Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1051 tot 1055 van 11897
Nummer
1914, nr.14, 2 oct. 1914
Blad
06
Tekst
HET ONGELUKSGETAL et was de avond voor den slag van Austerlitz. De aarde w*as gehuld in een dikken mist en een koude wind woei over de woestenij. Het was midden in den winter, een koude, strenge winter. Het slagveld werd zwak verlicht door wachtvuren rond welke groepen soldaten verkleumd ineengedoken zaten. Slechts enkele geluiden hoorde men in de doodsche stilte rondom: het geroep derschildwachten en hun voetstappen op den hardbevroren grond. Een luid „qui vive” verbrak soms het eentonig geloop, maar slechts kort; want dan ging het weer opnieuw dertien stappen voorwaarts, dertien stappen terug, altijd hetzelfde den geheelen langen, droevigen nacht. Rond een groot vuur van pijnboomenhout lagen de generaal en de officieren van de dragonders. Sommigen rookten sigaretten, anderen sliepen, een paar brachten den tijd door met dobbelen, de gevaren van den volgenden dag blijkbaar als een bagatel beschouwende. De generaal sliep niet. Hij zat met het hoofd in de handen, in diep gepeins verzonken. Een paar maal scheen hij uit zijn droomerij op te schrikken en wierp hij een haastigen blik rond zich als de stap van den schildwacht nader kwam. „We zijn allen hier, mijn vrienden/’ zei hij, „met ons twaalven. Dat is een goed getal.” „U is de dertiende, mijn generaal,” merkte een kapitein van de jagers lachend op. „Ongelukkig hè ?” „Par Dieu, dat is zoo!” hernam de generaal. Zijn stem daalde een weinig. Hij haalde de schouders op en ging dan voort op onverschilligen toon, terwijl hij rondom zich keek. „Wat ’n ellendige nacht 1” Achtereenvolgens vielen de officieren de een na den ander in slaap, behalve de generaal. Alles was weldra ingeslapen behalve de generaal en de langzaam stappende schildwacht. Dertien stappen heen en dertien terug door den akeligen winternacht zonder afleiding. „Sacre !” mompelde de generaal, een halfuitgedoofden tak in het vuur schoppende. „Die vervloekte schildwacht maakt me gek. Waarom keert hij met den twaalfden stap niet terug of loopt er veertien. Het doet mij huiveren.” Hij keek peinzend naar de slapende officieren. Zijn aide-de-campVillanelle lag op eenigen afstand van hemin diepen slaap. De flikkering van het kampvuur verlichte zijn gelaat. Villanelle was waarschijnlijk 35 jaar, hoewel de krullende lokken rondom zijn slapen hem jonger deden schijnen en hem een ietwat vrouwelijk voorkomen gaven. Een korte baard en knevel verborg welhaast de schoonheid van het bleeke ovale gelaat. Hij was flink gebouwd en een elegante verschijning. Eerst eenige maanden geleden had hij zich bij de fransche troepen gevoegd en hoewel hij een franschen naam droeg, vermoedde men toch dat hij van vreemden adel was. Hij sprak vloeiend fransch en duitsch. Voor de restwasVillanellede komiek onder zijne kameraden en de favoriet van het leger. De oude generaal hadvanaf ’ teersteoogenblik ’n groote belangstelling gevoed voor den knappen soldaat, die reeds bij menige gelegenheid getoond had een man te zijn wiens raad mocht worden op prijs gesteld en wiens moed in het gevaar weergaloos was. Zij weiden onafscheidelijk van elkaar, Villanelle echter beantwoordde de toegenegenheid van zijn chef met een nonchalance alsof ze hem rechtens toekwam. De oude generaal boog zich over hem heen; een lichte vrees teekende zich op zijn oude verweerde trekken af, toen hij in het koude bleeke gelaat van den jongen man staarde. „Slaap je, kameraad ?” fluisterde hij. Villanelle rees op en knipte met de oogen. „Neen, generaal,” zei hij. „Is het reeds reveille?” „Neen, het is pas middernacht, maar ik kan den slaap niet vatten. Ik stel voor dat we een poosje opzitten en een praatje maken. Bovendien — er is iets dat ik je gaarne zou vertellen als je niet al te moe bent om te luisteren.” „Het is te koud om te slapen,” geeuwde Villanelle, het vuur wat oprakelende. „Een gezellig praatje zal ons helpen door den nacht te komen.” „Morgen,” begon de generaal, „zal er een groote slag geleverd worden; een slag die in de annalen der wereldgeschiedenis zal geboekt worden. Ik heb een voorgevoel, dat ik gedood zal worden in het gevecht of na den slag zal worden doodgeschoten. Luister goed naar wat ik je vertellen zal en noem me „dwaas” als ik geëindigd ben. Het is morgen dertien jaar geleden dat ik een trotsch man beleedigde. Het was een jonge duitscher, de graaf Von Walder. Misschien heb je zijn naam wel eens gehoord. Hij was een prachtkerel, maar trotsch als Lucifer. Het eerst ontmoette ik hem op een van mijn reizen in Duitschland. Wij werden dikke vrienden, hoewel ik oud genoeg was om zijn vader te wezen. We gingen samen op jacht, speelden kaart en waren onafscheidelijk. Toen gebeurde er iets dat aan deze vriendschap voor altijd een eind maakte. „Een vrouw kwam in het spel. Een vrouw die we beiden leerden beminnen, de schoone Antoinette d’Aubiguey. Ze werd later mijn vrouw! — Natuurlijk was Von Walder de bevoorrechte. Ze werden verloofd. Stel je mijn woede voor. Ik was een man van omstreeks vijftig jaar en zij was een jong meisje, van nauwelijks achttien. Ik beminde haar met geheel mijn hart, en zij scheen te begrijpen wat ik in haar verloren had en, misschien uit medelijden, coquetteerde ze met mij, gebruikte ze mij als een willoos speeltuig. Ik maakte mij aangenaam bij haar als haar verloofde soms weken lang met zijn vrienden op de jacht was. Natuurlijk begon Antoinette te treuren over de voortdurende afwezigheid en veronachtzaming van haar verloofde en het was toen dat ik in haar hart het zaad uitstrooide van haat en ontrouw tegen den man, dien ik voor zijn verloving had liefgehad als een zoon. Ze was zwak genoeg om mijn leugens te gelooven, en eindelijk bereid met mij te vluchten. „Het was gedurende een lange afwezigheid van Von Walder dat we onze toebereidselen maakten. Ik zou haar naar Parijs voeren voorloopig, tot we gehuwd waren. De nacht van onze vlucht was aangebroken. Ik gevoelde mij als Faust, toen hij de onschuldige Margaretha verleidde. Ik wilde aan de gevolgen niet denken. Alles was mij gunstig. Ik bereikte dan ook mijn doel, doch anders dan ik gedacht had en op een meer tragische wijze. Op het oogenblik dat we beiden vertrekken zouden, werd de deur der kamer wijd opengeworpen en zagen we Von Walder met zijn vriend Vicomte Raoul de Clarens in de deuropening staan. Nimmer zal ik Von Walder’s gezicht vergeten, toen hij met één doordringenden blik den toestand overzag. Hij stond daar onbeweeglijk, als in steen veranderd met een gelaat wit als marmer. Toen met een glimlach, die mij ellendig maakte, trad hij op zijn bruid toe, nam galant haar arm en geleidde haar naar het rijtuig dat wachtte. De vicomte had aan de MET UUR VERLOF. Met het oog op den beperkten treinenloop is er in een van de garnizoensplaatsen van Overijsel een autodienst ingesteld, die des avonds de militairen, die met 24 uur verlof gaan, naar hun plaats van best . nming brengt. kamerdeur postgevat met getrokken zwaard, ten einde elke poging van mij om te ontvluchten te voorkomen. Ik was echter veel te verbijsterd door de houding van Von Walder om een stap te verzetten. Een oogenblik later was hij lerug en stond tegenover mij. „Zoo was dat jou doel,” zei hij verachtelijk. En toen op een toon, die mij als een doodsgelui in de ooren klonk, barstte hij los: ,;Luister I Ik wasch mijn handen van Antoinette af. Zij is van jou en je mag met haar zoo gelukkig zijn als je kunt. Ga 1 Neem haar mee, waarheen je wilt, maar uit mijn gezicht. Ik zou je kunnen dooden als ik wilde, maar ik geef de voorkeur aan een meer artistieke wraak. Dit is mijn idee I Ik zal je dooden als je op hét toppunt staat van je militairen roem. Dan, als je van het slagveld komt, overladen met eer, zal ik je door het hart schieten voor deze beleediging den naam van Von Walder aangedaan. Geef mij jou ring als een bewijs dat je haar trouw zult blijven. Ga I” „Ik overhandigde hem den ring dien ik voor Antoinette bestemd had. Aan de binnenzijde stonden gegraveerd de woorden : „Je t’aime !” „Hij gaf mij den zijne in ruil en vreemd genoeg, dezelfde woorden waren hierin gegrifd in ’t duitsch, „Ich liebe dich!” „Hij en de Vicomte geleidden mij van de kamer naar het wachtende rijtuig en opende dit. Antoinette zat daar, doodsbleek en bevende van woede of berouw. „Bon voyage!” riep hij ons na, te gelijkertijd salueerende met spottende beleefdheid. „Denk aan je belofte ƒ” „Morgen,” ging de generaal voort, op bijna fluisterenden toon, „zal Napoleon een groote overwinning behalen en ik zal gedood worden. Ik voel het 1” „Is mademoiselle Antoinette nog steeds uw vrouw?’ vroeg Villanelle met een eigenaardigen glimlach. „Ja, par Dieu, en ik kon eerder een marmer beeld uit het Louvre gehuwd hebben. Dertien jaren wonen we in hetzelfde huis, zijn in dezelfde kamer en toch zijn we verder van elkander verwijderd dan wanneer de zee tusschen ons was. O, het is vreeselijkl” De oude generaal kreunde, en begroef het gelaat in de handen, terwijl hij met zwakke stem voortging: „Vanaf den dag dat je mijn adjudant werd. Villanelle, voelde ik mij tot je aangetrokken en besloot je een hoofdstuk te vertellen uit de geschiedenis van een dwaas, ter waarschuwing voor je in later jaren. Jij bent nog een jong man, mijn leven is haast afgeloopen. Morgen komt een eind aan mijn ellende. Ik ben niet bevreesd voor den dood, mijn vriend; maar de ring aan mijn vinger herinnert mij steeds aan dat ellendig voorval, dat mij als een kwade droom vervolgt.” „Nonsense, generaal,” zei Villanelle. „Je moet niet toegeven aan zulke dwaze gedachten op een oogenblik waarin je al je koelbloedigheid noodig hebt. Uw zenuwgestel is een weinig geschokt. Maar. ...” ging hij op profetischen toon voort, „morgen zal de Kleine Korporaal nieuwe lauweren halen. Ik heb dat reeds maanden voorzien.” „We zullen zien,” mompelde de generaal, terwijl hij zijn best deed niet te luisteren naar den eentonigen stap van den schildwacht, over den harden grond. „Geloof jij aan voorteekens, mijn vriend?” vroeg hij. „Ik heb opgehouden in iets te gelooven,” antwoordde Villanelle met een eigenaardige trilling in zijn stem. „Gelukkig mensch 1” zei de generaal. „Het getal dertien is voor mij altijd van bijzondere beteekenis geweest. Het was de dertiende dag der maand, toen ik mijn vriend beleedigde. Morgen is het de dertiende verjaardag van mijn ongelukkig huwelijk met Antoinette. Twaalf maal was ik in den strijd zonder eenig succes te behalen, morgen is het de dertiende maal. We zijn met ons dertienen hier vanavond rondom het vuur. Luister 1” Weer klonk duidelijk de ferme, eentonige stap van den schildwacht; dertien stappen heen, dertien stappen terug, niet één meer of minder. * * ♦ Op den morgen van dien dag, die in de geschiedenis beroemd zou zijn als de dag van Austerlitz, reed de generaal, hoewel bleek en in de grimmige overtuig ng, dat wat de dag ook brengen zou. nederlaag of overwinning, zijn einde nabij was, aan het hoofd van zijn schitterende troepen. Hij had alle laffe vrees van zich geschud. Als hij sterven moest in den strijd of daarna, dan zou hij sterven als een dapper soldaat van het fransche leger. Villanelle was voortdurend aan zijn zijde. „Het is een heerlijk gezicht, mijn vriend,” riep hij, met schitterende oogen, als zij beiden op hun rossen gezeten den opmarsch der linietroepen aanschouwden en zagen hoe de oostenrijksch-russische infanterie onder den aanval der Franschen viel als korenaren onder den zeis. De strijd kwam nader en de dragonders renden er op in als een horde van demonen onder aanvoering van hun dapperen generaal, die daar zoo opgewekt reed aan het hoofd van zijn brigade, met zijn getrouwen aide-de-camp naast zich. De Oostenrijksche gelederen waren zeer gedund en schenen op het punt den moed te verliezen. Nog een paar uur, misschien spoediger zou’t Fransche leger overwinnaar zijn. Elk soldaat scheen dit te begrijpen en streed met ongetemden moed en volharding, en als bij intuïtie klonk overal uit de verdroogde kelen de kreet: „Vive 1’empereur!” Bijna op ditzelfde oogenblik stortte de dappere generaal van zijn paard, met een kogel in de borst. Villanelle was dadelijk aan zijn zijde en trachtte den bloedstroom te stelpen. „Ik ben stervende, mijn jongen,” stamelde hij. „Mijn voorgevoel heeft mij niet bedrogen. Maar de Franschen hebben gewonnen. Gelukkig 1” Hij zonk neer, uitgeput. Villanelle goot een weinig brandewijn tusschen de lippen van den stervende. „Ah I God zegen je. Villanelle,” murmelde hij, met een zwakken glimlach: „Het is gauw gedaan.” „Mijn generaal,” fluisterde Villanelle diep bewogen, „ik heb mijn geheim lang bewaard, maar nu zal ik spreken; Ik ben Von Walder!” Een 'traan van groote zielesmart rolde langs het magere verbleekte gelaat van den generaal. „Ik kwam bij het fransche leger/’ ging Von Walder voort, „met de plannen van een moordenaar. Maar ik ben je gaan achten en liefhebben, mijn generaal, in spijt van mijzelf. Gij waart een vader voor het leger en eens mijn vriend!” Hij trok van zijn vinger den ring, dien de generaal hem eens gegeven had en wierp hem ver weg. „Vergeef mij, mijn jongen ! Ik stal je geluk en je vrouw 1” „Laat ons van haar niet meer spreken,” riep Von Walder uit. „Ze is het niet waard. Zij heeft mijn hart in steen veranderd. — Gij hebt vreeselijk geleden deze dertien jaar. Het was trots die mij drong u in het leven te laten, trots van een Von Walder om in. het bijzijn van een vriend mijn vernederingen uit te wisschen. Het was een vreeselijke wraak. Vergeef mij!” „Laat ons elkander vergeven,” mompelde de stervende en met een trek van vrede op het gelaat, het hoofd aan de borst van zijn trouwste vriend, blies hij den laatsten adem uit.
PDF
Nummer
1914, nr.14, 2 oct. 1914
Blad
07
Tekst
Groeneveld, Ruempol & C° Prins Hendrikkade 68. AMSTERDAM. Electro-Technisch Bureau. Telefoonnummers > 4827 en 10421. Telegram-Adres: VELDRUM. KONINKL. NEDERL. SIGARENFABRIEKEN E ' 1 ƒ? - Amsterdam ugene uoulmy£ƒBaar s-HeriOgenboS ch STOKHUYZEN’S VRUCHTEN LIM. merk „RHENA”. 'i Hoogst bereikte op ’t gebied van Limonade. 1.1. Sloomtruclilensao- en MM, ilphen i. d. D. f'A, Mad= Recamier 5 cents Sigaar. Bekroond om. OEN HAAG. LONDEN. PARUS. ANTWERPEN. met de H006Slf Onderscheidingen. INTERC.TEL.NT25 KIH6KA-WEPPEL. A.BX.CSK *?*STM* Onder cenfrèk ren hefBoferconhèie Sfahon. GtLDtRLAND-OrOiUSEL rtteVENTER ONDER RIJKSTOEZICHT. BLIKVERPAKKING vo°" EXPORT. HANDELSMERK LEVERING DIRECT AAN PARTICULIEREN. SUIKERZIEKTE Mij. ORVIËTANOSE. Nicolaïstraat 23, den Haag. Na een driejarig bestaan kan men spreken van burgerrecht. Orviëtanose heeft dit recht verkregen temeer nu een bekend en geacht medicus te Haarlem, de Heer F. Lochnaar Docter, deze Orviëtanose in een open brief, die op aanvrage gratis wordt toegezonden, aanbeveelt. P. 3. VAN PINXTEREN, Tailleur. keizersgracht 17. AMSTERDAM. Abonnement voor één jaar Telefoon 6713. B. f5-50 per maand, bij vooruitbetaling. Een Kostuum, een Demisaison en een Pantalon, öf een Kostuum en Winterjas. f7.50 per maand, bij vooruitbetaling. Een Jacquelkostuum, een Colbertkosfuum, een Pantalon en een Fantasie vest of twee kostuums en een Demisaison. De goederen blijven het eigendom van de geabonneerden. Dames-Mantelkostuums dezelfde conditiën. LICHT- en KOOKGAS Zonder Leiding* IJselmonde. (Telef. Int. 4022 Oet Rotterdam). -sDE „SWAN” VULPEN Geschikt voor ELKE hand; is wereldberoemd als = DE BESTE = Wacht U voor namaak I Geïllustreerde Prijscourant gratis. Verkrijgbaar bij alle solide handelaren in schrijfbehoeften en aanverwante artikelen. Hoofdagenten: QEBRs. POLAK. afd. SWANvulpen, VLISSINQEN. LA PLUS MENTHE FINE MARQUÉ VERTE COINTREAU DRAISMA VAMVALKENBURG’S LEVERTRAAN-: LEEUWARDEN® CN VENTE PARTOUT MOOIE VORMEN. Wondervolle Buste en blanke huid verkrijgt en behoudt iedere Dame van eiken leeftijd door mijn methode. Uitwendig gebruik. Succes gegar. Zend adres en 5 cents postzegel en U ontvangt gratis inlichtingen. Malson NIEMANN. A’dam, Da Costakade 43 M, huis. Spreekuur 11 'sm. — 9 ’s av. P. SLUIS. VOGEL-EN PLUIMVEEVOEDER ’-ÏEN^ A.R □£ WAART. J COMPLÉTE MEUBILEÊRING ISINüEL.2©. AMSTÊKDAMI La grande Marqué francaise de Crème de Menthe □BkEEfOSÜS TEL 92I4 0U VRAAGT GEÏLL PRUSCOURANT SinCZL 0U Ofc trra-V.-yg't 2 MIN-VANAF LiJ.l Ronot luth-neRK eenTKt sTxvnoMea American . Importing Co. AMERICAN MANUFACTURERS AGENTS 197. KEIZERSGRACHT. AMSTERDAM. ROTOGRAVURE: ’n ideaal-procédé :: voor elk soort Drukwerk :: CADEAU! OC ledige Stello Doosjes 9eonenereenh‘ Vulpen I prachtigen HouderI ZEGT HET VOORT! 0WTEN HAVE?< KALVËRSTRAAT kj hetsr» AMSTER DAM WANDTEKSTEN B'JBELSCHE PLATEN KERKBOEKEN PRACHTWERKEN -0066 ZWITSERSCHE PHOTO SUoee ENNER-MEUBELEN WETTIG GEDEPONEERD ILLENS. INV. NOORDWOLDf FR. Te bekomen door de voornaamste Meubelhandelaars, of direct van de fabriek CATALOGUS OP AANVRAAG VERKRIJGBAAR N. V. Nederl. Rietvlechtfabriek Directeur G. 3. ANKERMAN Noordwolde Fr.
PDF
Nummer
1914, nr.14, 2 oct. 1914
Blad
08
Tekst
HMINUKAMA-OORLOGSKAART XIV a. y Nondrin Wodart ( £B=^orfnc/f>. Arxlernat NAMEN 1 JoBohio/ K • j / r \ Yieisolm *. cïS*' ', X'V. [SSQU PHiUeshtim um v hobeeken i fprXbrfWitlid' ? o\£Dudeldon oArden* 'ettrau* 5immerh uwe WHubeet Kirchberg X Kreubtnach KirrjQ^— 'ïrrtcasiel Neufchaleau ^renkdjs 'Oberstein goumholdt toont f/wza Routoun Sorteren & 'puzoncv cWoyZiers udenburi 'è{1?erzik lOnville /oSo \^_BouzomfiHe 'elzefitfs&<^' 'SoolonOR^ Lorujuyai ’ftndPré wfoueor, AQonnt / damboche X lOulóuemont v/| '^Alietsbxw^aar cChembky Tbioucovrtff * Pont a Mousse Dommortin nauewn Vaobecourt Frpestranaé óDieuze'L W*x ^o—-* Mtuioi SgLoryvin \Vgsse/o» ZX O STRASSbU ’caïht i & ifofir/iMfty ppisej 1 O^Rirecoor’ Cerikn/ler^^ Rod*JÈEot ^^ftatnforril/eK \?Chaïel\ < Neurchacü uiaincourt/r Ptourteno Clefmonk CÜLMA brdhurek tmirertv o^kurifiProlh 'reen \orros fQreztnes )uncc e zwz^ry^TWi? JL-W'ir*/■ iDannwnori ESOUL ) geUggT»# » !■ ƒ Sceysvrfao* (led Mon^bour ?)} ghtrnbreiïslein 9S*6otr$- \h
PDF
Nummer
1914, nr.14, 3 oct. 1914
Blad
09
Tekst
1 "iN DIT NUMMER BEVINDT ZICH OP DE LAATSTE BLADZIJDE EEN OORLOGSKAART 3 Oct. 1914 No. 14B 2E Jaargang DIT nummer kost (afzonderlijk gekocht) 7 /2 CENT UITGAVE VAN A. W. SIJTHOFF'S U ITGEVERS-M AATSCHAPPIJ, LEIDEN Redactie en Administratie: DOEZASTRAAT 1 - Telefoonnummer 1 ABONNEMENTEN PER JAAR /5.2O FRANCO AAN HUIS BEZORGD GENERAAL JOFFRE, de Opperbevelhebber van het Fransche leger in dezen oorlog werd in 1852 geboren en vocht als tweede luitenant in den oorlog van 1870 mede. Tijdens het beleg van Parijs was hij commandant van een der batterijen. Generaal Joffre staat bekend als een der beste legercommandanten zoowel wat de theoretische studie als de practische uitwerking betreft. Zijn doelbewust optreden en sobere mededeelingen tijdens dezen veldtocht hebben hem van het volkomen vertrouwen zijner landen bondgenooten verzekerd. Eigenaardig is, hoe van Engelsche zijde hem den bijnaam van den Zwijger werd gegeven.
PDF
Nummer
1914, nr.14, 3 oct. 1914
Blad
10
Tekst
en meisje om te stelen, Sam ! zei Piet Rensing, terwijl hij met zijn vriend en collega van kantoor naar huis wandelde. „Oogen als een paar lichtblauwe viooltjes en haar als . . . als vloeibaar goud. En een figuurtje! Prachtig! Niet zoo’n kurassier, neen, elegant, soepel, allerliefst! Om eiken man in extase te brengen.” „En wil ze niks van je weten ?” informeerde Samuel Plesmeyer. „Zij wel, maar haar vader niet,” zei Rensing verontwaardigd. „’t Is een vrekkige, kleingeestige oude sukkel, die zijn tijd doorbrengt met vlinders vangen. De laatste maal dat ik kwam, dreigde hij den hond op me los te laten, als ik niet gauw maakte dat ik wegkwam.” „En wat deed je toen ?” vroeg Plesmeyer nieuwsgierig. „Ik smeerde ’m natuurlijk,” antwoordde Rensing gemelijk. „’k Had geen zin met den oude te redetwisten.” „Dat zal je toch wel moeten doen,” merkte Plesmeyer op, ;„als je zijn tegenstand overwinnen wil. Toen ik nog in het verre Westen was” (hij had eens een paar weken in Amerika doorgebracht en liet geen gelegenheid voorbijgaan hierop te zinspelen en zich voor te doen, alsof Buffalo Bill en andere helden der prairiën maar kwajongens waren bij hem vergeleken). „Toen ik nog in de Far West was, kende ik ook iemand die van zijn aanstaanden schoonvader geen toestemming kon krijgen. En weet je wat hij deed ? Hij nam zijn revolver en schoot zooveel gaten in de lucht rondom den ouden heer zijn hoofd, dat deze van angst maar gauw zijn toestemming gaf.” „Ja, ik wou dat ik ook zoo knap met de revolver kon omgaan, dan zou ik den oude ook zoo’n kool stoven,” peinsde Rensing; toen opeens zijn vriend een slag op den schouder gevende, riep hij verheugd uit: „Drommels, Sam, jij bent mijn man. Jij kunt dat zaakje voor mij in orde brengen.” „Tut, tut! Ik wil het meisje niet trouwen,” zei Sam haastig. „Niet noodig, man ! Dat zal ik wel doen ! Maar jij trekt er op af, met je cowboyhoed op, je mantel, je mokassins en je andere paperassen aan, neemt je revolver mee en maakt dat de ouwe heer schriftelijk zijn toestemming geeft. Hij is een zenuwachtig bang baasje en doet dadelijk wat je hem vraagt, zoodra hij je proppenschieter ziet. En dan,” ging Rensing enthousiast voort, „kom ik en trouw mijn ideaal.” „Hm!” mompelde Plesmeyer. „Dat wil dan zeggen, dat ik het werk doe en jij met de belooning gaat strijken.” „Samuel!” riep de ander verontwaardigd uit, „ik wist niet dat jij er zulke zelfzuchtige, bekrompen beschouwingen op na hield. Bovendien wat ’n fraaie geschiedenis zou ’t zijn om aan de lui op kantoor te vertellen.” Dit laatste argument maakte indruk op Plesmeyer. Er waren onder de collega’s enkele hatelijke, afgunstige snuiters, die het durfden wagen de heldendaden van Samuel Plesmeyer in de prairie bedreven in twijfel te trekken. Het zou natuurlijk aan die nietswaardige spotters den mond snoeren en bovendien aan andere verhalen, die hij mocht verzinnen, meer schijn van waarheid geven. „Hm ! ’t Is toch nog al gevaarlijk !” zei hij aarzelend, maar reeds half overwonnen. „Daar heb je bijv. de politie !” „O 1” antwoordde Piet Rensing op overtuigenden toon. „De oude is veel te zenuwachtig en later veel te bang zich belachelijk te maken, om er de politie in te halen.” „Nou, akkoord!” besloot Plesmeyer, blufferig. „Je moet er mij echter later geen verwijt van maken als je huwelijk je niet bevalt!” En zoo geschiedde het dat den eerstvolgenden Zaterdagmiddag Samuel Plesmeyer, gehuld in een wijden mantel en breedgeranden hoed, met een paar geelleeren beenkappen om en gewapend met een revolver op reis ging naar het nabij gelegen dorpje waar in een klein landhuisje troonde de vader van het meisje dat op het gemoed van zijn vriend zoo’n onuitwischbaren indruk had gemaakt. Piet bracht hem naar de tram. „Nou, ouwe jongen,” zei deze, toen Plesmeyer reeds was ingestapt, „maak je om ’s hemelswil niet belachelijk door op het laatste oogenblik terug te krabbelen.” „Hoor eens,” antwoordde de beleedigde afgezant, „ik vind het geen lollige opdracht, maar als je denkt dat ik de zaak nou op zal geven, dan ben je glad abuis.” „Nou, nou, word maar niet kwaad !” kalmeerde Rensing. „Des te beter! Want weet je, ik heb aan al de kennissen geschreven wat je plan is. Als je het dus niet ten uitvoer bracht, zou je er wat over te hooren krijgen !” Plesmeyer gromde en viel op zijn zitplaats neer en terwijl de tram in beweging kwam, wierp hij nog een laatsten ontevreden, geringschattenden blik op zijn vriend, die afscheid nam en, in zichzelven glimlachend, zijn weg vervolgde. Die beroerde kerel met zijn briefschrijverij. Hij was voornemens geweest aan de eerste halte uit te stijgen en met de volgende tram terug te keeren. Dat ging nu niet, want dan was hij voor goed de risee van de heele bende. Zenuwachug haalde hij de revolver te voorschijn en nam tersluiks de kogels er uit, die hij naar buiten wierp. Zie zoo, nu kon dat lamme ding gelukkig niet onvoorziens afgaan. Ja, er zat nu niets anders op dan de oude heer Poelman op te zoeken. „Och, ik kan altijd nog teruggaan,” peinsde Samuel, De krijgsverrichtingen aan de Servisch-Oostenrijksche grens. Onze foto’s geven door de Oostenrijkers gevangen genomen groepen Servische soldaten. „en dan een of ander smoesje verzinnen om Rensing te vreden te stellen. Maar daarom is het beter als ik de oude heer zie, dan wordt het geloofwaardiger.” Door deze bespiegelingen bemoedigd wandelde hij in het dorp aangekomen naar de woning van den heer Poelman. Daar zag hij op een gazon achter het huis een klein mager mannetje met een bril op en een schepnet in de hand jacht makende op een vlinder. „Ik heb hem !” riep het oude heertje triomfantelijk met zijn net zwaaiende. „Nee — ja, ik heb ’m,” riep hij nogmaals en sloeg vlak voor Plesmeyer zijn vlindernet op den grond. „Vraag wel excuus, mijnheer, maar ik heb hem !” „Mijnheer Poelman, geloof ik?” zei Plesmeyer zenuwachtig. „Om u te dienen, meneer,” zei deze beleefd. „De vader van Lize Poelman?” ging Samuel voort. „Juist!” antwoordde de ander een weinig verwonderd. Plesmeyer hoestte eens en aarzelde, doch dat duurde maar kort. Op eens de hand in zijn broekzak stekende, haalde hij zijn revolver te voorschijn. „Om ’s hemels wil!” riep de oude heer verschrikt uit. „Neem dat ding weg !” en hij maakte aanstalten om te vluchten. „Blijf staan !” beval de ander, moedig wordende. „Er is geen gevaar voor mijn vrienden. Ik hanteerde dit wapen reeds toen ik nog zóó klein was !” en hij wees de grootte aan van een pasgeboren wicht. De heer Poelman keek hem vreesachtig aan. „Pas op 1” zei hij. „’t Mocht eens afgaan.” „Als het afgaat,” herhaalde Plesmeyer somber, „dan valt er een doode !” ?,Juist,” stemde de heer Poelman toe. „Daarom heb ik zoo het land aan die soort dingen.” „Ik meen,” ging Samuel gewichtig vóórt, „dat ik nimmer mis, als ik schiet.” „Hoe interessant,” verklaarde de oude heer, die langzamerhand van den schrik scheen te bekomen. „U kunt geld verdienen in een variété. Maar u zult me verontschuldigen, ik moet noodzakelijk naar huis.” „Blijf!” bulderde Plesmeyer, terwijl hij zijn revolver zoo dreigend op den ouden heer richtte, dat deze zich niets op zijn gemak gevoelde. „Ik moet met je spreken over het huwelijk van je dochter.” „O, ja 1” gaf de heer Poelman toe, terwijl hij het angstzweet van zijn voorhoofd wischte. „U heeft gelijk, zullen we aanstonds naar het stadhuis gaan ?” „Je schriftelijke toestemming is voldoende.” „Zoo, zoo ! Wilt u dan maar met mij mee naar huis gaan ?” Samuel Plesmeyer lachte in zijn vuistje, het plan scheen warempel te zullen slagen. „Je behoeft niet in huis te gaan,” zei hij echter een weinig achterdochtig, toen ze de woning genaderdwaren. „Roep iemand van uw huisgenooten en laat die papier, pen en inkt brengen, dan kunt u hier uw toestemming schrijven.” Gehoorzaam aan dit bevel, verhief de heer Poelman zijn stem en toen even daarna een jonge dame aan een der ramen verscheen, vroeg hij haar de noodige schrijfbehoefte te brengen. Een paar minuten later kwam ze naar buiten en keek nieuwsgierig naar de beide mannen. Toen Samuel haar zag, stond hij een oogenblik sprakeloos van teleurstelling. Was dat nu het meisje om te stelen ? Hij had verwacht een stralende schoonheid te zien, doch in plaats hiervan zag hij een plomp klein meisje, met blauwe oogen, dat is waar. maar met een mopneus en roode haren. Was dat nu vloeibaar goud ? . . . . Onderwijl fluisterde de heer Poelman zijn dochter toe, terwijl hij pen en inkt aannam: „Het is bepaald de gek die uit het gesticht hier gevlucht is. Hij wil met je trouwen en nu tracht ik hem maar een beetje in zijn humeur te houden.” „Niet fluisteren daar!” riep Plesmeyer opeens. „Het is in orde juffrouw Lize!” ging hij voort en maakte tegen haar allerlei mimen, die het meisje moesten duidelijk maken dat hij de man was die alle hinderpalen voor haar huwelijk met Rensing uit den weg had geruimd. „Lieve hemel! ’t Is afschuwelijk!” mompelde Lize, terwijl ze haastig wegliep. „Maar ik zal hem in zijn humeur brengen !” Plesmeyer keek wel een weinig teleurgesteld, toen ze wegliep, maar onmiddellijk zag hij haar van achter het huis weer terug komen, nu met een afschuwelijken buldog aan een ketting. „Die gek ! Ik zal hem wel genezen !” riep ze woedend uit. „Allo Pluto, pak hem! ksst Pluto !” Plesmeyer keek razend van angst rond. Die vervloekte dog kwam op hem afrennen en achter hem juffrouw Lize, die dat vreeselijke beest nog aanhitste. En de oude heer Poelman deed ook mee. Ten einde raad smeet hij de ledige revolver in het gras en naar een dicht bij staanden boom vliegende, begon hij deze te beklimmen met een vlugheid, die in andere omstandigheden zeker zijn trots zou hebben opgewekt. „Pas op hem, Pluto !” zei Lize tot den dog, die woedend onder den boom stond. „Vergeef me,” riep Plesmeyer op deemoedigen toon. „Ik geef toe, mijn handeling moet u een beetje vreemd voorkomen, maar als . . . .” „Kom mee, Pa!” zei Lize, terwijl ze haar vader meetroonde naar een tuinhuisje. Samuel keek hen beide na en dacht in woede aan Rensing, die nu kalm en wel in zijn stamcafé zat. Hij probeerde naar beneden te klauteren. „Goeie hond!” zei hij vleiend tegen de schildwacht beneden. „Aardig beest! Ah, Pluto is zoet, hè. Goeie dog.” Pluto scheen onvatbaar voor gevlei, want toen Plesmeyer zich wat te laag waagde, sprong de dog tegen den stam op en deed woedende pogingen om een van Samuels beenen te pakken. „Wat zal hiervan ’t eind wel zijn ?” zuchtte hij wanhopig, terwijl hij zich weer haastte een hooger en veiliger schuilplaats te vinden. Toen opeens zag hij de oude heer en zijn dochter weer naderen, beiden een groote tuinpomp rijdende. „Wat ga je nu beginnen ?” vroeg hij angstig, toen hij (Vervolg op pagina 6) VAN JE VRIENDEN MOET JE ’T HEBBEN HUMORESKE. NAVERTELD DOOR COR Z -—
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1051 tot 1055 van 11897