|
Een Brief van Joopie
(Oorlogscorrespondent)
n mijn echtelijk leven is het nu en dan — we
hebben geen kinderen — nog al eens voorgekomen,
dat mijn vrouw zei: „We moesten
eens een dagje naar Brussel gaan !”
Gewoonlijk had ik daar geen overwegend
bezwaar tegen. Maar ’t was mij toch alsof ik
de 42 c.M. kanonnen van het Duitsche leger bij Parijs
hoorde donderen, toen zij mir nichts, dir nichts diezelfde
vraag stelde te Maastricht, waar nog ons hoofdkwartier was.
„We moesten eens een dagje naar Brussel gaan !”
Wei, ik zal niet beweren, dat ’t in Maastricht amusant
is voor een oorlogscorrespondent. Aardige menschen,
daar niet van, maar de oorlog was al lang te ver af, zóó
dat er te Maastricht zelfs niets meer van te liegen viel.
Van mijn meest bekwame collega’s was er dan ook nog
maar één overgebleven, gedachtig aan het: wie ’t laatst
liegt, liegt het best. Maar mijn eigen fantaisie wilde in de
Limburgsche hoofdstad niet meer werken. Ik vermoed
dat gaandeweg het bier het drukinkt-gehalte van mijn
reporterbloed aanmerkelijk heeft verdund. Hoe het zij,
te „verslaan” viel er in Maastricht niets meer en aangezien
het met het hengelen ook al niet best vlotte, kon ik' me
er heel goed in vinden om „Momus,” den vluchtelingen en
den gewonden een „vaarwel” toe te roepen, dat volstrekt
niet als het laatste bedoeld zou zijn.
Maar — naar Brussel ?
Zoo’n idéé kan alleen bij een vrouw opkomen.
„Wat moet je in Brussel doen ?” vroeg ik.
„Nou, zei ze, ik heb wel ’n beetje nieuwe plunje noodig,
want ik loop hier maar aldoor in datzelfde grijze pakje.
En ’n nieuwe hoed, en handschoenen, je weet wel, in dat
winkeltje op den Boulevard Anspach, 3 franc 95, goedkoop!
EEN HULDE AAN HET
Deze medaille werd ons door de vriendelijke bemiddeling van
den heer Abrahamsen, Passageboekhandel, den Haag, afge-
’t Is allemaal veel goedkooper dan in den Haag en we halen
er de kosten best uit, want jij hebt dan meteen wat te schrijven
en „Panorama” betaalt je voor een brief uit Brussel
minstens 10 gulden per regel.”
Al het goud van Klondyke en alle edelgesteenten van
Golconda fonkelden voor mijn oogen bij deze toespeling.
„Maar m’n lieve mensch, zei ik, hoe komen we in Brussel ?”
„Leg nou niet te lievemenschen ! riep mijn betere helft
met een volkomen ontkenning mijner meest teedere gevoelens.
Geen uitvluchten ! Gaan we, of gaan we niet ?”
„Kijk eens, zei ik, over eenige dagen trekt de staatsloterij
weer. Als het staartnummer van het eerste duizendje
oneven is, dan gaan we, als het even is gaan we niet. Goed?”
„Geen denken aan, geen beslissing door het lot, een
mensch moet zijn lot in eigen handen nemen, leeraarde
zij, dat heb ik al getoond toen ik je trouwde. (Het is waar,
dat zij mij getrouwd heeft). Je gaat er maar dadelijk eens
op uit om te informeeren wat de beste weg is en je mocht
je wel schamen ook, dat je zoo lang niets van je hebt laten
hooren aan je lezers. Ben jij' een oorlogscorrespondent ?”
In het diepst van mijn ziel gegriefd, ging ik er op uit,
om bij den stationschef en den Duitschen consul te informeeren
hoe ik het best naar Brussel kon komen.
• Aan den keizerlijken ambtenaar stelde ik de vraag of
het niet het beste zou wezen wanneer ik maar eens een
particulier briefje schreef aan Z. M. zelf. Maar hij vreesde
dat het wel St.-Juttemis kon worden eer ik antwoord
kreeg, omdat de keizer het nog al aardig volhandig had.
Overigens hulde hij zich in een diplomatieke duisternis,
of hij hield zich maar van den domme. Ten laatste meende
hij, dat het ’t verstandigst zou wezen om te Aken permissie
te gaan vragen om in België te mogen reizen.
„Waarom niet liever in Berlijn ?” vroeg ik.
Maar van die vraag nam hij geen notitie. Dus zocht ik
mijn vriend, den stationschef, op, die juist over het perron
heen en weer wandelde en het bekende deuntje floot van :
tusschen Keulen en Parijs daar leit de weg naar Rome ....
Ik stoorde hem in zijn muzikale overpeinzingen met de
opmerking dat ik niet naar Rome wilde, maar naar Brussel,
twee plaatsen le klasse, enkele reis.
Op den vourgrond stelde hij, dat hij in de richting België
alleen retourkaartjes le klasse perron kon afgeven en dat
scheen hij zelf nog al lollig te vinden, wat hij lachte er om.
Ik begrijp, eerlijk gezegd, niet, hoe iemand wiens bedrijf
zoo goed als stop is gezet, nog lachen kan, tenzij het is
met de gedachte dat hij toch zijn vol traktement krijgt.
„Ja, ja,” zei ik, óók doende alsof ik lachte, „jij hebt
maar een leventje, chef! Toch begrijp ik niet hoe je het
uithoudt. In uw plaats kocht ik een oud locomotiefje —
zoo’n ding eet uit de hand — en een paar wagentjes en
ik begon voor mezelf.”
„Daar wacht ik mee tot ik gepensionneerd ben,” was
zijn antwoord. „Maar komaan, Joop ie, ’k zal eens zien
of ik je helpen kan. Naar Brussel hè? Dat is makkelijk
genoeg. D’r zijn verschillende routes, maar tout chemin
mène d Rome, bij manier van spreken. Neem mijn vrijpostigheid
niet kwalijk, maar waarom wil je naar Brussel?”
„Mijn vrouw wil daar nieuwe handschoenen koopen ”
„Dat is een argument,” gaf hij toe (hij is óók getrouwd).
„Och, de zaak is eigenlijk eenvoudig genoeg. Van hier ga
je naar Roozendaal, dat kan je in 24 uren gemakkelijk
doen. Daar overnacht je en den volgenden ochtend ga je
naar Esschen. Van Esschen wandel je naar Antwerpen
en als je daar binnen ben . . . .”
„Dan kan ik er niet meer uit I”
„Drommels,” zei hij, „dat is waar ook! Die binnen
binnen, binnen binnen. Nou, dan wat anders. Van hier
ga je naar Roozendaal, daar overnacht je en den^ volgenden
ochtend ga je naar Vlissingen. Van Vlissingen ga je naar
Breskens en van Breskens naar Maldeghem, met de tram.
Van Maldeghem ga je naar Gent en van Gent ga je naar
Brussel. Dat is zoo ongeveer de naaste weg.”
En dat is nou een man, dacht ik bij me zelf, die nota bene
examen in aardrijkskunde heeft gedaan. Maar ik zei niets.
„Een andere weg,” ging hij voort, „is dat je van hier
naar Rotterdam gaat, van Rotterdam met de „Batavier”
naar Londen, en van Londen naar Ostende en dan naar
Brussel. Het is een beetje ’n omweg, maar de reis biedt
meer gemakken en je hebt niet te loopen.”
Ik bedankte hem en ging naar het hotel terug.
„Wat zei de chef?” vroeg mijn vrouw. Ik vertelde.
„Hij zeit wat!” liet zij hooren. „Ik zal je eens gauw wat
vertellen, Joopie, we gaan met ’n auto, dat is de eenige
manier. Op zee liggen mijnen en ik heb geen lust om in
de lucht te vliegen.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. (Bij ons thuis is het altijd zoo,
als mijn vrouw iets zegt tenminste). Ik kreeg een auto.
Ik kreeg van den consul zelfs een soort van „Schein”.
(Ze noemen zoo’n ding Schein omdat je het voor ’n schijntje
koopen kunt). Mijn papieren waren in orde. Mijn hengel liet
ik achter, als souvenir voor het jongemensch, dat mijn
laarzen had gepoetst. De sobere bagage werd ingeladen,
wij ook en rrt! daar ging het, op weg naar Luik.
Menschen, menschen wat een wederwaardigheden!
Daar zou ik heele kolommen vol van kunnen schrijven
en er gaat al véél op een kolom van dit blad.
Om de waarheid te zeggen, al die wederwaardigheden
van oorlogscorrespondenten in België doen denken aan den
ziekenverpleger, die na een nachtwaak ’s ochtends aan
den dokter vertelde dat hij, waker, zoo’n slechten nacht
had gehad, maar over den patiënt heelemaal zweeg. Zij
vertellen voornamelijk van alle gevaren die zij hebben
geloopen. En mijn vrouw had me uitdrukkelijk gezegd :
„Joopie, daar doe jij niet aan mee, het is zoo echt iets
van een man !”
(Ik heb trouwens nooit aan de superioriteit der vrouw
getwijfeld, ook niet op dit speciale terrein des levens).
Ter wille van mijn wederhelft en ter wille van de bekorting
deel ik dus mede, dat wij 137 malen zijn aangehouden,
23 malen zijn teruggezonden, dat wij 9 malen
kans hebben geloopen om als spion te worden doodgeschoten,
dat we in het geheel 13 malen zijn gearresteerd, dat
we door 24 verbrande dorpen zijn gereden, dat de platen
van Leuven de werkelijkheid zeer goed wedergeven en
dat al die vernielingen een heel akelig gezicht zijn. Maar
dat is allemaal door anderen al zoo in geuren en kleuren
beschreven, dat ik me niet aan een herhaling waag, ook
al omdat het dramatische niet in mijn lijn ligt. Ieder oorlogscorrespondent
moet weten wat-ie doen en laten moet
en in welke richting zijn gaven hem leiden (wat mij zelf
betreft, ik wordt niet alleen door mijn gaven maar bovenal
door mijn gade geleid). Ik ben overtuigd, dat wanneer ik
in de plaats was geweest van wijlen Stanley en mijn hoofdredacteur
had me geseind: Ga Livingstone zoeken! — dat
ik dan zou geantwoord hebben : zoek hem zelf! — Want
ik ben overtuigd, dat ik den weg in Afrika niet zou hebben
gevonden. Thans evenwel, dank zij een bekwaam chauffeur,
vond ik den weg naar Brussel.
Het gaf heel wat vieren en vijven om er binnen te komen.
Maar ik moet zeggen, dat mijn vrouw er ons weer aardig
uitredde. Onderweg had ze het al over de heldin in „Cyrano,”
die haar man in het leger gaat opzoeken en er in
slaagt door het vijandelijk leger heen te komen door te
zeggen, dat ze naar haar amant wil, terwijl ze haar man
bedoelde. Op den klank af, in het Hollandsch, scheelt
het niet zoo veel als in-de werkelijkheid.
De Duitsche officier die het bevel voerde over een wachtpost
op de Chaussée de Louvain maakte bezwaar om ons
door te laten. Het mocht nu eenmaal niet, zei hij, ofschoon
mijn „Bescheinigung” en papieren in volmaakte orde
werden bevonden. Ook mijn huwelijksboekje keek hij na.
Mijn vrouw beweerde, dat wij per se naar Brussel moesten.
„Ja, was wollen Sie denn da machen g’nadige Frau?”
vroeg de galante Pruis.
„,lch muss unbedingt zu meiner Schneiderin” verzekerde
mijrt echtgenoote. En zij voegde er bij, dat ze, om zoo te
zeggen, niets had om aan te trekken.
Dat hielp. De jonge man gaf zijn manschappen het bevel
om de auto door te laten, streek zijn knevel eens op, zette
de hakken tegen elkaar, salueerde .... en zoo kwamen
we dan in Brussel.
Praat me van „’n dagje in Brussel” in oorlogstijd ! Het
was avond toen we er binnen kwamen en heel de stad lag
in een halfdonker. De koffiehuizen waren gesloten, de
terrassen leeg en het regende. Geen licht-reclame voor
Luna Park, geen flikkering van booglampen voor de cinema’s,
geen gewoel, geen gejoel, geen druk gerij van taxi’s
en trams, de winkels dicht, de krantenventers verdwenen,
zelfs geen jolige juffies op straat, geen gelach, geen glazengerinkel,
enfin wat je dan ’n dooje boel noemt.
In het hotel waar we gewoonlijk afstapten vonden we
ook thans een onderkomen; de portier was blij weer eens
een bekend gezicht te zien, zei-ie. Aangezien slapen nog
het beste was wat je kon doen, gingen we eerst wat eten
en toen ter ruste.
Den volgenden dag slaagde ik er in een onderhoud te
hebben met den gouverneur-generaal. Hij verraste mij
met een „Awel zulle, menier Joopie!” en verbeeldde zich
dat dit Hollandsch was. ’n Aardige ouwe man, dus ik liet
hem maar in dien zoeten waan.
Natuurlijk kwam vrij spoedig de groote vraag, waarop
ik al voorbedacht was.
„En hoe denkt men in Holland over den oorlog?”
„Excellentie,” antwoordde ik, „de Hollanders zijn, op
dit oogenblik althans, de gelukkigste menschen ter wereld.
Zij denken in het geheel niet!”
„Herr Joopie,” zei de maarschalk, „er is een diplomaat
aan u verloren gegaan.”
Ik boog, bescheidenlijk, maar toch eenigszins verrast.
Ik heb nl. altijd gehoord, dat diplomatie is: de waarheid
zeggen, maar het schijnt dat ik me vergist heb.
„Komaan,” meende zijn Excellentie, lachend» „men
heeft toch ook bij U zijn sympathiën en antipathiën ?”
„Ongetwijfeld,” gaf ik toe, „maar men houdt er zijn
mond over. U zou het misschien nietgelooven, Excellentie,
maar de neutraliteit zit den Hollanders zóó in het bloed,
dat men thans op de scholen alléén de aardrijkskunde van
Nederlandsch-Indië behandelt, enkel maar om reeds de
BELGISCHE KONINGSPAAR.
staan; zij wordt in Antwerpen ten bate van het Belgische
Roode Kruis verkocht.
neutraliteit van de kinderen niet in gevaar te brengen.”
„Zeer lofwaardig,” zei hij, „en practisch tevens, want
je kunt nooit weten hoe na een oorlog de kaart er uit ziet.”
„Dat is dan ook de voornaamste reden, ging ik verder,
waarom wij ons niet in de kaart laten kijken.”
„U is wat ze bij ons in Duitschland een Schlaumeier
noemen,” meende de generaal, waarop mijn vrouw liet
volgen : „Dat heeft hij van mij1”
De maarschalk scheen dat wel te gelooven. Hij verontschuldigde
zich, dat hij het erg druk had en ons dus maar
weinig tijd kon geven, ’n Zachte wenk om te vertrekken,
wat we dan ook deden.
„Je kan wel zien,” meende mijn vrouw, toen we weer
buiten waren, „dat ze in de legers geen vrouwen hebben.
Er was bij den maarschalk niet eens stof afgenomen; ik
heb met mijn vinger over de tafel gestreken, je kon er
poppetjes op teekenen. Ik zal straks in den Bazar op den
boulevard een dozijn stofdoeken koopen en hem die toezenden.”
Maar toen heb ik me laten gelden. Ik weet niet óf
stofdoeken tot de voorwaardelijke of tot de directe contrabande
behooren, maar ik vond, dat wij als onderdanen
van een neutrale mogendheid geen geschenken mochten
geven aan een der oorlogvoerende partijen. En dus is het
niet gebeurd. (Wat me trouwens erg verwondert).
Over het geheel is dat „dagje in Brussel” me toch al
duur te staan gekomen. De twee eieren bij mijn ontbijt
werden me met 75 centimes per stuk berekend, ’s middags
om 1 uur kon ik bij St. Joseph geen ponsje krijgen en
’s avonds om 6 bij Hulstkamp geen ouwe klare. Verboden !
Mijn vrouw kocht voor 400 francs blouses, voor 50 francs
handschoenen, besteedde nog eenige tientallen franken
aan dingen die ze in den Haag „onmogelijk” kon krijgen.
De auto had 270 francs gekost, zonder de fooi aan den
chauffeur. Om kort te gaan, eer we in Sas van Gent waren
hadden die paar daagjes in Brussel me een klein burgermansoorlogsinkomentje
gekost. En weer op vaderlandschen bodem
terug, had ik alle gelegenheid om na te denken over de
dwaasheden waartoe een oorlogscorrespondent komen kan,
wanneer hij zijn vrouw meeneemt.
Hopende dat het bij u van ’t zelfde is,
Hoogachtend,
A. S. JOOPIE, (Oorlogscorrespondent).
|