Panorama

Blad 
 van 2380
Records 446 tot 450 van 11897
Nummer
1914, nr.02, 6 jan. 1914
Blad
09
Tekst
Onz>e Voorouders en wij,,,, 6en praatje over mode en heerenkleeding EEN NIEUW MODEL- BOORD dat op het oogenblik in Amerika in zwang is. Let ook op het biesje langs den kraag en het sierlijke monocle lint. Ook het kneveltje verdient aandachfige beschouwing. (Haberdasher.) grootvader, maar verder wisten v OVERH EM D, waarvan de manchetten bij boven afgebeelde boord passen. (Die Herrenmode.) VL7 ANNEER ge belooft, geachte lezers en hooggeschatte lezeressen, plechtig belooft, dat ge het onder geen voorwaarde verder vertellen zult, dan zal ik U een geheim mededeelen, dat U ongetwijfeld zéér interesseeren zal. In mijn uoorvaderlijk slot is geen Ahnen-Gallerie! Wij hebben van een bet-overgrootvader een silhouetje, van een overgrootvader een olieverfportret, een daguerrotype en een kooldruk van een ij het niet te brengen. En hoe zwaar ik vaak het gemis van zoo’n historische verzameling gevoeld heb, terwijl ik mij neerzette om dit artikel te schrijven, ben ik er werkelijk verheugd om. Want ik kan het mij levendig voorstellen hoe een twintigeeuwsche ridder, de arme, zich vol schaamte voelen zal, als hij in zijn wel hoogst modieusch maartoch sober zwart jacquetje staat tegenover de portretten zijner voorouders, die aan den wand prijken als een afstraling der glorie van vervlogen tijden. Krijgshaftige harnassen, sierlijk geplooide kragen, weelderigekanten, wapperende veeren, kleurige wambuizen, statige pruiken, sjabots en zijden vesten. Onze voorouders en wij ... Neen die vergelijking moeten wij heeren maar niet gaan maken, wanneer wij het over onze kleedij hebben. De kansen zijn te ongelijk. * * * * * $ * * ♦ En toch lijkt het mij onbillijk om, wanneer er van ,,mode” sprake is alleen te denken aan en te spreken van de kleederdracht der vrouw en van die der mannen geheel en al te zwijgen. Alles is betrekkelijk in deze wereld. Wanneer des heeren uiterste omhulling, vergeleken met die van vroeger eeuwen, al weinig glorieus en schitterend is, toch is zij niet geheel en al zonder belangrijke punten. En daarbij de ,,mode” is te veel omvattend dat zij EENIGE MODELLEN VAN BOORDEN EN DASSEN. (Amerikaansche advertentie). zich tot één terrein alleen zou beperken. Een bekend aesthetiker uit de vorige eeuw zei eens dat hij als de beste definitie van „mode” de volgende uitspraak beschouwde: Mode is een verzamelwoord voor een complex van cultuurvormen, welke in een bepaald tijdperk in zwang zijn en waarmee dit tijdperk wordt getypeerd. En hij had het met deze omschrijving bij het rechte eind. Men mag zijn schouders ophalen over de „dwaasheid der mode”, het onverdedigbare aantoonen dat ligt in een slaafsch volgen van den wil van anderen in kleedij, omgangsvormen., meubelen en wat niet al meer, als psychologisch verschijnsel is de mode een uiterst merkwaardig iets. Te meer omdat onweerspreekbaar waar is, dat door de typeering, welke de mode zoo puntig teekent ook heel wat eigenaardigheden van tijdvakken, waarin zij heerschte, door haar voor het nageslacht zijn bewaard gebleven. Het bestudeeren der mode-uitingen is ‘ dus een zeer belangrijke bron voor de kennis der historie. NIEUWE DASSENSTOFFEN. Ijsbloemen dienen evenals gestylcerde figuurtjes tot dessins der nieuwe dassenstoffen. Als nuancen worden gekozen karmozijnrood op wijnrood, goudgeel op donkerblauw, prune met zwart-wit-oranje figuurtjes, enz. (Die Herrenmode.) De mode heet grillig. En die beoordeeling schijnt maar al te vaak niet ten onrechte. Maar wie zich op een hooger standpunt weet te stellen en van daar af de dingen bekijkt met het voor en na hen liggend verband, die zal inzien dat die grilligheid veel meer schijn dan werkelijkheid is. Er werken op het tot stand komen van een bepaalde mode heel veel dingen van toéval in. Toch is de mode als geheel, niet een toevallig verschijnsel. Zij is als een logisch uitvloeisel van omstandigheden, groote wereldgebeurtenissen beheerschen haar in positieven of negatieven geest; zij is een verschijnsel van reactie evengoed Revers in den De schoenvorm, welke in Amerika en Engeland als de meest elegante geldt. Het nieuwste op het gebied der heerenmode. zooals zich dit in kleinigheden toont. als een stuw der actie. Zij is een propagandiste voor begrippen evengoed als een protest tegen overheersching. Zij ontstaat door den invloed van groote kunstenaars evengoed als door de machtige uiting van een volkswil. Men moet daarbij, zooals gezegd, het woord mode niet als een eng omlijnd begrip, dat niet verder gaat dan het „scheppen” van een dameshoedje, nemen. Alhoewel die dameshoedjes evenzeer onderworpen zijn aan de invloeden en wetten waarvan ik boven schreef. ♦ * * * * * ♦ * * Men behoeft geen groot wijsgeer te zijn en niet persé in geweldige folianten (die intusschen ook al lang reeds „uit de mode” zijn) zijn kennis te hebben gevonden, geen doktorshoed behoeft je kruin te sieren, geen toga je leden te omhullen om te durven en te kunnen beweren dat het werkelijk geen toeval is dat de heerenmode van vandaag zoo nuchter afsteekt tegen de kleedwijze van vroeger. Het democratische van onzen tijd wordt er uitmuntend door getypeerd. Maar tegelijkertijd toont die mode in haar fijne nuancen, dat een niveleering, volstrekt en onherroepelijk, nog niet mogelijk is, zoo zij ooit mogelijk zal zijn. Het persoonlijk-eigene van bepaalde menschengroepen (het lijkt een zichzelf tegenspreken der begrippen om deze woordcombinatie te gebruiken, toch is zij verdedigbaar en zegt wat ik bedoel) Komt ondanks de democratiseering van de heerenkleeding heel duidelijk naar voren. Ook zonder harnas of praal van kant en stof en kleuren herkent ge meestal in één opslag afkomst en stand van den drager in de snit dier zoo democratisch gedachte mannenkleeding. En al uit zij zich niet door in het oog springende omwentelingen, voortdurend is zij werkend, de kracht welke uit voorkeur of uit eigenbelang (vaak ook door beide motieven gedreven) de variaties brengt in de details der mannenkleeding, waarvan elk „heer” die zich respecteert wel notitie neemt. Al wil hij het niet zqo open bekennen. blijft.
PDF
Nummer
1914, nr.02, 6 jan. 1914
Blad
10
Tekst
PANORAMA Er wordt over het algemeen in ons land door de heeren te weinig zorg aan de kleeding gegeven. Gij behoeft maar eens in Londen geweest te zijn. En dan erkent gij die waarheid onmiddellijk. Daarom heeft de redactie van Panorama mij veroorloofd mijh stokpaardje eens te berijden. Mits ik bij mijn modebeschouwing ook wat voorbeelden wist te geven, die het nieuwste op het gebied van heerenmode aangaven. Die voorwaarde accepteerde ik gaarne. Uit de mededeelingen van de heerenmode-vakbladenputte ik daarvoor de gegevens. Wat is ’t vreemd en jammer, dat er geen modeblad voor h*eeren bestaat in hetzelfde genre zooals er wel voor dames worden, uitgegeven. * * * * * r # * * ■Het is zeker karakteristiek hoe Amerika meer en meer de mode-aangever voor de heeren wordt. De democratische mannenkleeding als veld van studie voor de meest democratische natie 'der wereld. En door haar tot een nuancen-onderscheid gebracht, waaraan minder democratische volkeren nooit zouden gedacht hebben. Een eenheid van tegenstellingen.. . . * * - Er zijn nog meer * * * gronden * * * voor: diegene, die met EEN ,1FULLDRESS”JAS, mei de panden tof bijna een punt gesneden (Heberaasher) EEN COLBERT, zooals dit door een der leidende firma’s in. Amerika als up-tó-defe wördf genoemd krachtigen wil en persoonlijkheid door het leven gaat en zich niet zoo gemakkelijk door vreemden laat beïnvloeden heeft steeds een bijzondere attractieop de menigte uitgeoefend. Dit geldt ook op modegebied. De Franpaise, die met de haar aangeboren . elegantie weet te dragen en durft te dragen wat een vrouw van andere afkomst niet zoo licht aanpakt, overbluftharemedezusters, die in het eerste o ogenblik neus en schouders ophalen, doch die eindigen met fanatieke volgelingen te worden van de eerst op een afstand gehouden nieuwe gewoonten. DE TANGO TUZEDO, hef midden houdend fusschen colbert en smoking En- wat men den Amerikaan ook verwijten kan, zeker niet dat hij zijn persoonlijkheid verbergt. Onwillekeurig trokken dus de veel reizende, door Mammon gezegende nieuwe-wereldlingen in de toonaangevende kringen de aandacht. Amerika is een land waarin men zijn eigen wil leert doorzetten. Dies trok de Amerikaan de kleeding aan, welke hem leek. Zijn smaak is minder „stylish” dan die van den Engelschman. welke gedurende lange tijden reeds de heerenmode beheerschte, maar dit minder „stylishe” werd vervangen door een durf, welke, het is al reeds door mij gezegd, impoheèrend werkt op de bewoners van dit ondermaansche. Typisch is het hoe „de mode” zich niet alleen uit in den vorm en de kleur van een kleedingstuk, doch dat zij heel ernstig meespreekt bij de aanwijzing van de soort van kleeding. HET NIEUWE MODEL ROK (één knoop aun de mouw, slap overhemd, koord van horloge (of monocle), wit of grijs vest, breede. zijden revers) Er is practisch heel wat voor te Een sterk sprekendvoorbeeld geeft hiervan de z.g. gekleede jas. Voor enkele jaren nog was het haast niet denkbaar dat men als man van de wereld zonder gekleede jas behoorlijk uitgerust was. Nu is de gekleede jas als het ware geboycot en het jacquet in zijn «enigszins gewijzigde snit als cutaway betiteld, viert nog altijd hoogtij. Waar we vroeger bij trouwplechtigheid, receptie, intiem diner zelfs, met de gekleede jas verschenen, schrijft in de laatste jaren en ook nu nog volgens de jongste modevoorschriften „die Sitte” voor een jacquet (cutaway) te dragen. zeggen. En ’t is ook typeerend voor onzen tijd, die het vlugge boven het statige verkiest. * * * * * ♦ * * ♦ Er is over die keuze van kleeding bij elke gelegenheid nog heel wat meer te vertellen. Ik hoop spoedig in Panorama een lijst te kunnen De rug en mouwkappen bij de overjas geven van de verschillende voorschriften daaromtrent. En ook een opgave der' kleuren, welke naar de opvattingen der „technici” het best passend zijn bij ieders hoofd- en baardharen. Heusch, ’t is een interessant onderwerp, dat heel vei voert, die mode voor heerenkleeding. L. J. C. W. Cossaar, in den Kunsthandel „Esher Surrey , TE SCHEVENINGEN. Het is een feit, dat wij Nederlanders niet spoedig onder bekoring komen van de een of andere kunstuiting. Onze kritische geest zit ons daarvoor te veel in den weg. De voorbeelden zijn er te over, dat men in ons land, waar de eéne helft der bevolking de andere dito examineert, slechts schoorvoetend en onder angstvallig voorbehoud, ten lange leste komt tot de appreciatie welke een kunstenaar verdient. Men werpe mij nu niet voor de voeten dat een te rassche vergoding maar al te dikwerf geleid heeft tot een rauwe ontgoocheling. Toegegeven dat b.v. buitenlandsche kunstenaars, met veel ophef ten onzent geïntroduceerd, ten slotte hier een geweldig fiasco hebben geleden, ■ blijft het nog de vraag, in hoeverre zulk een onverantwoordelijke reclame geschiedde met bijoogmerken, welke met de kunst niets hadden uit te staan. Men heeft Cossaar’s kunst, — mijns inziens ten onrechte , willen vergelijken bij die van een Bosboom. Waarom? Is het, omdat de laatste ook kerken geschilderd heeft? Clément Morro, de bekende Fransche Kunstcriticus, voortreffelijk stylist, wiens verfijnde kunstsmaak allerminst een beletsel is vooreen uitnemenden kijk op de schilders en hun oeuvre, heeft te Gent de jongste tentoonstelling voor schilderkunst bezocht. In „La Revue Moderne (Paris. C. E. Curinier) No. 23 van 10 Dec. j.1. schrijft hij onder „IJArt et les Artistes” over zijn bezoek aan de „Exposition de Gand.” Hij heeft er ook werk van Cossaar gezien: „Office du Matin”, „devant laquelle”, zooals hij schrijft: „je suis resté de longs moments.” Een aquarel van dit schilderij is nu in Esher Surrey te zien. Morro raakt niet uitgekeken en is vol uitbundigen lof over onzen schilder» „Cossaar nous fait pénétrer a Ia suite sous „les voütes pleines de mystère et de receuil- ,dement des vieilles Cathédrales; il nous montre „les fidèles priant a 1’ombre des piliers et „nous ément profondément par 1’ampleur de „sa vision et la magie du clair-obscur.” Ook deze tentoonstelling biedt ruimschoots gelegenheid om de justheid dezer uitspraak te toetsen. Zie b.v. No. 19. getiteld: St. Saviour. Rechts valt het gouden zonnelicht op het altaar hetwelk het midden der schilderij vormt. Op het altaar valt de gulden schijn van den zachien glans der vele kaarsvlammen. In devote aanbidding liggen eenige geloovigen voor het altaar geknield. In het middenschip, links op het doek, speurt men de vrome, stille tempelgangers. Een getemperd daglicht diffuseert langs pilaren en gewelven. Heerlijk van werking is ook het gebrandschilderd raam met zijn warm-blauwe en schitterend groene tinten. Hier, zoowel als bij No. 20: S t. Pauls, waar rood de hoofdtoon in het raam is en in No. 21: Toegang naar de kapel van Henry VII, voelt men, bij de uitbeelding der personen, hoe Morro dezen schilder volkomen begrepen heeft, waar hij zegt: „Cossaar assujettit la forme, la lumière et „la couleur a sa vision inférieure. Sobriété. „puissance, émotion sont les qualités caracté- „ristiques de eet exellent peintre.” Uit zijn Engelschen tijd dateert No. 6, Trafalgar Square No. 10, een aquarel in grijs en blauw, dun en mooi van toon. Vooral de beweging der voetgangers en rijtuigen is hier rot goede uitdrukking gekomen. Den 'Haag, 15 Dec. GRETA N.
PDF
Nummer
1914, nr.02, 6 jan. 1914
Blad
11
Tekst
VAN HET KASTEEL ACHTER BOOMEN VERBORGEN. ET kasteel Groenendalen tot Everslanden ligt geheel verborgen achter de hooge dennen; eiken en berken, alleen in den winter schemeren de witte muren door het kaal geboomte. Tusschen het heuvelpad en de hooge bladerenmuur ligt een vijver met ondiep en helder water, waarop ’s zomers de blanke leliën drijven. ’s Avonds als de zon als een bloedroode schijf wegzinkt achter de blauwe heuvelrij, dan gelijkt het alsof die millioenen bladeren tongen, zijn die teere melcdieuse geluidjes maken, zooveel vogels nestelen in de boomen van den slottuin. ’t Eenige, dat men altijd van het kasteel ziet is de vervallen poort, vlak bij het begin van het heuvelpad. Het ijzeren hek van kunstig smeedwerk is ongevallenen ligt bijna bedolven onder de gevallen bladeren, die daar jaren en jaren zijn blijven liggen. In de dikke stammen der boomen kruipen lianen naaide knoestige takken, vanwaar ze als lange, met bloemen versierde spiralen naar beneden hangen» De kruinen der beuken en eiken zijn in elkaar gegroeid en de eeuwenoude dennen hebben bijna zwarte naalden. *t Is altijd kil en donker in den tuin, want de zonnestralen dringen nooit door het massieve bladerendak. De bewoners van het dorp en de boeren uit den omtrek zijn steeds angstig als zij langs het kasteel gaan. Waarom men zoo bang is? > Vraag het den dorpsbewoners en boeren en zij zullen U antwoorden, terwijl zij een angstigen blik in de richting van het kasteel werpen: „Omdat daar vreeselijke dingen gebeurd zijn.” Meer komt men niet te weten. Alleen zullen zij U zeggen dat die dingen al minstens vijftig jaar geleden gebeurd zijn en dat bij den ingang vlak bij het hek een steenen bord staat, waarop nog duidelijk het woord „afwezig” te lezen is en dat de oude schaapherder, die tegen den avond op een bank bij zijn hut zit, de eenig overlevende is van diegenen, die getuigen waren van het vreeselijke einde der Groevendalens. * ♦ ♦ De zon stond boven- de heuvelrij en de heide zag bloed rood van de bloeiende erica, toen de oude schaapherder op een bank voor zijn plaggenhut gezeten, het verhaal van het kasteel vertelde. ,,’t Is al heel, heel lang geleden, toen ’t kasteel geregeld bewoond werd en de welvaart van den geheelen omtrek afhing van de Groevendalers. Jongen, zeide m’n vader dikwijls, toen ik zoo jong was als jij, zag het er op het kasteel anders uit. Was ’t mooi weer, dan reed de bewoner in de galakoets met den statiebok uit. Zes mooie zwarte peerden er voor, koetsier met pruik en driekanten steek op den bok en achter op den wagen twee staande palfreniers. De baron reed dan op een wit ros naast het portier. En feesten werden er gegeven in die dagen, zonder ophouden. De dagen, dat er niets te doen was, waren om uit te rusten en krachten te verzamelen voor nieuwe feesten, ’t Geld stroomde van het kasteel onder de dorpelingen. De jager leverde het wild, de moezenier groenten en fruit, de hovenier de edelste rozen en bloemen en de veefokker malsche biggen en kalveren voor de keuken. Plotseling was het kasteel verlaten, zooals mijn vader vertelde en het ijzeren hek bleef wel twintig jaar gesloten. Niemand wist wat er gebeurd was, x de een zeide dat de familie een landgoed ver buiten de grenzen betrokken had. en de ander dat de baron al zijn vermogen aan de speeltafel verloren had. Maar één ding was zeker, dat, toen ik zestig jaar geleden op het heuvelpad met mijn kornuiten speelde, rook van achter de boomen kwam. ,,’t Kasteel rookt!” riep een onzer en we liepen zoo lang langs den vijver tot we een opening in het geboomte vonden om te kunnen zien waar de rook vandaan kwam, en toen we zagen dat het een der vierkante schoorsteenen was, draafden we naar het dorp om te vertellen dat er weer menschen op het slot moesten zijn. Binnen een uur tijds was het nieuws ih den geheelen omtrek bekend en honderde nieuwsgierigen stonden bij den vijver. Als zij de lichte, blauwgrijze rookwolkjes boven het geboomte zagen oppluimen, staarden zij elkander vragend aan. De jager, moezeniers, hoveniers, veefokkers en de mannen en vrouwen, nu oud en grijs, dachten dat nu de vette jaren van vroeger zouden terugkeeren en vertelden aan hun kinderen dat een tijd van welvaart kwam». .. In de herberg werd een week later door de dorpelingen een vergadering gehouden, waarin besloten werd dat de drie oudsten, die vroeger de Groevendalens bediend hadden, naar het kasteel zouden gaan om te vragen of de familie bij de feesten het dorp weer zou begunstigen, zooals dit vroeger de gewoonte was. Op den morgen dat zij er heen zouden gaan stonden de dorpelingen in groepjes op straat de kansen te bespreken. Niemand werkte; geen man ging naar het land of naar het meer om te visschen, de schoenmaker liet zijn leest lusten en zelfs in de smidse, waar anders van ’s morgens vroeg tot'zonsondergang de hamerslagen klonken was het stil.. ,. * * * Op een eerbiedigeh afstand van de poort bleef de menigte staan en toen de oudste der drie de groote bel aan de poort luidde, hield elk gesprek op. ’t Duurde zeer lan^ eer meri in den tuin een ander geritsel hoorde dan het zuchten der boomen. De dorre gevallen takken kraakten onder voetstappen; een lakei met zilver wit haar.en in gebogen houding naderde de poort en bleef achter het hek zonder het te openen. Wat wilt ge? vroeg hij kort. En een der mannen verzocht om bij den baron of barones te worden toegelaten. „Afwezig ” antwoordde de lakei. „Kunnen wij dan morgen terug komen?”* De lakei haalde zijn schouders op, draaide zich om en liep langzaam weer de laan in naar het slot. Een week later, toen zij het bezoek wilden herhalen, was achter het hek een steenen bord geplaatst met het woord „afwezig” erin gebeiteld. Men gevoelde maar ai te goed dat de dagen van weelde niet meer terug zouden keeren, en de belangstelling in het kasteel was alleen uit louter nieuwsgierigheid. Ze wisten al met zekerheid,*dat de grijze lakei ook de tuinman en de koetsier was. Meer dan eens hadden ze het rijtuig zien uitrijden en thuis komen, maar altijd waren de gordijnen neer, zoodat niemand wist wie er in zat. Maar, wat zag er alles vervallen en verwaarloosd uit! Waar waren de drieste paarden van vroeger, waar was de glans van het lak van rijtuig en zadel en de gloed van den rooden statie-bok gebleven? De paarden waren mager en oud. het tuig versleten en slecht onderhouden en het lak van het rijtuig gebarsten en afgeschilferd. Nog geen jaar na de ontdekking, dat er rook uit den schoorsteen van het kasteel kwam, was al het leven weer verdwenen. Zoo bleef het jaren stil en verlaten, niemand wist iets van een vertrek af. Enkelen beweerden dat het de echte Groevendalens nooit geweest waren, maar het 'meeste sprak men over den geheimzinnigen lakei, die tijdelijk koetsier en tuinman was en over het rijtuig met zijn gesloten gordijnen. De afgevallen bladeren en takken stapelden zich op, de takken der boomen groeiden al meer en meerin elkaar, zoodat de lanen zoo donker werden als catacomben en de slotpoort bleef gesloten totdat de bliksem die opende.... ’t Was in Juli, toen ’s middags boven onze streek een zwaar weder los brak. In de natuur was het bladstil en zoo donker werd het dat mijn vader in den stal het licht moest aansteken. Plotseling werd alles hel rood verlicht, het geleek wel een regen van milliarde kleine vonkjes, toen volgdte onmiddellijk daarna een donderslag zoo hevig dat nfn moeder en de meid begonnen te gillen, de paarden in den stal onrustig werden en mijn vader en ik naar buiten holden om te zien of ons huis of de hooiberg getroffen was. „Kijk, roept m’n vader, het kasteel brandt.” ’t Was zóó, boven de boomen dwarrelden rook en vonken op. Ondanks het hevige weder was ’t geheele dorp op de been en toen we bij het kasteel kwamen bleek het, dat alleen de poort en de portierswoning waren geraakt. De ijzeren deur lag op het gras en de kleine koepel stond in brand, welk brandje door den zwaren regen spoedig gebluscht werd. We konden nu naar het kasteel gaan en de moedigste der dorpelingen, waaronder mijn vader besloten den slottuin in te gaan, om ereis een kijkje te nemen, hoe het kasteel er tegenwoordig wel uitzag, want dat wist niemand. De mannen zakten tot boven hun enkels in de gevallen bladeren. Ze liepen zoo voorzichtig mogelijk om zoo weinig mogelijk geluid te maken. De voorste draaide zich om en riep den achter hem volgende toe dat de stal openstaat en het rijtuig met den rooden statie-bok duidelijk te zien is. Van mond tot mond ging het nieuws en ze bleven bij elkaar staan en beraadslaagden wie het den baron zou zeggen, want dat het kasteel bewoond werd was nu zeker. Ze zouden er om loten welke twee in den stal zouden gaan en onder den zwaren kastanjeboom stonden de boeren als kinderen elkaar af te tikken. Mijn vader en de schout werden aangewezen en ik ging mee den stal binnen. * * * Het tuig was grijs van de dikke laag stof evenals het rijtuig, de openingen tusschen de spaken waren door de spinnen geheel dicht geweven en de achterste wielen waren een flink eind in den grond gezakt, ’t Was er doodstil, we liepen op onze teenen zoo dicht mogelijk bij elkaar, ’t Dak lekte en elke waterdruppel die op den grond viel, deed ons schrikken en even stil staan. De schout schopte iets voort, later trapte hij watstuk; ’t kraakte als het breken van een dorren tak. Hij bukte naar een wit voorwerp raapte het op en we gingen er mede naar het licht. De schout had het geraamte van een hondekop in zijn handen. „Tennis,” zei hij toen tegen mij „haal een paar lantaarns, we blijven hier wachten.” Voor de poort stond een menigte volk, die me niet liet gaan voor ik alles verteld had. Met ons zessen kwamen we terug, ieder met een lantaarn zoodat er voldoende licht was. Vier bleven er bij den ingang van den stal . staan en durfden er niet ingaan. In het wazige schijnsel zagen we nu een menigte beenderen tusschen twee ledige bakken en bij een ketting liggen. Het was het geraamte van den waakhond, door den schout gedeeltelijk stuk getrapt. We vonden een deur, die na veel moeite eensklaps open viel, zoodat we bijna omrolden. Een vreemde geur kwam ons tegemoet. „De paardenstal,” riep m’n vader. „Stil,” fluisterde de schout, terwijl hij zijn lantaarn in de hoogte hield, „daar liggen de geraamten van twee paarden, tusschen de ribben hebben de spinnen hun webben geweven.” Hij ging dichter bij de cadavers, over mijn vaders voet . liep een dikke rat naar een der koppen en verdween in de oogholte. „De beesten zijn van honger gestorven, de ruif is leeg en nergens ligt hooi, ’t Is een schandaal voor zoo’n adellijke familie alles in den steek te laten en de beesten te laten verhongeren. Waarom hebben ze de dieren niet het bosch in gejaagd,” schreeuwde m’n vader. Door een deur, die met een zachten duw uit de scharnieren viel, kwamen we .in den tuin recht tegenover het kasteel, een wit gepleisterd gebouw met hooge steenen stoep, waarvan de beide deuren open stonden. De marmeren vestibule lag vol dorre bladeren; aan het einde ervan was een groote eikenhouten deur. Mijn vader opende de deur, die toegang tot een kamer gaf, met weinig moeite. r We roken denzelfden geur als in den paardenstal, maa veel zwakker. In den hoek van de kamer hing een zwaar fluweelen gordijn, van roode kleur met gouden rand, dat, toen de schout het oplichtte, van de ringen viel, zóó vergaan was het. De opening gaf toegang tot een gebeeldhouwde eikenhouten trap, die vrij goed gebleven was. De schout ging het eerste naar boven, gevolgd door mijn vader en mij en hoe hooger we kwamen, des te sterker werd de geur. De trap eindigde in een portaal, waar de deur half open stond. De schout keek er door en trad verschrikt achteruit; „daar ligt iemand op het bed, durf jij naar binnen?” Mijn vader, die dit gevraagd werd, opende de deur en ging de kamer in, doch met beide handen bedekte hij zijn oogen en als de schout hem niet gegrepen had, was hij zeker op den grond gevallen, zoo beefde de man. Ik was hem op den voet gevolgd en wat ik te zien kreeg, zal ik nooit vergeten, al word ik nog honderd jaar ouder. Op het bed lag het geraamte van een vrouw, gehuld in wit zijden kleed en op het hoofd een kanten muts, aan beide zijden van het hoofd lag een zwarte, dikke, lange haarvlecht. De handen waren op de borst gevouwen en aan de vinger-beenderen hingen nog veel gouden ringen met edelgesteenten versierd. Op den grond lag het geraamte van een man, in de kleeding van een lakei, ’t Lag ih een houding alsof het van den stoel, die er bij stond, gevallen was. Bij den schedel lagen witte haren verspreid en aan de wijsvinger zat een gouden ring met het wapen der Groenendalens in den steen gegraveerd. We vluchtten weg, zoo hard we konden en sloegen geen acht op de vragen van de dorpelingen, die nog bij de poort stonden te wachten. Mijn vader werd zwaar ziek en heeft langen tijd geijld. De schout ging het bij den burgemeester in de stad vertellen en een week later bracht de postwagen een paar mooie doodkisten en gelijk met de postwagen kwamen verscheidene reiswagens met heeren. die in het kasteef afstapten. Den geheelen dag *bleven ze in het slot en toen de avond gevallen was. werden de beide kisten door fakkeldragers begeleid weggevoerd in de richting van de stad, gevolgd door de reiswagens. Niemand weet wat er gebeurd is. ’t Eenige dat wij in den loopw der jaren gehoord hebben, is: dat de familie Groenendalen tot Everslanden verarmd is. De baron was de koetsier, lakei en tuinman van zijn dochter, want hij wilde dat zij bediend zou worden zooals in de dagen van rijkdom. Geld om personeel te houden was er niet, zelfs niet om levensmiddelen te koopen. Zij leefden van den voorraad en de opbrengst van den grond, doch daar de baron nergens verstand van had, verminderde de productie zoodat de oogst al gauw verteerd was Ze waren te trotsch om maar iets te verkoopen, zoodat zij ten slotte evenals de paarden en de hond .van honger gestorven moeten zijn. yu wacht het kasteel al bijna een halve eeuw op zijn nieuwen bewoner, den eenigen erfgenaam, die in China moet zijn. Dat is de geschiedenis van het kasteel, dat achter de boomen verscholen ligt.
PDF
Nummer
1914, nr.02, 6 jan. 1914
Blad
12
Tekst
L jT A“-._ z L*' TIL ~~ ***** 1 1 i 1 i 1 i 1 1 i 1 1 1 1 BLIKMAN 8c Voorgevel van het gebouw iRokin. Van een interessante Nijverheid D E Firma Blikman & Sartorius is een zaak die reeds van zeer ouden datum is. Reeds in 1693 vinden wij haar in een bescheiden winkelhuis op den Dam, daarna op het Rokin, waar na verschillende verbouwingen het gebouw ontstond, zooals men het tegenwoordig ziet. De laatste verbouwing vond plaats in den afgeloopen zomer. Door de voortdurende uitbreiding was ook nu de ruimte te klein geworden en zon men op middelen de belemmeringen, die dit gebrek aan plaatsruimte medebrachten, uit den weg te ruimen. Dit werd op radicale wijze gedaan, door de lokalen die door de fabriek in beslag werden genomen te ontruimen en in te richten voor kantoorlokalen en magazijnen. De geheele fabriek werd overgebracht naar Sloterdijk. Daar heeft men een nieuw gebouw gezet, dat geheel aan de eischen der moderne nijverheid voldoet. Op deze fabriek komen wij straks met een paar woorden terug, na eerst een kijkje te hebben genomen in het GebouvJ op het Rokin. Als wij de breede deuren binnengaan, komen wij eerst in den winkel, een ruime zaal, waar de vele en verschillende artikelen, welke de firma verkoopt, in etalagekasten overzichtelijk zijn gerangschikt. Een flink personeel en een groote verscheidenheid van artikelen maken dat iedere koöper daar kan vinden, wat hij wenscht. Achter den winkel vindt men een kantoortje, waar men voor administratieve zaken wordt te woord gestaan. Daarnaast is het expeditielokaah waar de bestellingen worden gereedgemaakt, om door de welbekende auto's der firma aan de adressen te worden bezorgd. Uit den winkel voert ons een keurig ingerichte lift naar de verschillende verdiepingen. Op de eerste verdieping vindt men de type- en copieerafdeeling, voor het maken van circulaires, het typen van stukken enz., het kantoor voor de veilingen van vaste goederen, het privé kantoor der directeur en de showroom, waarin een uitgebreide collectie kantoormeubelen en verschillende moderne kantoorartikelen zijn opgesteld. Tevens vindt men op deze verdieping het kantoor voor den engros-handel. Op de daarboven gelegen verdieping vindt men verschillende lokalen voor het administratieve personeel, een koffiekamer voor de bedienden en een monsterzaal voor de engros-afnemers. Op de 3de étage vindt men groote magazijnen, waar de enorme voorraad verschillende artikelen wordt gereed gehouden om den winkelvoorraad aan te vullen of op bestelling af te leveren. Tevens is hier een inrichting voor het repareeren van vulpenhouders. Niet alleen de door de firma in -den handel gebrachte Caw's vulpenhouders, doch ook. alle andere soorten vulpenhouders worden hier gerepareerd. Het naast het hoofdgebouw gelegen perceel, dat vroeger geheel voor fabriek was ingericht, wordt nu ingenomen door de* magazijnen, daar de bestaande noodzakelijk uitgebreid moest worden. Verder is^hier aanwezig een export afdeeling, welke de verschillende artikelen der firma naar het buitenland en onze koloniën verzendt, en een kleine drukkerij, uitsluitend om haastwerk vlug te kunnen afleveren. Dan vindt men een reliëfstempelatelier, waar vooral tegen St. Nicolaasen Kerstfeest stapels doozen postpapier worden aangevoerd om met een monogram en reliëf te worden bestempeld. Ook is hier aanwezig een schrijfmachine-reparatieafdeeling, waar verschillende systemen schrijfmachines worden gerepareerd of schoongemaakt. Op deze étage is ook de school voor schrijfmachine onderricht. Dat voor het organiseeren en leiden van een in zooveel afdeelingen gesplitste onderneming een enorme werkkracht noodig is, zal men na het lezen van het bovenstaande wel met ons eens zijn. De leiding berust tegenwoordig uitsluitend bij den directeur, den Heer J. de Flines, die natuurlijk door deskundig personeel in dezen arbeid wordt gesteund. Het personeel is natuurlijk met de uitbreiding der zaak toegenomen, daar de verschillende branches, welke de firma opnam, steeds het in dienst nemen van nieuw personeel noodig maakten. Dat de belangen van het personeel door de directie worden behartigd, blijkt wel uit het bestaan van het Blikman's Hulpfonds, dat de zieken financieelen steun en de oudere employés een pensioen verschaft en hun op die manier in staat stelt een rustigen ouden dag te genieten. Niet alleen echter voor de zieken, ook voor de gezonden wordt gezorgd, door doelmatige inrichting van de werklokalen, veel licht en lucht, het bevorderen van de sport onder het personeel. Voor eenigen tijd werd opgericht de Blikman's Royal Club, die uitsluitend uit leden van het personeel bestaat en voetbal, tennissen en andere takken van sport beoefent. Na de bezichtiging van de perceelen op het Rokin zouden wij u willen uitnoodigen ook een kijkje t§* nemen in de fabriek te Sloterdijk. Deze fabriek, welke gebouwd werd onder leiding van den architect G. van Arkel, is zooals wij reeds schreven, geheel modern ingericht. Om aan de vele bezwaren te ontkomen, welke het werken in verschillende lokalen meebrengt, bestaat de geheele fabriek uit één zaal van enorme afmetingen, waar de verschillende afdeelingen naast elkaar en met elkaar werken aan de aflevering der verschillende producten. Hier vindt men de binderij, de boekdrukkerij, de steendrukkerij en de reliëfdrukkerij. Het is wel de moeite waard deze afdeelingen ieder afzonderlijk even te noemen. Op de binderij worden de verschillende kantoorboeken ingebonden, welke de firma voorradig houdt of op bestelling levert. Een afzonderlijke afdeeling is belast met het binden van copyboeken van allèrlei maten, terwijl een andere afdeeling zioi^ uitsluitend bezig houdt met het vervaardigen .van de Proudfit losbladige boeken en alle bènoodigdheden voor kaartsysteem. De binderij houdt zich ook bezig met fijner werk, zooals albums in fraaie kalfs- en juchtlederen banden. In de linieerinrichting morgen een 9-tal linieermachines en marmermachines voor het verder afwerken der boeken. In de zetterij werken een groot aantal zetters aan het zetsel voor de verschillende drukwerken, doch tevens vindt men daar de zetmachines, welke enorme hoeveelheden zetsel leveren of wel boekwerken zetten van elke dikte. Het zetsel gaat van hier naar de drukkerij, waar de nieuwste machines dit werk in korten tijd in druk brengen. Behalve alle gewone boekdrukwerken, worden ook drie- en vierkleurendrukken gereproduceerd. De reliëf- en koperenplaat drukkerij is voor Nederland een zeldzaamheid. Zoo komt men ten slotte aan de steendrukkerij. Hier ziet men het graveeren met diamant en staal, het maken van overdrukken voor groote oplagen enz. Tenslotte rest ons nog eenige afdeelingen, waaronder het magazijn, waar de verschillende materialen, papier, carton enz. voor gebruik gereed worden gehouden. Het laboratorium 'v^aar deze stoffen bij ontvangst worden onderzocht om na te gaan of zij voldoen aan de hooge eischen, welke de firma hieraan stelt, wat trouwens voor het leveren van correct werk een conditio sine qua non is. Naast het magazijn heeft men de lokalen voor de administratie, waar dit geheele bedrijf op papier wordt geregeld en ook het kantoor van den leider, die van hieruit een overzicht heeft over de geheele fabriek, een maatregel welke de controle uitstekend bevordert. Verder vinden wij hier ook een expeditie afdeeling van waaruit de bezorging der orders plaats heeft, terwijl een geregelde autodienst de connectie tusschen hoofdkantoor en fabriek onderhoudt. Voor het personeel is ook hier uitstekend gezorgd. Licht en lucht vinden overal toegang. Voor den afvoer van slechte lucht, van de looddampen der zet- en gietmachines en van de smeltoven is uitstekend zorg gedragen. Flinke schaft- en waschlokalen, kleedkamers met hygiënisch ingerichte ijzeren kleedkastjes verhoogen het streven om den arbeiders het leven hier zoo gezond en zoo aangenaam mogelijk te maken. Voorgevel van het fabrieks-gebouw Sloterdijk. ‘Kijkje in de fabriek; gedeelte zetterij
PDF
Nummer
1914, nr.02, 6 jan. 1914
Blad
13
Tekst
8en Bladzijde voor de "jeugd JANNIE E eerste maal, dat we Jannie zagen, was al onder heel treurige omstandigheden. Het was Maart en koud en nattig, lang geen prettig weertje om een nieuw buitenhuis te komen bekijken. De weg naar het landhuis was niettegenstaande het slechte weer prachtig; wel eenzaam, maar wat geven buitenmenschen om de stilte? Onze naaste buur, op de boerderij bij het Heerenhuis, had al dadelijk gezien, dat er kijkers waren en de nieuwsgierigheid dreef hem door het afsluithekje om te vragen of we niet even wilden binnenkomen. Een Geldersch interieur hadden we nog niet gezien en dus maar dadelijk van de uitnoodiging gebruik gemaakt. De oude Harmen-boer, een stevige vijftiger, ging ons voor en met een gul ,,gaot er maor in , liet hij ons binnengaan, Eerst een voorhuis door, dat s zomers tot .keuken dient en we stonden weldra in de groote kamer. De eerste indruk was: „wat warm hier . Er stond een ouderwefsche jaagkachel gloeiend heet. Het vertrek, heel ruim, was spaarzaam verlicht door een enkel raam. Een kabinet besloeg den korten wand. Aan de lange zijde twee bedsteden. In de eene, vlak bij de kachel, lag een klein meisje, naar schatting een jaar of vier, doodsbleek en doodop na den doorgebrachten nacht. Onze belangstelling was dadelijk gewekt en al heel gauw wisten we er alles van. Harmen-boer vertelde ons wat Jannie was overkomen; ze was altied zoo min, er zat meraokel weinig groei in en noe dat nog. De kleine Gijs en Jannie waren voor een paar dagen den Eng ingegaan en hadden daar bij een kuil gespeeld. Hoe het gekomen was, wist geen van beiden, maar Jannie was in den diepen kuil met het hoofd op . een plank gevallen. Ze was nog naar de boerderij geloopen, maar s avonds al was ze doodziek. Dokter werd gehaald en heel den nacht had Harmen bij het bed gezeten om het kleine hoofd koel te houden. En nu was het ergste voorbij, dacht hij; maar later hoorden we dat het met Jannie toch veel slimmer geworden was. t Zwakke kleintje had eene longaandoening gekregen, zoo hevig, dat ze langen tijd voor haar behoud gevreesd hadden. We huurden het Heerenhuis en tegen half April betrokken we de nieuwe woning. Natuurlijk dadelijk eens vragen naar Jannie. Ze moest nog te bed blijven en Dokter kwam nog af en toe. Heel langzaam ging het, maar in Mei werd op een zonnigen dag een rieten leunstoel bij de staldeur gezet en Jannie werd er goed ingepakt ingedragen. We konden nu eens met het kleintje praten — het zag er nog zoo teertjes uit — maar een lief, vriendelijk stemmetje vertelde dat ze al op school was, al in de tweede klas en nu kon ze niet naar school. Ze was zoo zwak en zoo moe; allen wanhoopten aan haar behoud. Harmen-boer had het druk, de jongens en de deerns ook. de andere kinderen gingen naar school en dus kon niemand op Jannie letten. En om ze volop room te geven dat ging toch niet en de eiers moesten naar de markt. De eenige verpleging, die ze had was dat ze buiten werd gebracht en dan af en toe wat te eten kreeg. Langzaam ging het vooruit en in Juni liep ze over het erf. Ze mocht nu eens door het hekje komen naar het Heerenhuis, t ging langzaam, maar om naar ons toe te_ komen, spande ze alle kracht in. jannie Ze was op het laatst een vast klantje tegen half elf; ze wilde wat voor ons doen en was dolgelukkig als ze wat mocht aandragen uit den tuin. Op de boerderij vond ze het niet prettig, niemand had een oogenblik tijd. Moeder was voor vier jaar gestorven en de deerns van twaalf en veertien jaar hadden alles moeten overnemen. Ze werkten hard, maar eenig begrip van wat Jannie noodig had, hadden ze volstrekt niet. Ze was nu weer best, at en dronk en dan kon ze wel weer aan het werk. Op een dag kwam ze met o, zoo n bedroefd gezichtje vertellen dat ze weer naar school moest en het was zoon lange schoolweg, goed drie kwartier. We gingen nu Harmen eens polsen en ja, hij was voor rede vatbaar. Jannie zou in ’t Heerenhuis waf leeren en dan moest ze als t niet anders kon nog maar wat thuus blieven. Ijverig was ze en ze deed haar uiterste best met schrijfwerk en rekenen. Ook werd een breikous opgezet en dat ging na een paar weken zoo vlot, dat ze een paar sokken voor vader mocht beginnen. Met mooi weer zat ze onder den noteboom, heerlijk in de schaduw te werken en het ernstige snoetje verleidde den schilder een schetsje van haar te maken. Daar zit ze nu, een en al aandacht voor de sok van Vader; de klompjes op den grond rustende, het lichaampje stijf van inspanning, het kopje met kort geknipt haar — de krullen waren niet te ontwarren geweest — over het werk gebogen; heel de houding is vol aandacht. Niets kan haar afleiden. Hef gelukkigste oogenblik was toen Vader haar een kwartje gaf voor het mooie werk. Dat paar sokken deed de rondte in heel de buurt; hoe was het mogelijk dat de kleine, zwakke Jannie dat gedaan had. Sedert werkte ze ijverig, veel ijveriger dan de groofere zusjes, want meedoen om over greppels en kuilen te springen, kon ze nog niet. Ze deed nog altijd zoo n heerlijk middagslaapje in het hooi. Eén ding kon ze beter dan al de anderen. Geen zorgzamer hulp was te vinden als het er op aan kwam de schapen te hoeden. Urenlang ging ze met breikous of leesboek het veld in en hield de kudde met den hond goed bij elkaar. We hadden eens tegen Jannie gezegd dat ze om een schoon schortje zou vragen aan de groote Zus. Maar o hé dat hoefde niet. Ze moest het er maar mee doen. Wat deed nu het kleine ding? ’s Morgens vroeg stond ze met schuier en zeep op een plank haar schortje te boenen. Toen het schoon was, werd het op het veld, in de zon gedroogd, waf opgerekt en klaar was ze. Met een schoon schort en een trotsch gezichtje kwam ze half elf het erf opgestapt. We zagen het dadelijk en ze was overtuigd dat ze wat haar best gedaan had om schoon voor den dag te komen. Zoo ging het ook met de klompjes, ze schuurde ze voor ze naar bed ging om s morgens netjes te zijn. Toen Augustus ten einde was en de groote vacantie voorbij, vond Meester dat ze lang genoeg vrij geweest was. Ze moest het maar weer eens probeeren. Met het leeren ging alles goed, ze kon mee in de derde klas, maar gauw had ze hoofdpijn. Zoo n heele dag binnen was nog te veel. Nog maar eens voor de kleine er op uit. Meester eens gevraagd of er geen middel was en er werd wat op gevonden. Sedert is ze halve dagen op school en ze zit al in de vijfde klasse; ze heeft weer lange krullen en groeit dat het een aard heeft. Van een klein, zwak stumpertje is een aardig meisje gegroeid en allang heeft ze geen dokter meer noodig. Ze heeft goed geleerd voor zich zelf te zorgen. Als een auto op den weg een stoflaag opjaagt, vlucht ze gauw een zijweg in en niemand zou gelooven, dat daar het longpatientje van vroeger op de fiets wegrijdt. Heerlijk heeft de Geldersche lucht gewerkt, en als er één zonder bijzondere verpleging of voeding beter is geworden, is hef onze Jannie. Ze is zoovee] als haar krachten toelieten aan het werk gebleven en de groote lust van het kind om evenals de anderen mee te kunnen, heeft haar gesterkt. LIESBETH VAN DOESBURG. DAPPERE SOLDATEN Rom, bom, bom! Rom, bom, bom! Zoo slaat Frits op de groote trom En achter hem, stram in de maat, Marcheeren Willem en Agaat. Kijk!,. . . . zus Nelly sluit de rij, Och, menschen, ga toch gauw op zij! Rataplan, plan, plan! Rataplan, plan, plan! Daar komen de soldaten an! Lachend de snuitjes, gestrekt de beenen, Zoo loopt het troepje flink daarhenen, En iedereen, die hen zoo ziet, Zegt — dapperder leger bestaat er niet. O, wee! — daar komt een groote hond; Eerst snuffelt hij wat in t rond, Dan .... loopt hij in gestrekten draf Recht op onze Nelly af; En ... . de soldaten in gevaar, Stuiven schreeuwend uit elkaar! Dan klinkt opeens een luide lach, Vermengd met diep, diep vreugdgeblaf. ,,Zeg, jongens! wat zijn jullie flauw! Roept Nelly luid — ,,Kom hier toch gauw! „Och, och, wat dappere soldaten, „Om Nel maar zoo alleen te laten! „fis immers Hec maar van Oom Piet! „Zeg, zagen jullie dat nu niet? „Kom, Hec, je speelt ook met ons mee „Jij wordt „Kaptein”, hiep, hiep, hoezee! „Vlug, jongens, allen in de rij, „Frits weer voorop, en Hec op zij! Rataplan, plan, plan! Rataplan, plan, plan! Daar komen de soldaten an! Stram stappen zij weer in de maat Die kleine helden uit de straat. En ieder, die ons troepje ziet, Zegt. . . . „dapperder leger bestaat er niet! MARIE J. J.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 446 tot 450 van 11897