|
r
DE OORLOG AAN DE DUITSCH-RUSSISCHE GRENS
........................_____________________________ ......................................................................................................................................................................................................................-
Door de Duitschers op de Russen buitgemaakte geweren. Een «‘^geslagen Russische vliegmachine die nu door de Duitschers vervoerd wordt,
33 teneinde enkele onderdeden nog te gebruiken.
hen verschillende geheimzinnige toebereidselen zag maken.
„Je nieuwsgierigheid zal spoedig bevredigd worden,”
zei Lize grimmig. „Papa u moet pompen, dan zal ik
spuiten.”
En Papa pompte, pompte met ijver en volharding,
terwijl zijn dochter de slang vasthield en deze zoo goed
richtte, dat Samuel Plesmeyer weldra geen drogen draad
meer aan zijn lijf had. Hoe hij zich ook keerde of wendde
hij kon aan den goedgerichten waterstraal, die vooral op
zijn gezicht gemunt was, niet ontkomen. Beneden zat
Pluto de verrichtingen met alle aandacht te beschouwen.
Blijkbaar was de hond van meening, dat zijn baas bezig
was dat individu uit den boom te spuiten als een kluifje
voor hem.
Toen de pomp eindelijk ledig was, hing de ongelukkige
Samuel als een natte vaatdoek aan een der takken. Pluto
keek zeer teleurgesteld, maar bleef geduldig zitten in afwachting
van wat er verder gebeuren zou.
,,Ziezoo 1” zei Lize, terwijl ze haar slachtoffer met voldoening
aanschouwde. „Het is een warme dag, hij zal dus
wel in een paar uur opgedroogd zijn.”
„Goeie hemel 1” riep de ongelukkige huwelijksmakelaar
in wanhoop uit. „Hoe lang ben je van plan me hier te
laten zitten.”
„Tot je bewakers gekomen zijn, natuurlijk,” antwoordde
Lize.
Ondertusschen had het nieuv van den gevangen gek
zich door het dorp verspreid, en een menigte nieuwsgierigen
hadden zich rondom den boom verzameld. Sommigen
van de toeschouwers stelden voor om het stortbad of, eigenlijk
het spuitbad nog eens te herhalen, opdat de gek goed
zou worden afgekoeld.
„Och, ik geloof niet dat het noodig is,” meende Lize.
„We kunnen hem wel naar beneden laten komen. Hij is
nu niet gevaarlijk meer.”
In waarheid zag de druipende Plesmeyer er meer beklagenswaardig
dan gevaarlijk uit. Toch was het meerendeel
der omstanders hiervan niet overtuigd.
„Je kunt gekken nooit vertrouwen,” merkte de tuinman
op. „Laten we hem liever nog een flinke douche geven,
dat koelt de waanzin af 1”
Dit voorstel vond algemeene instemming.
„O I als jullie toch maar eens naar me luisteren wilden,”
klaagde de ongelukkige in den boom, „in plaats van dat
verwenschte water me in mijn gezicht te spuiten.”
In wanhoop keek hij rond naar een medelijdend gezicht;
toen opeens verkeerde zijn wanhoop en verdriet
in blijdschap. Hij herademde, want daar, aan het tuinhek
met de handen in de zakken, het tafereel met de grootste
belangstelling gadeslaande, stond Piet Rensing. In de
vreugde van het oogenblik voegde hij een paar heete tranen,
tranen van blijdschap bij het vele vocht dat hem pas zoo
rijkelijk was toebedeeld.
„Kijk Papa !” zei Lize, toen ook zij den nieuw aangekomene
opmerkte, „daar heb je dien vervelenden kwibus,
die mij laatst zoo lastig viel !”
„Ik zie dat je hem gevangen hebt,” zei Piet Rensing,
terwijl hij de menschengroep rondom den boom naderde.
„Ik zal hem wel van u overnemen.”
„Ken je hem?” „Ben je zijn bewaker?” „Wie is hij?”
klonk het in hoor.
„Neen, zijn bewaker ben ik niet,” zei de verraderlijke
vriend, „maar ik weet wie hij is. Ik zal me wel met hem
belasten, als u het goedvindt.”
„Zou ’t veilig wezen?” vroeg de oude heer Poelman. „Kijk
eens hoe woedend hij is ! Hij moet in het dwangbuis, geloof
ik.”
Tot het uiterste geprikkeld door dergelijke beoordeelingen
braakte de arme Plesmeyer in zijn woede zulke
onsamenhangende verwarde zinnen uit, dat dit gevoegd
bij zijn allererbarmelijkste verschijning hem ongetwijfeld
een plaats in de best verzekerde cel van een krankzinnigengesticht
zou hebben bezorgd.
Piet Rensing baande zich een weg door de menigte en
sprak zijn beklagenswaardigen vriend op fluisterenden
toon toe. Pluto was bereids onder hevig protest zijnerzijds
naar zijn hok teruggebracht.
PJesmeyer weigerde te luisteren naar de fluisterende
woorden van zijn vriend en stortte al de fiolen van zijn
toorn op diens hoofd uit.
„Jou verraderlijk beest,” schold Samuel, nog woedender
door de onverstoorbaarheid van zijn vriend. „Kijk nu
eens in wat een lamme situatie je. me gebracht hebt en
dan over me te praten alsof ik een gek ben 1”
„Is dat nu de dank, dien ik oogst,” antwoordde Rensing
op fluistertoon. „Had ik dat geweten dan was ik niet
gekomen. Ik heb nog niet eens gegeten maar ben dadelijk
hierheen gekomen, nadat ik haar had thuis gebracht 1”
„Haar? Haar? Wie!” vroeg Samuel ten hoogste verwonderd.
„Wel ’n pracht van een meisje. Oogen donker en mooi
als een paar Orchideeën,” ging Rensing enthousiast voort.
„Haar zwart als de nacht en een figuur flink, koninklijk,
om voor te knielen. Ik ontmoette haar in het park een
uur nadat jij vertrokken was. Ik ben wat blij, Sam, dat
je de zaak hier niet in orde hebt gebracht. Ik was er doodsbenauwd
voor!”
„Oh,” hoonde Samuel met een ironie waarvan de beteekenis
voor zijn vriend verloren ging. „Jij bent dus blij
dat jouw aanzoek hier niet doorgegaan is, niet waar?”
„Dol blij, ouwe jongen !” was het antwoord van Piet.
„Zoo,” hernam Samuel met een boosaardige tinteling
in zijn oogen. „Zoo, ben jij dol blij. Dan zal ik hier de lui
eens even uitleggen wat ’n schoelje je ben.”
„Ga je gang,” antwoordde Piet rustig. „Maar — als
jij praat, praat ik ook en dan vertel ik aan al de lui op
kantoor wat ’n mooie rol je hier gespeeld hebt. Dat geeft
stof tot lachen voor minstens een half jaar !”
Plesmeyer was ontwapend, hij gaf zich op genade en
ongenade aan zijn vriend over. Hij liet zelfs stilzwijgend
toe dat Rensing hem bij zijn kraag vatte en door de menigte
leidde. Toen zij voorbij Lize gingen, beantwoordde deze
den groet van Piet zeer vriendelijk en roemde luide zijn
moed om zoo’n gevaarlijken gek alleen te bedwingen.
„Ze was toch niet kwaad,” merkte Piet op toen de beide
vrienden het dorp verlaten hadden. „Maar een beetje
nietig en bovendien houd ik niet van roodharige meisjes,
’t is mijn smaak niet. — Neen dan die andere, Sam, jongen,
om te stelen. Oogen donkerbruin als kastanjes en haar
als . . . .”
„Loop naar de pomp 1” mompelde Sam.
„Ik heb geen douche noodig, amice 1”
De verwensching die nu volgde, laten we gevoeglijkheidshalve
maar achterwege.
Door de Russen achtergelaten machinegeweren, die in handen der Duitschers
gevallen zijn.
Veldkeukens, die de Russen achtergelaten hebben.
|