|
en meisje om te stelen, Sam ! zei Piet
Rensing, terwijl hij met zijn vriend en
collega van kantoor naar huis wandelde.
„Oogen als een paar lichtblauwe viooltjes
en haar als . . . als vloeibaar goud. En
een figuurtje! Prachtig! Niet zoo’n kurassier,
neen, elegant, soepel, allerliefst!
Om eiken man in extase te brengen.”
„En wil ze niks van je weten ?” informeerde Samuel
Plesmeyer.
„Zij wel, maar haar vader niet,” zei Rensing verontwaardigd.
„’t Is een vrekkige, kleingeestige oude sukkel,
die zijn tijd doorbrengt met vlinders vangen. De laatste
maal dat ik kwam, dreigde hij den hond op me los te laten,
als ik niet gauw maakte dat ik wegkwam.”
„En wat deed je toen ?” vroeg Plesmeyer
nieuwsgierig.
„Ik smeerde ’m natuurlijk,” antwoordde
Rensing gemelijk. „’k Had geen zin met den
oude te redetwisten.”
„Dat zal je toch wel moeten doen,” merkte
Plesmeyer op, ;„als je zijn tegenstand overwinnen
wil. Toen ik nog in het verre Westen
was” (hij had eens een paar weken in Amerika
doorgebracht en liet geen gelegenheid voorbijgaan
hierop te zinspelen en zich voor te doen,
alsof Buffalo Bill en andere helden der prairiën
maar kwajongens waren bij hem vergeleken).
„Toen ik nog in de Far West was, kende ik
ook iemand die van zijn aanstaanden schoonvader
geen toestemming kon krijgen. En weet
je wat hij deed ? Hij nam zijn revolver en
schoot zooveel gaten in de lucht rondom den
ouden heer zijn hoofd, dat deze van angst
maar gauw zijn toestemming gaf.”
„Ja, ik wou dat ik ook zoo knap met de
revolver kon omgaan, dan zou ik den oude
ook zoo’n kool stoven,” peinsde Rensing; toen
opeens zijn vriend een slag op den schouder
gevende, riep hij verheugd uit: „Drommels,
Sam, jij bent mijn man. Jij kunt dat zaakje
voor mij in orde brengen.”
„Tut, tut! Ik wil het meisje niet trouwen,”
zei Sam haastig.
„Niet noodig, man ! Dat zal ik wel doen !
Maar jij trekt er op af, met je cowboyhoed
op, je mantel, je mokassins en je andere
paperassen aan, neemt je revolver mee en
maakt dat de ouwe heer schriftelijk zijn toestemming
geeft. Hij is een zenuwachtig bang
baasje en doet dadelijk wat je hem vraagt,
zoodra hij je proppenschieter ziet. En dan,”
ging Rensing enthousiast voort, „kom ik en
trouw mijn ideaal.”
„Hm!” mompelde Plesmeyer. „Dat wil dan
zeggen, dat ik het werk doe en jij met de belooning
gaat strijken.”
„Samuel!” riep de ander verontwaardigd uit,
„ik wist niet dat jij er zulke zelfzuchtige,
bekrompen beschouwingen op na hield. Bovendien
wat ’n fraaie geschiedenis zou ’t zijn om
aan de lui op kantoor te vertellen.”
Dit laatste argument maakte indruk op
Plesmeyer. Er waren onder de collega’s enkele
hatelijke, afgunstige snuiters, die het durfden
wagen de heldendaden van Samuel Plesmeyer
in de prairie bedreven in twijfel te trekken.
Het zou natuurlijk aan die nietswaardige
spotters den mond snoeren en bovendien aan
andere verhalen, die hij mocht verzinnen, meer
schijn van waarheid geven. „Hm ! ’t Is toch nog al gevaarlijk
!” zei hij aarzelend, maar reeds half overwonnen.
„Daar heb je bijv. de politie !”
„O 1” antwoordde Piet Rensing op overtuigenden toon.
„De oude is veel te zenuwachtig en later veel te bang zich
belachelijk te maken, om er de politie in te halen.”
„Nou, akkoord!” besloot Plesmeyer, blufferig. „Je
moet er mij echter later geen verwijt van maken als je
huwelijk je niet bevalt!”
En zoo geschiedde het dat den eerstvolgenden Zaterdagmiddag
Samuel Plesmeyer, gehuld in een wijden mantel en
breedgeranden hoed, met een paar geelleeren beenkappen om
en gewapend met een revolver op reis ging naar het nabij
gelegen dorpje waar in een klein landhuisje troonde de
vader van het meisje dat op het gemoed van zijn vriend
zoo’n onuitwischbaren indruk had gemaakt. Piet bracht
hem naar de tram.
„Nou, ouwe jongen,” zei deze, toen Plesmeyer reeds
was ingestapt, „maak je om ’s hemelswil niet belachelijk
door op het laatste oogenblik terug te krabbelen.”
„Hoor eens,” antwoordde de beleedigde afgezant, „ik
vind het geen lollige opdracht, maar als je denkt dat ik
de zaak nou op zal geven, dan ben je glad abuis.”
„Nou, nou, word maar niet kwaad !” kalmeerde Rensing.
„Des te beter! Want weet je, ik heb aan al de kennissen
geschreven wat je plan is. Als je het dus niet ten
uitvoer bracht, zou je er wat over te hooren krijgen !”
Plesmeyer gromde en viel op zijn zitplaats neer en terwijl
de tram in beweging kwam, wierp hij nog een laatsten
ontevreden, geringschattenden blik op zijn vriend, die
afscheid nam en, in zichzelven glimlachend, zijn weg vervolgde.
Die beroerde kerel met zijn briefschrijverij. Hij was
voornemens geweest aan de eerste halte uit te stijgen en
met de volgende tram terug te keeren. Dat ging nu niet,
want dan was hij voor goed de risee van de heele bende.
Zenuwachug haalde hij de revolver te voorschijn en nam
tersluiks de kogels er uit, die hij naar buiten wierp. Zie
zoo, nu kon dat lamme ding gelukkig niet onvoorziens
afgaan. Ja, er zat nu niets anders op dan de oude heer
Poelman op te zoeken.
„Och, ik kan altijd nog teruggaan,” peinsde Samuel,
De krijgsverrichtingen aan de Servisch-Oostenrijksche grens.
Onze foto’s geven door de Oostenrijkers gevangen genomen groepen Servische soldaten.
„en dan een of ander smoesje verzinnen om Rensing te
vreden te stellen. Maar daarom is het beter als ik de oude
heer zie, dan wordt het geloofwaardiger.”
Door deze bespiegelingen bemoedigd wandelde hij in
het dorp aangekomen naar de woning van den heer Poelman.
Daar zag hij op een gazon achter het huis een
klein mager mannetje met een bril op en een schepnet
in de hand jacht makende op een vlinder.
„Ik heb hem !” riep het oude heertje triomfantelijk
met zijn net zwaaiende. „Nee — ja, ik heb ’m,” riep hij
nogmaals en sloeg vlak voor Plesmeyer zijn vlindernet
op den grond. „Vraag wel excuus, mijnheer, maar ik heb
hem !”
„Mijnheer Poelman, geloof ik?” zei Plesmeyer zenuwachtig.
„Om u te dienen, meneer,” zei deze beleefd.
„De vader van Lize Poelman?” ging Samuel voort.
„Juist!” antwoordde de ander een weinig verwonderd.
Plesmeyer hoestte eens en aarzelde, doch dat duurde
maar kort. Op eens de hand in zijn broekzak stekende,
haalde hij zijn revolver te voorschijn.
„Om ’s hemels wil!” riep de oude heer verschrikt uit.
„Neem dat ding weg !” en hij maakte aanstalten om te
vluchten.
„Blijf staan !” beval de ander, moedig wordende. „Er
is geen gevaar voor mijn vrienden. Ik hanteerde dit wapen
reeds toen ik nog zóó klein was !” en hij wees de grootte
aan van een pasgeboren wicht.
De heer Poelman keek hem vreesachtig aan.
„Pas op 1” zei hij. „’t Mocht eens afgaan.”
„Als het afgaat,” herhaalde Plesmeyer somber, „dan
valt er een doode !”
?,Juist,” stemde de heer Poelman toe. „Daarom heb ik
zoo het land aan die soort dingen.”
„Ik meen,” ging Samuel gewichtig vóórt, „dat ik nimmer
mis, als ik schiet.”
„Hoe interessant,” verklaarde de oude heer, die langzamerhand
van den schrik scheen te bekomen. „U kunt
geld verdienen in een variété. Maar u zult me verontschuldigen,
ik moet noodzakelijk naar huis.”
„Blijf!” bulderde Plesmeyer, terwijl hij zijn revolver
zoo dreigend op den ouden heer richtte, dat deze zich
niets op zijn gemak gevoelde. „Ik moet met je spreken
over het huwelijk van je dochter.”
„O, ja 1” gaf de heer Poelman toe, terwijl hij
het angstzweet van zijn voorhoofd wischte.
„U heeft gelijk, zullen we aanstonds naar
het stadhuis gaan ?”
„Je schriftelijke toestemming is voldoende.”
„Zoo, zoo ! Wilt u dan maar met mij mee
naar huis gaan ?”
Samuel Plesmeyer lachte in zijn vuistje, het
plan scheen warempel te zullen slagen.
„Je behoeft niet in huis te gaan,” zei hij
echter een weinig achterdochtig, toen ze de
woning genaderdwaren. „Roep iemand van
uw huisgenooten en laat die papier, pen en
inkt brengen, dan kunt u hier uw toestemming
schrijven.”
Gehoorzaam aan dit bevel, verhief de heer
Poelman zijn stem en toen even daarna een
jonge dame aan een der ramen verscheen,
vroeg hij haar de noodige schrijfbehoefte te
brengen.
Een paar minuten later kwam ze naar buiten
en keek nieuwsgierig naar de beide mannen.
Toen Samuel haar zag, stond hij een oogenblik
sprakeloos van teleurstelling. Was dat
nu het meisje om te stelen ? Hij had verwacht
een stralende schoonheid te zien, doch
in plaats hiervan zag hij een plomp klein
meisje, met blauwe oogen, dat is waar. maar
met een mopneus en roode haren. Was dat
nu vloeibaar goud ? . . . .
Onderwijl fluisterde de heer Poelman zijn
dochter toe, terwijl hij pen en inkt aannam:
„Het is bepaald de gek die uit het gesticht
hier gevlucht is. Hij wil met je trouwen
en nu tracht ik hem maar een beetje in
zijn humeur te houden.”
„Niet fluisteren daar!” riep Plesmeyer opeens.
„Het is in orde juffrouw Lize!” ging
hij voort en maakte tegen haar allerlei mimen,
die het meisje moesten duidelijk maken dat hij
de man was die alle hinderpalen voor haar
huwelijk met Rensing uit den weg had geruimd.
„Lieve hemel! ’t Is afschuwelijk!” mompelde
Lize, terwijl ze haastig wegliep. „Maar ik zal
hem in zijn humeur brengen !”
Plesmeyer keek wel een weinig teleurgesteld,
toen ze wegliep, maar onmiddellijk zag hij
haar van achter het huis weer terug komen,
nu met een afschuwelijken buldog aan een
ketting.
„Die gek ! Ik zal hem wel genezen !” riep
ze woedend uit. „Allo Pluto, pak hem! ksst
Pluto !”
Plesmeyer keek razend van angst rond. Die
vervloekte dog kwam op hem afrennen en achter hem
juffrouw Lize, die dat vreeselijke beest nog aanhitste. En
de oude heer Poelman deed ook mee. Ten einde raad smeet
hij de ledige revolver in het gras en naar een dicht bij
staanden boom vliegende, begon hij deze te beklimmen
met een vlugheid, die in andere omstandigheden zeker
zijn trots zou hebben opgewekt.
„Pas op hem, Pluto !” zei Lize tot den dog, die woedend
onder den boom stond.
„Vergeef me,” riep Plesmeyer op deemoedigen toon.
„Ik geef toe, mijn handeling moet u een beetje vreemd
voorkomen, maar als . . . .”
„Kom mee, Pa!” zei Lize, terwijl ze haar vader meetroonde
naar een tuinhuisje.
Samuel keek hen beide na en dacht in woede aan Rensing,
die nu kalm en wel in zijn stamcafé zat. Hij probeerde
naar beneden te klauteren.
„Goeie hond!” zei hij vleiend tegen de schildwacht
beneden. „Aardig beest! Ah, Pluto is zoet, hè. Goeie dog.”
Pluto scheen onvatbaar voor gevlei, want toen Plesmeyer
zich wat te laag waagde, sprong de dog tegen den stam
op en deed woedende pogingen om een van Samuels beenen
te pakken.
„Wat zal hiervan ’t eind wel zijn ?” zuchtte hij wanhopig,
terwijl hij zich weer haastte een hooger en veiliger schuilplaats
te vinden. Toen opeens zag hij de oude heer en zijn
dochter weer naderen, beiden een groote tuinpomp rijdende.
„Wat ga je nu beginnen ?” vroeg hij angstig, toen hij
(Vervolg op pagina 6)
VAN JE VRIENDEN MOET JE ’T HEBBEN
HUMORESKE. NAVERTELD DOOR COR Z -—
|