|
MOEDER
DOOR P. SCHRAVESANDE
et half toegeknepen oogen door haar
schitterende brilglazen kijkt oud moedertje
op de pendule. Half acht! Ze
wachtte al wel een uur met de thee.
Waar blijft Nettie nu toch ? Zes uur
sluit het kantoor; maar het is in den
laatsten tijd dikwijls te laat. Onrustig
schuift ze even ’t gordijn terug en tuurt
een oogenblik in de donkere straat. Neen, nog niets. Dan,
met kleine schuifpasjes sloft ze naar de theetafel, draait met
onzekere hand het spirituslichtje wat lager en zet zich,
moeilijk, in den grooten stoel.
Verschrompeld oud vrouwtje nu, zoo zittend onder het
heldere gaslicht, de zwaar beaderde handen gevouwen in
den schoot. Zij peinst, nu ze zoo gansch alleen wacht, over
vroeger, over jaren, jaren terug, over den tijd dien wij, jongeren,
bekrompen plegen te noemen en die toch veel goeds
had bij al zijn kleinzieligheid.
De oude oogen krijgen een starende uitdrukking; ze
merkt niet, dat haar bril langzaam afglijdt, haar in den
schoot valt.
O, ze had reden tot dankbaarheid. Zorgen, geldelijke
zorgen tenminste, had ze nooit gekend; het was altijd goed
gegaan. Haar man had veel geld verdiend. Even, zenuwachtig,
bewogen zich haar handen als ze dacht aan hem, dien
ze toch had liefgehad, heel lief en die haar ontnomen was,
verzwolgen door de wreede zee, nu twintig jaar geleden al,
haar alleen latend met haar drie meisjes.
Nel was al getrouwd, had zelf kindertjes nu, en er legden
DE OORZAAK VAN DEN OORLOG.
Talrijke malen is er reeds op gewezen, dat de reuzen bewapeningsfabrieken
niet onschuldig zijn aan het uitbreken van
een oorlog. De laatst gevoerde processen hebben ons nog doen
zien, dat zij in werkelijkheid niet vrij uitgaan. Daarom meenden
wij ook onder deze foto, waarop men een werkman bezig
ziet het fijne mechanisme van een groot kanon te maken, te
kunnen zetten: De oorzaak van den oorlog.
zich plots vriendelijke rimpeltjes rond haar oogen en haar
ingevallen mond plooide zich tot een glimlach. Lieve grootmoeder
was ze nu.
Toen was Celeste gestorven, haar tweede, haar mooiste
kind. De glimlach verdween, de oude oogen werden weer
strak. D&t was wel hard geweest, had haar oud gemaakt,
lang voor haar tijd. Ze zou flinker geweest zijn, sterker ook,
als dat haar niet gebroken had.
Nu had ze alleen nog Nettie thuis, haarjongste. Toen Nettie
vijftien was mocht ze komen op ’t kantoor bij de groote
cargadoors, in wier dienst haar lieve vader den dood gevonden
had, op zee. Ze namen haar uit medelijden toen, ach,
ze wist het wel, maar nu, ze zouden haar nu niet graag meer
missen, nu ze tien jaar gewerkt had en trots lichtte op het
oude gelaat, trots om haar jongste kind, dat zich zoo flink
een positie verworven had, dat werken kon en graag wilde
geven haar jonge krachten voor haar lieve, oude moeder. Niemand
had een dochter als Nettie. Ze wist het, dat nooit
iemand zich kon dringen tusschen hun liefde ; ze voelde
dat het zoo blijven zou, dat het niet anders kón tusschen
hen beiden, totdat ze moesten scheiden ....
Ze schrikt op uit haar peinzen door het toeslaan der
straatdeur. Vlugge schreden op de trap en Nettie is thuis.
„Dag Moe!”, klinkt haar jonge, volle stem, brekend
de loome stilte van zooeven en zich buigend drukt ze voorzichtig
een kus op het voorhoofd van Moeder.
„Dag kind, wat ben je laat. Er is toch niets gebeurd?”
PANORAMA-VERSPREIDING TE VELDE.
Een onzer fotografen, die in gewone omstandigheden zich beijvert
het uiterlijk van Panorama zoo aantrekkelijk mogelijk
te doen zijn, is door de mobilisatie opgeroepen. Hij tracht
thans, door de verspreiding van ons blad onder zijn collega’s,
mobilisatie-mannen, de goede geest te versterken.
en een beetje ongerust kijkt ze op in het blozend gezichtje
van Nettie.
„Ja, Moe, er is iets gebeurd, maar mogen we eerst eten,
dèn zal ik *t vertellen.”
„Is het iets goeds?” vraagt Moeder nog, nieuwsgierig.
,,'k Geloof het wel, Moes, maar ik zeg nog niets, eerst eten!”
Moe heeft toch niet zooveel trek als anders en steelsgewijze
ziet ze over de tafel naar Nettie, met soms iets onrustigs
in haar oogen ; ook beeft haar hand wat meer dan anders
als ze Nettie thee inschenkt.
„Nu, Moesje, kom nu naast me op de sofa zitten, dan
zal ik U een verhaal vertellen, een heel oud verhaal. Mag
ik het gas uitdoen en de schemerlamp aansteken?”
„Maar Net, zeg nu toch eerst eens welk nieuws je hebt”,
drong Moeder met zachte stem. „Heb je weer opslag gehad?”
„Dat zou toch te mooi zijn.”
Nettie gaf geen antwoord. De zacht-roode gloed der schemerlamp
verlichtte haar droomerige blauwe oogen. Ze
trok Moeder naast zich op de sofa en begon haar verhaal:
„Er was eens, Moes, een meisje, dat alleen stond op de
wereld en geen geld bezat.”
„Dus zooals jij, hè Net, behalve dat wij elkaar hebben,
nietwaar?” en zacht drukte Moeder Nettie’s hand.
Het lamplicht belette te zien, dat Nettie bloosde.
„Ja Moe, een Moeder had het meisje ook, alleen, ik bedoel,
ze had niemand, die voor haar zorgde, zooals ik geloof, dat
een man, van wien een meisje veel houdt, dat doen kan.
Een man, zooals Papa moet geweest zijn. Begrijpt U, Moes?”
„Ja, ja” knikt Moedertje, ze begrijpt het wel.
„Dat meisje dan”, vervolgt Nettie, „slaagde erin op een
groot handelskantoor een plaats te krijgen. Het was maar
een bescheiden plaatsje, dat ze eerst bekleedde, een heel
bescheiden plaatsje, maar langzamerhand begon men te
bemerken, dat het meisje beter en gewichtiger werk kon
waarnemen. Ze klom op dat kantoor hooger op en werd
eindelijk de vertrouwde correspondente van de firmanten.
Ze verdiende tamelijk veel geld en was heel gelukkig.
De firmanten bestonden uit vader en zoon. De vader was
een energiek oud handelsman, voor wien elk op de Beurs
'eerbied en achting had en de zoon was een gentleman, door
en door, die in alle opzichten de voetstappen zijns vaders
drukte. De zaak ging steeds vooruit en de firmanten werden
schatrijk.
H. M. DE KONINGIN-MOEDER.
In onze vorige nummers hebben wij de portretten van H.M. de
Koningin en van H. K. H. Prinses Juliana gegeven. Hierbij
kunnen wij onzen lezers een der jongste opnamen van H. M. de
Koningin-Moeder aanbieden.
Op zekeren morgen werd het meisje door den patroon
in de privé-kamer geroepen. Hij begon haar, zooals gewoonlijk,
te dicteeren. Ik geloof — Moesje, U luistert toch wel,
nietwaar ? — ik geloof, dat het meisje er nogal goed uitzag.
Laten we zeggen, dat ze Marie heette. Toen dan de jonge
patroon nog niet eens een halven brief gedicteerd had,
wierp hij plotseling zijn papieren neer en legde bei zijn
handen op die van het meisje, dat vreeselijk zenuwachtig
werd.”
„Marie”, zei hij eenvoudig, „ik heb je lief. Wil je mijn
vrouw zijn?”
„Begrijpt U wat dat voor een arm meisje was, Moe ?”
vroeg Nettie met schitterende oogen.
„En wat antwoordde het meisje?” vroeg Moesje met
haperende stem en tranen in de oude oogen.
„Het meisje antwoordde, dat ze een oude moeder had,
voor wie ze werken moest en die haar zoo noode missen kon.”
Toen kwamen weer de vriendelijke rimpeltjes in het
gelaat van oud moedertje, en gansch gerustgesteld nu, zei ze :
„Dat wilde die jonge, rijke mijnheer natuurlijk niet hè,
zoo’n oude Moeder bij zich in huis?”
„Neen Moes, dat had hij liever niet en dat kan men hem
toch ook niet zoo kwalijk nemen. Maar raadt eens wat hij
aanbood ?j”
„Nu?” vroeg Moeder angstig.
„Hij wilde dat oude Moedertje van zijn meisje voor
zijn rekening in een inrichting koopen, waar oude, deftige
dames hare laatste jaren rustig doorbrengen en gezellig
met elkaar omgaan, levend nog in den ouden tijd.
„En wat zei het meisje ?” „Ze antwoordde, Moes, dat ze
’t heel mooi vond en dat ze ’t ook heel gezellig zou vinden
voor haar lieve, oude moeder, wanneer ze zou kunnen omgaan
met deftige dames van haar leeftijd.
„Moet ik O nog zeggen wie het meisje is, Moes ? U heeft het
al begrepen, nietwaar?”
DE GEVOLGEN VAN DEN OORLOG.
Na de oorzaak de • gevolgen. En hoe vreeselijk de laatste
ook zijn, ja voor een groot deel onherstelbaar, het doet goed
te bemerken, hoe in alle landen getracht wordt het geleden
leed te verzachten. Ons beeldje geeft een aardig Duitsch meisje,
dat haar grimmigen bulldog leert, de gaven voor het Roode
Kruis in ontvangst te nemen.
Ja,” zei Moes toonloos „ik heb het al begrepen.” „En hoe
vindt U het, Moesje, zoudt U er zin in hebben ?”
„Ja ik zou er wel zin in hebben”, kwam ze langzaam.
„Ja, ja,” herhaalde ze, „dat zou zoo wel goed geschikt zijn,”
en ze knikte, starend, in de toekomst, die haar langzaam
ontnemen zou de liefde van haar kind, die ze toch wel
grooter zich had gedacht.
„U bent een schat van een moeder”, zei Nettie en ze
kuste haar, hartstochtelijk, maar er scheen iets uitgerukb
uit haar moederhart, er was iemand tusschen hunne liefde
gekomen en het viel haar wel tegen van Nettie, dat ze dat
zoo ineens toegegeven had, van die inrichting, dat ze niet
gezegd had iets van „is het nu niet mogelijk, dat ik mijn
oude moedertje ook kan behouden voor die paar jaren
die ze misschien nog te leven heeft ?” Maar ze zou niet
passen toch, in zoo’n deftigen kring, ze was maar eenvoudig
en al zoo oud ! O, vooral nu voelde ze zich zoo oud, zoo moe.
......... Dan was het toch ook eigenlijk maar het beste zoo,
als ze tenminste van hem hield, en ineens, vol Nettie aanziende
met haar meestal starende oogen, vraagde ze ’t:
„Hou-je van hem, Net?”
„Ja, Moe, al lang, en eiken dag dat tegenover hem zitten
en nooit het geringste durven hopen ____
„O Moes, U begrijpt niet hoe gelukkig ik ben !”
Toen sloeg in haar oude hart de moederliefde wijd de
vleugelen uit.
„Ja,” zei ze zacht, maar met vaste stem, „ze wilde wel
gaan dan, naar die inrichting ____
|