|
Een Brief van Joopie
Oorlogscorrespondent
Dat gaf een heel spektakel toen ix thuis kwam met
de boodschap dat de redactie mij uitzond als oorlogscorrespondent.
Mijn vrouw snikte, mijn schoonmoeder huilde — je
hèbt zulke schoonmoeders.
Maar toen ze samen uitgehuild waren en mijn vastberaden
trekken zagen, kwamen ze tot kalmte.
— Dan zal ik in ’s hemels naam je bagage maar in
orde gaan maken, zuchtte mijn vrouw.
— Bagagel vroeg ik verwonderd. M’n lieve mensch,
ik neem alleen het allernoodzakelijkste mee: m’n schrijfmachine,
de typiste, één verschooning (pardon 1) in een
rugzak, een vefdfiesch met koude koffie, twee broodjes
met vieesch en m’n vischtuig.
— Wat moet je met je vischtuig doen?
— Visschen, zei ik. Daar zullen natuurlijk halve
uurtjes genoeg zijn dat er niets te zien of te hooren valt
en dan wil ik in de Maas gaan visschen. De Duitschers
hebben alle forellen uit Luxemburg weggejaagd, van
schrik, en die zwemmen nou allemaal de Maas
op naar boven. De forellen bedoel ik, niet de
Duitschers.
— Zou je niet liever je bloedeigen vrouw
meenemen dan je typiste? meende m’n schoonmoeder
te moeten vragen. Zoo’n bemoeial!
— Hoor eens, mama, zei ik, bij den generalen
staf hebben ze me gezegd, dat een oorlogscorrespondent
niet meer mocht meenemen dan de
volstrekt noodige bagage en daar hoort een vrouw
niet bij.
— Maar kan ik dan niet even goed meegaan
als de typiste? vroeg mijn vrouw, met iets van
jaloezie in haar blik.
— Daar heb je gelijk in, antwoordde ik. Ik
had er wel eerder aan kunnen denken, maar in
die herrie denk je niet aan kleinigheden.
Dus we besloten dan samen te gaan en de
typiste thuis te laten. Onze uitrusting was eenvoudig.
Grijze wollen reispakken, petten, rugzakken,
rijglaarzen, slobkousen, veldflesschen, tandenborstels,
schrijfmachine, telegramformulieren, hengel
en vischtuig. De schrijfmachine was, met het
pierenbakje, in de vischben, die aan een riem
over mijn schouder bengelde. Mijn vrouw droeg
de hengel en haar parasol. Aan een bandje om
mijn hals, onder mijn hemd (ik vraag wèl verschooning!)
droeg ik in een linnen zakje den
bundel ongetelde zilvermuntbiljetten, die mijn
hoofdredacteur me had toegestopt met het gebaar
van: hier zijn 50.000 louis d’or, redt u voorloopig!
Overigens had ik aanbevelingsbrieven bij me voor
civiele en militaire autoriteiten en buitenlandsche
passen, voor ’t geval, dat we eens een paar
meter buiten de grens zouden komen.
Van den generaal-opperbevelhebber, dien ik
van vroeger kende, was ik in Den Haag afscheid
gaan nemen.
— Het is een rijk idee van je hoofdredacteur,
zei z’n excellentie, om je naar de grens te sturen.
Wat je van ons hoort en ziet. daar hou je natuurlijk
je mond over. Maar overigens geef je je
oogen maar goed den kost. En hier, laat ik je ’n
pleizier doen met ’n ouwen veldkijker van me,
die kan je te pas komen.
Ik aanvaardde ’s generaals geschenk met verschuldigde
gevoelens en toen reikte hij me de
hand tot afscheid.
— ’t Ga je goed Joopie, en dat ik je heelhuids
weerom zal mogen zien I
Waarop ik alleen antwoordde:
— Van ’t zelfde, excellentie!
Met hoop in mijn hart, vaderlandslievende gevoelens,
een generaals-veldkijker, vrouw en bagage, stapte ik in
den trein naar Maastricht.
Die ging zeer langzaam en we schoten er onze broodjes
met vieesch en den inhoud onzer veldflesschen bij in,
maar ik heb geleerd om waarheid te waardeeren van
het chi va piano va sano.
In Maastricht konden we nog net een badkamertje
krijgen in de Lévrier; mijn vrouw zou in het bad slapen
en ik er naast. A la guerre comme & la guerre.
Bij den plaatselijken commandant ging ik mijn eersten
aanbevelingsbrief afgeven. Hij glimlachte even achter zijn
snor, toen hij den inhoud gelezen had. Hij zou me, van
zijn kant, een briefje medegeven voor de officieren te
Eysden. Wat had die man het druk! Van ’n moment
dat hij even werd weggeroepen, maakte ik gebruik om
m’n eigen aanbevelingsbriefje te lezen. Er stond:
— Brenger dezes, A. S. Joopie, oorlogscorrespondent
van „Panorama”, kan onvoorwaardelijk overal worden
toe^elaten. Hij doet geen vlieg kwaad.
Inwendig was ik een beetje nijdig om die aanbeveling,
maar Ik bedacht, dat ik mijn gevoel van eer beter bewaren
kon, totdat, onverhoopt, het Vaderland mij een geweer
* Een onzer medewerkers zond ons deze satire.
Wij meenden in dezen tijd, waarin zooveel ernstige gedachten
onze lezers bezighouden, hun niet deze vroolijke scherts als
een afwisseling te moeten onthouden. Er is gelukkig geen
reden om alle kortswijl verre van ons te houden.
en rijksmunitie zou willen toevertrouwen. Dus slikte ik
mijn nijd maar in; als je niets anders hebt, is nijd óók
maagvulling.
Na een heftige discussie met mijn vrouw, die stokstijf
beweerde, dat ze mij niet alleen kon laten sterven, werd,
in overleg met eenige collega’s, met wie ik krijgsraad hield,
besloten, dat alleen mannen naar de grens zouden gaan.
Eerlijk gezegd, waren we allemaal zenuwachtig. Brusse,
van de Rotterdammer, probeerde of hij zijn sik van zijn
kin kon trekken, maar die zat te stevig vast. Hijman,
ook van de Rotterdammer, informeerde of er in Eysden
ook honden waren, Belgische of Duitsche, dat was hem
onverschillig. Voor kogels was hij niet bang. Hij had van
de firma Vies blanco-crediet om onbruikbaar geworden
kanonnen op te koopen in zijn vrijen tijd. Max Blokzijl
had zijn orgeltje bij zich, waar hij indertijd als straatzanger
mee geloopen heeft. Onderweg zongen we, in een
auto, door hem begeleid: Willyougive me the
keys of Heaven? op de wijs van „alle eendjes”.
Jammer dat Pisuisse in Luik zat; wa misten hem. Blokzijl
is een beste jongen, maar zonder Pisuisse is ’t preci s
van Gend zonder Loos.
Enfin, eenmaal aan de grens gearriveerd, dan zou ’t
toch wel „los” gaan met onze eigenlijke taak.
En zoo beleefde ik dan het eerste echte oorlogs-avontuur,
dat ik u thans ga verhalen.
’N GOEDKOOPE DOCH O.I. NIET AANBEVELENSWAARDIGE
MANIER OM KRANTEN TE LEZEN.
Deze geestige teekening van den Engelschen teekenaar W. K. Haselden,
ontleenden wij aan wThe Daily Mirror”. Zij bewijst, dat Old England zijn
spot evenmin als zijn moed verloren heeft.
Het had heel slecht kunnen afloopen, maar op den
voorgiond wil ik zeggen, dat ’t mijn eigen schuld was.
Wij hadden, mijn persbroeders en ik, de auto en den
weg verlaten om door hoog begroeide korenvelden de
grenslijn te bereiken en een blik te slaan op het groote
Duitsche leger dat bezig was zich bijeen te trekken.
Tusschen de halmen verloren we elkander uit het oog
en ik stond spoedig heelemaal alleen, omdat ik veel last
had van mijn hengel, waarvan de sim voortdurend tusschen
de korenaren verward raakte. Niettemin slaagde ik er in,
nadat ik een aantal keeren „beet” had gehad, mijn hengel
en mijzelf in veiligheid te brengen op den rand van een
smallen weg. die met prikkeldraad was afgezet.
Ik voelde me daar erg veilig, maar ook eenzaam en er
was niemendal te zien. Dus besloot ik om met geforceerde
marschen weder het korenveld door te trekken. Een
kompas had ik niet en het zou mij ook niet veel hebben
geholpen, want ik weet niet hoe je op zoo’n ding kijken moet.
Om kort te gaan, ik liep langen tijd doelloos rond
totdat ik in eens uit de verte schieten hoorde en begreep
dat ik dus meer in de richting van het gevechtsterrein
gek,omen was. Kort achter me zag ik evenwel aan een
dorpstorentje nog de driekleur wapperen (Onze Vlag, muziek
van Heye) en ’t gaf me een rustig idee om te weten dat
ik nog altijd mijn voeten had op de plek, waar eens de
zeemeeuw vloog, ontwoekerd aan de baren.
Plots hoorde ik menschelijke stemmen en zag ik een
klein, wit huisje,
— Fonske, kum hij! riep een vrouw, in Limburgsch
dialect.
Hoe weet het mensch dat ik Alfons heet? dacht ik bij
mezelf. Maar dat bleek een vergissing; de aanroep was
bestemd voor een klein burgertje van een der grensdorpen.
Heel vriendelijk brachten deze menschen me op goede
wegen om, naar Eysden te komen.
Het tafreel dat men van daar uit kon waarnemen, is
reeds voldoende in de dagbladen beschreven. Mijn lyrische
ader is in oorlogstijd altijd verstopt. Ik zal er dus maar
alleen van vertellen dat ik het gansche schouwspel „ijzig”
vond, maar je kon in Eysden natuurlijk niet anders
verwachten.
Ik sloeg weer een zijwegje in en liep op een woning
toe, waar ik eenige menschen in druk gedoe bijeenzag
en nog vóór ik goed wist wat er met mij gebeurde,
voelde ik mijn rechterhand den hengel loslaten, werd die
hand gegrepen en gedrukt en klonk mij in de ooren een
hartelijk:
— Meneer Joopie, enchanté!
Even dacht ik aan het slot van Faust, Ie gedeelte:
— Sie ist gerichtet!
(Stem uit den hemel):
— Gerettet!
De stem klonk mij inderdaad hemelsch in de ooren,
zooals alleen een bevriende stem klinken kan, wanneer
een mensch zich eenzaam en van iedereen verlaten
gevoelt.
Voor mij stond Mullens van Albert frères, de Kino
Koningen. En hij schudde nog eens mijn hand.
— Blij u te zien, meneer Joopie, zei hij, u
kunt me helpen.
Tot heden is mijn opname een mislukking,
unfour noir; ik heb precies 43 centimeter
oorlogsfilm bij elkander
Bij zulke gevechten is er geen behoorlijke
mise-en-scène. De Duitschers en de Belgen mogen
goede generaals hebben, maar voor de regie
hadden ze tenminste Reinhardt wel mogen
meenemen. Enfin, u kunt me helpen, u zult me
helpen, n’est-cepas?
— Natuurlijk, jeune, — was mijn antwoord.
Wat moet er gebeuren?
— Ziehier de situatie, zei hij weer. Er zijn
maraudeurs gevangen genomen, die op de troepen
hebben geschoten, par manière dedire.
Ook een oorlogscorrespondent, dat bent u, wordt
van spionnage verdacht. Wij beginnen nu maar
vast de opname van de terdood veroordeelden,
die tegen den muur van dit huis staan, in
afwachting van hun lot. De rest komt later.
Allons, messieurs, veuillez prendrevos
places. U in het midden, meneer Joopie, lè,
vlak tegen de deur van het schuurtje. Bi en, j’y
va is.
Met een paar Walen had ik mijn, door hem
aangewezen plaats ingenomen tegen den muur.
Mullens was naar zijn toestel geloopen, vroolijk
glimlachend, als stond hij in Den Haag in zijn
théater te expliceeren.
En uit kracht van de gewoonte begon hij:
— Hooggeëerd publiek!
Ik stel U voor ....
Maar verder kwam hij niet. Want schier
onbemerkt waren, in woesten galop, eenige Duitsche
ruiters nabij gekomen, Uhlanen, en plots
klonk het bevel:
— Absteigen! Pistolen fertig!
Ik stond nog tegen den muur, onbeweeglijk,
ïk kon niet van mijn plaats, terwijl een, ik
weet niet van waar, opgedoken sergeant-wielrijder
de Duitschers beduidde dat ze op den verkeerden
weg waren en alleen het begin van een schijnexecutie
hadden in de war gestuurd.
Ik kón niet weg.
Want op het oogenbiik, dat ik het woord
„pistolen” hoorde had zich tot in het benedenste
deel van mijn gemoed een hevige ontroering meester
gemaakt. Misschien deed ik beter om van „roering”,
dan van „ont-roering” te spreken.
Hoe ik weder in Maastricht ben gekomen en in het
hotel, is mij nog maar vaag.
Maar het was diep in den nacht, toen ik in het hotel
het badkamertje binnenkwam, — zonder hengel.
Mijn vrouw was dolgelukkig mij weder te zien.
Zij lag reeds in bad, .... in bed, bedoel ik.
Ik moest haar evenwel verzoeken oir uit het bad te
komen, want dat had ik zelf noodig, zéér noodig ....
Gelieve mij te verschoonen als ik heden niet meer
schrijf. Mijn gemoed is nog niet tot rust gekomen.
Hoogachtend en dw., A. S. JOOPIE,
(OorloQscorrtspondent).
ONZE PLANNEN.
E
en enkel woord over onze plannen. Voorloopig zeker
blijft Panorama zijn nieuwe wijze van verschijnen
handhaven. Doch wij begrijpen dat onze lezers, naast
het interessante nieuws van den oorlog ook wel wat
anders ter afwisseling willen zien en lezen. Daarom
begonnen wij er reeds mee op deze pagina vroolijker
tonen te laten meeklinken. Het volgende nummer zal
in omvang vier pagina’s grooter zijn, waarop de vervolgroman
en andere ontspanningslectuur voor zullen
komen. De prijs dezer losse nummers is 7!/2 cents.
Voor de abonnés blijft de prijs 10 cents per week.
Er list dus een groot voordeel In om vast
abonné te worden. Men geve zich dus als zoodanig
bl| zi|n boekhandelaar op, die voor H.30
per kwart. Panorama gratis thuisbezorgd levert.
|