|
EEN BLADZIJDE VOOR DE JEUGD
Van het “Knopje, dat geen geduld had, om
het voorjaar af te wachten.
Er was eens een groote, oude kerseboom, die met zijn
tallooze bruine knoppen-kinderen wachtte op het heerlijke
voorjaar 1
Eén knopje echter was er bij, dat verging van ongeduld,
zóó nieuwsgierig was het, hoe de lente er toch wel uit zou
zien; de lente, waar het de storm zoo dikwijls van had
hooren vertellen, als hij suizend door de kale takken streek.
Daarom strekte en rekte het zich al in zijn bruin omhulsel,
èn . . . . op zekeren dag viel dit af en piepte ons knopje te
voorschijn. Verwonderd wreef het zich de oogen uit, daar
het eerst bijna verblind was door een schitterenden zonnestraal, die onmiddellijk het hulpelooze knoppenkindje met
zijn warmen kus begroette. O, wat werd het ons kleine ding
zalig te moede : al die pracht en heerlijkheid om zich heen !
De voorjaarswind en de nieuwsgierige musschenkinderen
hadden ook weldra het knoppenwonder ontdekt en wilden
het eens wat naderbij bekijken, want allerliefst zag
het er uit in zijn geurig, teer-groen bloesemkleed. Ze waren
ook net goede speelkameraadjes voor het kleine, onbesuisde
ding en de vriendschap was weldra gesloten. Zingend en
tjilpend zetten de vogeltjes zich op de takjes, daar rond
om heen, en de wind, die vroolijke kameraad, schommelde
ze lustig op en neer; soms héél hoog, tot aan het zalig-genietende knoppenkind.
Ongelukkig was het knopje wel een beetje voorbarig geweest, — zooals het zoo menig jong ding gaat, — want,
toen het nog heerlijk vroolijk aan het spelen was, kwam
daar van den eenen kant de Avond aangeloopen 1
Daar had Knopje nu nog heelemaal niet van gehoord
en het ontstelde dus niet weinig, toen de Zonnestraal opeens
sprak :
„Nu moet ik weg” — en de vogeltjes tjilpten : „Wij
ook !” — en de wind riep : „Ik ga mee, maar morgen kom
ik toch terug en dan zullen we ons spel weer hervatten.
Maar ga nu gauw, Knopje, en dek je warm toe, want de
nacht zal héél koud zijn.”
Knopje wist niet, hoe het ’t had, toen het opeens zoo
eenzaam achter gelaten werd en èlles, wat het nog zooeven
helder en vroolijk verlicht had gezien, nu somber, grauw
en donker werd !
Toen barstte arm Knopje in tranen uit. Een geweldige
angst vervulde het arme kleine bloesemhartje. Waarom
hadden ze het hier dan ook zoo liefdeloos alleen achtergelaten ? .... En wat kwam er nu zoo zwaar aangestampt?
O jè, het was al haast vlak bij !
„Ken je me niet, jou eigenwijs ding?” hoorde het een
knorrige stem naast zich vragen.
„Ik ben de Vorst en zulke neuswijze kindertjes, die zoo
maar zonder Moeders permissie de wijde wereld ingaan
en in mijn gebied doordringen, ben ik gewoon altijd flink
te straffen.
Tegelijkertijd voelde het arme bloesemkind zich in een
ruwe, ijskoude hand gepakt, dat het over heel zijn lichaampje rilde en beefde, en ten laatste verstijfde van kou.
Maar of het nu al bad en smeekte en bittere tranen
stortte .... het hielp allemaal niets : De Vorst was onvermurwbaar I Hij scheen integendeel genoegen te vinden
in die kwelpartij, en kneep arm Knopje in beentjes en
armpjes en liet onder anderen den grooten teen van zijn
linkervoetje zóó geweldig in den knel zetten, dat Knopje
niet anders meende, of het zou nu sterven 1 . ...
Maar de nacht ging voorbij en nam den Vorst mee. Die
moest Knopje toen wel vrij laten, maar het arme ding was
met recht meer dood dan levend! Wie zou het helpen in
den nood ? Het bloesemkleedje hing hem los om ’t verstijfde
lichaampje. En wat een schande, als het zoo gezien werd I
Ja, er was er maar één, van wien het uitkomst kon verwachten, en dit was : de oude Kerseboom.
Tot hèm zou ’t noodlijdende ding zich dan ook maar
wenden en het toonde diep berouw over zijn eigenmachtig
handelen, waardoor het den goeden oude zoo zeer bedroefd
had.
Maar de Kerseboom liet zijn kind niet voor nietssmeeken.
Het was al genoeg gestraft voor zijn onbezonnenheid.
„’t Schijnt nu eenmaal zoo te moeten zijn, dat men
slechts door schade èn schande wijs wordt; waarom zou er
dan uit het lichtzinnig Knopje niet een flinke kers kunnen
worden ?” dacht de oude boom bij zich zelven, want hij
had al zoo veel gezien van zijn leven en wist dus al eenigszins, hoe het in de wereld toegaat.
Knopje zou zich alleen met een wat nederiger lot moeten
tevreden stellen : Zoo’n geurig bloesemkleedje kon hij ’t nu
niet meer geven, maar het zou een. dik, warm dek krijgen,
waarmee het tegen alle ruwheid van het klimaat gevrijwaard
was. Heerlijk deed hem dit ook aan, zoodat bij het aanbreken van den ochtend ons arm Knoppenkind Weer een beetje
in zijn fatsoen was. Maar de ware levenslust ontbrak hem
toch ! Die zou óók wel weer komen, als eerst zijn vrienden
er maar weer waren.
Eindelijk: daar hadt je den Wind I
Maar wat zette die een oogen op, toen hij ons Knopje
zoo veranderd zag I Hij vatte echter dadelijk de ware
toedracht der zaak en hij zou zich haasten, er de vogeltjes
van op de hoogte te brengen. Op een enkelen wenk van hem
kwamen die al heel gauw naderbij gevlogen en maakten
zich dol-vroolijk over het leelijke jonge ding, dat nu heelemaal niet meer paste in den prachtigen, zonnigen lentetijd.
Zóó iets had Knopje toch niet verwacht: dat je vrienden
zoo wreed konden zijn; en zachtjes begon het te huilen,
•met een èrg, èrg droevig gezichtje !
Zou de Zonnestraal hem nu ook zoo meedoogenloos
in den steek laten, nu ze hem allen zoo hardvochtig den
rug toekeerden ? En dèt, nu hij juist zoo’n behoefte had
aan wat liefde en vriendelijkheid ? . ...
Neen maar, dat kon ook niet! Van den Zonnestraal
hoefde ze zoo iets niet te verwachten. Op dién had Knopje
dan ook zijn laatste hoop gevestigd.
In dezen vriend had het zich dan ook niet bedrogen,
want op eenmaal voelde het zich innig-warm bestraald en
kon hij zijn arm, bezwaard hartje uitstorten, terwijl hem
troostvolle woorden en beloften werden toegesproken.
Vriend Zonnestraal zou hem wel helpen groeien en bloeien,
als hij slechts geduld had I'
Dit klonk bemoedigend, niet waar? En weldra begon
hij er dan ook weer zóó vroolijk en levenslustig uit te zien,
als maar verwacht kon worden van zoo’n kleinen voorjaarsbode.
Het was ook wel een beetje nieuwsgierig om eens te weten,
hoe het er eigenlijk wel uitzag, dat de anderen zoo op eenmaal niets meer van hem weten wilden.
„Bekijk je dan maar eens in het spiegeltje hier tegenover,”
zei de Zonnestraal en wees in de richting van een dauwdroppel, die vonkelde als een diamant, in ’t heldere licht.
Dit deed het nu ook en het schrok geweldig, toen het
zich zelven zag : „Jéminoosje wat was het toch leelijk ! Met
een zóó onooglijk grijzen kiel kan ik toch onmogelijk
mee voorjaar vieren,” riep het kleinmoedig.
Toen sprak de Zonnestraal, die ’t toch zoo goed met ons
Knopje meende:
„Hoe kun je toch zoo ijdel wezen ? Weet je wel, dat je
dan eerst echt léélijk en onuitstaanbaar bent ?. ... Want dit
bewijst, dat je sléchts aan je zelven denkt, in plaats van je
te verheugen over al het moois om je heen, en blij te zijn,
dat je althans érgens toe dienen kunt.”
Die ernstige woorden stemden het Knopje tot nadenken;
en omdat het tot ’t juiste inzicht geraakte van zijn eigen
nietigheid, begreep ze dat het er ook niet zoo zeer op aankwam, of zoo’n klein ding nu al een beetje mooier of leelijker
was. Liever zou ze genieten van al het andere schoon en
profiteeren van de lekkere, warme zonnestralen, die voor
haar toch net zoo goed schenen !
De slapende broertjes en zusjes begonnen nu ook te
ontwaken en op een goeden ochtend werden ze allen gezamenlijk tot nieuwe pracht en heerlijkheid gewekt. Daar
was een vroolijkheid en vertier in den ouden boom; een
geuren en bloeien en kweelen en kwinkeleeren 1.... Knopje
wilde dan uit zijn schuilhoek alles waarnemen; maar
’t kon zélve toch onmogelijk verborgen blijven en nu leek
het wel, of ’t lieve leven van plagen en kwellen weer op
nieuw zou beginnen.
Knopje was echter dit maal verstandiger; het ken den
anderen immers tot leer strekken, dacht hij, als het hun
eens iets van zijn wedervaren meedeelde ? En dit deed het
dus ook.
Hun eenig verwijt was nu nog:
„Maar hoe kon je dan toch zoo dom zijn ? Je wist immers wel dat je nu voor niemands genoegen meer bloeien
kon, en dat ook geen bijtje zich meer aan je zal willen
verkwikken !”
Maar ons Knopje hield zich maar alleen aan de blijde
woorden van den Zonnestraal. Het bleef dus goedsmoeds
en liet de anderen maar praten. Toen nu alle lentekinderen
bij elkaar waren, gaven zij, — gelijk alle jaren — den menschenkinderen een groot feest. Stralende van genot liepen
die in de heerlijke Meizon en luisterden naar het verkwikkelijk gezang in beemd en bosch.
Nu gaf de oude Kerseboom zijn kinderen een ander gewaad. Jullie kent immers allemaal het raadsel :
„Eerst wit als was,
Dan groen als gras,
Dan rood als bloed,
Smaakt den kinderen goed 1”
Uit ons Knopje was nu ook een wonderschoone kers
geworden, die met haar dikke bolle wangetjes alle andere
nog overtrof.
Nog een paar daagjes mochten ze gezamenlijk plezier
hebben, maar toén werd er op een goeden ochtend een lange
ladder tegen den boom gezet; de tuinder klom er tegen op
en plukte met nijvere handen de donkerroode vruchten,
de een na de ander, die hij alle bij elkaar, in een groote mand
verzamelde.
Het dochtertje van den tuinmansbaas stond met verlangende blikken naar boven te kijken.
„Och ja,” dacht de kers, die eens het bewuste Knopje
was geweest, „kwam ik maar bij dat aardige meisje te
land 1 Die heeft zelf net zoo’n kersemondje; precies voor
ons bestemd I”
Nauwelijks had ze die gedachte in haar kersentaai
geuit, of ze werd reeds door den tuinder gegrepen en naar
beneden geworpen, waarop ze ook waarlijk in den lachenden
kindermond verdween.
Het kersepitje, dat van de sappige vrucht overbleef,
werd vol verbazing bekeken; want wat was dit rood 1
Dit komt, het was eens Knopjes bevroren teen geweest 1
Vroolijk wierp het kind de grappige pit met een boog
de hoogte in waarna ze op den grond terecht kwam. Hier
bleef ze nu net zoo lang liggen, tot op een goeden dag een
menschelijke voet ze vast in den grond trapte.
Na langen, langen tijd groeide er een Kerseboompje uit.
Niemand begreep, hoe dat daar kwam.
Ieder jaar droeg het de heerlijkste vruchten en altijd,
als het voorjaar weer kwam en de kleine knoppenkinderen
ongeduldig werden, vertelde het de oude geschiedenis:
„Van het Knopje, dat geen geduld had.”
Ttersetak, vrucht dragend.
xXj"
© “Naar ©
het Sosch
S
ep, piet en Claar,
©ie waren vroeg
Tiet pa naar ’t bosch gegaan
8n rennend*en stuivend,
Tiet ’t staarde wuivend
£iep Tikkie, hun hondje,vooraan;
©iep in ’twoud
Tusschen het hout
©aar gaan prettig spelen;
Ze dansen en xingen
Ze stoeien en springen
En Claartje mag hoekjes verdeelen.
O
„‘Kom, bindersf’ &ei pa
„’Jk loop Jullie na ,,
Tiaar 2>ep riep: „Nee, verstoppertje
„O, pa, da’s xoo leuk” (doen!”
Toe ... tl achter dien beuk...
Wij verschuilen ons dan in ’t groen.
Tiet wangetjes rood
8n voetjes moe
busten xe eindelijk uit op ’t mos.
Tiaar Tikkie, hun hond,
Tiet de tong uit x’n mond
ftent er nog dapper op los.
O
8n toen xe xaten
Zoo xoet bij elkaar,
Toen xette vader x’n kiektoestel klaar.
Titer xien jullie nu;
Öep, Claartje en piet
TiaarTkkie,’thondje,datxienjullie niet!
Tlarie
|