|
W. G. VAN NOUHUYS, t
de bekende letterkundige en tooneeldirecteur,
die de vorige week is overleden.
't Noodlottige Schot.
Episode uit een Burgerkrijg.
Dr. L.. SCHAEPKENS VAN
RIEMPST,
die van den beginne af is opgetreden als de
leider van het Lazaret te Maastricht. Gelijk de
bladen reeds vermeldden, heeft deze dokter de
in hem gestelde verwachtingen nog verre overtroffen;
hij mocht den dank inoogsten van de
vele gewonde Duitsche en Belgische soldaten
en van de talrijke Belgische gewonde burgers.
Z. K. H. Prins Hendrik betuigde hem herhaaldelijk
dank voor hetgeen door hem gedaan is.
H
et was het jaar 1645.
Bristol werd belegerd. De
parlementstroepen hadden
de stad ingesloten, terwijl
Ruprecht van den Rijn haar voor
koning Karei verdedigde. De insluiting
werd iederen dag nauwer. Geen
voedsel kon meer in de stad worden
gebracht en — wat erger was dan
alle tegenspoeden — de burgerij van
Bristol was den verdedigers zeer
vijandig gezind.
Prins Ruprecht benoemde een raad van defensie,en hierin
kwam men tot het besluit, dat het eenige middel om de
stad te behouden hierin bestond, dat men trachten moest
hulp van buiten te erlangen.
„We moeten zonder uitstel hulp zien te verkrijgen/’
zei Ruprecht. „Lord Ashley is het dichtst bij, zijn leger ligt
in Worcester. Als hij weet in welk een benarden toestand
wij hier verkeeren, zal hij zonder aarzelen ons te hulp
snellen.”
„Wien moeten we zenden ?” vroeg kolonel Tillier.
Ruprecht opende de deur naar de wachtkamer, waar zich
verscheidene officieren bevonden.
„Luttrell 1°
De officier, die door den prins geroepen werd, was weinig
grootei dan een knaap; hij was nochtans vurig, voorzichtig
en vol energie. Waar hij echter gedurende het beleg te hard
had moeten werken en te weinig had kunnen eten was zijn
toch al nietige gestalte nog magerder geworden.
„Ik wensch een boodschapper te zenden naar Worcester,”
zei de prins.
Luttrell’s oogen schitterden.
„Zend mij, uw hoogheid !” verzocht hij.
* » *
Het was nauwelijks zeven uur op een Septemberavond
en het was bijna duister. De regen die reeds eenige dagen
viel, kwam harder neer dan te voren. Het was zoo koud
ris het maar wezen kon voor den tijd van het jaar, en met
iedere windvlaag kwamen tal van dorre geelgeworden
bladeren naar beneden dwarrelen.
De jonge Luttrell was koud en hongerig en tot op de
huid toe nat; hij was aan den voet gewond, zijn paard
was onder hem doodgeschoten en de vijanden, de Roundheads,
zaten hem op de hielen.
Terwijl hij moeizaam voortstrompelde langs den modderigen
weg, en met inspanning telkens zijn in groote zware
rijlaarzen stekende voeten uit de klei trekkende, vreesde
hij elk oogenbiik boven het geluid van den neerkletterenden
regen en den loeienden storm uit het geluid van zijn naderende
vijanden te zullen hooren.
Eindelijk bereikte hij een boerenwoning, alwaar een
verlicht venster in de benedenverdieping hem het bewijs
leverde, dat het bewoond was.
Hij zag slechts een enkel persoon in de kamer,
hij door het venster naar binnengluurde; een kleine
jongen, die op den vloer voor het open haardvuur
zat. Tranen stroomden langs het kindergezichtje,
terwijl het angstige blikken wierp in de donkere
hoeken van het vertrek. „Wat een schande een
klein kind als dat achter te laten,” dacht Luttrell.
Hij stootte het venster, dat niet gegrendeld was,
open en klom in de kamer.
„Wees maar niet bang, kleintje,” zei hij tot
het verschrikte kind, dat in den kleinen jongensachtigen
persoon, gekleed in de zware wapenrusting,
klaarblijkelijk een vreemd monster meende te zien.
„Kijk, ik ben geheel alleen. Wil ik het vuur eens
aanwakkeren 1” Hij wierp zijn soldatenmantel uit
en begon het vuur op te rakelen.
„Hoe kom je zoo alleen in huis, kleine man ?”
„Toen de soldaten kwamen, zijn allen weggeloopen,”
antwoordde het kind. Het gelaat van den
vreemdeling boezemde het ventje vertrouwen in.
„Wat! Soldaten?”
„Ja soldaten op paarden, allemaal gekleed in
staal en leer. Ze droegen gele sjerpen.”
„Waar is je vader, kleintje?”
Nu kwamen de waterlanders opnieuw. „Vader is
weg om doodgemaakt te worden. Voor deze soldaten
kwamen er nog anderen. Ze wilden al onze
koeien om zelf op te eten en al ons hooi voor hun
paarden. Vader wilde ze niet geven en toen hebben
terwijl
DE HAAGSCHE SCHOUWBURG GERESTAUREERD.
De Haagsche Schouwburg, die, zooais men weet, sedert langen tijd gesloten was omdat de bouw niet aan de
politieverordening voldeed, is nu onder leiding van den architect Gost geheel gerestaureerd en het innerlijk
totaal verbouwd. (foto C. J. de Gilde).
ze vader meegenomen naar Worcester en daar gaan ze hem
ophangen !”
„Huil maar niet, vriendje,” zei Luttrell. „Ik ga naar
Worcester en als je mij wilt helpen, dan zal ik uw vader
weer thuis brengen. Luister, de mannen met de gele sjerpen
zijn vijanden van mij. Ze zoeken naar mij en als ze me
vinden, dan zullen ze mij dooden I”
„Ben-je dan zoo’n slecht mensch?” vroeg het jongetje
met verwonderde oogen hem aanziende.
„Neen, neen,” antwoordde Luttrell, glimlachende. „Die
mannen zijn slecht. Ze hebben een heele hoop menschen
opgesloten ook kleine jongetjes en meisjes, en die willen
ze nu laten sterven van honger. Ais ze mij nu dooden,
dan ben ik niet in staat om al die arme menschen te helpen
en je vader ook niet. Daarom moet je maken dat ze mij
niet vinden. Als ze terugkomen, zal ik mij verbergen, en
dan moet je hun hiervan niets zeggen.”
„Dat lijkt wel verstoppertje spelen,” riep het kind uit.
„Dat is ’t ook! En vertel me nu: hoe heet je vader!”
vroeg Luttrell, zich afvragende of het in zijn macht zou
liggen den man te bevrijden.
„Vader heet Marris,” zei de jongen. „Mijn naam is
Raymond. En hoe is de uwe?”
„Dennis!”
Luttrell begon nu het kind te vertellen van de booze
daden der Roundheads en van de onschuld der andere
soldaten van zichzelf in het bijzonder en was juist midden
in zijn verhaal, toen hij boven storm en regen uit het geluid
van naderende ruiters hoorde. Hij stond op en sprak het
kind vriendelijk toe.
„Raymond, luister nu eens. Daar komen de soldaten
aan. Ik zal in deze kist wegkruipen. Als ik het deksel gesloten
heb, moet je er een paar kussens op leggen en
hierop net doen of je slaapt.”
Luttrell kroop in de kist en deed het deksel dicht. Hij
hoorde de kleine Raymond heen en weer loopen, zeulende
met kussens en dekens en hem eindelijk op de kist kruipen.
Eenige minuten gingen in stilte voorbij. Toen daverde het
opeens van geweldige slagen op de voordeur en klonk van
buiten het bevel om open te doen. Geen antwoord krijgende
braken de soldaten de deur open en traden voorzichtig
het huis binnen. De deur van het woonvertrek werd opengeworpen
en een menigte ruwe mannen vulden het vertrek.
HET LAATSTE TELEGRAM BRUSSEL—ANTWERPEN.
Bij het naderen der Duitsche troepen zonden de telegrafisten uit Brussel nog
een laatsten groet naar hun collega’s in Antwerpen, welk telegram in Antwerpen
is gefotografeerd.
Raymond rees op en zat bevende op
de kist.
„Wat is dat ?” riep een officier
uit. „Waar zijn de menschen die hier
wonen ?”
„Allen weggeloopen,” antwoordde
de knaap. „Er is geen mensch meer
hier.”
„Is dat waar?”
„Ja, ik ben den geheelen dag alleen
geweest.” „Is hier niemand verborgen
? Je zult er slecht afkomen
als je de waarheid niet spreekt.” De man nam den jongen
bij den arm en schudde hem ruw dooreen.
„Ik was den heelen dag alleen, en heb niemand gezien,”
antwoordde de kleine dapper.
„De man kan niet ver meer zijn,” zei de officier tot zijn
minderen.
„Daar ben ik niet zoo zeker van,” zei een der soldaten.
„Hij is ons in de duisternis ontsnapt.”
„Ben je de., geheelen dag hier in de kamer geweest?”
vroeg de officier nogmaals met onderzoekenden blik het
vertrek rondspeurende, als verwachtte hij zijn slachtoffer
in een of anderen donkeren hoek te zullen ontdekken.
„Ja, den geheelen dag,” antwoordde Raymond.
„Komt, mannen,” zei de Roundhead, „we verliezen hier
onzen tijd, laat ons gaan !”
Ze doorzochten het geheele huis en nadat ze zich verzekerd
hadden, dat er niemand te vinden was, vertrokken ze.
Toen het geluid der vertrekkende soldaten geheel was
weggestorven, opende de kleine Raymond voorzichtig de
kist en fluisterde :
„Het is in orde ! Ze zijn allen weg!”
De rest van den nacht ging zonder wedervaren voorbij.
Luttrell dekte den kleine zorgvuldig toe boven op de
Rist en viel toen zelf bij den haard in slaap.
Nauwelijks brak het daglicht door of Luttrell werd
wakker, stond op en haastte zich om te vertrekken.
„Goede reis, Dennis,” riep de knaap hem toe. „Ik hoop
dat de booze mannen je niet dooden zullen.”
* *
*
Aan den avond van dien dag, was Richard Marris, die
uit de gevangenis te Worcester had weten te ontvluchten,
op weg naar zijn woning. Terwijl hij voortsloop onder
bescherming van het struikgewas, zag hij een ruiter die
in galop op de stad toereed.
Het was Dennis Luttrell. De torenspitsen der stad Worcester
zag hij reeds voor zich opdoemen en hij verheugde
zich reeds dat het hem gelukt was . ijn zending te volbrengen,
toen de man in het struikgewas, die met haat tegen de
koningstroepen bezield was, zijn pistool ophief en op den
ruiter afvuurde.
De ongelukkige, doodelijk getroffen, zwaaide met de
armen in de lucht en viel toen ruggelings in het gras.
„Zou hij aood wezen,” dacht Mar.is en begaf zich naaf
de plek waar zijn slachtoffer lag. Hij was niet dood
en toen Marris zich over hem heenboog, opende hij
de oogen. „Zijt ge voor den koning?” vroeg de
gewonde stamelend, onbewust van het feit dat zijn
moordenaar voor hem stond. „Ja !” zei Marris.
Het was laag, gemeen om dat te zeggen, maar hij
zei het „Ik vrees, dat het met mij gedaan is,” ging
Dennis Luttrell voort. „Op mijn borst bevindt zich
een brief.... Geef dien aan lord Ashley ... in
handen .... zonder uitstel. Zeg hem .... dat hij
zich ... haasten moet of... Bristol zal. . . vallen.
Vraag lord Ashley .... om zekeren Marris te sparen
.... mijn naam is Dennis Luttrell....
Nooit zou hij meer uittrekken met prins Ruprecht.
Diens dapperste officier lag dgod op het natte gras.
„Groote God — wat heb ik gedaan!” riep Marris
uiten sloeg vol wroeging de handen v^or’t gelaat.
♦ *
♦
De kleine Raymond zat op zijns vaders knie
voor den haard.
„Vader, ik zou wel willen,” zei hij, terwijl hij
peinzend naar een oude kist keek die in een hoek
van de kamer stond, „ik zou zoo graag willen,
dat Dennis weer terug kwam, vader. Hij heeft
het mij toch beloofd ! Waarom komt hij nou niet,
vader1”
De ruwe man barstte in snikken uit.
|