|
Ik daalde den berg af en passeerde
Hollandsche grenswachters
en met veel moeite kwam ik ook
voorbij de Duitsche soldaten, die
eenige stappen verder op post
stonden. Weldra kwam ik in het
Duitsche legerkamp. Zoo iets
grootsch zag ik nog nooit. Onafgebroken
rijen van paarden, duizenden
en nogmaals duizenden
stonden er. De lansen der soldaten
waren in den grond gestoken en
onderling door touwen verbonden.
Aan deze touwen waren de paarden
weer vastgemaakt. Het geheel deed
me denken aan een reusachtige
paardenmarkt.
De soldaten zelf lagen in het
stroo, lachend en schertsend, niettegenstaande
ook zij ieder oogenblik
het commando konden krijgen
,,oprukken” het vuur in .. .
Intusschen had ik reeds enkele
opnamen gemaakt van paardenen
soldatengroepen, toen een officier
mij verzocht een foto van hem
met zijn broer te maken om deze
aan „moeder” in Berlijn te zenden.
Arme kerels, arme moeder ...
Dan waren er soldaten die mij
vroegen brieven en kaarten voor
hen te posten, deze voor een
moeder, gene voor een vrouw of
verloofde, die sedert hun vertrek
niets meer van hen hadden vernomen.
Natuurlijk deed ik dit gaarne en had spoedig
circa 200 stuks bijeen, die ik zorgvuldig in mijn tasch borg.
Een officier verbood mij het fotografeeren en deed de
opmerking dat een verblijf in het kamp levensgevaarlijk
was met het oog op verdwaalde kogels. ïk borg mijn
toestel 'op, trok verder en haalde mijn apparaat weer
spoedig Voor den dag. Een der Uhlanen verzocht mij een
kiekje te maken van hem met zijn krijgsgevangene. Ik
stemde toe en volgde hem naar een huifkar, waar de
krijgsgevangene was. Ik-meende een of anderen Belgischen
DE GROOTE BRUG IN HET DORP MOULAND.
zwarte rook van de brandende dorpen en den kruitdamp
van de forten van Luik.
De weg langs het kamp was door de Duitschers verbreed
tot een groote baan, waarlangs straks het geheele
verdere leger met paarden en kanonnen, vrachtauto’s en
manschappen naar Luik zal optrekken.
Voortgaande kwam ik aan het dorpje Moultand, geheel
in brand geschoten ; puinhoopen en zwart gebrande muren
was het eenige wat nog stond. Vijf magere katten kwamen
mauwend en klagend naar mij toe als om hulp vragend.
waren opgeschrikt en in allerijl het
huis hadden verlaten. Op tafel
stonden vijf bordjes, waarop de
in vieren gesneden boterhammen
nog lagen, verder de koffiepot en
half-volle kopjes. De bedden waren
nogonafgehaald. Een Madonnabeeld
waarbij nog versche bloemen, stond
op de kast. Toen ik het verliet
kwamen eenige angstige vrouwen,
die toestemming hadden verkregen
hun meubeltjes te halen, het oude
steenen bruggetje over; ze vonden
alles echter verwoest terug en verlieten
schreiend het dorpje. Dit was
het meest trieste tooneel, dat ik ooit
aanschouwde . .. Toen ben ik weggegaan,
terug naar het kamp. Ik
miste den moed om verdei door
te gaan naar Visé. Plotseling werd
ik opgeschrikt door de stem van
een Duitschen luitenant, die waarschijnlijk
een spion in mij zag.
„Sie sind arrestiert” klonk het zeer
gewichtig. Ik borg mijn toestel op,
klopte de asch uit mijn pijp en
volgde hem op zijn commando.
(Twee soldaten van top tot teen
gewapend, kregen bevel mij naar
het hoofdkwartier te brengen, Na
een half uur gaans, kwamen wij bij
„Herr Hauptmann” aan. Mijn beide
begeleiders bogen als knipmessen,
sloegen aan en gingen in de hou ding
staan teneinde rapport over den
gevangene uit te brengen. Het bleek echter dat dit laatste
niet meer noodig was, daar „Herr Hauptmann” reeds volledig
telefonisch was ingelicht. Na zijn speech, hoofdzakelijk bestaande
uit de woorden „einsperren”, „untersagt” en „spionieren”,
toonde ik ter verdediging mijn paspoort, waarna hij
met een bulderende stem het vonnis velde: „Also, wir sind
Freunde, aber scheren Sie sich sogleich fort nach den
Grenzen”.
Ik maakte een buiging en werd door de soldaten naar
de grenzen getransporteerd, waar ik langzaam van den
VAN HET MOOIE DORP IS ER HEEL WEINIG OVERGEBLEVEN. ALLES IS IN VLAMMEN OPGEGAAN.
krijger aan te treffen doch vond een klein hondje, dat
uit den wagen sprong en vroolijk om ons heen liep. De
strijder wilde mij het dier geven als herinnering aan den
oorlog. Ik vond dit aardig en beloofde hem het diertje
op mijn terugweg te komen halen. Intusschen presenteerde
ik overal sigaretten, die dadelijk werden opgestoken.
In minder dan geen tijd waren al mijn sigaretten omgezet
in rook, die zich hoog in de lucht vereenigde met de
Een paard dwaalde door de puinhoopen, kippen en varkens
liepen er los rond. De straten waren als bezaaid met
kogels en hier en daar lag een vertrapte helm of een
gebroken sabel. Het eens zoo schilderachtige dorpje bood
nu een beeld van jammerlijke ellende en verlatenheid. Ik
ben een der ’n weinig gespaarde huisjes binnengegaan ten
einde van de bovenverdieping een foto van de verwoesting
te maken en kreeg daar den indruk of de bewoners plotseling
schrik bekwam, die zoo groot geweest was, dat ik zelfs
vergeten had te vragen of „Herr Hauptmann” voor mij
wilde poseeren.
Het hondje blijft krijgsgevangene en trekt nu mee
verder. <
THEO MOUSSAULT.
Maastricht, 12 Augustus 1914.
EEN HOEKJE BIJ EEN UITGEBRANDE BOERENWONING.
De arme Belgische vrouwen mogen in het dorp de niet verbrande goederen opzoeken.
Onze foto’s toonen echter voldoende dat er niet veel meer te redden valt.
HET EENIGE CAFÉ IN HET DORP DAT GEOPEND
IS GEBLEVEN.
|