Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1031 tot 1035 van 11897
Nummer
1914, nr.13, 26 sept. 1914
Blad
02
Tekst
DE OORLOG IN DE LUCHT
PDF
Nummer
1914, nr.13, 26 sept. 1914
Blad
03
Tekst
DE VERWOESTING VAN DENDERMONDE. Wel hevig was de teistering van deze oude Vlaamsche plaats. Beurtelings door Duitsche en Belgische troepen bezet, bleef er van het geheel slechts weinig onverwoest over. Onze foto toont de opgeblazen brug, waarop Belgische soldaten. EEN KLOEK AVIATEUR. ARMOEDE. Als een goede illustratie van ons artikel, kunnen wij hier de juist ontvangen foto van In vele der verwoeste Belgische dorpen roept de bevolking als een Belgischen vliegenier geven, die met zijn toestel van Parijs, via Namen naar Gent vloog. laatste hulp den steun der voorbijgangers in. DENDERMONDE VERWOEST. Deze foto geeft de geheel verwoeste Marktplaats. Belgische ruiters op den voorgrond. Op den achtergrond verdriet en ellende.
PDF
Nummer
1914, nr.13, 26 sept. 1914
Blad
04
Tekst
GROOT-BRITTANNIË EN DE OORLOG DE KONING VAN ENGELAND INSPECTEERT DE NAAR HET STRIJDPERK TREKKENDE TROEPEN. DEZE BEHOOREN TOT HET 400 JAAR OUDE CORPS DER „HONOURABLE ARTILLERY”. De Oorlog van 1870. (VERVOLG) t E ven ongelukkig was de uitslag der pogingen van Generaal Bourbaki om in het Oosten van Frankrijk de Duitschers in het nauw te brengen. Gesteund door Italiaansche vrijwilligers onder Garibaldi streed ook hij eerst met succes, maar tegen de vereenigde macht der Generaals von Werder en von Manteuffel was hij niet bestand; het overschot van zijn leger zocht een schuilplaats op Zwitsersch grondgebied en werd daar ontwapend. Steeds nauwer hadden de Duitschers in den winter van 1870 den cirkel rondom Parijs getrokken. In het laatst van December begon het bombardement zijn verschrikkingen te paren, aan den dreigenden hongersnood; desondanks verloor de bevolking den moed niet. Maar Trochu had geen vertrouwen in de nationale garde, die hoofdzakelijk de manschappen voor de verdediging van Parijs leverde; zonder hoop op gunstigen uitslag bereidde hij een laatste poging OP WEG NAAR EUROPA. Een Engelsch-Indisch Kameelcorps vertrok naar Europa ter versterking van de Engelsche troepen. voor om het cordon van den vijand te verbreken. Den 19den Januari 1871 ondernam hij den grooten uitval, waarvan men zich te Parijs zooveel voorstelde; maar de goed verschanste Duitsche troepen openden zulk een moorddadig vuur, dat de troepen van Trochu ijlings moesten terugtrekken. Van dat oogenblik af was het lot der hoofdstad beslist. Jules Favre vertrok naar het Duitsche hoofdkwartier te Versailles om onderhandelingen aan te knoopen. Den 28sten Januari teekende hij het verdrag, waarbij Parijs zich overgaf; tevens werd een wapenstilstand van drie weken gesloten om de verkiezing eener Nationale Vergadering mogelijk te maken, die te Bordeaux zou bijeenkomen om over het al of niet voortzetten van den oorlog te beslissen. Nog voordat Parijs zich had overgegeven, was te Versailles de Koning van Pruisen tot Duitsch Keizer uitgeroepen. De overwinningen door de gezamenlijke Duitsche troepen behaald, hadden het gevoel van nationale eenheid krachtig versterkt; het was de wensch van het geheele Duitsche volk, dat thans het werk van 1866 zou worden voltooid en een Duitsch Rijk gesticht. (Wordt vervolgd). EEN ENGELSCHE AMBULANCE. Engeland zend niet alleen zijn troepen naar het front doch helpt ook krachtig mee aan het verplegingswerk. Onze foto geeft de aankomst te Ostende van een Engelsche AutomobielAmbulance. VOOR KONING EN VADERLAND. Zooals gebruikelijk is begroeten de Engelsche vrijwilligers den Koning met een driewerf herhaald Hoera. „Three Cheers for the King!”
PDF
Nummer
1914, nr.13, 26 sept. 1914
Blad
05
Tekst
DUITSCHLAND EN DE OORLOG DUITSCHE SOLDATEN WERPEN LOOPGRAVEN OP. Teneinde zich tegen de opdringende vijandeiijke troepen beter te kunnen verdedigen, graven de Duitsche legers diepe groeven, waarin de soldaten zich staande kunnen verweren. VERDEKT OPGESTELD. Deze foto van het krijgsveld typeert meer dan vele woorden de verwoedheid van den strijd. Elke duim gronds bekampend, wordt tenslotte het infanteriegevecht een geweldige worsteling om de overhand. NA EEN SCHERMUTSELING. DUITSCHE SOLDATEN BEZIG DE UNIFORMSTUKKEN ENZ. VAN HUN GEVALLEN KAMERADEN NA TE ZOEKEN. LANGS DE SPOORBAAN. EEN DUITSCHE SCHILDWACHT. DIE BIJ DEN SPOORWEG VAN BRUSSEL-- ANTWERPEN DE WACHT HOUDT.
PDF
Nummer
1914, nr.13, 26 sept. 1914
Blad
06
Tekst
Een Brief van Joopie (Oorlogscorrespondent) n mijn echtelijk leven is het nu en dan — we hebben geen kinderen — nog al eens voorgekomen, dat mijn vrouw zei: „We moesten eens een dagje naar Brussel gaan !” Gewoonlijk had ik daar geen overwegend bezwaar tegen. Maar ’t was mij toch alsof ik de 42 c.M. kanonnen van het Duitsche leger bij Parijs hoorde donderen, toen zij mir nichts, dir nichts diezelfde vraag stelde te Maastricht, waar nog ons hoofdkwartier was. „We moesten eens een dagje naar Brussel gaan !” Wei, ik zal niet beweren, dat ’t in Maastricht amusant is voor een oorlogscorrespondent. Aardige menschen, daar niet van, maar de oorlog was al lang te ver af, zóó dat er te Maastricht zelfs niets meer van te liegen viel. Van mijn meest bekwame collega’s was er dan ook nog maar één overgebleven, gedachtig aan het: wie ’t laatst liegt, liegt het best. Maar mijn eigen fantaisie wilde in de Limburgsche hoofdstad niet meer werken. Ik vermoed dat gaandeweg het bier het drukinkt-gehalte van mijn reporterbloed aanmerkelijk heeft verdund. Hoe het zij, te „verslaan” viel er in Maastricht niets meer en aangezien het met het hengelen ook al niet best vlotte, kon ik' me er heel goed in vinden om „Momus,” den vluchtelingen en den gewonden een „vaarwel” toe te roepen, dat volstrekt niet als het laatste bedoeld zou zijn. Maar — naar Brussel ? Zoo’n idéé kan alleen bij een vrouw opkomen. „Wat moet je in Brussel doen ?” vroeg ik. „Nou, zei ze, ik heb wel ’n beetje nieuwe plunje noodig, want ik loop hier maar aldoor in datzelfde grijze pakje. En ’n nieuwe hoed, en handschoenen, je weet wel, in dat winkeltje op den Boulevard Anspach, 3 franc 95, goedkoop! EEN HULDE AAN HET Deze medaille werd ons door de vriendelijke bemiddeling van den heer Abrahamsen, Passageboekhandel, den Haag, afge- ’t Is allemaal veel goedkooper dan in den Haag en we halen er de kosten best uit, want jij hebt dan meteen wat te schrijven en „Panorama” betaalt je voor een brief uit Brussel minstens 10 gulden per regel.” Al het goud van Klondyke en alle edelgesteenten van Golconda fonkelden voor mijn oogen bij deze toespeling. „Maar m’n lieve mensch, zei ik, hoe komen we in Brussel ?” „Leg nou niet te lievemenschen ! riep mijn betere helft met een volkomen ontkenning mijner meest teedere gevoelens. Geen uitvluchten ! Gaan we, of gaan we niet ?” „Kijk eens, zei ik, over eenige dagen trekt de staatsloterij weer. Als het staartnummer van het eerste duizendje oneven is, dan gaan we, als het even is gaan we niet. Goed?” „Geen denken aan, geen beslissing door het lot, een mensch moet zijn lot in eigen handen nemen, leeraarde zij, dat heb ik al getoond toen ik je trouwde. (Het is waar, dat zij mij getrouwd heeft). Je gaat er maar dadelijk eens op uit om te informeeren wat de beste weg is en je mocht je wel schamen ook, dat je zoo lang niets van je hebt laten hooren aan je lezers. Ben jij' een oorlogscorrespondent ?” In het diepst van mijn ziel gegriefd, ging ik er op uit, om bij den stationschef en den Duitschen consul te informeeren hoe ik het best naar Brussel kon komen. • Aan den keizerlijken ambtenaar stelde ik de vraag of het niet het beste zou wezen wanneer ik maar eens een particulier briefje schreef aan Z. M. zelf. Maar hij vreesde dat het wel St.-Juttemis kon worden eer ik antwoord kreeg, omdat de keizer het nog al aardig volhandig had. Overigens hulde hij zich in een diplomatieke duisternis, of hij hield zich maar van den domme. Ten laatste meende hij, dat het ’t verstandigst zou wezen om te Aken permissie te gaan vragen om in België te mogen reizen. „Waarom niet liever in Berlijn ?” vroeg ik. Maar van die vraag nam hij geen notitie. Dus zocht ik mijn vriend, den stationschef, op, die juist over het perron heen en weer wandelde en het bekende deuntje floot van : tusschen Keulen en Parijs daar leit de weg naar Rome .... Ik stoorde hem in zijn muzikale overpeinzingen met de opmerking dat ik niet naar Rome wilde, maar naar Brussel, twee plaatsen le klasse, enkele reis. Op den vourgrond stelde hij, dat hij in de richting België alleen retourkaartjes le klasse perron kon afgeven en dat scheen hij zelf nog al lollig te vinden, wat hij lachte er om. Ik begrijp, eerlijk gezegd, niet, hoe iemand wiens bedrijf zoo goed als stop is gezet, nog lachen kan, tenzij het is met de gedachte dat hij toch zijn vol traktement krijgt. „Ja, ja,” zei ik, óók doende alsof ik lachte, „jij hebt maar een leventje, chef! Toch begrijp ik niet hoe je het uithoudt. In uw plaats kocht ik een oud locomotiefje — zoo’n ding eet uit de hand — en een paar wagentjes en ik begon voor mezelf.” „Daar wacht ik mee tot ik gepensionneerd ben,” was zijn antwoord. „Maar komaan, Joop ie, ’k zal eens zien of ik je helpen kan. Naar Brussel hè? Dat is makkelijk genoeg. D’r zijn verschillende routes, maar tout chemin mène d Rome, bij manier van spreken. Neem mijn vrijpostigheid niet kwalijk, maar waarom wil je naar Brussel?” „Mijn vrouw wil daar nieuwe handschoenen koopen ” „Dat is een argument,” gaf hij toe (hij is óók getrouwd). „Och, de zaak is eigenlijk eenvoudig genoeg. Van hier ga je naar Roozendaal, dat kan je in 24 uren gemakkelijk doen. Daar overnacht je en den volgenden ochtend ga je naar Esschen. Van Esschen wandel je naar Antwerpen en als je daar binnen ben . . . .” „Dan kan ik er niet meer uit I” „Drommels,” zei hij, „dat is waar ook! Die binnen binnen, binnen binnen. Nou, dan wat anders. Van hier ga je naar Roozendaal, daar overnacht je en den^ volgenden ochtend ga je naar Vlissingen. Van Vlissingen ga je naar Breskens en van Breskens naar Maldeghem, met de tram. Van Maldeghem ga je naar Gent en van Gent ga je naar Brussel. Dat is zoo ongeveer de naaste weg.” En dat is nou een man, dacht ik bij me zelf, die nota bene examen in aardrijkskunde heeft gedaan. Maar ik zei niets. „Een andere weg,” ging hij voort, „is dat je van hier naar Rotterdam gaat, van Rotterdam met de „Batavier” naar Londen, en van Londen naar Ostende en dan naar Brussel. Het is een beetje ’n omweg, maar de reis biedt meer gemakken en je hebt niet te loopen.” Ik bedankte hem en ging naar het hotel terug. „Wat zei de chef?” vroeg mijn vrouw. Ik vertelde. „Hij zeit wat!” liet zij hooren. „Ik zal je eens gauw wat vertellen, Joopie, we gaan met ’n auto, dat is de eenige manier. Op zee liggen mijnen en ik heb geen lust om in de lucht te vliegen.” Zoo gezegd, zoo gedaan. (Bij ons thuis is het altijd zoo, als mijn vrouw iets zegt tenminste). Ik kreeg een auto. Ik kreeg van den consul zelfs een soort van „Schein”. (Ze noemen zoo’n ding Schein omdat je het voor ’n schijntje koopen kunt). Mijn papieren waren in orde. Mijn hengel liet ik achter, als souvenir voor het jongemensch, dat mijn laarzen had gepoetst. De sobere bagage werd ingeladen, wij ook en rrt! daar ging het, op weg naar Luik. Menschen, menschen wat een wederwaardigheden! Daar zou ik heele kolommen vol van kunnen schrijven en er gaat al véél op een kolom van dit blad. Om de waarheid te zeggen, al die wederwaardigheden van oorlogscorrespondenten in België doen denken aan den ziekenverpleger, die na een nachtwaak ’s ochtends aan den dokter vertelde dat hij, waker, zoo’n slechten nacht had gehad, maar over den patiënt heelemaal zweeg. Zij vertellen voornamelijk van alle gevaren die zij hebben geloopen. En mijn vrouw had me uitdrukkelijk gezegd : „Joopie, daar doe jij niet aan mee, het is zoo echt iets van een man !” (Ik heb trouwens nooit aan de superioriteit der vrouw getwijfeld, ook niet op dit speciale terrein des levens). Ter wille van mijn wederhelft en ter wille van de bekorting deel ik dus mede, dat wij 137 malen zijn aangehouden, 23 malen zijn teruggezonden, dat wij 9 malen kans hebben geloopen om als spion te worden doodgeschoten, dat we in het geheel 13 malen zijn gearresteerd, dat we door 24 verbrande dorpen zijn gereden, dat de platen van Leuven de werkelijkheid zeer goed wedergeven en dat al die vernielingen een heel akelig gezicht zijn. Maar dat is allemaal door anderen al zoo in geuren en kleuren beschreven, dat ik me niet aan een herhaling waag, ook al omdat het dramatische niet in mijn lijn ligt. Ieder oorlogscorrespondent moet weten wat-ie doen en laten moet en in welke richting zijn gaven hem leiden (wat mij zelf betreft, ik wordt niet alleen door mijn gaven maar bovenal door mijn gade geleid). Ik ben overtuigd, dat wanneer ik in de plaats was geweest van wijlen Stanley en mijn hoofdredacteur had me geseind: Ga Livingstone zoeken! — dat ik dan zou geantwoord hebben : zoek hem zelf! — Want ik ben overtuigd, dat ik den weg in Afrika niet zou hebben gevonden. Thans evenwel, dank zij een bekwaam chauffeur, vond ik den weg naar Brussel. Het gaf heel wat vieren en vijven om er binnen te komen. Maar ik moet zeggen, dat mijn vrouw er ons weer aardig uitredde. Onderweg had ze het al over de heldin in „Cyrano,” die haar man in het leger gaat opzoeken en er in slaagt door het vijandelijk leger heen te komen door te zeggen, dat ze naar haar amant wil, terwijl ze haar man bedoelde. Op den klank af, in het Hollandsch, scheelt het niet zoo veel als in-de werkelijkheid. De Duitsche officier die het bevel voerde over een wachtpost op de Chaussée de Louvain maakte bezwaar om ons door te laten. Het mocht nu eenmaal niet, zei hij, ofschoon mijn „Bescheinigung” en papieren in volmaakte orde werden bevonden. Ook mijn huwelijksboekje keek hij na. Mijn vrouw beweerde, dat wij per se naar Brussel moesten. „Ja, was wollen Sie denn da machen g’nadige Frau?” vroeg de galante Pruis. „,lch muss unbedingt zu meiner Schneiderin” verzekerde mijrt echtgenoote. En zij voegde er bij, dat ze, om zoo te zeggen, niets had om aan te trekken. Dat hielp. De jonge man gaf zijn manschappen het bevel om de auto door te laten, streek zijn knevel eens op, zette de hakken tegen elkaar, salueerde .... en zoo kwamen we dan in Brussel. Praat me van „’n dagje in Brussel” in oorlogstijd ! Het was avond toen we er binnen kwamen en heel de stad lag in een halfdonker. De koffiehuizen waren gesloten, de terrassen leeg en het regende. Geen licht-reclame voor Luna Park, geen flikkering van booglampen voor de cinema’s, geen gewoel, geen gejoel, geen druk gerij van taxi’s en trams, de winkels dicht, de krantenventers verdwenen, zelfs geen jolige juffies op straat, geen gelach, geen glazengerinkel, enfin wat je dan ’n dooje boel noemt. In het hotel waar we gewoonlijk afstapten vonden we ook thans een onderkomen; de portier was blij weer eens een bekend gezicht te zien, zei-ie. Aangezien slapen nog het beste was wat je kon doen, gingen we eerst wat eten en toen ter ruste. Den volgenden dag slaagde ik er in een onderhoud te hebben met den gouverneur-generaal. Hij verraste mij met een „Awel zulle, menier Joopie!” en verbeeldde zich dat dit Hollandsch was. ’n Aardige ouwe man, dus ik liet hem maar in dien zoeten waan. Natuurlijk kwam vrij spoedig de groote vraag, waarop ik al voorbedacht was. „En hoe denkt men in Holland over den oorlog?” „Excellentie,” antwoordde ik, „de Hollanders zijn, op dit oogenblik althans, de gelukkigste menschen ter wereld. Zij denken in het geheel niet!” „Herr Joopie,” zei de maarschalk, „er is een diplomaat aan u verloren gegaan.” Ik boog, bescheidenlijk, maar toch eenigszins verrast. Ik heb nl. altijd gehoord, dat diplomatie is: de waarheid zeggen, maar het schijnt dat ik me vergist heb. „Komaan,” meende zijn Excellentie, lachend» „men heeft toch ook bij U zijn sympathiën en antipathiën ?” „Ongetwijfeld,” gaf ik toe, „maar men houdt er zijn mond over. U zou het misschien nietgelooven, Excellentie, maar de neutraliteit zit den Hollanders zóó in het bloed, dat men thans op de scholen alléén de aardrijkskunde van Nederlandsch-Indië behandelt, enkel maar om reeds de BELGISCHE KONINGSPAAR. staan; zij wordt in Antwerpen ten bate van het Belgische Roode Kruis verkocht. neutraliteit van de kinderen niet in gevaar te brengen.” „Zeer lofwaardig,” zei hij, „en practisch tevens, want je kunt nooit weten hoe na een oorlog de kaart er uit ziet.” „Dat is dan ook de voornaamste reden, ging ik verder, waarom wij ons niet in de kaart laten kijken.” „U is wat ze bij ons in Duitschland een Schlaumeier noemen,” meende de generaal, waarop mijn vrouw liet volgen : „Dat heeft hij van mij1” De maarschalk scheen dat wel te gelooven. Hij verontschuldigde zich, dat hij het erg druk had en ons dus maar weinig tijd kon geven, ’n Zachte wenk om te vertrekken, wat we dan ook deden. „Je kan wel zien,” meende mijn vrouw, toen we weer buiten waren, „dat ze in de legers geen vrouwen hebben. Er was bij den maarschalk niet eens stof afgenomen; ik heb met mijn vinger over de tafel gestreken, je kon er poppetjes op teekenen. Ik zal straks in den Bazar op den boulevard een dozijn stofdoeken koopen en hem die toezenden.” Maar toen heb ik me laten gelden. Ik weet niet óf stofdoeken tot de voorwaardelijke of tot de directe contrabande behooren, maar ik vond, dat wij als onderdanen van een neutrale mogendheid geen geschenken mochten geven aan een der oorlogvoerende partijen. En dus is het niet gebeurd. (Wat me trouwens erg verwondert). Over het geheel is dat „dagje in Brussel” me toch al duur te staan gekomen. De twee eieren bij mijn ontbijt werden me met 75 centimes per stuk berekend, ’s middags om 1 uur kon ik bij St. Joseph geen ponsje krijgen en ’s avonds om 6 bij Hulstkamp geen ouwe klare. Verboden ! Mijn vrouw kocht voor 400 francs blouses, voor 50 francs handschoenen, besteedde nog eenige tientallen franken aan dingen die ze in den Haag „onmogelijk” kon krijgen. De auto had 270 francs gekost, zonder de fooi aan den chauffeur. Om kort te gaan, eer we in Sas van Gent waren hadden die paar daagjes in Brussel me een klein burgermansoorlogsinkomentje gekost. En weer op vaderlandschen bodem terug, had ik alle gelegenheid om na te denken over de dwaasheden waartoe een oorlogscorrespondent komen kan, wanneer hij zijn vrouw meeneemt. Hopende dat het bij u van ’t zelfde is, Hoogachtend, A. S. JOOPIE, (Oorlogscorrespondent).
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1031 tot 1035 van 11897