|
u hebt het niet?” schreeuwde juffrouw Piek op schellen toon. „Wel —
wacht dan maar tot mijn Alf thuiskomt. Hij zal u leeren, om een arme
vrouw haar zuur verdiend geld niet te
betalen. Drie weken huur is u mij nu
al schuldig en als ik het geld niet
binnen een half uur heb, dan zal mijn
Alf u wel even leeren.”
Hiermee sloeg de woedende vrouw de deur achter zich toe
en slofte naar beneden, terwijl de kleine Professor Tollett
ineengedoken bleef zitten op een meubelstuk met wijd
uitstaande pooten, dat in meubelwinkels bekend is als
een ,,gemakkelijke stoel.” Het was in den laatsten tijd
slecht gegaan met den kleinen Professor — slechts weinige
scholen schenen de diensten noodig te hebben van
een werkelijk wetenschappelijk onderlegd leeraar en
het scheen, dat niemand voordrachten over scheikunde
wenschte aan te hooren; met het gevolg, dat hij onmogelijk de rekening van zijn hospita had kunnen voldoen.
Door verschillende voorwerpen te beleenen, had hij dit
nog een paar weken kunnen uitstellen, maar nu kon hij
niet anders doen, dan juffrouw Piek beloven, dat hij
haar rekening zou afbetalen, zoodra de proefneming,
waarmee hij bezig was, succes zou hebben. Het goede
mensch, dat de grootste minachting koesterde voor wat
zij noemde „smerige mengseltjes en viezen stank” had
geweigerd te wachten, tot hij dit toppunt van zijn wenschen zou bereikt hebben, met dat gevolg, dat haar Alf
den Professor de deur zou uitzetten, zoodra de herberg
„de Zwarte Hond” hem niet meer aan zich kluisterde,
en waaruit hij zich alleen verwijderde, als er geroepen
werd „Allemaal ex uit 1”
Alf Piek was een groot en terugstootend mensch, wiens
eenige deugd in de oogen van zijn vrouw daarin bestond,
dat hij een ruwe manier had om haar huurders, die in
gebreke bleven te betalen, te behandelen, zoodat menig
ongefortuneerd en schraal bij kas zijnd huurder er toch
nog in geslaagd was als hij Alfs naam hoorde noemen,
het noodige bij elkaar te krijgen.
De Professor was een klein, zwak mannetje en het
was te betwijfelen of hij uit een prullenmand zou kunnen
klauteren. Tot nu toe had Alf hem slechts aangevallen met
woorden en vloeken, en als de lichamelijke straf, die hij
nu verwachtte, maar half zoo krachtig zou zijn als
zijn woorden, dan wist de Professor, dat hem iets
geduchts te wachten stond. Hij keek angstig naar
de klok en ziende, dat het pas negen uur was, slaakte
hij een zucht van verlichting, want naar alle waarschijnlijkheid zou Alf niet terugkeeren voor middernacht en
naar een kast gaande, nam hij er een verzameling van
reageerbuizen, retorten en fleschjes uit.
Nadat hij een Bunschenschen brander had aangestoken,
was hij weldra verdiept in zijn werk en na verloop van
tien minuten was hij erin geslaagd de kamer te vervullen van een onbeschrijfelijke en doordringende lucht
en had hij in een reageerbuis een kleine hoeveelheid van
een kleurlooze vloeistof verzameld.
Deze goot hij uit in een schaaltje om het te laten afkoelen en toen de stank onverdragelijk geworden was,
opende hij de deur en de vensters, om de andere huurders te laten meegenieten van het resultaat van zijn
arbeid. Door de open deur kwam Eustace, de kater van
juffrouw Piek, die er deerniswekkend uitzag en een hongerige uitdrukking in zijn hard-gele oogen had. Het
schaaltje stond op den grond bij de ♦ kachel en daar
Eustace schaaltjes op den vloer altijd in verband bracht
met een nieuwen voorraad melk, deed hij een zacht geknor
van welbehagen hooren en ging er naast zitten. Hij likte
er maar even aan, maar dat was voldoende en met een
kreet van razernij rende hij door de kamer heen. Den
„gemakkelijken stoel” liep hij omver en het zware meubelstuk viel met een slag tegen den grond; daarna
sprong hij in de hoogte, beschreef een cirkel in de lucht,
wierp daarbij de gaskroon af en kwam toen met een
flinken slag op de tafel terecht.
„Lieve hemel!” riep de verbaasde Professor. „Wat is
er met Eustace gebeurd — arme, arme poes!”
Hij nam Eustace op en wilde hem aaien, toen er iets
merkwaardigs gebeurde. Eustace’s poot schoot uit als
een bliksemstraal en sloeg tegen het oor van den kleinen
Professor, die op den grond viel en een oogenblik onbeweeglijk bleef liggen, terwijl de kat tweemaal als een
dolle de kamer rondvloog, toen door het venster naar
buiten schoot, en het volgend oogenblik, te oordeelen
naar het lawaai, handgemeen was met een hond.
„Wel, wel!” zei de Professor, terwijl hij van den grond
oprees en zijn oor betastte, „ik heb van mijn leven nog
nooit zoo’n harden klap gehad. Het is ongelooflijk dat
zoo’n klein diertje iemand zoo’n slag kan geven!”
Hij ging naar het venster en keek naar buiten. Een
menigte menschen had zich verzameld om het gehavende
lichaam van eèn grooten hond, terwijl op een naburigen
steen zijn moordenaar zat, die zich kalm zat te likken
en totaal niet lette op de verbazing van de toeschouwers.
De Professor was, op zijn minst genomen, buiten zichzelf
van verbazing en terwijl hij rondkeek om de oorzaak
van deze plotselinge verandering te ontdekken, viel zijn
oog op het schaaltje met vloeistof.
„Goede hemell” kreunde hij. „Dat is de oorzaak. Het
bevat natuurlijk een groote hoeveelheid arbeidsvermogen,
maar ik heb nooit vermoed, dat het uitwerking zou hebben
op een levend schepsel. De gewone huiskat kreeg er de
kracht door van een Bengaalschen tijger. Ik zou wel eens
willen weten wat het resultaat van een portie ervan
bij een menschelijk wezen zou zijn — in dat geval zou
ik een Goliath worden!”
Hij nam het schaaltje op en terwijl hij een beetje vloeistof met een theelepeltje er uit schepte, bracht hij het
aan zijn lippen.
„Wel”, riep een heesche, kijfachtige stem aan de deur.
„Hoe staat het ermee? Hoe staat het met die dertig
gulden, die je aan de hospita schuldig bent, jij kleine
rat? Je zult betalen, of ik zal je de oogen uit je gezicht
halen”.
Alf stapte met oogen, die met bloed beloopen waren,
de kamer binnen, zijn enoime hand strekte hij uit om
de tengere Professor vast te grijpen, terwijl zijn echtgenoote op den achtergrond stond te grinniken van leedvermaak.
„Terug, kerel” zei de Professor, die het lepeltje nog
aan zijn mond had. „Terug, als je je leven liefhebt”.
„Hoor hem eens”, smaalde Alf woedend. „Hij durft mij
weg te sturen in mijn eigen huis. Let op, vrouw, ik
zal hem tegen den grond gooien”.
Hij deed een stap voorwaarts, om zijn voornemen ten
uitvoer te brengen en op ’t zelfde oogenblik slikte de
kleine Professor het vocht in. Toen zag men niets meer
dan dwarrelende jaspanden en rondvliegende vuisten en
de Professor was voor ’t eerst van zijn leven in een
vuistgevecht gewikkeld. Hij was maar vijf voet lang,
had de kracht van een Australisch konijn en was in
gewone omstandigheden nog niet eens sterk genoeg, om
een putje te maken in een klompje boter op een warmen dag, terwijl Alf, ruw geschat, honderdzestig pond
woog en in zijn jeugd den naam van een vechtersbaas
had. Het gevecht had een woest verloop. Den eersten
slag trof Alf, hoewel de Professor het niet merkte, tusschen de oogen en hij viel op den grond, waar hij zoo
plat als een schol bleef liggen en toen hij weer oprees, wierp
de kleine gestalte van den Professor zich op hem en zag
men weer niets dan zwaaiende armen en plukken haar
en hoorde men vreeselijke kreten.
Tien minuten later was alles, wat er van Alf overgebleven was. gewasschen en verbonden, terwijl een verzameling van deelnemende buren vol vrees luisterde
naar het lawaai, dat van boven kwam.
„Kijk hij eens toegetakeld zijn!” jammerde juffrouw
Piek, terwijl zij het rechter oor van haar echtgenoot,
dat leelijk gehavend was, trachtte te verbinden. „Kijk
eens, hoe hij mijn armen Alf behandeld heeft en dat alleen
omdat we hem heel beleefd vroegen, of hij de huur
wilde betalen, waarmee hij drie weken ten achter was.
Als jullie je vrienden van Alf noemt — ga dan naar
boven en geef hem een flink pak slaag.”
De „vrienden” keken met verschrikte oogen naar Alfs
wonden en terwijl zij uitmaakten, dat de atmosfeer van
dat huis bepaald ongezond was voor door de wet beschermde burgers, dropen zij met beschaamde gezichten
af in de richting van den „Zwarten Hond”, terwijl de
welbespraakte juffrouw Piek hun schimpscheuten en
scheldwoorden nazond.
Ondertusschen had des Professors aanval van razernij
opgehouden en toen hij zich zwak en bevend terugvond
in de gehavende kamer, verbaasde hij zich over de uitwerking van het wonderlijke vocht.
„Het is verbazend 1” zei hij, terwijl hij ging zoeken
naar de twee ontbrekende pooten van den „gemakkelijken
stoel” „en daar kan ik geld van maken. Hoopen en
hoopen geld, als ik het goed aanleg. Zelfs het Portugeesche
leger zou, voorzien van dit middel, heel Europa kunnen
doortrekken, maar ongelukkigerwijze is er op ’t oogenblik
geen oorlog in ’t vooruitzicht.”
Gedurende een oogenblik stond hij te overleggen, hoe
hij op d^ beste manier financieel voordeel van zijn nieuwe
ontdekking zou kunnen trekken, toen plotseling bij de
gedachte aan Pick’s nederlaag, een schitterend plan bij
hem opkwam.
„Natuurlijk,” riep hij uit, terwijl hij bet schaaltje opnam, dat gelukkig aan de verwoesting gedurende het
gevecht was ontsnapt, „zal deze vloeistof juist iets zijn
voor een bokser — een kleine dosis van mijn nieuw
Elixer zou een man van mijn gestalte in staat stellen
om John Jackson zelf te verslaan.”
Terwijl hij de kostbare vloeistof in een klein fleschje.
goot, had hij visioenen van ongekende rijkdommen en
naar zijn hoed grijpende, rende hij de straat op.
Hij herinnerde zich, dat hij met de tram in korten
tijd vanaf zijn kamers naar een boksgelegenheid kon
komen, waarvan hij de lichten dikwijls had opgemerkt
op zijn weg naar huis; en hoewel hij nooit in het gebouw
was geweest, besloot hij het dien avond eens te gaan
bezoeken.
Hij zou heel gemakkelijk onder de boksers den een of
anderen minder bekwamen kunnen ontdekken, die graag
op het voorstel, dat hij van plan was te doen, zou ingaan en dan stond niets hem in den weg om fortuin te
maken.
De tweede ronde van een strijd, die uit zes ronden zou
bestaan, was in vollen gang, toen de Professor plaats
nam en na te hebben geweigerd om deel te nemen aan een
schotel paling in gelei, ging hij zitten om naar den strijd
te kijken. De gezichten van zijn buren waren, op zijn
zachtst gezegd, afstootend en de Professor voelde zich
weinig op zijn gemak toen een individu met borstelige
wenkbrauwen hem om een „lucifer” vroeg. Terwijl hij
naar zijn lucifers tastte, raakten de vingers van den
Professor het wonderbaarlijke fleschje aan en een glimlach van geruststelling- verhelderde zijn gelaatstrekken.
Hij had slechts één druppel te nemen en de zoo woest
uitziende bokser zou bebloed en verslagen het gebouw
uitgedragen worden.
Het verloop van het gevecht vond de Professor verbazend interessant, om de eenvoudige reden, dat hij nog
nooit tevoren een bokspartij had gezien, anders zou hij
zich misschien gedragen hebben als de rest van het
publiek, dat liedjes zong op een beleedigende manier en
de boksers uitfloot. Om de waarheid te zeggen, was geen
van de boksers tegen hun taak opgewassen en hoewel
zij wel een woeste houding aannamen én in de lucht
sloegen, berokkenden ze elkaar niet veel nadeel. De
kleinste van de twee, een bleek uitziende jonge man
met knokige knieën, dekte zich als een verschrikte kreeft,
wanneer hij veronderstelde, dat zijn tegenstander een
uitval zou doen, terwijl de ander, als hij er in geslaagd
was dezen staat van zaken te bereiken met de minst
mogelijke krachtinspanning, zich tevreden stelde met
een woest gezicht te trekken en andere totaal overbodige
grimassen uit te voeren.
De Professor echter werd door dit alles erg geboeid
en voelde, dat zijn opvoeding schandelijk verwaarloosd
was, omdat hij nog nooit een dergelijken wedstrijd had
bijgewoond en toen de twee boksers werkelijk aan het
vechten gingen, hijgde hij van opwinding. Onder de kreten
van het publiek sloegen de twee hoofdpersonen, die zich
van hun schuchterheid hadden hersteld, op elkaar los,
terwijl ze alle voorzorgsmaatregelen in den wind sloegen.
Zij deden elk bijna zestig uitvallen per seconde en binnen
weinige oogenblikken maakte de bloedarme jonge man
een terugwijkende beweging. Hij was tot de ontdekking
gekomen, dat een vroegtijdige ontruiming van de kampplaats van zijn kant zeer gewenscht zou zijn en tastte
blindelings naar de touwen om naar beneden te klimmen,
toen zijr. tegenstander hem zonder complimenten in de
kookafdeeling stootte. Diep beleedigd verdubbelde de
bleeke jonge man zijn krachten, maar de ander pakte
zijn hooid en begon dit krachtig te beuken, totdat het
voorweip van deze zachtzinnige attentie wanhopig zijn
hand greep en deze hevig schudde ten teeken van overgave.
Teiwijl de twee vechtersbazen plukhaarden tusschen
de touwen onder het gehoon van het publiek, baande
de Professor zich met de ellebogen een weg naar de
kampplaats en bereikte den bleeken jongeling, juist toen
deze op den grond sprong.
„Een woordje met u”, zei de professor vriendelijk.
De bokser keek den man van de wetenschap van boven
tot beneden aan en toen hij tot de gevolgtrekking gekomen was, dat hij dezen man tenminste met succes zou
kunnen aanvallen, informeerde hij of de Professor vroeg
om een klap om zijn hoofd. „Neen, dat niet,” antwoordde de Professor, terwijl hij naar zijn fleschje greep
op dezelfde manier als een gewoon mensch zijn stok
steviger omklemt als hij tegenover het gevaar komt te
staan. „Ik zou u willen spreken over iets — iets dat
heel voordeelig voor u zal zijn.”
„Zoo! — geef dan een rondje; dan zullen wij er over
spreken,” zei de bokser, terwijl hij zich uitrekte.
„Waar zullen we heengaan, mijnheer?” vroeg de Professor, wiens versnaperingen meestal den vorm van cacao
aannamen.
„Mijnheer Bosher,” antwoordde de ander, „Kid Bosher
word ik gewoonlijk genoemd. Ik heb twintig partijen
gewonnen bij de knock-out route, maar dit was een van
mijn slechte avonden!”
„Dat dacht ik wel,” zei de Professor met hetprijzenswaardig verlangen om hem aangenaam te zijn.
„Wat?” vroeg Kid woest, „lach mij niet in mijn
gezicht uit over mijn nederlaag of je zult kennis maken
met mijn vuisten.
„Houdt u bedaard,” zei de Professor minzaam. „Zoudt
u graag wereldkampioen willen worden?”
Kid B. had al voortdurend het vermoeden gehad, dat
hij voor den gek gehouden werd en door deze vraag
van den Professor werd hij nog in dat vermoeden versterkt.
Dadelijk trok hij zijn jas uit, verzocht den herbergier
haar te bewaren en maakte zich gereed om den Professor
aan te vallen.
„Blijf toch als ’t u blieft kalm,” smeekte de kleine man
op klagenden toon. „Ik meen werkelijk, wat ik zeg. Ik
heb een wonderbaarlijk Elixer in mijn zak; een druppel
ervan zal u in staat stellen om den besten bokser van
de wereld met geweld te overwinnen.”
Kid trok zijn jas weer aan en dronk zijn glas leeg.
„Als je mij bedriegt,” zij hij woest, „dan zal je moeder
je niet meer herkennen, wanneer ik met je afgerekend
heb; maar als je de waarheid zegt, kan kunnen we zaken
|