|
ANDROCLES EN DE LEEUW EEN FABELSTUK VAN BERN. SHAW. VERT. VAN ED. COENRAADS. STADSSCHOUWBURG. KON. VER. HET NED TOONEEL
Een leeuw is eigenlijk iemand,
die bang is vooc niemand.
(De Scholmeester}.
■Kweet niet wat het verwonderlijkste was
gisteravond bij deze première in den Stadsschouwburg, in die deftigste al onzer kunsttempels, de plotselinge inval der zotheid op
dat anders zoo hoog-ernstige podium, of
de plotselinge vroolijkheidsuitval in de zaai
van bet anders zoo hoog-ernstige publiek. En in het midden
van dat alles, preciesin het midden, evenver van de rechtsche baignoires als van de linksche, evenver van het tooneel
als van de laatste rij parterres, juist onder het middelpunt van
het metengeitjes beschilderde koepeldak, zat de aanstichter
van al deze zotheid, de heer Roelvinck, en genoot van
de nieuwe sensatie, de vroolijkheid, opgeroepen door zijne
bemiddeling, te zien zegevieren over de in deftigheid
verstijfde schouwburgruimte.
Het publiek van den Stadsschouwburg kan in werkelijkheid den heer Roelvinck dankbaar zijn; hem komt de
eer toe van het Stadsschouwburgpubliek menschen te
hebben gemaakt, menschen die meegenieten, die meeleven, omdat hij hun de tooneelspijs, die hun hart behoefde, in hun eigen miilieu wist te reiken, die zonder
de traditie met geweld te verscheuren — daar immers
geweld uit den booze is en de vreedzame lammeren
verschrikt — met tact niet alleen hun gevende het
geestelijk voedsel, dat hun toekwam, maar meer dan
dat, hen tot de erkenning van ’n beteren smaak bracht,
dan zij ooit in zich zeiven hadden vermoed. Hij leidde
hen langs „Het Geheim” van ’s levens noodlot, bracht
hen in kennis met „de Voorlichtsters”, en om de daardoor
gebrachte levenskennis te vergrooten, gaf hij hun in
„Lentewolken” de weldoende zon, die hunne gemoederen
bescheen, waardoor zij in vriendelijker beschouwing van
menschen en dingen, in blijer ontvankelijkheid voor
’s levens prettige realiteit, ten slotte tot de lever.sopgeruimdheid kwamen, waaruit voor hen de mogelijkheid
ontstond om „Androcles en de Leeuw”, te kunnen genieten met den onbezorgden zin en aangenaam aandoenden
levenslust, die noodig zijn om geest, om des geestes wil,
te kunnen waardeeren, de lof der zotheid te kunnen eeren,
en overtuigd te kunnen zijn van het menschelijk privelegie, dat lachen ons recht is, onafhankelijk van het feit,
dat het door Erasinus gezegd is.
Dit stuk dan vanShaw.is ’n ragout van den allerhoogsten
ernst en de allermalste zotheid, waarbij de laatste verreweg
in de meerderheid is. Het lijkt op een fijn diner, van ’n tijdens
’n carnaval krankzinnig geworden kok. Het is een wisselend spel voor je hersens, die nu eens geheel en al op
nonactiviteit gesteld, plotseling moeten hollen om ’n
zeer ernstig dialoog te volgen, dat voortkwam uit ’n
simplicissimus-onzinnetje, en aan ’t eind weer in den
algemeenen onzin verliep.
Het geval draait om de fabel van Androcles, den Griekschen
kleermaker, die zooveel van beesten houdt en den doorn
trekt uit den poot van den leeuw. Die leeuw was den
heelen avond de oorzaak van lachsalvo’s; hij deed je om
de beurten denken aan de bekende leeuwen uit de Fliegende Blatter en die van Benjamin Rabier, in diens
dieren-geschiedenissen. Hij bracht mij het plaatje te
binnen, waarop een woestijn is afgebeeld met een heel
gemoedelijken leeuw. In de verte nadert’n zwarte stip dat
dichtbij gekomen ’n karretje met ’n oud paard ervoor
blijkt te wezen. Nauwelijks ziet de leeuw dit karretje of
hij rent, met groote sprongen en staart tusschen de beenen.
weg. „Der Hagenbeek kommt” staat er boven de plaatjes.
Zoo’n leeuw is die uit het stuk van Shaw; ’n heel gemoedelijke leeuw, een met humor, ’n leeuw om mee uit
visschen te gaan. Androcles (Louis de Vries) was ’n kleermaker, nonneponnerig zoet, een engel, die zijn vrouw
(Mevr, van Nieuwland) Megaera, de grootste helleveeg
die er bestaan heeft, met lispelende woordjes van „schat”
en „lieveling” tevergeefs tracht te kalmeeren, als zij in
het eerste tafereel „In het woud”, hem voor de zooveelste
maal toesnauwt, dat ze terug wil naar d’r land, waarop
hij antwoordt: „Dat kan immers niet, lieveling, we mogen
er immers niet meer in, weet je nog wel?” met den zoeten
glimlach en de gelatenheid van ‘n Blaricumschen heibewoner. Even voor hun optreden langs de trap van het
orkest — die voor deze gelegenheid als boschpad was
ingericht — had de leeuw (Laurentius) in quaestie zich
vertoond; had even het tooneel rondgesnuffeld en zich
gekrabd, en was vervolgens weer in het oerbosch, — het
décor van dit eerste tafereel — verdwenen. Even zichtbaar
voor het publiek, rustte deze thans tusschen de lianen.
Daarop kwam Androcles, torsend een één-persoons-matras
met wat beddegoed — zie de etalage van Vroom en
Dreesman — waaromheen ’n touw en gevolgd door zijn
opgetuigde vrouw, wier kostuum scherp afstak tegen het
sjofele pakje van Androcles. Dit Jordaan-stelletje in
Grieksche kleederdracht kijft wat; zij wil rusten en hij
niet. Hij vreest de leeuwen, die in het bosch rondzwerven,
maar zij heeft er nog géén gezien en gelooft niet, dat
er zijn. Men zet den tocht voort, tot Megaera, dringend
tot in het struikgewas, met ’n afgrijselijken gil terug
wankelt en flauw valt in de armen van Androcles. die
net z’n matras weer op den rug had genomen, zoodat
ze samen met bed en al omtuimelen.
Androcles. bleek van schrik, wankelt naar het boschje,
doch alreeds steekt de leeuw z’n kop, z’n kop van
leeuwen-carricatuur, om den hoek, en grijnst beiden aan.
Edoch, hij hinkt en in z’n rechtervoorpoot steekt ’n doorn,
zoo groot als ’n net formaat naaimachine-schroevendraaier.
Hiermede hinkt hij op Androcles af, die eerst dit niet
bespeurend, angstig zich verbergt, en zich dan besluit op
te offeren. Maar de leeuw blijft, trekt met den poot, herkennend den dierenvriend Androcles; hij doet vriendelijk,
zooals leeuwen doen kunnen als ze vriendelijk zijn (zie
Rabier), kwispelstaartend als een, die z’n staart nog niet
lang heeft en er nog niet geheel mee om weet te gaan.
Dan ziet Androcles den doorn en terstond is hij een en
al minzaamheid. — „Nu moet de sterke leeuw zich goed
houden hoor, en niet schreeuwen, als Androcles hem ’n
beetje pijntjes gaat doen,” zegt hij, den klauw van het
dier in z’n hand nemend. Maar de schroevendraaier....
pardon, de doorn zit er vast in en tweemaal smijt de
leeuw Androcles om! „Nog één keertje lieve leeuw, en
dan is tie er” troost Androcles, en met ’n laatsten ïuk
trekt hij den doorn uit den poot van het dier. „Nu likken,”
zegt ie m, „dat er geen ontsteking van komt” en de
leeuw likt zich den poot, als uwe huispoes, waarna ie zoo
verblijd is, dat ze samen een rondje dansend, in het
kreupelbosch verdwijnen. Megaera, die tijdens dit laatste
voorval uit d'r bezwijming ontwaakt en ze samen ziet
aftrekken, valt dan woedend uit: „Wat ’n vent, met mij
wou-ie nooit dansen, maar met dien leeuw wel!”... En
’t doek zakt.
Fn het tweede tafereel: „Bij de poort van Rome”zien
we de Christen-gevangenen, onder bewaking van Romeinsche soldaten, wachten op ’t oogenblik dat ze de stad
binnengeleid zullen worden, om naar de arena te worden
gevoerd, onder bevel van een centurio. De gevangenen
zijn niks niet bedroefd en de opgewekte conversatie doet
aangenaam, hoewel eenigszins verbijsterend aan, terwijl zij
er niet op achteruit gaat als de kapitein (Gimberg) op een
leunstoel klimt en tot de gevangenen een redevoering
houdt in den vorm van ’n soort politieverordening, in
Simplicissimus-stijl (trouwens in het geheele type van den
Romeinschen kapitein was de carricatuur van een Duitschen garde-officier uitstekend volgehouden), waarin medegedeeld werd, dat ze nu niet moesten gelooven, dat ze
voor d’r pleizier uit waren en dat ze gevangenen waren,
wat zooveel zeggen wou, als dat ze gedwee en gehoorzaam
behoorden te zijn, enz. enz. Hij eindigt methun den raad
te geven eenige korrels wierook op het altaar te laten
vallen, omdat dat toch, lijkt hem, te verkiezen is, boven
het eenigszins onmenschelijk genoegen, de wreedheid van
het Romeinsche plebs aan te wakkeren. door zich te
laten dooden, en eindigt met een halve liefdesverklaring
aan Lavinia (Rika Hopper), de knapste en de edelste
der gevangenen, en verdwijnt nadat we even ’n ernstig
liefdesdialoog gekregen hebben tusschen die twee, waarvan echter alle indruk wordt weggenomen door de komische entree van Androcles, die gevangen genomen is
als de rest en van z’n leeuw gescheiden wordt binnengebracht gelijk met ’n ex-boef en met den sterken man
Terrovius.
Naast Androcles (en den leeuw), zijn de rollen van den
kapitein, van Terrovius, Lavinia en later die van den
keizer, de voornaamste.
In het derde tafereel, dat achter de arena speelt,
zien we de Christenen links, rechts de gladiatoren. Terrovius is bang voor zichzelf, omdat hij vreest, dat als
hij vechten moet, hij zich niet zal kunnen bebeerschen,
en vechten zal, tegen de gladiatoren, tegen z’n wil en
geweten in; dan komt de keizer, die z’n baantje opvat
als ’n bijzonder prettig vak, met veel buitenkansjes. Hij
maakt welwillend praatjes en als de gevangenen hem
toeroepen, dat zij hem vergeven, zegt-ie, dat dat niet
de moeite waard is, en dat-ie ’t niet voor z’n pleizier
doet. Dan moeten onmiddellijk daarna de Christenen de
arena in; eerst de mannen, ze moeten vechten tegen de
gladiatoren, met Terrovius aan ’t hoofd. Aheen Androcles
blijft op zijn verzoek achter; hij kan niet vechten en
prefereert voor de leeuwen te worden gegooid „met de
dames”! ’t Wordt toegestaan. Anderen af. Plotseling verward vluchten. Wat is gebeurd? Terrovius heeft alleen
den heelen boel in de pan gehakt. Moedeloos over z’n gebrek aan zelfbeheersching komt-ie terug. De keizer is
echter verrukt en inviteert alle gevangenen bij hem in
de loge, als de gasten van Caesar; alleen er is één bezwaar. De leeuw moet iemand opeten, anders is ’t volk
niet tevreden. Wie zal ’t zijn? Lavinia biedt zich aan,
maar Androcles offert zich op.
Het vierde tafereel stelt de arena voor. Caesar, de
kapitein, Metellus (’n patriciër, door Reule vertolkt) en
Lavinia bevinden zich in ’s keizers loge. Op den voorgrond
de arena, waarin in het midden Androcles op de knieën
ligt. Links brult de leeuw in het hok, dat zich langzaam
opent: de leeuw met den sprong van ’n wat stijven padvinder snelt de arena in, ziet Androcles, die stijf van
angst, voor zich ziet. De leeuw nadert Androcles, doch
bezint zich. Je ziet, er kwelt hem wat, hij peinst; hij
brengt den linkerklauw boven de oogleden om beter te
zien, herhaalt dat eenige malen, zet zich dan op z’n
achterdeel, en met den rechterklauw nadenkend den elleboog van den linker steunend, dien hij tegen het voorhoofd houdt, neemt hij de houding aan van iemand,
die over ’n moeilijk vraagstuk nadenkt; — eigenlijk als
iemand, die een ander tegenkomt en denkt, „wat ’n
bekend gezicht1” of „waar heb ik dien kerel méér gezien ?”
Nadenkend staart hij na den onbewegelijken Androcles.
Dan schijnt hem op eens ’n vuurtorenlicht op te gaan,
want hij schudt van „ja” met z’n kop en bekijkt aandachtig den poot, waarin eens de doom zat. En heel
vergenoegd wandelt bij naar Androcles, die hem zoo
gauw niet herkent; maar als de leeuw hem z’n gewonden poot van weleer wijst, dan is ook Androcles
verheugd en onder grooten schrik van den keizer en
z’n hof, dansen ze samen den rondedans van weleer
en verdwijnen ze achter de arena, waar alles voor hen
vlucht, behalve de keizer, die niet zoo gauw weg kan
komen, en dus in zekeren zin in handen van den nietsvermoedenden Androcles is, die hem aanmaant vriendelijk te wezen, omdat de leeuw niet tegen zulk zenuwachtig heen en weer gevlieg kan. Het slot is dan, dat hij
Caesar noodigt z’n voet op den leeuw te zetten, wat
deze zoo aardig vindt, dat hij z n geheele hof er bij
roept, om zich te laten zien en van dat standpunt ’n rede
houdt waarin hij zijne onverschrokkenheid’n loflied zingt,
waarop bij iedere snorkende phrase de leeuw bromt en
hij zelf schrikt. Her slot is, dat Androcles met z’n leeuw
wordt vrijgelaten en de gevangenen eveneens. Terrovius
krijgt ’n kommandantsplaats van de pretoriaansche garde
en Lavinia trouwt met den kapitein.
De rol van Androcles, door Louis de Vries uitstekend
en in den juisten toon gespeeld, waarborgt hem een
groot succes voor zijn I2lj2 jarig jubileum van a.s. Dinsdag.
Niet in de gelegenheid dit bij te wonen, zij hem het
succes gewenscht, dat hij verdient, en ’n toekomst daarmede overeenkomstig. TOM SCHILPEROORT.
Androcles en de Leeuw. — le Tooneel Androcles en de Leeuw. — Laatste Tooneel,
|