|
Kapitein Reimers met zijn bewakers in Albanië.
DE VRIJGELATEN
GEVANGENEN.
Door de vriendelijkheid
van Kapitein
Reimers, die dezer
dagen in Nederland
is teruggekeerd, zijn
wij in staat gesteld
twee hoogst interessante
kiekjestegeven
van genoemden officieren
Maj. Verhuist,
tijdens hun gevangen
zijn in Albanië genomen.
Vooral de foto,
waar Maj. Verhuist
meer als een Albaneesch
vorst te midden
van zijn „hofhouding”,
dan als ’n
gevangene te midden
van zijn bewakers
troont, zal onze lezers
wel interesseeren.
Majoor Verhuist met de Albaneezen die hem geknipt hebben.
TROUW AAN ZIJN KONING
VERKORTE INHOUD VAN HET VOORGAANDE:
Koningin Henrietta Maria, de voortvluchtige echtgenoote van Karei 1 van
Engeland, zendt Hugh O’Neill met een brief naar den koning. O’Neill verzocht
haar het zoo klein te schrijven, dat het in een medaillon verborgen
kon worden, dat hij aan een ketting om den hals draagt. Hij gaat met
den brief op weg, ontmoet na vier dagen een troep Roundheads, zwemt
een rivier over, doch krijgt een kogel in den arm, waarna hij in een boerderij
gevangen genomen wordt.
zon scheen vroolijk boven zijn hoofd; vogels
kwinkeleerden in de boomen en struiken
rondom hem; sleutelbloemen en viooltjes
groeiden langs den weg; de natuur was schoon
en ieder levend wezen scheen gelukkig, behalve
Hugh O’Neill, die dacht aan den dood die
nabij was. Een ruwe hand greep zijn gewonden arm, hij
slaakte een kreet van pijn; toen verdwenen de ruwe gezichten,
de heerlijke zonneschijn, de mooie natuur, alles: hij viel
bewusteloos neer.
Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij op den rug
in het natte gras. Een der soldaten stootte hem met den
voet tusschen de ribben. Juist naderde een officier te paard,
die vroeg wat hier te doen was.
„Dit is een gevangene, kolonel,” antwoordde de sergeant.
„Waarschijnlijk een koerier. We kunnen echter geen brieven
bij hem vinden. Hij is flauw gevallen.”
„Geef hem te drinken van dit,” zei de officier, den flesch
overreikende, „en breng hem bij ons.” De officier reed verder.
De wijn gaf O’Neill weer nieuwe kracht. Hij stond met
groote moeite op, de soldaten namen hem in hun midden
en leidden hem naar het kamp. Hier aangekomen bleef het
escorte achter, terwijl de sergeant met O’Neill verder ging.
„Je bent nat,” merkte de sergeant op, „maar daar je
toch straks, als kolonel Lambert je verhoord heeft, aan
een dezer boomen hier bengelen zult, is het niet noödig je
kleeren te drogen.”
Lambert kwam tegen den avond in het kamp terug en
een half uur later werd O’Neill in zijn tent gebracht. De
kolonel zat aan een tafel en nuttigde zijn avondmaal. Hij
keek den gevangene eenige oogenblikken onderzoekend
aan en zei toen : „Wel, mijnheer, hoe is uw naam ?”
„Hugh O’Neill. Ik ben een der pages van den koning.”
„Als dat zoo is,” hernam Lambert, terwijl zijn scherpe
blik den jongen man scheen te willen doorboren, „hoe
komt het dan dat ge reist in zulke ongunstige condities
en zoo ver van uw koning?”
„Mijnheer, ik was bij de koningin in Exeter. Ik vergezelde
Hare Majesteit naar Frankrijk. Haar Majesteit verlangde
evenwel dat ik naar den koning zou terugkeeren en daarom
Jandde ik vijf dagen geleden te Shoreham.”
„Je hebt geen tijd verloren, mijnheer,” zei Lambert,
„maar ik onderstel dat de tijdingen die ge bij u draagt geen
uitstel kunnen lijden. Nu, mijnheer O’Neill,” ging hij ernstig
voort, „uw papieren ? Hebt ge die vernietigd ?”
„Neen, mijnheer!”
„Goed ! Dan, tenzij men ze bij de visitatie over het
hoofd zag, hebt ge zeker mondelinge berichten. Welke
deze berichten zijn, wil je me nu wel vertellen.”
Er verliep een lange pauze.
„Wil je niet spreken en je leven redden? Je bent nog jong.”
„Ik ben ruim twintig jaar en heb meermalen mijn leven
gewaagd, maar nimmer mijn eed gebroken !”
„Mijnheer O’Neill,” zei Lambert weer, terwijl hij zijn
horloge te voorschijn haalde, „ik geef u vijf minuten om
na te denken. Als je dan nog tracht je te verzetten, zal ik
de waarheid uit je persen zonder medelijden.”
„Doe wat je wilt,” riep O’Neill uit, „maar je zult mij
nimmer dwingen te spreken.”
Nog nooit hadden vijf minuten aan O’Neill zoo lang
geduurd. Eindelijk stond Lambert op.
„Schildwacht!”
De man trad de tent binnen.
„Roept den sergeant van de wacht. — Mijnheer O’Neill,
uw koningin heeft een getrouwen page. Ik wou dat je in mijn
regiment waart. — Cornet Joice, rijd naar de poort van
Exeter, en vraag audiëntie bij den koning. Zeg dat zijn
page O’Neill in onze handen is en vraag hem of hij dezen
wil terug hebben in ruil voor mijn zoon, Cornet Lambert ?”
* *
* Woest kwam de wind opzetten en joeg dikke, donkerkleurige
wolken in groote drift langs het uitspansel; in
het westen was de hemel echter nog onbewolkt en gouden
zonnestralen beschenen de stad Exeter, toen O’Neill met
zijn escorte voor de poort stilhield. De zon daalde reeds
achter den horizont, als de poort eindelijk geopend werd
en vier soldaten naar buiten traden, een baar dragende
waarop een jonge man lag, dood !
Het was de jonge Lambert.
O’Neill uitte een kreet van afschuw en trok zoo hevig
aan den teugel, dat zijn paard steigerde. Een der soldaten
van het escorte greep het bij den teugel.
„Stijg af I” riep hij met een stem, trillende van woede.
„Je bent vrij. Maar wraak aan de handen die dit onschuldig
bloed vergoten ! Wraak aan allen !”
O’Neill stond op den modderigen weg voor de poort,
terwijl de v!oek van den Roundhead hem in de ooren trilde.
Dit was dus de wijze waarop zijn koning woord hield ! Hij
DE BRAND IN DE RIJKSMUNT.
„De verbrande Munt”, schreven zelfs enkele dagbladen boven hun berichten
en een aantal lezers vreesden al, dat er weer specienood zou komen in
deze benarde dagen! We zijn er onmiddellijk op uitgetrokken en hebben
in ons vorig nummer, één dag na den brand de eerste foto gegeven. De
hier afgedrukte kiek toont bovendien aan. dat slechts een gedeelte van den
linkervleugel van het enorme complex, dat de Munt beslaat, door brand
geteisterd is. De „stootkamer” en de ..reductiekamer” hebben geleden, doch
zij verhinderen het aanmunten geenendeele. Men zij dus gerust'. Geen
ernstige schadepost heeft het Rijk getroffen en de aanmunting staat niet stil.
dacht aan de boodschap die hij bij zich droeg en vroeg zich
af wat grooter kwaad zou zijn, dat zijn zending mislukte
of dat de wereld ’s konings onbetrouwbaarheid zou leeren
kennen. Hij dacht ook aan de koningin en had onmiddellijk
zijn besluit genomen. Zij, in allen geval, zou nimmer deze
schandelijke historie vernemen.
„Sergeant, ik ga mee terug!”
„Wat wil je doen ?” riep deze uit, zijn paard inhoudende.
„Gij hebt gedaan, wat van u kon geëischt worden en, als
het vertrouwen geschonden is, is het niet uw schuld.”
„Ik ga mee terug,” herhaalde O’Neill vastberaden.
Hij reed langzaam, want hij wilde niet onmiddellijk na
het lijk in het kamp terugkeeren.
„Halt!” Hij had het rebellenkamp bereikt.
„Sergeaht,” riep O’Neill luide, „breng mij bij kolonel
Lambert.”
De Roundhead bracht hem bij de tent van den veldheer
en bleef toen staan.
„Er is niemand die den kolonel thans zou durven naderen,”
zei hij. „Als je den moed hebt, ga dan alleen, en God
zij je genadig !”
O’Neill lichtte het zeil voor de opening op en stapte de
tent binnen. In het midden aan den paal hing een lantaarn,
die de tent slechts spaarzaam verlichtte en een zwak
schijnsel wierp op een baar, waarop een jonge man lag.
Naast de baar van zijn zoon stond kolonel Lambert in
droevig gepeins verzonken.
Op het zien van O’Neill, zoo volkomen in zijn macht,
scheen Lambert ten prooi aan een hevigen strijd.
„Mijn God,” riep hij ten laatste uit „Ben je teruggekomen
om mij te bespotten of wil je mij in verzoeking brengen je
te dooden op de vreeselijkste manier, die een man kan
uitdenken ? Zie hier — en zeg mij welk medelijden je verwacht
van Lambert?”
„Slechts dat je mij doodschiet, of doet ophangen, dadelijk
! En dat je mijn dood beschouwt als een zoenoffer,
waardoor ik de schuld van mijn vorst heb betaald.”
„Ben je in Exeter geweest ?”
„Neen !”
„Heb je niets meer te vragen voor je sterft?”
Een plotselinge hoop kwam in O’Neills hart.
„Er is slechts één ding,” zei hij eenvoudig. Hij maakte
zijn breeden kraag los en met een ruk trok hij den ketting
waaraan het medaillon hing, stuk en gaf dit laatste aan
Lambert.
„Wil je dit aan den koning zenden ? Het is alles wat ik
vraag.”
Lambert nam het medaillon aan en bekeek aandachtig
het portret.
„Waarom wensch je dat den koning dit gezonden wordt?”
„Omdat hij, na mijn dood, de eenige rechthebbende is.”
„Wie stelt dit portret voor?”
„Het is mijn moeders beeltenis.”
Lambert keek van het portret naar den jongen man en
van dezen weer naar het portret.
„Ben je een zoon van den koning?” vroeg hij.
O’Neill zweeg. Na een korte pauze boog Lambert zich
over de baar en staarde naar zijn vermoorden zoon.
„Mijnheer O’Neill, uw dood geeft mij mijn zoon niet
terug. Zonder twijfel vertrouwde je op het geheim van je
afkomst. Je oogen zijn echter een open boek, waarin ik
lees de reden van je nobel besluit. — Je hebt nu geleerd
welk vertrouwen te stellen is in het woord van .... dezen
koning: ik leerde het reeds vroeger, jaren geleden. Ga
naar Karei Stuart en zeg hem, dat Lambert, de rebel,
edelmoediger weet te handelen dan de koning.”
De sterren schitterden aan den hemel, toen O’Neill naar
Exeter terugreed. Tegen den ochtend bereikte hij de stad
en stapte de poort binnen. Achter hem in den grijzen morgennevel
lag het rebellenkamp.
|