|
- ■ v r x l • l r
MAX LINDER, de bekende cinema-artist, die
zoovelen door zijn vluggen geest deed genieten,
zou ook als slachtoffer van den oorlog
gevallen zijn.
TROUW AAN
ZIJN KONING
et was reeds laat in den avond. In een der
appartementen van het Louvre bevond zich
koningin Henriette Maria, de voortvluchtige
echtgenoote van Karei I van Engeland.
Ze had zich in haar slaapkamer teruggetrokken
en haar zware statiegewaad verwisseld
voor een gemakkelijk omberkleurige zijden kamerjapon,
Ze was voor den spiegel gezeten, terwijl haar kamenier
bezig was haar kapsel vande kostbare versierselen te ontdoen.
Op dat oogenblik werd er aan de deur geklopt.
„Zie eens wie daar is, Lucy,” zei de koningin. „Als
het lord Jermyn is, vraag hem dan den heer O’Neill tot
mij te zenden, en als hij komt, Lucy, laat ons dan alleen,
ik wil den jongen man alleen spreken.”
Henriette nam een fijnen geborduurden zakdoek op en
begaf zich naar de kamer ernaast, waar een vuur van
cederhout lustig brandde. Zij bleef een oogenblik voor
den haard in de vlammen staren; haar gelaat, verlicht
door het haardvuur en den zachten glans der kaarsen,
zag er vermoeid en bleek uit.
„Wat het ook kosten mag,” mompelde zij, „ik moet
een betrouwbaren bode hebben, die dezen brief veilig
bezorgt. Als ik slechts rekenen kan op de toewijding van
dezen jongen man . . . .”
Op dat oogenblik trof een zacht geluid haar oor. Met
de hand aan de portière die de deur verborg, stond daar
Hugh O’Neill. Zijn oogen waren onafgewend op haar gericht,
vol bewondering en devotie. Hij had daar gestaan
en haar aanschouwd, voor zij zich van zijn aanwezigheid
bewust was, en hij had niet de koningin, maar de vrouw
gezien, — een vrouw in nood en al zijn ridderlijkheid was
in hem ontwaakt.
„Mijnheer O’Neill, ik heb den brief gereed gemaakt, dien
gij naar den koning moet brengen. Gij zult Zijn Majesteit
waarschijnlijk te Exeter vinden,” zei de koningin, terwijl
ze langzaam in een stoel voor haar schrijfbureau neerzonk.
„Hier is de brief, mijnheer ! En nu . . . .”
„Madame,” stamelde de jonge man, „ik kan niet....
ik durf nipt....!”
Bij die woorden sprong de koningin woedend op
„Geen woord meer! Ik begrijp het. Voor een twijfelachtige
zaak mis je den moed. Ik ben zeer in u teleurgesteld.
Ik heb je steeds gerekend onder de weinigen, wier trouw
boven allen twijfel was. Geef mij den brief terug, opdat
ik hem kan geven aan iemand die geen lafaard
is.”
Haar woorden kwetsten O’Neill te meer,
omdat hij niet op zulk een miskenning voorbereid
was.
„Mevrouw,” zei hij, „ik heb niet in ’t minst
verdiend, dat Uw Majesteit mij voor zoo’n
nietswaardigen lafaard houdt. Ik ben niet
bevreesd te sterven of in de gevangenis geworpen
te worpen, maar wel mij het ongenoegen
van Uw Majesteit mij op den hals te halen?’
De koningin keerde hem den rug toe, maar
O’Neill ging op smeekenden toon voort: „Om
’s hemels wil, luister naar mij, madame. Vertelde
Uw Majesteit mij gisteren niet, dat
wanneer deze brief in handen kwam van het
Parlement, dit zou beteekenen dat ’s konings
laatste hoop vervlogen was? En, madame, u
weet hoe moeilijk het is, veilig in het koninklijk
kwartier te komen. Uw boodschappers zijn
zelfs hier in Frankrijk niet veilig. En werd
de brief op mij gevonden, dan, madame, dan
was dat meer dan duizend dooden. Als hij
kon worden verborgen . .. eens steldet ge vertrouwen
in mij, doe het, bid ik u, weer !”
Zijn stem was vol overreding. Niemand
kon hiervoor ongevoelig blijven. Henriette
wendde zich weer tot den jongen man, lei
haar handen op zijn schouders en keek hem
ernstig in de oogen. Deze oogen, welsprekend
Begrafenis van wijlen den heer D. Fockema, in leven hoofdconsul van den A. N. W. B.
De talrijkheid der aanwezigen bij deze plechtigheid bewees duidelijk, hoezeer deze verdienstelijke
sportman algemeen geliefd en geacht was.
en open, staarden onbevreesd in de hare. In het eerst was
haar blik streng geweest en onderzoekend, toen nam haar
gelaat een zachter uitdrukking aan. Haar greep werd
losser, bijna een liefkoozing. Zij glimlachte toen zij zag
dat de hoop in zijn smeekende oogen weerkeerde. Ja, deze
man was trouw.
„Ik geloof je, ik vertrouw je,” zei ze vriendelijk. „Je
oogen pleiten voor je. Wat heb je mij voor te stellen ?”
O’Neill hield haar den brief voor, dien ze hem gegeven had.
„Als Uw Majesteit dezen brief kleiner wilde schrijven,
zoodat hij kon worden verborgen in een medaillon dat
ik draag ?....”
„Geef mij den brief,” zei Henriette.
„Ik zal jé den inhoud meedeelen, zoodat je de tijding
kunt overbrengen door woord en door schrift en ik zal je
dit laatste beknopt geven om aan je woorden kracht bij
te zetten. Waar is het medaillon, dan zal ik het briefje er
in doen ? Waarom aarzel je ?”
„Ik kan het u niet geven, madame!”
„Hoe zoo ?”
„Het zit bevestigd rond mijn hals 1”
„Kom dan wat dichterbij, opdat ik er de maat van neem.”
De zucht te behagen, die in iedere vrouwenborst sluimert,
ontwaakte bij haar. Zij coquetteerde met hem, betooverde
hem, totdat ze de zekerheid had dat hij haar willoos werktuig
was.
O’Neill trad nader, en knielde voor haar neer. Hoewel
zij koningin was, beminde hij haar. Beminde haar niet
als een koele berekenende Sakser, maar met het vurige
temperament van een Kelt. Het bloed der O'Neill’s bruiste
door zijn aderen. In zijn oogen was de koningin nog even
schoon als op den dag toen ze als jonge gelukkige bruid
naar het koninkrijk van haar echtgenoot gekomen was.
Henriette vatte het medaillon vast en liet hierbij haar
hand een oogenblik op zijn hals rusten.
„Waarom beef je, mijn vriend?” riep ze uit. „Neen,
het hoofd omhoog! Zijn wij te leelijk om aangezien te
worden ?”
„Ah, nu zie ik het,” ging ze voort. „Een schoon gelaat,
werkelijk ! Wie is dat meisje ?”
„Madame, het is mijn moeder 1”
„Uw moeders beeltenis ?” herhaalde de koningin peinzend.
„Ja, je gelijkt op haar. Wel, laat ons nu het briefje gereed
maken. Ziezoo dat is klaar. Lees den inhoud ”
H. M. de Koningin, vergezeld van' Generaal Snijders inspecteert de troepen.
(foto C. G. Weers).
KAPITEIN BERKHOUT
van de „Titan”, die zich beijverde velen der
zeelieden van de getorpedeerde Engelsche
kruisers te redden.
O’Neill nam het kleine epistel en trachtte
de achterzijde van het medaillon te openen.
De koningin keek er naar, een minuut
lang.
„Wat beven je handen. Laat mij je
even helpen, kom hier!”
O’Neill kwam naderbij. Iets in zijn gelaat
en in zijn houding waarschuwde haar voor
een uitbarsting van zijn devotie, die heel
iets anders was, dan de toewijding van
een hoveling voor zijn vorstin. Zij zag op hem neer, terwijl
hij daar geknield lag en wist dat hier iemand was die alles
zou geven wat men hem vroeg zonder iets terug te eischen.
Zij opende het medaillon, deed er het briefje in en sloot
het weder; vervolgens rees zij op, met haar beide handen
op zijn schouders rustende.
„Haast je op de reis. We zullen naar je terugkomst
uitzien.”
Hij rees eveneens op, instinctief, om den druk harer
handen zoolang mogelijk te voelen. Het was een moment
van verrukking. Betooverd, boog hij zijn hoofd naar haar
bekoorlijk gelaat; hij hield den adem in, bevreesd de betoovering
te breken.
„Vaarwel, mijnheer !”
Ze legde haar koude blanke hand op de zijne; even
aarzelde hij, toen vatte hij haar hand en bracht die
hartstochtelijk aan zijn lippen. Een oogenblik schrok de
vorstin, het was alsof een vuur haar hand beroerde.
Zacht trok zij deze terug en keek hem aan toegevend,
berouwvol en met eenig zelfverwijt.
„God spare u, O’Neill,” ze zacht.
En O’Neill, het hoofd oogen, als stond hij voor een
heiligenbeeld liep achterwaarts naar de deur.
Een week later bevond O’Neill zich aan de kust van
Shoreham. Zonder geld, zoöals de meesten van zijn stand,
was hij te trotsch geweest geld voor de reis te vragen,
en zoo zag hij zich nu genoodzaakt het verdere van den
tocht te voet af te leggen met nauwelijks geld genoeg voor
een sober maal in zijn zak.
Vier dagen later bereikte hij Ottery St. Mary. Hier ontmoette
hij een troep Roundheads te paard, dien hij slechts
ontkwam door een rivier over te zwemmen. Terwijl hij
den tegenovergestelden oever beklom, kreeg hij een kogel
in den arm. Hij lette hier niet op, want hij had slechts één
gedachte : den afstand tusschen zichzelf en zijn vervolgers
zoo groot mogelijk te maken
Hij rende voort over een moerassigen grond, waar een
wilgenbosch hem een goede schuilplaats bood. Eensklaps
werd hij bevangen door een duizelig gevoel; hij viel neei
tusschen de struiken, bewusteloos door bloedverlies.
Toen hij weer tot bewustzijn kwam, was het geheel duister;
hij lag daar tusschen nat riet en struiken en voelde
zich erg zwak. De morgenzon verkwikte hem
een weinig, hij richtte zich op, doch hij
kon nauwelijks staan en was niet in jtaat
zijn tocht naar Exeter voort te zetten.
Hij was wanhopig. Daar zag hij iets wat hem
weer eenigen moed gaf: op een honderd meter
afstand stond een hut. Als hij daar hulp
kon krijgen, zou hij misschien verder kunnen
reizen. Hij strompelde er heen en op
zijn kloppen werd de deur geopend door een
vrouw met een kind op den arm
„Goede moeder,” smeekte hij, „om ’s hemelswil
help mij!”
Hij behoefde niet verder aan te dringen,
de vrouw was vriendelijk genoeg. Ze zette
haar kind neer en geleidde hem naar een
stoel, sneed zijn goed open en verbond de
wonde zoo goed mogelijk. Juist wilde ze wat
voedsel voor hem halen, toen ze een blik
door het venster werpende, uitriep: „Mijn
man en de soldaten ! Vlucht I”
O’Neill waggelde naar buiten in het door
de zon beschenen veld. Spoedig hoorde hij
geroep en een dozijn soldaten kwamen op
hem toeloopen. Een oogenblik trachtte hij nog
zich te verdedigen, maar hij was er te zwak
voor. In een oogenblik was hem zijn zwaard afgenomen
en stond hij daar gebonden, een
gewonde, hulpelooze gevangene.
(Wordt vervolgd).
|