Panorama

Blad 
 van 2380
Records 706 tot 710 van 11897
Nummer
1914, nr.18, 29 april 1914
Blad
05
Tekst
DE-®> WINT!... OMDAT de niet alleen een procédé is van uiterst gelukkig resultaat, doch ook van economisch werken. ®> beteekent: NEDERL ANDSCHE ROTOGRAVURE^ MAATSCHAPPIJ. Maar ook beteekent de fraaie platen in koperdiepdruk met rotatiesnelheid gedrukt. PANORAMA is rotogravurewerk, dus Doch behalve voor het drukken van het PANORAMA is de NEDERLANDSCHE ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ ook ingericht voor het leveren van elk ander soort drukwerk dat in fraaie uitvoering uitmunten moet. VRAAGT MODELLEN EN OPGAVEN AAN DE NEDERLANDSCHE ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ LEIDEN - TELEFOON 760 AMERIKAANSCH SYSTEEM. „Curtis ’ Indirecte Verlichting, zelfs door middel van een STAANDE LAMP of ZUIL, kan men GROOTERE LOCALITEITEN VOLKOMEN VERLICHTEN. ZACHT DIFFUUS LICHT; DOOR OOGARTSEN TEN — STERKSTE AANBEVOLEN. — Prospecti, prijscouranten en alle verdere gewenschte inlichtingen worden gaarne verstrekt door H.H. installateurs en den importeur: L. ZÉLANDER ■ Singel 286, Amsterdam. VOORRAAD TE AMSTERDAM. G- ..................................... —O Op de reflectoren Is een laas gebracht, dus geen verweering verzilvering ï ■ -... .=±=-d G * G ......... zuiver zilver aanzooals bij kwikmoselijk. SPECIAAL REFLECTORS voor directe verlichting van winkelkasten, fabrieken, ateliers, etc. etc. PRACHTIG EFFECT, GR00TE STROOMBESPARING. AlaCola, het nieuwe uitstekende product, zal stellig onder de niet-alcoholische dranken de eerste plaats gaan innemen. Immers, deze drank bezit geen enkele der onaangename eigenschappen van samenstelling, smaak en nawerking, welke het gebruik van allerlei z.g. geheelonthoudersdranken tot hetstrikt noodzakelijke beperkt doet blijven. ALA COLA bestaat uitsluitend uit goede, de gezondheid bevorderende bestanddeelen, heefteen aangenamen, pikanten smaak en voldoet uitstekend aan de behoefte van een gezonden, ververschenden drank. 100 Sluitzegels gratis! De Firma LINGNER-WERKE, A.-G. te Dresden, heeft onlangs eene nieuwe serie RECLAME-ZEGELS voor haar bekend mondwater, het echte ,,Odol ’, uitgegeven. Deze zegels geven 25 der mooiste Odolafbeeldingen, door bekwame kunstenaars in kleurendruk uitgevoerd, te aanschouwen. Supra Costuums Confectie, doch volmaakte pasvorm. Supra Costuumsgeven den drager dat onbeschrijfbare stempel van gratie en houding, waaraan men terstond den correcten man herkent. Supra Costuums vernietigen elk vroeger vooroordeel tegen confectie en het bewonderenswaardige systeem, waarop ze vervaardigd worden, verzekert een onberispelijken pasvorm voor elk figuur. Men lette o. a. op de breede belegsels, de prima voeringen deverdere duurzame wijze van bewerking. Zichtzendingen door het geheele land. Magazijn Nederland KATTENBURG &• Co. ROTTERDAM - AMSTERDAM DEN HAAG - UTRECHT HAARLEM Aan iederen lezer van dit blad, die belang stelt in deze zegels,. zal door genoemde firma zonder be*re^ening 100 dezer zegels franco worden toegezonden, tegen inzending van de kleine papierstrook, met den tekst: Hoe de flacon te openen, welke strook zich op iederen flacon Odol bevindt. Men kan deze strook het beste inzenden door haar te plakken op een 5 Ct.- briefkaart, geadresseerd aan de LINGNER-WERKE, A.-G., Dresden. Niet vergeten Uw adres er op te schrijven! STOOM-WASSCHERD EN BLEEKERD ,,DE PELIKAAN" Telegram-Adres: Interc. Telefoonn. Pelikaan-Gouda UMUlzA OU 196 en 253. Stoom-Ververij en Chemische Wasscherij, Stoom-Tapijtreiniging. Electrische Mangel- en Strijkinrichting. — Hygiënische Wasscherij. — Desinfectie. — HöTEL-WASSCHERIJ. Hötel- en Restaurantgoederen tot de grootste hoeveelheid binnen enkele uren. — Speciale inrichting voor glansmangelen en opmaken. Aflevering van tafelgoed als nieuw, UITSTOOMEN. - VERVEN. - CHEMISCH REINIGEN. Dagelijks afhalen en bezorgen van goederen geheel vrachtvrij, in ALLE plaatsen, in direct verkeer per boot, of per spoor als vrachtgoed. • gt^^Ons geïllustreerd prospectus wordt U op ssr'^ aanvrage gratis en franco toegezonden!
PDF
Nummer
1914, nr.18, 29 april 1914
Blad
06
Tekst
CONTI N E NTAL-CAOUTCHOUC- UND GUTTA-PERCHA-COM PAGN I E AMSTERDAM. PRINSENGRACHT 1077 TELEFOON NOORD 7887. 10466 ENNER-MEUBELEN WETTIG gedeponeerd H. ELLENS. INV. NOORDWOLDE FR. Te bekomen door de voornaamste Meubelhandelaars, of direct van de Fabriek ===== CATALOGUS OP AANVRAAG VERKRIJGBAAR —...... N.V. NEDERLANDSCHE RlETVLECHTFABRIEK - NOORDWOLDE FR.
PDF
Nummer
1914, nr.18, 29 april 1914
Blad
07
Tekst
BLOEIENDE PLANT. voorzichtig genoeg zijn in de keuze van een geneesheer als men aan zijn pijp, zijn sigaar, zijn sigaret hecht. Rooken moet geleerd worden, zooals men caviaar en oesters moet leeren eten, zooals men champagne moet leeren drinken, zooals men, kortom, elk genotmiddel moet leeren verstaan, eer men uit het gebruik daarvan het rechte genot smaakt. Hier moet ik weer even een „mop” plaatsen. Een Schotsch landeigenaar had een groote weide verkocht aan een rijken boeren nadat de koop was voltrokken, onthaalde hij zijn gast in de dorpsherberg op champagne, dat het een aard had. — Nog een glas, Mike, moedigde hij aan. — Dank je, mylord, zei de ander, nou is het mijn beurt en ik denk dat een whisky ons goed zal doen na al dit minerale water hier! Heele families, heele geslachten, heele volksstammen leeren nooit behoorlijk rooken. Reeds aan de wijze waarop iemand een sigaar opsteekt, kan men zien of hij een goede sigaar waard is. De kenner neemt juist zooveel vuur als noodig is voor goed branden, maar langzaam trekkend, om te zorgen dat de sigaar niet verder verhit dan het kleine gedeelte waar de tabak smeult onder de asch. Ook aan de wijze van rooken herkent ge den man, die een sigaar waardeert. Hij paft er niet op los als een schoorsteen, morrelt niet voortdurend in een aschbak, hult zich niet in rookwolken, maar doet langzame, bedachtzame trekken, houdt den rook een oogenblik in den mond (zonder dien op te zuigen of in te ademen) en blaast hem dan langzaam, in kleinere gedeelten weder uit. Dat is de fijnproever, die zijn smaak voor goede sigaren heeft ontwikkeld, zooals een ander zijn kijk op schilderijen, of een derde zijn ontvankelijkheid voor muziek-scheppingen. Hij rookt zijn beste sigaar na zijn besten maaltijd van den dag, als een beloonihg mede die hij zichzelf heeft toegedacht na volbrachte dagtaak. Hij gunt zich een weelde — en als hij die weelde missen moest zou hij een gevoel van armoede krijgen. Maar dit is geen sociaal-economisch betoog, melieven! Wetenschappelijks is er over rooken al genoeg gezegd. Gansche boeken zijn er gewijd aan het rooken, aan de tabak en haar verwerking. Wie er belang in stelt leze: „De tabak en de tabaksfabrikatie, door Jacob Wolf, voor Nederland bewerkt door S. C. J. Bertram” en verschenen bij de uitgevers van dit weekblad, die goedvonden dat we er enkele plaatjes uit overnamen. Daarin is een gansch, belangrijk en belangwekkend hoofdstuk gewijd aan de inwerking van het tabaksgenot op het menschelijk lichaam en daarin worden zeer verstandige dingen gezegd, ook ter aanbeveling van matigheid bij het rooken. Natuurlijk, matigheid is een goed ding. En ook professor Pel, van Amsterdam, heeft nog onlangs, in het den grooten geleerde Ehrlich op zijn 60sten verjaardag aangeboden gedenkboek verklaard, dat de nadeelen van rooken, met mate, niet groot kunnen zijn. Zoo dacht ook wijlen prof. Stokvis er over, met wien ik eens dit onderwerp behandelde, naar aanleiding van een verhandeling van dien hoogleeraar over gewennen en gewoonten van den mensch en het aanpassingsvermogen van het menschelijk organisme. Maar dit is óók geen geneeskundige verhandeling, mijn waarden, het is een praatje over rooken. Wij zijn het er allen over eens: er moet met mate worden gerookt. Maar wij zijn het, rookers, er ook over eens, dat rooken een genot is. Toch méér nog, eigenlijk. Men moet een rooker wezen, overtuigd minnaar van het „toeback suyghen”, zooals onze voorouders het noem* den, om te waardeeren het slotwoord van Pel aan Ehrlich: „Hartelijk gemeend is mijn wensch, hooggeachte heer jubilaris, dat gij zonder angst voor vergiftige uitwerking nog heel veel sigaren — van hier of geïmporteerd — zult genieten, en dat de geurige, blauwe rook bij het genot van de sigaar u nieuwe, voor de menschheid nuttige gedachten moge ingeven” 1/fET uw verlof wil ik, om te beginnen, een oude * „mop” vertellen.......... In een gezellige rookkamer, waar de lichtblauwe, ijle rook van puros zich in wolkjes zamelt en langs de lichten in het vertrek verijlt tot nog vluchtiger substantie, die onzichtbaar wordt, daai komen de ,,moppen” vanzelf los, als de tongen wat losser zijn geworden. Daar kan een oude mop er desnoods nog mee door. Maar hier, in een weekblad-artikel, dat door nuchtere menschen gelezen wordt, schijnt een verontschuldiging noodig aan dengeen die ,/m reeds kent”. Dus: de mop. — Kijk eens, zei van Puffelen, die niet rookte, tegen van Droogen, een hartstochtelijk rooker — als jij al het geld bespaard hadt, dat je in zooveel jaren hebt verdampt, dan kon je er een villa voor koopen. Waarop van Droogen enkel: — Waar staat jouw villa? Want wij menschen zijn merkwaardige wezens. Wij nemen elkander nooit zooals we zijn, maar zooals we vinden dat anderen wezen moesten. Als meneer Dinges geen wijn, of bier, of spiritualiën verdragen kan, of wanneer zijn staat des levens hem geen genotmiddelen veroorlooft, of wanneer hij den heilstaat meent te kunnen gronden op de een of andere „beweging”, of wanneer hij zijn „beginselen” beschouwt als het reddend geneesmiddel tegen alle maatschappelijke kwalen — dan moet, naar zijn gevoelen, heel de wereld zich onthouden van het gebruik van wijn, of bier, of alcoholische dranken, dan moet er een samenleving worden gevormd van louter Dingessen, monsieur, madame et bébé. Nu is er één ding, dat vaststaat. Wie meent, dat het rooken voor zijn gezondheid nadeelig is, wie dat nadeel aan den lijve ervaart door minder aangename verschijnselen — die late het rooken na. Gezond verstand wijst hier den weg. Wie twijfelt of het rooken, dat hem op zichzelf niet onaangenaam aandoet — integendeel! — toch wellicht de oorzaak is van een of ander ongemak, die raadplege den geneesheer, maar drage zorg een geneesheer te kiezen die zelf wèl rookt. Tien tegen een, dat het rooken hem dan niet verboden zal worden. Want men kan niet Wel, wij zijn bij lange niet allen geleerden, letterkundigen, wijsgeeren, kunstenaars, die door tabaksrook tot nieuwe gedachten bezield worden; geen staatslieden of diplomaten, die uit een Uppman of een Henry Clay de denkbeelden peuren die op het lot der volken van onberekenbaren invloed zijn. Maar wij kennen den aangenamen, ons gansche zenuwstelsel prikkelenden invloed van pijp, sigaar of sigaret, die helderheid brengt in ons denken, een stimulans is voor onze werk- en scheppingskracht. — Ik kan niet werken als ik rook, zegt de een. — Ik kan niet rooken als ik werk, zegt de tweede. — Ik kan niet werken zonder te rooken, de ander. Hier treedt het individueele op den voorgrond. Groote voorbeelden zijn er — Bismarck en Edison, om er maar twee te noemen — van groote denkers die groote rookers waren. Daarom is nog niet elk die zwaar rookt een Edison of een Bismarck! Nu wil een vergedreven eubiotiek, dat wij het rooken zullen laten. In Amerika, het land der onbegrensde mogelijkheden en van . . . den humbug, schijnt men een middel te hebben en toe te passen, een soort van behandeling van de keelholte, die elke liefde voor tabak doodt. Men zegt ons niet welke de beweegredenen zijn van de jongelieden die zich aldus laten behandelen. Bezwaarlijk — want dit ware een verklaring — een ingeboren afkeer van rookende mannen bij leden van de andere helft van ons geslacht, die ten onrechte de zwakkere heet. Vrouwen rooken.. bij tal van volksstammen, en ook de beschaafde vrouw toont, in tal van landen, meer en meer neiging om, ook in dit opzicht, de gelijke van den man te zijn. Maar ook bij tal van vrouwen die zelve niet rooken en het nooit zullen doen, is er geen Abneigung tegen het rooken door mannen. Over het geheel worden, door vrouwen, mannen die niet rooken voor vervelende wezens gesleten. De uitzondering bevestigt hier den regel. En zij hebben gelijk. Want de man, die rookt heeft een natuurlijke neiging tot gezelligheid. Met zijn pijp, zijn sigaar, zijn sigaret, in het duister van zijn kamer, aan het strand van de zee, op een eenzame landweg, nergens voelt hij zich alléén. De tabak geeft hem het gezelschap, waaraan hij van nature behoefte heeft. Rooken bevordert de huiselijkheid en de vrouw, die de zorg voor haar gordijnen stelt boven het genot dat haar man in de sigaar vindt, heeft kans haar en zijn leven te bederven. Rooken is een genot, dat niet met andere genietingen te vergelijken is — omdat elke vergelijking mank gaat. Schaft dit genot af — en de wereld zal er heel wat vervelender door worden. Wie dit genot niet kent, mist iets dat kwalijk door iets anders te vervangen i°. Wie het kent, wil het niet missen. En hij is geneigd den dichter in gebreke te stellen, die bij zijn loflied op ,,Wein, Weib und Gesang” de tabak vergeten heeft. BOEREN- OF VIOOLTJESTABAK.
PDF
Nummer
1914, nr.18, 29 april 1914
Blad
08
Tekst
(Rijksmuseum, Amsterdam) GERARD DOU - „DE ROOKER”
PDF
Nummer
1914, nr.18, 29 april 1914
Blad
09
Tekst
u hebt het niet?” schreeuwde juffrouw Piek op schellen toon. „Wel — wacht dan maar tot mijn Alf thuiskomt. Hij zal u leeren, om een arme vrouw haar zuur verdiend geld niet te betalen. Drie weken huur is u mij nu al schuldig en als ik het geld niet binnen een half uur heb, dan zal mijn Alf u wel even leeren.” Hiermee sloeg de woedende vrouw de deur achter zich toe en slofte naar beneden, terwijl de kleine Professor Tollett ineengedoken bleef zitten op een meubelstuk met wijd uitstaande pooten, dat in meubelwinkels bekend is als een ,,gemakkelijke stoel.” Het was in den laatsten tijd slecht gegaan met den kleinen Professor — slechts weinige scholen schenen de diensten noodig te hebben van een werkelijk wetenschappelijk onderlegd leeraar en het scheen, dat niemand voordrachten over scheikunde wenschte aan te hooren; met het gevolg, dat hij onmogelijk de rekening van zijn hospita had kunnen voldoen. Door verschillende voorwerpen te beleenen, had hij dit nog een paar weken kunnen uitstellen, maar nu kon hij niet anders doen, dan juffrouw Piek beloven, dat hij haar rekening zou afbetalen, zoodra de proefneming, waarmee hij bezig was, succes zou hebben. Het goede mensch, dat de grootste minachting koesterde voor wat zij noemde „smerige mengseltjes en viezen stank” had geweigerd te wachten, tot hij dit toppunt van zijn wenschen zou bereikt hebben, met dat gevolg, dat haar Alf den Professor de deur zou uitzetten, zoodra de herberg „de Zwarte Hond” hem niet meer aan zich kluisterde, en waaruit hij zich alleen verwijderde, als er geroepen werd „Allemaal ex uit 1” Alf Piek was een groot en terugstootend mensch, wiens eenige deugd in de oogen van zijn vrouw daarin bestond, dat hij een ruwe manier had om haar huurders, die in gebreke bleven te betalen, te behandelen, zoodat menig ongefortuneerd en schraal bij kas zijnd huurder er toch nog in geslaagd was als hij Alfs naam hoorde noemen, het noodige bij elkaar te krijgen. De Professor was een klein, zwak mannetje en het was te betwijfelen of hij uit een prullenmand zou kunnen klauteren. Tot nu toe had Alf hem slechts aangevallen met woorden en vloeken, en als de lichamelijke straf, die hij nu verwachtte, maar half zoo krachtig zou zijn als zijn woorden, dan wist de Professor, dat hem iets geduchts te wachten stond. Hij keek angstig naar de klok en ziende, dat het pas negen uur was, slaakte hij een zucht van verlichting, want naar alle waarschijnlijkheid zou Alf niet terugkeeren voor middernacht en naar een kast gaande, nam hij er een verzameling van reageerbuizen, retorten en fleschjes uit. Nadat hij een Bunschenschen brander had aangestoken, was hij weldra verdiept in zijn werk en na verloop van tien minuten was hij erin geslaagd de kamer te vervullen van een onbeschrijfelijke en doordringende lucht en had hij in een reageerbuis een kleine hoeveelheid van een kleurlooze vloeistof verzameld. Deze goot hij uit in een schaaltje om het te laten afkoelen en toen de stank onverdragelijk geworden was, opende hij de deur en de vensters, om de andere huurders te laten meegenieten van het resultaat van zijn arbeid. Door de open deur kwam Eustace, de kater van juffrouw Piek, die er deerniswekkend uitzag en een hongerige uitdrukking in zijn hard-gele oogen had. Het schaaltje stond op den grond bij de ♦ kachel en daar Eustace schaaltjes op den vloer altijd in verband bracht met een nieuwen voorraad melk, deed hij een zacht geknor van welbehagen hooren en ging er naast zitten. Hij likte er maar even aan, maar dat was voldoende en met een kreet van razernij rende hij door de kamer heen. Den „gemakkelijken stoel” liep hij omver en het zware meubelstuk viel met een slag tegen den grond; daarna sprong hij in de hoogte, beschreef een cirkel in de lucht, wierp daarbij de gaskroon af en kwam toen met een flinken slag op de tafel terecht. „Lieve hemel!” riep de verbaasde Professor. „Wat is er met Eustace gebeurd — arme, arme poes!” Hij nam Eustace op en wilde hem aaien, toen er iets merkwaardigs gebeurde. Eustace’s poot schoot uit als een bliksemstraal en sloeg tegen het oor van den kleinen Professor, die op den grond viel en een oogenblik onbeweeglijk bleef liggen, terwijl de kat tweemaal als een dolle de kamer rondvloog, toen door het venster naar buiten schoot, en het volgend oogenblik, te oordeelen naar het lawaai, handgemeen was met een hond. „Wel, wel!” zei de Professor, terwijl hij van den grond oprees en zijn oor betastte, „ik heb van mijn leven nog nooit zoo’n harden klap gehad. Het is ongelooflijk dat zoo’n klein diertje iemand zoo’n slag kan geven!” Hij ging naar het venster en keek naar buiten. Een menigte menschen had zich verzameld om het gehavende lichaam van eèn grooten hond, terwijl op een naburigen steen zijn moordenaar zat, die zich kalm zat te likken en totaal niet lette op de verbazing van de toeschouwers. De Professor was, op zijn minst genomen, buiten zichzelf van verbazing en terwijl hij rondkeek om de oorzaak van deze plotselinge verandering te ontdekken, viel zijn oog op het schaaltje met vloeistof. „Goede hemell” kreunde hij. „Dat is de oorzaak. Het bevat natuurlijk een groote hoeveelheid arbeidsvermogen, maar ik heb nooit vermoed, dat het uitwerking zou hebben op een levend schepsel. De gewone huiskat kreeg er de kracht door van een Bengaalschen tijger. Ik zou wel eens willen weten wat het resultaat van een portie ervan bij een menschelijk wezen zou zijn — in dat geval zou ik een Goliath worden!” Hij nam het schaaltje op en terwijl hij een beetje vloeistof met een theelepeltje er uit schepte, bracht hij het aan zijn lippen. „Wel”, riep een heesche, kijfachtige stem aan de deur. „Hoe staat het ermee? Hoe staat het met die dertig gulden, die je aan de hospita schuldig bent, jij kleine rat? Je zult betalen, of ik zal je de oogen uit je gezicht halen”. Alf stapte met oogen, die met bloed beloopen waren, de kamer binnen, zijn enoime hand strekte hij uit om de tengere Professor vast te grijpen, terwijl zijn echtgenoote op den achtergrond stond te grinniken van leedvermaak. „Terug, kerel” zei de Professor, die het lepeltje nog aan zijn mond had. „Terug, als je je leven liefhebt”. „Hoor hem eens”, smaalde Alf woedend. „Hij durft mij weg te sturen in mijn eigen huis. Let op, vrouw, ik zal hem tegen den grond gooien”. Hij deed een stap voorwaarts, om zijn voornemen ten uitvoer te brengen en op ’t zelfde oogenblik slikte de kleine Professor het vocht in. Toen zag men niets meer dan dwarrelende jaspanden en rondvliegende vuisten en de Professor was voor ’t eerst van zijn leven in een vuistgevecht gewikkeld. Hij was maar vijf voet lang, had de kracht van een Australisch konijn en was in gewone omstandigheden nog niet eens sterk genoeg, om een putje te maken in een klompje boter op een warmen dag, terwijl Alf, ruw geschat, honderdzestig pond woog en in zijn jeugd den naam van een vechtersbaas had. Het gevecht had een woest verloop. Den eersten slag trof Alf, hoewel de Professor het niet merkte, tusschen de oogen en hij viel op den grond, waar hij zoo plat als een schol bleef liggen en toen hij weer oprees, wierp de kleine gestalte van den Professor zich op hem en zag men weer niets dan zwaaiende armen en plukken haar en hoorde men vreeselijke kreten. Tien minuten later was alles, wat er van Alf overgebleven was. gewasschen en verbonden, terwijl een verzameling van deelnemende buren vol vrees luisterde naar het lawaai, dat van boven kwam. „Kijk hij eens toegetakeld zijn!” jammerde juffrouw Piek, terwijl zij het rechter oor van haar echtgenoot, dat leelijk gehavend was, trachtte te verbinden. „Kijk eens, hoe hij mijn armen Alf behandeld heeft en dat alleen omdat we hem heel beleefd vroegen, of hij de huur wilde betalen, waarmee hij drie weken ten achter was. Als jullie je vrienden van Alf noemt — ga dan naar boven en geef hem een flink pak slaag.” De „vrienden” keken met verschrikte oogen naar Alfs wonden en terwijl zij uitmaakten, dat de atmosfeer van dat huis bepaald ongezond was voor door de wet beschermde burgers, dropen zij met beschaamde gezichten af in de richting van den „Zwarten Hond”, terwijl de welbespraakte juffrouw Piek hun schimpscheuten en scheldwoorden nazond. Ondertusschen had des Professors aanval van razernij opgehouden en toen hij zich zwak en bevend terugvond in de gehavende kamer, verbaasde hij zich over de uitwerking van het wonderlijke vocht. „Het is verbazend 1” zei hij, terwijl hij ging zoeken naar de twee ontbrekende pooten van den „gemakkelijken stoel” „en daar kan ik geld van maken. Hoopen en hoopen geld, als ik het goed aanleg. Zelfs het Portugeesche leger zou, voorzien van dit middel, heel Europa kunnen doortrekken, maar ongelukkigerwijze is er op ’t oogenblik geen oorlog in ’t vooruitzicht.” Gedurende een oogenblik stond hij te overleggen, hoe hij op d^ beste manier financieel voordeel van zijn nieuwe ontdekking zou kunnen trekken, toen plotseling bij de gedachte aan Pick’s nederlaag, een schitterend plan bij hem opkwam. „Natuurlijk,” riep hij uit, terwijl hij bet schaaltje opnam, dat gelukkig aan de verwoesting gedurende het gevecht was ontsnapt, „zal deze vloeistof juist iets zijn voor een bokser — een kleine dosis van mijn nieuw Elixer zou een man van mijn gestalte in staat stellen om John Jackson zelf te verslaan.” Terwijl hij de kostbare vloeistof in een klein fleschje. goot, had hij visioenen van ongekende rijkdommen en naar zijn hoed grijpende, rende hij de straat op. Hij herinnerde zich, dat hij met de tram in korten tijd vanaf zijn kamers naar een boksgelegenheid kon komen, waarvan hij de lichten dikwijls had opgemerkt op zijn weg naar huis; en hoewel hij nooit in het gebouw was geweest, besloot hij het dien avond eens te gaan bezoeken. Hij zou heel gemakkelijk onder de boksers den een of anderen minder bekwamen kunnen ontdekken, die graag op het voorstel, dat hij van plan was te doen, zou ingaan en dan stond niets hem in den weg om fortuin te maken. De tweede ronde van een strijd, die uit zes ronden zou bestaan, was in vollen gang, toen de Professor plaats nam en na te hebben geweigerd om deel te nemen aan een schotel paling in gelei, ging hij zitten om naar den strijd te kijken. De gezichten van zijn buren waren, op zijn zachtst gezegd, afstootend en de Professor voelde zich weinig op zijn gemak toen een individu met borstelige wenkbrauwen hem om een „lucifer” vroeg. Terwijl hij naar zijn lucifers tastte, raakten de vingers van den Professor het wonderbaarlijke fleschje aan en een glimlach van geruststelling- verhelderde zijn gelaatstrekken. Hij had slechts één druppel te nemen en de zoo woest uitziende bokser zou bebloed en verslagen het gebouw uitgedragen worden. Het verloop van het gevecht vond de Professor verbazend interessant, om de eenvoudige reden, dat hij nog nooit tevoren een bokspartij had gezien, anders zou hij zich misschien gedragen hebben als de rest van het publiek, dat liedjes zong op een beleedigende manier en de boksers uitfloot. Om de waarheid te zeggen, was geen van de boksers tegen hun taak opgewassen en hoewel zij wel een woeste houding aannamen én in de lucht sloegen, berokkenden ze elkaar niet veel nadeel. De kleinste van de twee, een bleek uitziende jonge man met knokige knieën, dekte zich als een verschrikte kreeft, wanneer hij veronderstelde, dat zijn tegenstander een uitval zou doen, terwijl de ander, als hij er in geslaagd was dezen staat van zaken te bereiken met de minst mogelijke krachtinspanning, zich tevreden stelde met een woest gezicht te trekken en andere totaal overbodige grimassen uit te voeren. De Professor echter werd door dit alles erg geboeid en voelde, dat zijn opvoeding schandelijk verwaarloosd was, omdat hij nog nooit een dergelijken wedstrijd had bijgewoond en toen de twee boksers werkelijk aan het vechten gingen, hijgde hij van opwinding. Onder de kreten van het publiek sloegen de twee hoofdpersonen, die zich van hun schuchterheid hadden hersteld, op elkaar los, terwijl ze alle voorzorgsmaatregelen in den wind sloegen. Zij deden elk bijna zestig uitvallen per seconde en binnen weinige oogenblikken maakte de bloedarme jonge man een terugwijkende beweging. Hij was tot de ontdekking gekomen, dat een vroegtijdige ontruiming van de kampplaats van zijn kant zeer gewenscht zou zijn en tastte blindelings naar de touwen om naar beneden te klimmen, toen zijr. tegenstander hem zonder complimenten in de kookafdeeling stootte. Diep beleedigd verdubbelde de bleeke jonge man zijn krachten, maar de ander pakte zijn hooid en begon dit krachtig te beuken, totdat het voorweip van deze zachtzinnige attentie wanhopig zijn hand greep en deze hevig schudde ten teeken van overgave. Teiwijl de twee vechtersbazen plukhaarden tusschen de touwen onder het gehoon van het publiek, baande de Professor zich met de ellebogen een weg naar de kampplaats en bereikte den bleeken jongeling, juist toen deze op den grond sprong. „Een woordje met u”, zei de professor vriendelijk. De bokser keek den man van de wetenschap van boven tot beneden aan en toen hij tot de gevolgtrekking gekomen was, dat hij dezen man tenminste met succes zou kunnen aanvallen, informeerde hij of de Professor vroeg om een klap om zijn hoofd. „Neen, dat niet,” antwoordde de Professor, terwijl hij naar zijn fleschje greep op dezelfde manier als een gewoon mensch zijn stok steviger omklemt als hij tegenover het gevaar komt te staan. „Ik zou u willen spreken over iets — iets dat heel voordeelig voor u zal zijn.” „Zoo! — geef dan een rondje; dan zullen wij er over spreken,” zei de bokser, terwijl hij zich uitrekte. „Waar zullen we heengaan, mijnheer?” vroeg de Professor, wiens versnaperingen meestal den vorm van cacao aannamen. „Mijnheer Bosher,” antwoordde de ander, „Kid Bosher word ik gewoonlijk genoemd. Ik heb twintig partijen gewonnen bij de knock-out route, maar dit was een van mijn slechte avonden!” „Dat dacht ik wel,” zei de Professor met hetprijzenswaardig verlangen om hem aangenaam te zijn. „Wat?” vroeg Kid woest, „lach mij niet in mijn gezicht uit over mijn nederlaag of je zult kennis maken met mijn vuisten. „Houdt u bedaard,” zei de Professor minzaam. „Zoudt u graag wereldkampioen willen worden?” Kid B. had al voortdurend het vermoeden gehad, dat hij voor den gek gehouden werd en door deze vraag van den Professor werd hij nog in dat vermoeden versterkt. Dadelijk trok hij zijn jas uit, verzocht den herbergier haar te bewaren en maakte zich gereed om den Professor aan te vallen. „Blijf toch als ’t u blieft kalm,” smeekte de kleine man op klagenden toon. „Ik meen werkelijk, wat ik zeg. Ik heb een wonderbaarlijk Elixer in mijn zak; een druppel ervan zal u in staat stellen om den besten bokser van de wereld met geweld te overwinnen.” Kid trok zijn jas weer aan en dronk zijn glas leeg. „Als je mij bedriegt,” zij hij woest, „dan zal je moeder je niet meer herkennen, wanneer ik met je afgerekend heb; maar als je de waarheid zegt, kan kunnen we zaken
PDF
Blad 
 van 2380
Records 706 tot 710 van 11897