|
Indische Causerieën,
■ Alweer beschrijvingen van en over Indië hoor
ik al zeggen als de lezers van Panorama
i dit opschrift onder hunne oogen krijgen en
eenigszins hebben zij wel gelijk. Er is over
Indië reeds zooveel geschreven dat het u
toe moet schijnen dat er niets meer te
schrijven overblijft.
Maar al wat er over dit Tropenland, hetzij in boeken
hetzij als dag- of weekblad-artikelen werd gelezen, geeft
nog niet altijd een juist beeld van hetgeen Indië voor
den Europeaan, die hier inwoner is en hier door werken
in zijn levensonderhoud moet voorzien, is.
Het is mijn plan niet u opgeschroefde Muitatuliaansche
beschrijvingen te geven over Saids en Saidja's met sapies
die zij liefhebben, evenmin wil ik u luchtige totokindrukken
op zijn Van Maurik's voortooveren of u haren-te-bergenrijzende verhalen doen van Europeanen die eenige jaren
in bepaalde verhoudingen hier levende een ontijdigen dood
sterven; niet in het minst ligt het in mijn bedoeling u
te ontgoochelen of de pijnlijke verhoudingen te schetsen,
die vooral in de laatste jaren in de belletristische Hollandsche bladen opgang maken over bij volmacht gehuwde
jonge dames, de zoogezegde „handschoentjes”, of nurksche
beschouwingen in het genre Veth te geven.
Wat ik mij dan wel voorstel te doen? Heel eenvoudig 1
Ik wil u Indië laten zien zooals wij onbevooroordeelde
inwoners van dit land het alle dagen zien, nuchter, eerlijk, zonder zweem van overdrijving, zonder pogingen om
te verbergen hetgeen niet goed is in den Europeaan,
maar ook zonder over het hoofd te zien de vele goede dingen
die de kolonist van vroegeren en lateren tijd hier heeft
gebracht. Ik zal u de levensgewoonten, meer speciaal die
der Europeanen, laten meeleven, zoowel het lief als het
leed, ik zal u doen zien het vele dat wij ontberen,
maar eveneens al hetgeen wij meer hebben dan de bewoners van uwe gewesten en dan is er nog zooveel mee*
waarover nimmer ware of geheel juiste inlichtingen zijn
gegeven. Er is meer stof om over te schrijven dan ik
hier op kan sommen en bovendien, geachte lezeressen en
lezers vergeef mij, het is hier warm en dan vooral is
het zaak om het hoofd koel te houden en niet te piekeren
over hetgeen men allemaal doen zal, want werkelijk er is
genoeg te doen om met hetgeen men zal doen niet het
hoofd te vermoeien.
Steeds opnieuw wordt u als oud-gast gevraagd door de
baroe's zoolang zij nog met elkaar als deelgenooten in
een groot huishouden aan boord zitten of Indië nu
werkelijk zóó warm is als bijv, in de Roode Zee; voortdurend denkt het meerendeel der Hollanders dat wij hier
leven als in een oven; zij vragen u eêne vergelijking te
maken tusschen Amsterdam, of Rotterdam, Den Haag
en Batavia, Soerabaja, Medan I en ik sta het ieder Indischman in zessen om tusschen deze steden een vergelijking,
zij het desnoods met een onbekend aantal onbekenden,
te maken. “
u hier een
singel, of
men geen
of Passar-besar! Nergens vindt men^hier luxieuse Restaurants en Hotels als Krasnapolsky, Central, Bonesky e. a.
maar ook nergens in Holland zijn er Hotels als De Boer,
De Nederlanden, last not least Hotel des Indes (vooral
niet verwarren met Hotel des Indes in Den Haag!). Zeker,
er zijn hier heel wat mindere hotels dan de door mij
opgenoemde, maar dit zijn dan ook voor het meerendeel
geen inrichtingen die feitelijk aanspraak kunnen maken
op den wijdschen naam van „hotel”, dit zijn meer wat
wij „roemah-makans” noemen. En ziet hier hebt u nu een
zóó ingrijpend verschil dat het wel raadzaam is hierbij
even te blijven stilstaan.
In de
Indisch
dus een
Er is eenvoudig geen vergelijk! Nergens vindt
Kalverstraat, een Venestraat, een Blaak, Coolwat dan ook, maar ook in Holland ontmoet
straten zooals de Passar-Baroe, de Kesawan,
allereerste plaats ligt het verschil tusschen een
Hotel en een Indisch Hotel van lagere klasse,
roemah-makan, in de wijze waarop het hotel
Tiet Post- en Telegraafkantoor te 7Aedan.
Het 7Aedan-Hotel, een der weinige le klasse hotels in ‘Jndié.
gebouwd is. Het eenvoudigst is de beschrijving van den
bouwtrant van een roemah-makan, vooral niet dooreen
te haspelen met eeh roemah-kopy, dat een chineesch
eet- en drinkhuis is. Voor den bouw van een roemahmakan heeft men ten eerste noodig een stuk grond!
Flauwe aardigheid, hoor ik u al zeggen. Toch niet, waarde
lezers 1 Het verkrijgen van een stuk grond vereischt hier
in Indië heel wat meer zorg dan in Europa, het is een
„tour de force” om een stuk grond machtig te worden
en elk die zich de gelukkige eigenaar van een paar
stukken land, waarop met goed gevolg woningen gebouwd
kunnen worden, kan noemen, feliciteer ik bij voorbaat,
want zijn fortuin is menschelijkerwijs gesproken, gemaakt.
Heeft men het stuk land dan gaat men bouwen, d.w.z.
er worden eenige bodemüitgravingen gedaan en op ongeveer een meter diepte in den grond wordt de, wat
men in Holland zou noemen fundeering gebouwd. Dit
eenmaal gereed zijnde is de bouw van het ,,hoter' de
kwestie van de meerdere of mindere voortvarendheid van
den chineeschen of inlandsehen bouwer.
Hij begint met een hoofdgebouw, dat feitelijk geen
gebouw is, maar een groote galerij, met zeer dikwijls
een of twee zijgalerijen, al naar de persoonlijke smaak
van den hotelier. Vóór deze groote galerij wordt een vrij
groot stuk grond bestemd om tot voorgalerij te dienen
en zonder welke een echt Indisch huis niet kan bestaan;
een dergelijke uitwas wordt aan de achterzijde gemaakt
en bestempeld met den naam van achtergalerij. De vrij
breede en lange tusschen galerij is bestemd voor eetzaal.
Niets is er meer primitiever dan deze! Op den gecementeerden vloer worden een aantal tafeltjes, dikwijls van
verschillende kleur en van verschillende afmetingen en
een groot aantal stoelen neergezet en de eetzaal is gereed;
hier en daar wordt dan wellicht nog een bloempot neergezet, liefst op een onmogelijke plaats en aan den wand
is misschien wel hier of daar een schilderij of plaatwerk
opgehangen, zonder eenige symmetrie en dikwerf zonder
eenig kunstgevoel.
Om nu het aantal kamers in het hoofdgebouw te verkrijgen, dient men een vrij goed rekenmeester te zijn!
Gegeven zijn de 2 zijwanden van de lengte- of tusschengalerij, anders gezegd: eetzaal; gevraagd: hoe krijg ik nu
30 of 40 kamers in dit hoofdgebouw? Menig Europeesch
bouwmeester van reputatie zou over dit vraagstuk wellicht dagen zitten teekenen en meten, niet alzoo echter
de chineesche aannemer. Deze redeneert aldus: er zijn 2
muren er moeten komen 40 kamers, dus aan eiken kant
20; bijgevolg; metsel loodrecht op eiken lengtemuur 21
dwarsmuren, dan krijg ik aan iedere zijde 20 hokken,
pardon: kamers! Dan timmert hij over al deze muren
een latwerk, dekt het af met pannen (dit is echter al
weer meer modern) maakt in ieder hok den voorkant
dicht op een gat na, dat raam en een ander gat
dat deur genoemd wordt en waarin een paar geschilderde draaiende planken worden opgehangen en het hoofdgebouw met voor- en achtergalerij, benevens 40 kamers,
is gereed voor het gebruik. Het behoeft geen betoog dat
de meubileering van dergelijke kamers evenredig is aan
de draagkracht van den eigenaar; de bedoeling is natuurlijk de financieele draagkracht. In een Indische Hotelkamer
staat een bed met klamboe, een kast, welke afgesloten
kan worden, maar welke afsluiting absoluut geen doel
treft, daar iedere kast met een krommen spijker te openen
is en dus ook op bijna iedere kast dezelfde sleutel past;
verder een waschtafel met toebehooren, welk toebehooren
echter niet altijd tot hetzelfde stel behoort, gewoonlijk,
echter met altijd, een tafel en een paar stoelen, die meestal
ook niet bij elkaar hooren. In eenigszins betere inrichtingen
vindt men dan nog een sampiran oftewel kleerenstandaard
en een spiegel, soms ook wel matten op de vloeren, maar
feitelijk zijn dit in de oogen van vele hoteliers lastige en
dure luxe-artikelen, die alleen in eerste en tweede klasse
zaken kunnen worden geduld! Nu komt echter de quintes
sence! Geen mensch zou in Holland met een dergelijke
„inrichting” tevreden zijn, vooral niet als men met
inbegrip van de bediening ongeveer 3 tot 5 gulden per
dag zou moeten betalen. Niet alzoo in Indië. Niemand
is er die er zich ook maar eenigszins om bekommert of
de eene stoel stijl rococo en de andere Louis seize is
(trouwens, er loopen maar weinig lui rond die ooit aan
stijleering gedacht hebben); eveneens laat het u Siberisch
koud of er wel of geen tafel, wel of geen mat op den
grond- ligt om de doodeenvoudige reden dat u nooit
anders in de kamer is dan om er te slapen, want voor
de rest leeft u steeds op straat, liever gezegd buitenshuis, in uw voorgalerij. U leeft sans géne en weet precies
dat Mevrouw X valsch haar heeft en de gewoonte om
precies klokke uur des morgens te baden, dat de
kinderen van mijnheer Y ontzettend ongezeggelijk zijn en er
steeds op uit zijn om bij mijnheer A, die 2 kamers verder
woont, te spionneeren. In een moment weet u de geheele
kroniek scandaleuse van het hotel, indien zij u al niet
vooraf verteld is en verder weet u dat het eten er vrij
goed, d.w.z. in zuiver Hollandsch overgezet: iets beter
dan ongenietbaar is. Maar dat alles is slechts materieele
ellende! of eerlijk gezegd: absoluut geen ellende want
het is de gewone toestand en met eene doodsverachting
een betere zaak waardig schikt u zich als nieuweling in
al deze dingen, want u ziet immers dat de oudere lui
er ook in leven, enz. Zelfs zoo aan te zien heel goed
leven, want na verloop van 2 maanden weet ook u niet
beter of het hoort zoo. En het is maar gelukkig dat wij
ons al die kleine ongerievelijkheden en al die zoogezegde
Europeesche fraaiigheden kunnen ontzeggen, want anders
ging een mensch hier zeker 20 jaar voor zijn tijd dood.
Opmerkelijk is het en ik zelf heb het honderden malen
gezien, dat de pas in Indië aangekomene het lastigste
en onverdraagzaamste is tegenover zijn medemenschen,
terwijl het toch in zijn lijn ligt om zooveel mogelijk zijn
buren, die evenals hij in het huis en toch buiten het
huis wonen, te vriend te houden, want hij is enkel en
alleen op hen aangewezen. De oorzaak van dit euvel ligt
m. i. in het feit dat deze menschen zich als een soort
steunpilaren van de Indische maatschappij beschouwen
en in Indië zijn gekomen om daar dat varkentje eens
even te wasschen; ze zijn eenigszins over het paard
getild door hunne familieleden, die zoo’n flinken zoon
hebben die naar Indië gaat voor deze of gene Maatschappij en die vanaf het schip reeds heeft geschreven dat hij met het Maleisch al aardig overweg kan I
Als de stakker eenmaal een beetje is ingeburgerd dan
ziet hij zelf ook hoe bespottelijk hij zich heeft aangesteld
en meestentijds kan hij zich dan niet indenken dat hij
ook zoo geweest is en toch zooveel veranderd is: evenmin begrijpt hij dat de lui toen hij nog pas heel kort
hier was hem toch geholpen hebben! KODAK.
|