Panorama

Blad 
 van 2380
Records 691 tot 695 van 11897
Nummer
1914, nr.17, 22 april 1914
Blad
06
Tekst
EEN GEZELLIGE VROUW DRAMATISCHE SCHETS : IN DRIE BRIEVEN Beste Charles, A» jongen. Kijk er maar van op. Je oude : vriend Frederik, de verstokte celibatair, zal ' je voorbeeld gaan volgen. Ik heb trouw- ; plannen. Nog wel in ’t nevelig verschiet. Maar ’t zijn toch trouwplannen. Op dit oogenblik hebben ze nog maar het karakter van een flirtation. Maar je kent mijn principes. Als ik een flirtation begin, dan is ’t een ernstig bedoeld flirtation. Dat dacht je wel van me, niet? En ’t is ook zoo. De natte zomer heeft deze verandering in mijne psyche op zijn toch al zoo zwaar belast geweten. Ik zit hier in ’t hotel „Bergzicht” met een vijf en twintig menschen, die, als ik, de vacantie kalm wilden doorbrengen. Ze hebben eiken avond ’n plannetje voor den volgenden dag. Een wandeling van een paar uur, een fietstochtje. Maar eUen morgen giet het. We blijven dus in ’t hotel en we praten. We maken wat muziek, we leggen een kaartje en we praten. Kijk ’s. Ik sluit me nooit bij anderen Sommer frischler aan. Maar ditmaal moest ik wel. We leven hier met zijn zes en twintigen als in een gevangenis; als één familie dragen we ons noodlot. Ik wil je niet bezig houden met je van al die 25 anderen een en ander te vertellen. Eéne er van is mij gaan interesseeren en ik veronderstel, dat ze daarom ook jou interesseert. Die eene is Truus. Gezellige voornaam, wat? Nou, kerel, zooals haar voornaam, zoo is ze heelemaal. ’t Is een in-gezellige meid. Ze is van normale geestelijke ontwikkeling; ze heeft niets moderns. Ze is geen theosofe, geen geheelonthoudster, ze doet zelfs niet mee aan de vrouwenbeweging, als is ze niet achterlijk genoeg om tegen vrouwenkiesrecht te zijn. Ze is dus, wat je noemt, een „gewoon” meisje. Maar gezellig is ze. Zonder dat ze ,,doorslaat,” kan ze je uren aan den praat houden. Ze speelt graag een spelletje mee. Ze zingt zoo’n beetje. Ze speelt wat piano. Jij alleen weet, dat ik van de gedachte aan een huwelijk altijd ver gebleven ben, omdat ik behoefte heb aan gezelligheid. Dat klinkt voor een ander paradox. Voor jou niet. Want jij bent er van doordrongen, dat jij een van de weinige stervelingen bent., die ’t werkelijk gezellig heeft in z’n eigen huis, bij z’n eigen vrouw. Ik geloof, dat ik ’t met Truus zoo gezellig zal krijgen, als jij ’t hebt bij jou vrouwtje. Haar gezellig karakter heeft ’t me aangedaan. Als ik nog niet verliefd op haar ben, dan word ik ’t morgen. Jij bent m’n voorbeeld. Ik ben gelukkig, je te kunnen imiteeren. Ik ben op weg naar een gezellig huwelijksleven, als jij leidt. Dat wou ik je vertellen. Je hoort gauw meer van me. Bonjour, kerel, je Frederik. II. Amice, Van harte gefeliciteerd. M’n ontboezemingen, die je zouden moeten bewijzen, hoe zeer ik mij verheug in het geluk, dat je dus nu meent te hebben gevonden, zullen misschien minder vroolijk klinken, ’n minder harmonieerenden klank hebben, dan je hebt verwacht. Wijt dit alleen aan de ware oorzaak: ik voel me ontzettend vermoeid vandaag. Dat is zoo gekomen. Ik heb je een poos geleden verteld, dat ik bezig ben aan mijn derden roman. Ik werk er hard aan. ’t Schiet heerlijk op. Ik werk maar op m’n oude manier. Soms doe ik drie dagen niets; ik schrijf namelijk niets in die dagen. Dan weer — als de stof gerangschikt is in mijn geest — werk ik zonder ophouden. M’n vrouwtje moet mij dan met zacht geweld dwingen aan tafel te komen; het verschil van dag en nacht bestaat niet voor me. Ik werk dan wel eens achttien, twintig uren aan één stuk door. Zoo’n bui heb ik nu weer gehad. Maandag — na ’t middagmaal — ben ik op m’n kamer gaan zitten, ’t Ging verrukkelijk. Ik heb die moeielijke scène tusschen man en vrouw, die van elkaar houden en het niet schijnen te weten, afgekregen. Nog nooit heb ik zoo’n dialoog geschreven. Ik ben en heel tevreden mee; je weet, dat ik dat nog nooit van een stuk van mijn werk heb gezegd, ’t Werd heel laat. Ik weet niet, hoe laat wel. Maar toen het daglicht me gisteren wekte — beroerd toch, dat ik overdag nooit slapen kan — voelde ik, dat ik maar heel kort had geslapen. Onder die omstandigheden vzilde ’t werk den heelen dag niet vlotten. Vrouwlief babbelde aan de lunch gezellig als altijd, maar ik was er niet bij. De helft van wat ze zei, ging voor me verloren. Gelukkig, dat ze ’t niet merkte. M’n schatje zou er maar hinder van hebben gehad. ’s Middags kwamen de Prinsen even binnen wippen en de van Kerstens. ’t Werd een tea, zoo gezellig als mijn vrouw die alleen kan maken. (Tot nu toe tenminste; waarschijnlijk zal jou Truus ’t ook kunnen). Jef Prins vroeg mij eventjes of ik iets had. Ik was zoo stil. Maar een „wel neen” van mij was voldoende om het gesprek direct een andere richting te geven. We aten laat. De van Kerstens hadden voorgesteld samen kermis te gaan houden. De Prinsen, echte fuifnummers, waren natuurlijk daarvoor te vinden. Vrouwlief vond ’t wat gezellig. We zouden eerst naar „Filmkoorts” gaan en dan wat rond kijken. „Jij schijnt niet veel lust te hebben,” zei Jef Prins. „Om je de waarheid te zeggen „neen,” zei ik. „Ik moet beslist werken vanavond.” Dan wilde Door ook thuis blijven. Maar de anderen vonden, dat dan de gezelligheid er af was. Ik hielp een handje mee, en ’t vijftal maakte de noodige afsprakèn. Door maakte m’n theetafel gezellig in orde; ik zei: „Door, wat is die Frederik toch een uil. Zou z’n juffrouw nou ooit z’n tafel zoo arrangeeren? Hij beseft niet, dat een gezellige huisvrouw je boel gezellig maakt, al is ze zelf weg.” Door gaf me een stevige pakkert. Ze is nog altijd gevoelig voor complimentjes, die haar huldigen om haren gezelligen aard. Toen ging ze met de Prinsen mee en ik zou gaan zitten schrijven. Nou, ik was moe, doodmoe. En ik schreef een halve bladzij, die ik weer verscheurde. Dit gebeurde tweemaal. Ik was zoo verstandig uit te scheiden en naar bed te gaan. Dat was zoowat halftien en ’t kan nog geen tien uur geweest zijn, toen ik al vast sliep. Plotseling werd ik wakker gemaakt. „Charles,” zei Door, „sta ’s gauw op. De Prinsen en de van Kerstens zijn beneden en Jo Gerards en Wim van Haren. We hebben paling meegebracht van de kermis; ik ga gauw een paar blikjes open maken — brood hebben we ook meegenomen — en dan gaan we 'gezellig soupeeren. ’t Was dol, dol-gezellig op de kermis. Jammer, dat je niet mee geweest bent. Schiet nou gauw even je kleeren aan en kom dan beneden.” Ik aarzelde nog even. Maar slapen zou toch niet meer gaan en tien minuten later zat ik met de vrienden aan ’t geïmproviseerde soupeetje, ’t Was werkelijk heel gezellig. We knapten een fijne flesch en we praatten en we aten. „Gewoon een eenige fuif” zei van Haren, toen hij met de anderen om vier uur wegging. „Zoo iets is alleen bij jou gezellige Door mogelijk, meende van Kersten. Door en ik hebben nog even — gezellig — nagepraat en nu snap je wel, dat ik niet in de stemming ben, om je, geestdriftig als ik wel zou willen, geluk te wenschen met hetgeen je gaat ondernemen. Ik ben doodop. Twee nachten zonder voldoenden slaap. Dit is wat machtig. Zooeven, na ’t tweede ontbijt, kwamen de vrienden nog even inwippen, om te zeggen, hoe in-gezellig ze ’t gevonden hadden. Nou kerel. Geloof maar, dat ik met je goede plannen heel, heel ingenomen ben, ai mis ik dan nu de noodige frischheid van geest, om je wat echt hartelijks te zeggen. Ik wacht je nadere berichten met belangstelling Als steeds, je oude Charles. III. Beste Charles, Na ontvangst van je brief is mij een licht opgegaan. Ik deug niet voor zooveel gezelligheid. 1 k doe dezen brief op den trein, waarmee ik van hier vertrek. Ik heb van Truus en haar familie afscheid genomen in een briefje, waarin ik heb gejokt, dat een door mij ontvangen brief mij noodzaakt direct naar huis te gaan. Heb ik wel gejokt? Tot ziens, je Frederik. De Heer J. Poutsma, die met negen werkliedenleiders door de Zuid-Afrikaansche regeering verbannen, naar Engeland overgebracht werd, vertoeft thans in Holland, waar hij zijn wedervaren zal vertellen. Onze foto geeft hem te zien in het American Hotel te Amsterdam, temidden van vooraanstaande figuren uit de arbeiderswereld. Zittend v. 1. n. r: J. Oudegeest, Voorzitter N. V. V. J. Poutsma, J. v. d. Tempel, Secr. N. V. V. Staande J. J. de Roode, Red. Het Volk. J. A. v. Zutphen, secr. A. N. D. B. H. J. Bruens, Ed. Fimmen, secr. Ned. Bond van Handels- en Kantoorbedienden, Verdorst, M. v. Hinte, J, G. v. Kuykhof secr. S. D. A. P. Mr. Mendels. (foto Vaz. Dias)
PDF
Nummer
1914, nr.17, 22 april 1914
Blad
07
Tekst
Broedende kluit, (foto J. Vijverberg, Noordgouwe). i |Z | | I I 7 DOOR i L. U I I ö. B. WIGMAN i Met Foto’s van Smith Whiting, - Southampton. § © © ‘Kluit bij het nest, (foto Smith Whiting.) .. . . a thing of beauty is a joy for ever ...» DE korte naam, die boven deze bijdrage staat, behoort aan een onzer fraaiste — zoo niet de mooiste — moerasvogels, en ’t is een naam, die helaas niet past voor zoo’n sierlijk, slank vogeltje. De Texelaars noemen hem ,kluut”, naar zijn geluid, en toen meenden de beschaafde vogelboekenschrijvers, dat hij in ons dierbaar zuiver Hollandsch wel kluit moest genoemd worden, want net als op de Veluwe spreken onze eilandbewoners van huus voor huis, suker voor suiker enz., en daarom moest een vogel, die in hun dialect kluut werd genoemd, den lompen, zwaarwicbtigen naam van Kluit dragen. Er is niets aan te doen, want een anderen volksnaam draagt het dier niet, of ’t moest het verouderde ,,Sluijf” zijn. Enfin, als ik op Schouwen of Texel in ’t kluitenland ben, dan roei ik met de riemen, die ik heb, en praat met m’n confraters over ,,kluten” en nooit over,,kluiten”. Ik zal u hieronder vertellen, hoe wij den kluit op Texel aantroffen, u en passant een en ander van zijn leven en bedrijf meedeelen. Wij — dat waren de houtvester en ik — hadden gehoopt, dat de vogelkenner-onderwijzer van t dorp ons zou vergezellen, maar die had jammer genoeg verhindering gekregen, en gaf ons zijn zoon ter begeleiding naar ’t mooiste gebied mee. Nu, Pieter Jan wist er ook een heeleboel van, dat hebben mijn hospes en ik dien Junimiddag telkens weer ondervonden. We hadden den smallen, slingerenden grintweg van de Westermient,tusschen dekarakteristieke, walletjes-omheinde schapenweitjes door, over den Burg — de metropolis van Texel — naar Oosterend gefietst, daar een poosje over ornithologische onderwerpen gepraat bij Ijsbrand Koppen, den mededeelzamen, sympathieken waard uit „Het Wapen van Amsterdam”, en waren toen met den onderwijzerszoon naar den vogelpolder gekard.’ ’t Was niet ver, misschien ’n kwartier van ’t dorp, en wie daar zoo over den stoffigen zijweg wielde, kon niet vermoeden, dat de dijk, die links het uitzicht belemmerde, zoo’n rijk vogelleven voor onze blikken verborg. De fietsen werden aan den kant van den weg gezet — dat kon gerust, verzekerde onze jeugdige mentor, want oneerlijke menschen waren er op Texel niet — en na de omheining mitsgaders diverse tuinwallètjes te zijn overgeklommen, zagen wij den vrij zwaren binnendijk van den grooten polder „Het Noorden” vóór ons. En er bovenop, daar had je een wijd gezicht over de onafzienbare grasvlakte, van slooten doorsneden, met een enkelen watermolen als echt-Hollandsche stoffage, en met vlakbij een prachtigen plas, die schitterde in den zonneschijn. Even moesten wij vanuit den hooge het bekoorlijke vogelland aanschouwen, alvorens met de talrijke gevederde bewöners nader té gaan kennis maken. ’t Is eigenaardig; feitelijk is men toch een echt stadsmensch, die van de twaalf maanden er minstens tien tusschen de muren doorbrengt, en dat, terwijl hier buiten duizenden dingen te zien zijn, die slechts wachten, tot men ze opzoekt, om ze dan verwonderd en ongeloovig aan te gapen. Wat is de wereld, de natuur, toch mooi! Veel en veel te schoon, om haar ooit moede te worden. En om dat te ervaren, is er maar één afdoend middel: steeds weer smoking, rok of evening-dress in den steek laten, en zich dan door moeder Natuur bij de hand laten leiden, die u langzamerhand al haar schatten doet bewonderen. Zij toont u de stille schoonheid van den boschzoom, leert u smalle, weinig-betreden wegen gaan, die leiden naar intieme, braam-omrankte beekjes en in ’t groen weggescholen, donkere boschvijvers, voert u naar den duintop, naar de stuifzanden, waar de groote wulp zijn melodieusen fluitroep ver in ’t ronde laat schallen, en waar witgepluimde konijntjes spelen voor de holen; zij wijst u den weg naar het verre Waddeneiland, waar duizenden en duizenden witgewiekte vogels spelevaren langs den blauwen zomerhemel, of in het groene, met bloemen bontbestikte grastapijt vol toewijding hunne ouderlijke plichten vervullen .... Mag ik u na deze kleine ontboezeming, die me bij ’t beschouwen van dit vogelland par excellence in gedachten kwam, verzoeken ons te vergezellen, om er den mooisten vogel te leeren kennen, den Kluit. Ik was ’t er eerst niet met mezelf over eens, of ik hem met dezen overtreffenden trap zou betitelen, maar bij nadere beschouwing is ’t toch mijn opinie, dat deze parel aller moerasvogels de qualificatie van den superlatief ten volle waard is. Nauwelijks hebben we ’t land in oogenschouw genomen, en zijn we de dijkhelling afgedaald, of met luid misbaar komt de eerste kokmeeuw ons tegemoet vliegen, Rauw en ruw krijscht hij * ons zijn harde, scherpe kraaaa - - - ïïïïct in de ooren, en zet dan weer koers naar zijn kolonie. Eigenlijk kan men hier niet spreken van kolonie, want deze kobben broeden verspreid tusschen de vele sterntjes en andere weidevogels in. Hier ligt een pas-verlaten nest, ’n Meter of vier verder scharrelen de bonte donsjongen in ’t korte gras. Even worden ze van een aluminiumringetje van het Leidsche museum voor Natuurlijke Historie voorzien, en dan gaan we met ons drieën dit mooie vogelterrein verder exploreeren. Nijdig schreeuwen en schermen de sterns, boos op de ongewenschte bezoekers, en rakelings scheren ze ons telkens weer voorbij. Waar de nesten het dichtst liggen, zijn de aanvallen het felst, daar loopt men voortdurend als in een wolk van blank, schitterend vleugelbeweeg en wiekgeklep. Ik hoop u over deze interessante polderbewoners in een apart artikeltje wat meer te vertellen, vandaag geldt ons bezoek in hoofdzaak den Kluit. Straks zagen we ze al aan den slijkerigen piasoever staan, maaiend rechts en links door het slib, maar toch deden die niet zoo vreemd en opvallend als het exemplaar ginds bij de sloot. Half hangend de vleugels, zoodat ze den bodem bijkans beroeren, loopt de vogel onhandig heen en weer, precies een kerel, die al te diep in ’t glaasje heeft gekeken. En daarbij roept hij, net als grutto, kievit of tjiftjaf, al maar zijn eigen naam: kluut kluut klqut! Men komt waarlijk in dq verleiding, een poging tot vangen te wagen, zóó dicht laat het dier zich door zijn vreemd gedrag naderen. Laat u echter niet voor den mal houden, of liever.... jawel, toe, gunnen we hem eens het genoegen, en loopen we hem na, hij heeft dan juist zijn doel bereikt. Want die heele dwaze manoeuvre dient nergens anders voor, dan om ons van zijn „sacredground”, in casu het nest met de vier peervormige, bontgevlekte eieren, weg te lokken, dat op een kaal plekje aan den slootkant ligt. We zullen nog wel eens vaker vogels ontmoeten met dergelijke fratsen. Wat stelt zoo’n vogel zich toch vreemd aan, maar tevens, welk een beeld vol gratie en bekoring vertoont zich door dit uiterst bevallige spel van faits et gestes aan ons oog. Ptachtig steekt de virginiSch-blanke romp met de ebbenhout-zwarte, scherp begrensde teekening af tegen het groene gras en de blauwe lucht, en als ge dicht in de buurt soms een meeuw ziet — en daarvoor is hier gelegenheid te over — dan is duidelijk zichtbaar, dat het wit van den kluit veel intenser.en zijn zwart veel meer geaccentueerd is dan bij zijn confraters, die met luid gekrijsch en gescherm hun attaques voortzetten. Er zijn hier nesten en eieren genoeg; ook jongen kruipen er al heel wat in ’t gras. Van onzen fraaien recurvirostra — zoo is zijn boekennaam — vinden we er echter betrekkelijk weinig, en dat is geen wonder, want hij broedt niet in nederzettingen, zooals sterns en meeuwen. Toch gelukt het van tijd tot tijd een nest te vipden, door den ons misleidenden vogel volkomen te negeeren en juist den tegenovergestelden kant uit te gaan, dan waar hij ons tracht heen te lokken. Zie nu zoo’n nest eens aan. ’t Is een eenvoudig kuiltje in den grond, slechts schraaltjes met wat grashalmen gestoffeerd, net een kievitsnest. Ook de vier eieren lijken wel wat op die van den vogel met de kuif, maar ze zijn wat grooter, en hqbben eerder een geel-bruinen dan een groenen ondergrond. Ook is de vorm wat langwerpiger. Er is nog meer, dat dezen gevleugelden weidebewoner tot een der meest karakteristieke verschijningen in de Nederlandsche avifauna maakt. Viel u zijn vreemde snavel nog niet op? Er zijn meer vogels met een eigenaardigen snavel: de wulp draagt hem naar beneden gebogen, de papegaaiduiker heeft een zijdelings saamgedrukten, bij de roofvogels is hij van een scherpe, haakvormige punt voorzien, terwijl hij bij sommige eenden en zaagbekken allerlei uitsteeksels en franjes vertoont, die dienst doen bij ’t vasthouden van ’t voedsel. Bij de kruisbekken is ’t nog veel typischer. Daar vallen de snavelpunten langs elkaar heen, wat zoo op ’t eerste gezicht erg onpractisch lijkt, maar het toch heelemaal niet is. En dat is bij onzen kluit ook ’t geval. Diens vrij lange snavel is nota bene naar boven gebogen, dus zoo abstract mogelijk. Hoe hij daarmee toch zijn kostje kan ophalen? O, gemakkelijk genoeg. Wijdt maar eens even uw aandacht aan het exemplaar, dat ginds in de kreek staat, tot zijn knieën in ’t slijkerige water. Kijk, nu slaat hij zijn opgekrulden snavel — ’t is net ’n schoenmakersels, vandaar ook zijn Duitschen lokalen naam „Schuster” — rechts en links door het slik, en alles, wat daar aan eetbare waar in voorkomt, gaat gladjes naar binnen. Al verder en verder waadt de vogel op zijn blauwgrijze, haast loodkleurige lange pooten den poel in, tot hij ten slotte niet verder kan, en zich verder zwemmende voortbeweegt, intusschen nog steeds zwaaiende en maaiende door ’t water, Let op, nu gaat hij zelfs net als een eend op den kop staan, om nog dieper verborgen lekkernijen te kunnen bemachtigen. ’t Is alleraardigst, zoo’n kluit te zien werken; en toen ik op Schouwen logeerde, middenin hun gebied, kwamen er Engelsche vogelmenschen op af, enkel en alleen, om er kennis te maken met onzen avosette. ’n Halve eeuw of zoo geleden behoefden ze daarvoor zoo’n moeite en zoo’n lange reis niet te doen, want toen broedde de vogel op hun eigen „broads” en „moors”, maar ze hebben er net zoo lang op geschoten en er zooveel eieren van weggenomen, dat de kluiten ten slotte voor de eer bedankten en de ongastvrije Britten vaarwel zeiden. De Engelschen hebben, achteraf beschouwd, er wèl spijt van, dat het zoo gegaan is, en menige Lord koopt nu in Holland tegen grof geld een paar halfwassen jongen, om ze op zijn landgoed uit te zetten. Maar ’t is buitengewoon moeilijk, ze in te burgeren, en per slot van rekening is ’t toch ook veel aardiger ze in hun natuurlijke omgeving te observeeren, dan gekortwiekt aan den een of anderen Engelschen parkvijver, tusschen mandarijneendjes en ander vreemd exotisch goed in. Daarom is het te honen, dat het onzen echt-Hollandschen vogel — ook in Duitschland behoort hij n. 1. al tot de zeldzame broedvogels, wordt er zelfs al met den naam „Naturdenkmal” betiteld, — voor den wind blijft gaan. Ik geloof niet, dat we bezorgd behoeven te zijn. Op Texel zijn nog beschermde terreinen en asylen genoeg, die door de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten uitstekend worden beheerd, en waar de kluit elk jaar in steeds grooter getale broedt. Wij moeten die corporatie daarvoor dankbaar zijn, en haar niet alleen door het woord, maar ook met de daad steunen, opdat haar voortbestaan verzekerd zij. Dat is onze zedelijke plicht. — TEXEL, ZOMER 1913. ‘Kluit op wacht bij de eieren. (foto Smith Whiting)
PDF
Nummer
1914, nr.17, 22 april 1914
Blad
08
Tekst
ANDROCLES EN DE LEEUW EEN FABELSTUK VAN BERN. SHAW. VERT. VAN ED. COENRAADS. STADSSCHOUWBURG. KON. VER. HET NED TOONEEL Een leeuw is eigenlijk iemand, die bang is vooc niemand. (De Scholmeester}. ■Kweet niet wat het verwonderlijkste was gisteravond bij deze première in den Stadsschouwburg, in die deftigste al onzer kunsttempels, de plotselinge inval der zotheid op dat anders zoo hoog-ernstige podium, of de plotselinge vroolijkheidsuitval in de zaai van bet anders zoo hoog-ernstige publiek. En in het midden van dat alles, preciesin het midden, evenver van de rechtsche baignoires als van de linksche, evenver van het tooneel als van de laatste rij parterres, juist onder het middelpunt van het metengeitjes beschilderde koepeldak, zat de aanstichter van al deze zotheid, de heer Roelvinck, en genoot van de nieuwe sensatie, de vroolijkheid, opgeroepen door zijne bemiddeling, te zien zegevieren over de in deftigheid verstijfde schouwburgruimte. Het publiek van den Stadsschouwburg kan in werkelijkheid den heer Roelvinck dankbaar zijn; hem komt de eer toe van het Stadsschouwburgpubliek menschen te hebben gemaakt, menschen die meegenieten, die meeleven, omdat hij hun de tooneelspijs, die hun hart behoefde, in hun eigen miilieu wist te reiken, die zonder de traditie met geweld te verscheuren — daar immers geweld uit den booze is en de vreedzame lammeren verschrikt — met tact niet alleen hun gevende het geestelijk voedsel, dat hun toekwam, maar meer dan dat, hen tot de erkenning van ’n beteren smaak bracht, dan zij ooit in zich zeiven hadden vermoed. Hij leidde hen langs „Het Geheim” van ’s levens noodlot, bracht hen in kennis met „de Voorlichtsters”, en om de daardoor gebrachte levenskennis te vergrooten, gaf hij hun in „Lentewolken” de weldoende zon, die hunne gemoederen bescheen, waardoor zij in vriendelijker beschouwing van menschen en dingen, in blijer ontvankelijkheid voor ’s levens prettige realiteit, ten slotte tot de lever.sopgeruimdheid kwamen, waaruit voor hen de mogelijkheid ontstond om „Androcles en de Leeuw”, te kunnen genieten met den onbezorgden zin en aangenaam aandoenden levenslust, die noodig zijn om geest, om des geestes wil, te kunnen waardeeren, de lof der zotheid te kunnen eeren, en overtuigd te kunnen zijn van het menschelijk privelegie, dat lachen ons recht is, onafhankelijk van het feit, dat het door Erasinus gezegd is. Dit stuk dan vanShaw.is ’n ragout van den allerhoogsten ernst en de allermalste zotheid, waarbij de laatste verreweg in de meerderheid is. Het lijkt op een fijn diner, van ’n tijdens ’n carnaval krankzinnig geworden kok. Het is een wisselend spel voor je hersens, die nu eens geheel en al op nonactiviteit gesteld, plotseling moeten hollen om ’n zeer ernstig dialoog te volgen, dat voortkwam uit ’n simplicissimus-onzinnetje, en aan ’t eind weer in den algemeenen onzin verliep. Het geval draait om de fabel van Androcles, den Griekschen kleermaker, die zooveel van beesten houdt en den doorn trekt uit den poot van den leeuw. Die leeuw was den heelen avond de oorzaak van lachsalvo’s; hij deed je om de beurten denken aan de bekende leeuwen uit de Fliegende Blatter en die van Benjamin Rabier, in diens dieren-geschiedenissen. Hij bracht mij het plaatje te binnen, waarop een woestijn is afgebeeld met een heel gemoedelijken leeuw. In de verte nadert’n zwarte stip dat dichtbij gekomen ’n karretje met ’n oud paard ervoor blijkt te wezen. Nauwelijks ziet de leeuw dit karretje of hij rent, met groote sprongen en staart tusschen de beenen. weg. „Der Hagenbeek kommt” staat er boven de plaatjes. Zoo’n leeuw is die uit het stuk van Shaw; ’n heel gemoedelijke leeuw, een met humor, ’n leeuw om mee uit visschen te gaan. Androcles (Louis de Vries) was ’n kleermaker, nonneponnerig zoet, een engel, die zijn vrouw (Mevr, van Nieuwland) Megaera, de grootste helleveeg die er bestaan heeft, met lispelende woordjes van „schat” en „lieveling” tevergeefs tracht te kalmeeren, als zij in het eerste tafereel „In het woud”, hem voor de zooveelste maal toesnauwt, dat ze terug wil naar d’r land, waarop hij antwoordt: „Dat kan immers niet, lieveling, we mogen er immers niet meer in, weet je nog wel?” met den zoeten glimlach en de gelatenheid van ‘n Blaricumschen heibewoner. Even voor hun optreden langs de trap van het orkest — die voor deze gelegenheid als boschpad was ingericht — had de leeuw (Laurentius) in quaestie zich vertoond; had even het tooneel rondgesnuffeld en zich gekrabd, en was vervolgens weer in het oerbosch, — het décor van dit eerste tafereel — verdwenen. Even zichtbaar voor het publiek, rustte deze thans tusschen de lianen. Daarop kwam Androcles, torsend een één-persoons-matras met wat beddegoed — zie de etalage van Vroom en Dreesman — waaromheen ’n touw en gevolgd door zijn opgetuigde vrouw, wier kostuum scherp afstak tegen het sjofele pakje van Androcles. Dit Jordaan-stelletje in Grieksche kleederdracht kijft wat; zij wil rusten en hij niet. Hij vreest de leeuwen, die in het bosch rondzwerven, maar zij heeft er nog géén gezien en gelooft niet, dat er zijn. Men zet den tocht voort, tot Megaera, dringend tot in het struikgewas, met ’n afgrijselijken gil terug wankelt en flauw valt in de armen van Androcles. die net z’n matras weer op den rug had genomen, zoodat ze samen met bed en al omtuimelen. Androcles. bleek van schrik, wankelt naar het boschje, doch alreeds steekt de leeuw z’n kop, z’n kop van leeuwen-carricatuur, om den hoek, en grijnst beiden aan. Edoch, hij hinkt en in z’n rechtervoorpoot steekt ’n doorn, zoo groot als ’n net formaat naaimachine-schroevendraaier. Hiermede hinkt hij op Androcles af, die eerst dit niet bespeurend, angstig zich verbergt, en zich dan besluit op te offeren. Maar de leeuw blijft, trekt met den poot, herkennend den dierenvriend Androcles; hij doet vriendelijk, zooals leeuwen doen kunnen als ze vriendelijk zijn (zie Rabier), kwispelstaartend als een, die z’n staart nog niet lang heeft en er nog niet geheel mee om weet te gaan. Dan ziet Androcles den doorn en terstond is hij een en al minzaamheid. — „Nu moet de sterke leeuw zich goed houden hoor, en niet schreeuwen, als Androcles hem ’n beetje pijntjes gaat doen,” zegt hij, den klauw van het dier in z’n hand nemend. Maar de schroevendraaier.... pardon, de doorn zit er vast in en tweemaal smijt de leeuw Androcles om! „Nog één keertje lieve leeuw, en dan is tie er” troost Androcles, en met ’n laatsten ïuk trekt hij den doorn uit den poot van het dier. „Nu likken,” zegt ie m, „dat er geen ontsteking van komt” en de leeuw likt zich den poot, als uwe huispoes, waarna ie zoo verblijd is, dat ze samen een rondje dansend, in het kreupelbosch verdwijnen. Megaera, die tijdens dit laatste voorval uit d'r bezwijming ontwaakt en ze samen ziet aftrekken, valt dan woedend uit: „Wat ’n vent, met mij wou-ie nooit dansen, maar met dien leeuw wel!”... En ’t doek zakt. Fn het tweede tafereel: „Bij de poort van Rome”zien we de Christen-gevangenen, onder bewaking van Romeinsche soldaten, wachten op ’t oogenblik dat ze de stad binnengeleid zullen worden, om naar de arena te worden gevoerd, onder bevel van een centurio. De gevangenen zijn niks niet bedroefd en de opgewekte conversatie doet aangenaam, hoewel eenigszins verbijsterend aan, terwijl zij er niet op achteruit gaat als de kapitein (Gimberg) op een leunstoel klimt en tot de gevangenen een redevoering houdt in den vorm van ’n soort politieverordening, in Simplicissimus-stijl (trouwens in het geheele type van den Romeinschen kapitein was de carricatuur van een Duitschen garde-officier uitstekend volgehouden), waarin medegedeeld werd, dat ze nu niet moesten gelooven, dat ze voor d’r pleizier uit waren en dat ze gevangenen waren, wat zooveel zeggen wou, als dat ze gedwee en gehoorzaam behoorden te zijn, enz. enz. Hij eindigt methun den raad te geven eenige korrels wierook op het altaar te laten vallen, omdat dat toch, lijkt hem, te verkiezen is, boven het eenigszins onmenschelijk genoegen, de wreedheid van het Romeinsche plebs aan te wakkeren. door zich te laten dooden, en eindigt met een halve liefdesverklaring aan Lavinia (Rika Hopper), de knapste en de edelste der gevangenen, en verdwijnt nadat we even ’n ernstig liefdesdialoog gekregen hebben tusschen die twee, waarvan echter alle indruk wordt weggenomen door de komische entree van Androcles, die gevangen genomen is als de rest en van z’n leeuw gescheiden wordt binnengebracht gelijk met ’n ex-boef en met den sterken man Terrovius. Naast Androcles (en den leeuw), zijn de rollen van den kapitein, van Terrovius, Lavinia en later die van den keizer, de voornaamste. In het derde tafereel, dat achter de arena speelt, zien we de Christenen links, rechts de gladiatoren. Terrovius is bang voor zichzelf, omdat hij vreest, dat als hij vechten moet, hij zich niet zal kunnen bebeerschen, en vechten zal, tegen de gladiatoren, tegen z’n wil en geweten in; dan komt de keizer, die z’n baantje opvat als ’n bijzonder prettig vak, met veel buitenkansjes. Hij maakt welwillend praatjes en als de gevangenen hem toeroepen, dat zij hem vergeven, zegt-ie, dat dat niet de moeite waard is, en dat-ie ’t niet voor z’n pleizier doet. Dan moeten onmiddellijk daarna de Christenen de arena in; eerst de mannen, ze moeten vechten tegen de gladiatoren, met Terrovius aan ’t hoofd. Aheen Androcles blijft op zijn verzoek achter; hij kan niet vechten en prefereert voor de leeuwen te worden gegooid „met de dames”! ’t Wordt toegestaan. Anderen af. Plotseling verward vluchten. Wat is gebeurd? Terrovius heeft alleen den heelen boel in de pan gehakt. Moedeloos over z’n gebrek aan zelfbeheersching komt-ie terug. De keizer is echter verrukt en inviteert alle gevangenen bij hem in de loge, als de gasten van Caesar; alleen er is één bezwaar. De leeuw moet iemand opeten, anders is ’t volk niet tevreden. Wie zal ’t zijn? Lavinia biedt zich aan, maar Androcles offert zich op. Het vierde tafereel stelt de arena voor. Caesar, de kapitein, Metellus (’n patriciër, door Reule vertolkt) en Lavinia bevinden zich in ’s keizers loge. Op den voorgrond de arena, waarin in het midden Androcles op de knieën ligt. Links brult de leeuw in het hok, dat zich langzaam opent: de leeuw met den sprong van ’n wat stijven padvinder snelt de arena in, ziet Androcles, die stijf van angst, voor zich ziet. De leeuw nadert Androcles, doch bezint zich. Je ziet, er kwelt hem wat, hij peinst; hij brengt den linkerklauw boven de oogleden om beter te zien, herhaalt dat eenige malen, zet zich dan op z’n achterdeel, en met den rechterklauw nadenkend den elleboog van den linker steunend, dien hij tegen het voorhoofd houdt, neemt hij de houding aan van iemand, die over ’n moeilijk vraagstuk nadenkt; — eigenlijk als iemand, die een ander tegenkomt en denkt, „wat ’n bekend gezicht1” of „waar heb ik dien kerel méér gezien ?” Nadenkend staart hij na den onbewegelijken Androcles. Dan schijnt hem op eens ’n vuurtorenlicht op te gaan, want hij schudt van „ja” met z’n kop en bekijkt aandachtig den poot, waarin eens de doom zat. En heel vergenoegd wandelt bij naar Androcles, die hem zoo gauw niet herkent; maar als de leeuw hem z’n gewonden poot van weleer wijst, dan is ook Androcles verheugd en onder grooten schrik van den keizer en z’n hof, dansen ze samen den rondedans van weleer en verdwijnen ze achter de arena, waar alles voor hen vlucht, behalve de keizer, die niet zoo gauw weg kan komen, en dus in zekeren zin in handen van den nietsvermoedenden Androcles is, die hem aanmaant vriendelijk te wezen, omdat de leeuw niet tegen zulk zenuwachtig heen en weer gevlieg kan. Het slot is dan, dat hij Caesar noodigt z’n voet op den leeuw te zetten, wat deze zoo aardig vindt, dat hij z n geheele hof er bij roept, om zich te laten zien en van dat standpunt ’n rede houdt waarin hij zijne onverschrokkenheid’n loflied zingt, waarop bij iedere snorkende phrase de leeuw bromt en hij zelf schrikt. Her slot is, dat Androcles met z’n leeuw wordt vrijgelaten en de gevangenen eveneens. Terrovius krijgt ’n kommandantsplaats van de pretoriaansche garde en Lavinia trouwt met den kapitein. De rol van Androcles, door Louis de Vries uitstekend en in den juisten toon gespeeld, waarborgt hem een groot succes voor zijn I2lj2 jarig jubileum van a.s. Dinsdag. Niet in de gelegenheid dit bij te wonen, zij hem het succes gewenscht, dat hij verdient, en ’n toekomst daarmede overeenkomstig. TOM SCHILPEROORT. Androcles en de Leeuw. — le Tooneel Androcles en de Leeuw. — Laatste Tooneel,
PDF
Nummer
1914, nr.17, 22 april 1914
Blad
09
Tekst
WERELD-PANORAMA GRAAF OKUMA. De 76-jarige Graaf Okuma heeft verklaard een benoeming tot minister-premier van Japan te willen aannemen. DE KRÓONPRINSV. ZWEDEN Gedurende de ziekte van den Koning van Zweden zal diens zoon Gustaaf-Adolf het regentschap op zich nemen. BERNARD FORESTf Hierbij het laatste portret van Bernard Forest, den uitvinder van onzen hedendaagschen automobielmotor, die de vorige week te Monaco is overleden. PAUL. HEYSEt Op den leeftijd van 84 jaar is de vorige week te München de beroemde letterkundige Paul Heyse overleden. MET PAASCHVACANTIE. Hierboven een foto van het met-vacantie-gaan van de leerlingen van de Westminster school in Londen. Zooals men ziet gaan de noodige koffers mee en worden met een opgeruimd gezicht taxi’s gerequireerd om zoo spoedig mogelijk de reis naar huis te kunnen aanvaarden. BEZOEK TE SAN REMO. Hierboven een foto van de aankomst van den Staatssecretaris v. h. Duitsche Marineministerie, Grootadmiraal von Tirpitz, te San Remo. PRES. POINCARÉ MET VACANTIE. Aankomst van President Poincaré te Eze, waar hij vóór het bezoek v. d. Engelsche gasten een korte vacantie zal doorbrengen, (foto Trampus). AUTOMOBI ELONGELUK TE BRUSSEL.. In de Rue de la Loi te Brussel heeft een noodlottig automobielongeluk plaats gehad waarbij de senator Sam. Wiener, die nog onlangs bij de laatste troonopvolging op den voorgrond is getreden, is gedood. Hierboven de vernielde auto. GROOTE PARADE TE BRUSSEL.. Generaal de Bonhomme inspecteert de troepen bij de parade ter gelegenheid van den verjaardag van den Koning. Op bovenstaande foto ziet men de soldaten gekleed in het nieuwe uniform en met den nieuwen helm op. DE TUNNEL. Door een abuis op onze zetterij zijn 4 pagina’s van het romanbijDE MODE TE AUTEUIL. Bovenstaande toiletten werden gedragen bij het wederom beginnen van de " rennen te Auteuil. OPENING DIESTELRASEN-TUNNEL. Na een zesjarigen arbeid is op één na de grootste tunnel van Duitschland, die het traject Berlijn—Frankfort a. M. belangrijk verkort, feestelijk geopend. De tunnel is 3575 M. lang en heeft ruim 10 millioen mark gekost. voegsel uitgevallen welke wij in een der eerstvolgende nummers zullen bijvoegen. SALON DE LA NATIONALE TE PARIJS. Hierboven een hoekje van het bekende Salon de la Nationale. Evenals andere jaren zijn ook weder dit jaar zeer vele bekende beeldhouwwerken tentoongesteld.
PDF
Nummer
1914, nr.17, 22 april 1914
Blad
10
Tekst
[ Baronesse TAarie-Clnne gallon | | 7Aej Temande Blommaert | T\ej, Verfiaegen [ 7Aevr, Chr de Smet de T4aeyer Mejuffrouwen Sdith en /Fndrée föijclandt ,yv.y y Mevr, 4rederic Vergauwen ]
PDF
Blad 
 van 2380
Records 691 tot 695 van 11897