerde zoo bekwaam haar nieuwe jachtgeweer, dat haar buit bijna even groot was als die van haar jachtgenoot. In een kalm drafje reden zij weer huiswaarts. Toen zij de Piedra Creek weer op honderd meter genaderd waren, verscheen aan den rand van een der boschjes eensklaps een ruiter, die recht op hen toereed. ,/t Lijkt de man wel dien wij straks ook zagen.” merkte Miss Derwent op. Toen de afstand tusschen hen kleiner geworden was. trok de procureur plotseling den teugel van zijn paard strak aan en keek aandachtig naar den naderenden ruiter. Deze had een Winchester, die naast zijn zadel hing, in den hand genomen en legde het wapen over den arm. „Nu weet ik wie je bent/’ mompelde Littlefield. „Mexico Sam ! Jij was het die je ratel liet hooren in dat briefje.” Mexico Sam liet over zijn bedoelingen geen twijfel bestaan. Hij was een expert, waar het vuurwapens betrof, en zoodra hij dicht genoeg genaderd was om met succes te kunnen vuren, zonder binnen het bereik der jachtgeweren te komen, bracht hij de Winchester aan den schouder en opende het vuur op de jagers. Het eerste schot ketste tegen de stijgbeugels van Miss Derwent; het tweede doorboorde het uitstekende gedeelte van Littlefield’s rijbroek. De procureur sleurde Nancy uit het zadel, zoodat zij op den grond viel; zij was verbleekt maar stelde geen enkele vraag. Zij bezat het instinct der grensbewoners, die onder alle omstandigheden den toestand aanvaarden en hun koelbloedigheid weten te bewaren. Zij had hun geweren in de hand en Littlefield verzamelde haastig een handvol patronen, die verspreid over den grond gevallen waren. „Blijf achter de paarden. Nan”, beval hij. „Die kerel is een schurk, dien ik eens gevangenisstraf bezorgd heb. Hij wil nu de rekening vereffenen. Hij weet, dat onze schoten hem op dien afstand geen kwaad kunnen doen.” „All right, Bob”, zei Nancy. en haar stem trilde niet. . Ik ben niet bang. Maar kom dicht bij me staan. Hu Bess! sta stil nu! Zij streek over Bess manen. Littlefield stond met zijn geweer gereed, biddend, dat de kerel binnen het bereik er van mocht komen. Maar, dat was een vergeefsch gebed, want Mexico Sam voerde zijn vendetta vanaf een veilig gebied. Zijn uiterst geoefend oog had nauwkeurig de grens getrokken. waar de zich verspreidende hagelkorrels hem niet meer konden deren en precies langs die streep bleef hij rijden. Hij galoppeerde plotseling naar rechts en terwijl zijn slachtoffers mee schoven naar de veilige zijde van hun levende verschansing. schoot hij een kogel door den hoed van den procureur. Eén keer vergiste hij zich in den afstand en kwam binnen de draagwijdte der geweren van zijn tegenpartij. Littlefield’s buks knalde en Mexico Sam salueerde met zijn hoed voor ’t toch gevaarlooze schot; een paar hagelkorreltjes raakten even zijn paard, dat prompt over de grenslijn terugsprong. De grensroover vuurde opnieuw; Nancy Derwent gaf een lichten kreet. Littefieid keerde zich naar haar toe en zag bloed langs haar wang loopen. Zijn oogen fonkelden. „Ik ben niet geraakt. Bob — het was een splinter, die me trof- Ik denk, dat hij het zadel geraakt heeft/’ „Damned!” gromde Littlefield. „Als ik maar één kogel had, inplaats van die verwenschte hagelkorreltjes.” Mexico Sam stond stil en mikte nauwkeurig. Fly gaf een korten, pijnlijken hinnik en zakte op den grond, getroffen in den nek. Bess, nu volkomen overtuigd, dat ’t hier geen kievitenjacht meer betrof, steigerde en galoppeerde weg. Onmiddellijk daarna boorde een kogel zich door de panden van Nancy’s rij-jas. „Liggen — liggen?” riep Littlefield kort, „vlak achter ’t paard en plat op den grond, — zoo!” Hij smeet haar bijna achter het lichaam van het doode paard. En vreemd genoeg, op dat oogenblik schoten hem eensklaps de woorden te binnen, die de Mexicaansche hem dien morgen toegevoegd had: „Als het leven van het meisje, dat gij bemint, ooit in gevaar is. herinner U dan Rafael Ortiz.” Littlefield uitte een kreet. „Open het vuur op hem, Nan. over den rug van het paard! Vuur zoo snel je kunt! Je kunt hem niet raken, maar je moet hem even bezig houden; ik heb ’n goed plan.” Nancy wierp 'n vluggen blik op Littlefield en zag hem zijn zakmes voor den dag halen. Toen keerde zij zich weer af om den orders te gehoorzamen en opende een snelvuur op den vijand. Mexico Sam wachtte geduldig, tot de onschadelijke salvo’s zouden eindigen. Hij had den tijd. Hij wou niet ’t gevaar loopen door ’n hagelkorrel in de oogen te worden getroffen, als dit door een weinig voorzorg vermeden kon worden, en dus trok hij zijn breede Stetson wat dieper over ’t gezicht tot het vuren zou ophouden. Toen kwam hij een pas nader en mikte lang en zorgvuldig op wat hij van zijn slachtofferskon zien. Geen van beiden bewoog zich. Om zeker van zijn schot te zijn, dreef hij zijn paard nog eenige passen nader. Hij zag den procureur zich op één knie verheffen en zorgvuldig zijn buks richten. De desparoda trok zijn hoed weer naar beneden en wachtte het gevaarlooze schot af. Het schot uit de buks knalde met een zwaren slag. Mexico Sam richtte zich één oogenblik op. viel toen op zij en gleed langzaam van zijn paard — een doode ratelslang. Om tien uur den volgenden morgen opende het hof de zitting, en het geding van de Vereenigde Staten versus Rafael Ortiz werd aan de orde gesteld. De procureur, den arm in verband, stond op en sprak het hof toe. „Mijne heeren.” begon hij, „ik moet het verzoek doen, deze zaak aan te houden. Zelfs indien de beklaagde schuldig zou zijn aan het ten laste gelegde, heeft ’t hof niet voldoende bewijzen in handen om een veroordeeling te kunnen uitspreken. De valsche dollar, het bewijsstuk, waarop de geheele zaak is gegrond, is niet meer beschikbaar. Dit is de reden, dat ik het verzoek moet doen, de zaak van de rol te voeren.” Rafael Ortiz werd in vrijheid gesteld. Na de zitting wandelde sergeant Kilpatrick het kantoor van den procureur binnen. „Ik kom juist terug van de lijkschouwing op Mexico Sam.” zei hij. „De lui vragen zich af, met wat voor projectiel U hem geschoten heeft, Sir. Ze dachten met spijkers. Ik heb nog nooit meegemaakt, dat een geweerpatroon zulke eigenaardige wonden maakte. „Ik heb Mexico Sam geschoten,” antwoordde de procureur, „met 't schuldbewijs van Rafael Ortiz. Gelukkig voor mij — en nog iemand — dat de dollar zoo bar slecht vervalscht was. Ik kon hem tamelijk makkelijk versnijden en verbuigen tot kogels. ” „O ja. Kil, kan je vanmiddag niet naar de rivier gaan en vragen of de vrouw van Rafael Ortiz morgen thuis is? MissDerwent zou dat graag willen weten.” 8
PDF
Blad 
 van 2380
Records 11201 tot 11205 van 11897