|
VAN HET KASTEEL ACHTER BOOMEN VERBORGEN.
ET kasteel Groenendalen tot Everslanden
ligt geheel verborgen achter de hooge
dennen; eiken en berken, alleen in den
winter schemeren de witte muren door
het kaal geboomte. Tusschen het heuvelpad en de hooge bladerenmuur ligt een
vijver met ondiep en helder water, waarop ’s zomers de
blanke leliën drijven.
’s Avonds als de zon als een bloedroode schijf wegzinkt achter de blauwe heuvelrij, dan gelijkt het alsof
die millioenen bladeren tongen, zijn die teere melcdieuse
geluidjes maken, zooveel vogels nestelen in de boomen
van den slottuin.
’t Eenige, dat men altijd van het kasteel ziet is de
vervallen poort, vlak bij het begin van het heuvelpad.
Het ijzeren hek van kunstig smeedwerk is ongevallenen
ligt bijna bedolven onder de gevallen bladeren, die daar
jaren en jaren zijn blijven liggen.
In de dikke stammen der boomen kruipen lianen naaide knoestige takken, vanwaar ze als lange, met bloemen
versierde spiralen naar beneden hangen» De kruinen der
beuken en eiken zijn in elkaar gegroeid en de eeuwenoude
dennen hebben bijna zwarte naalden.
*t Is altijd kil en donker in den tuin, want de zonnestralen dringen nooit door het massieve bladerendak.
De bewoners van het dorp en de boeren uit den omtrek zijn steeds angstig als zij langs het kasteel gaan.
Waarom men zoo bang is? >
Vraag het den dorpsbewoners en boeren en zij zullen
U antwoorden, terwijl zij een angstigen blik in de richting
van het kasteel werpen: „Omdat daar vreeselijke dingen
gebeurd zijn.”
Meer komt men niet te weten. Alleen zullen zij U
zeggen dat die dingen al minstens vijftig jaar geleden
gebeurd zijn en dat bij den ingang vlak bij het hek een
steenen bord staat, waarop nog duidelijk het woord „afwezig” te lezen is en dat de oude schaapherder, die tegen
den avond op een bank bij zijn hut zit, de eenig overlevende is van diegenen, die getuigen waren van het
vreeselijke einde der Groevendalens.
* ♦
♦
De zon stond boven- de heuvelrij en de heide zag bloed
rood van de bloeiende erica, toen de oude schaapherder
op een bank voor zijn plaggenhut gezeten, het verhaal
van het kasteel vertelde.
,,’t Is al heel, heel lang geleden, toen ’t kasteel geregeld bewoond werd en de welvaart van den geheelen
omtrek afhing van de Groevendalers.
Jongen, zeide m’n vader dikwijls, toen ik zoo jong
was als jij, zag het er op het kasteel anders uit.
Was ’t mooi weer, dan reed de bewoner in de galakoets met den statiebok uit. Zes mooie zwarte peerden
er voor, koetsier met pruik en driekanten steek op den
bok en achter op den wagen twee staande palfreniers. De
baron reed dan op een wit ros naast het portier.
En feesten werden er gegeven in die dagen, zonder
ophouden. De dagen, dat er niets te doen was, waren
om uit te rusten en krachten te verzamelen voor nieuwe
feesten, ’t Geld stroomde van het kasteel onder de dorpelingen. De jager leverde het wild, de moezenier groenten
en fruit, de hovenier de edelste rozen en bloemen en de
veefokker malsche biggen en kalveren voor de keuken.
Plotseling was het kasteel verlaten, zooals mijn vader
vertelde en het ijzeren hek bleef wel twintig jaar gesloten.
Niemand wist wat er gebeurd was, x de een zeide dat de
familie een landgoed ver buiten de grenzen betrokken
had. en de ander dat de baron al zijn vermogen aan
de speeltafel verloren had. Maar één ding was zeker, dat,
toen ik zestig jaar geleden op het heuvelpad met mijn
kornuiten speelde, rook van achter de boomen kwam.
,,’t Kasteel rookt!” riep een onzer en we liepen zoo
lang langs den vijver tot we een opening in het geboomte
vonden om te kunnen zien waar de rook vandaan kwam,
en toen we zagen dat het een der vierkante schoorsteenen was, draafden we naar het dorp om te vertellen
dat er weer menschen op het slot moesten zijn.
Binnen een uur tijds was het nieuws ih den geheelen
omtrek bekend en honderde nieuwsgierigen stonden bij
den vijver. Als zij de lichte, blauwgrijze rookwolkjes
boven het geboomte zagen oppluimen, staarden zij elkander vragend aan.
De jager, moezeniers, hoveniers, veefokkers en de mannen en vrouwen, nu oud en grijs, dachten dat nu de
vette jaren van vroeger zouden terugkeeren en vertelden
aan hun kinderen dat een tijd van welvaart kwam». ..
In de herberg werd een week later door de dorpelingen
een vergadering gehouden, waarin besloten werd dat de
drie oudsten, die vroeger de Groevendalens bediend hadden, naar het kasteel zouden gaan om te vragen of de
familie bij de feesten het dorp weer zou begunstigen,
zooals dit vroeger de gewoonte was.
Op den morgen dat zij er heen zouden gaan stonden
de dorpelingen in groepjes op straat de kansen te bespreken. Niemand werkte; geen man ging naar het land
of naar het meer om te visschen, de schoenmaker liet
zijn leest lusten en zelfs in de smidse, waar anders van
’s morgens vroeg tot'zonsondergang de hamerslagen klonken
was het stil.. ,.
* *
*
Op een eerbiedigeh afstand van de poort bleef de
menigte staan en toen de oudste der drie de groote bel
aan de poort luidde, hield elk gesprek op.
’t Duurde zeer lan^ eer meri in den tuin een ander
geritsel hoorde dan het zuchten der boomen. De dorre
gevallen takken kraakten onder voetstappen; een lakei
met zilver wit haar.en in gebogen houding naderde de
poort en bleef achter het hek zonder het te openen.
Wat wilt ge? vroeg hij kort.
En een der mannen verzocht om bij den baron of
barones te worden toegelaten.
„Afwezig ” antwoordde de lakei.
„Kunnen wij dan morgen terug komen?”*
De lakei haalde zijn schouders op, draaide zich om en
liep langzaam weer de laan in naar het slot.
Een week later, toen zij het bezoek wilden herhalen,
was achter het hek een steenen bord geplaatst met het
woord „afwezig” erin gebeiteld.
Men gevoelde maar ai te goed dat de dagen van
weelde niet meer terug zouden keeren, en de belangstelling
in het kasteel was alleen uit louter nieuwsgierigheid.
Ze wisten al met zekerheid,*dat de grijze lakei ook
de tuinman en de koetsier was.
Meer dan eens hadden ze het rijtuig zien uitrijden en
thuis komen, maar altijd waren de gordijnen neer, zoodat niemand wist wie er in zat.
Maar, wat zag er alles vervallen en verwaarloosd uit!
Waar waren de drieste paarden van vroeger, waar
was de glans van het lak van rijtuig en zadel en de
gloed van den rooden statie-bok gebleven? De paarden
waren mager en oud. het tuig versleten en slecht onderhouden en het lak van het rijtuig gebarsten en afgeschilferd.
Nog geen jaar na de ontdekking, dat er rook uit den
schoorsteen van het kasteel kwam, was al het leven weer
verdwenen. Zoo bleef het jaren stil en verlaten, niemand
wist iets van een vertrek af. Enkelen beweerden dat het
de echte Groevendalens nooit geweest waren, maar het
'meeste sprak men over den geheimzinnigen lakei, die
tijdelijk koetsier en tuinman was en over het rijtuig met
zijn gesloten gordijnen.
De afgevallen bladeren en takken stapelden zich op,
de takken der boomen groeiden al meer en meerin elkaar,
zoodat de lanen zoo donker werden als catacomben en
de slotpoort bleef gesloten totdat de bliksem die opende....
’t Was in Juli, toen ’s middags boven onze streek een
zwaar weder los brak. In de natuur was het bladstil en
zoo donker werd het dat mijn vader in den stal het
licht moest aansteken.
Plotseling werd alles hel rood verlicht, het geleek wel
een regen van milliarde kleine vonkjes, toen volgdte
onmiddellijk daarna een donderslag zoo hevig dat nfn
moeder en de meid begonnen te gillen, de paarden in
den stal onrustig werden en mijn vader en ik naar
buiten holden om te zien of ons huis of de hooiberg getroffen was.
„Kijk, roept m’n vader, het kasteel brandt.”
’t Was zóó, boven de boomen dwarrelden rook en
vonken op.
Ondanks het hevige weder was ’t geheele dorp op de
been en toen we bij het kasteel kwamen bleek het, dat
alleen de poort en de portierswoning waren geraakt. De
ijzeren deur lag op het gras en de kleine koepel stond
in brand, welk brandje door den zwaren regen spoedig gebluscht werd.
We konden nu naar het kasteel gaan en de moedigste
der dorpelingen, waaronder mijn vader besloten den slottuin in te gaan, om ereis een kijkje te nemen, hoe het
kasteel er tegenwoordig wel uitzag, want dat wist niemand.
De mannen zakten tot boven hun enkels in de gevallen
bladeren. Ze liepen zoo voorzichtig mogelijk om zoo
weinig mogelijk geluid te maken. De voorste draaide zich
om en riep den achter hem volgende toe dat de stal
openstaat en het rijtuig met den rooden statie-bok duidelijk
te zien is. Van mond tot mond ging het nieuws en ze bleven
bij elkaar staan en beraadslaagden wie het den baron
zou zeggen, want dat het kasteel bewoond werd was nu
zeker. Ze zouden er om loten welke twee in den stal
zouden gaan en onder den zwaren kastanjeboom stonden
de boeren als kinderen elkaar af te tikken.
Mijn vader en de schout werden aangewezen en ik ging
mee den stal binnen.
*
* *
Het tuig was grijs van de dikke laag stof evenals
het rijtuig, de openingen tusschen de spaken waren door
de spinnen geheel dicht geweven en de achterste wielen
waren een flink eind in den grond gezakt, ’t Was er
doodstil, we liepen op onze teenen zoo dicht mogelijk bij
elkaar, ’t Dak lekte en elke waterdruppel die op den grond
viel, deed ons schrikken en even stil staan.
De schout schopte iets voort, later trapte hij watstuk;
’t kraakte als het breken van een dorren tak. Hij bukte
naar een wit voorwerp raapte het op en we gingen er
mede naar het licht. De schout had het geraamte van
een hondekop in zijn handen.
„Tennis,” zei hij toen tegen mij „haal een paar lantaarns,
we blijven hier wachten.”
Voor de poort stond een menigte volk, die me niet liet
gaan voor ik alles verteld had. Met ons zessen kwamen
we terug, ieder met een lantaarn zoodat er voldoende
licht was. Vier bleven er bij den ingang van den stal
. staan en durfden er niet ingaan.
In het wazige schijnsel zagen we nu een menigte beenderen tusschen twee ledige bakken en bij een ketting
liggen. Het was het geraamte van den waakhond, door
den schout gedeeltelijk stuk getrapt.
We vonden een deur, die na veel moeite eensklaps
open viel, zoodat we bijna omrolden. Een vreemde geur
kwam ons tegemoet.
„De paardenstal,” riep m’n vader.
„Stil,” fluisterde de schout, terwijl hij zijn lantaarn in
de hoogte hield, „daar liggen de geraamten van twee
paarden, tusschen de ribben hebben de spinnen hun
webben geweven.”
Hij ging dichter bij de cadavers, over mijn vaders voet
. liep een dikke rat naar een der koppen en verdween in
de oogholte.
„De beesten zijn van honger gestorven, de ruif is leeg
en nergens ligt hooi, ’t Is een schandaal voor zoo’n
adellijke familie alles in den steek te laten en de beesten
te laten verhongeren. Waarom hebben ze de dieren niet
het bosch in gejaagd,” schreeuwde m’n vader.
Door een deur, die met een zachten duw uit de scharnieren viel, kwamen we .in den tuin recht tegenover het
kasteel, een wit gepleisterd gebouw met hooge steenen
stoep, waarvan de beide deuren open stonden. De marmeren vestibule lag vol dorre bladeren; aan het einde
ervan was een groote eikenhouten deur. Mijn vader
opende de deur, die toegang tot een kamer gaf, met
weinig moeite. r
We roken denzelfden geur als in den paardenstal, maa
veel zwakker.
In den hoek van de kamer hing een zwaar fluweelen
gordijn, van roode kleur met gouden rand, dat, toen
de schout het oplichtte, van de ringen viel, zóó vergaan
was het. De opening gaf toegang tot een gebeeldhouwde
eikenhouten trap, die vrij goed gebleven was. De schout
ging het eerste naar boven, gevolgd door mijn vader en
mij en hoe hooger we kwamen, des te sterker werd de
geur. De trap eindigde in een portaal, waar de deur half
open stond.
De schout keek er door en trad verschrikt achteruit;
„daar ligt iemand op het bed, durf jij naar binnen?”
Mijn vader, die dit gevraagd werd, opende de deur en
ging de kamer in, doch met beide handen bedekte hij
zijn oogen en als de schout hem niet gegrepen had, was
hij zeker op den grond gevallen, zoo beefde de man.
Ik was hem op den voet gevolgd en wat ik te zien kreeg,
zal ik nooit vergeten, al word ik nog honderd jaar ouder.
Op het bed lag het geraamte van een vrouw, gehuld
in wit zijden kleed en op het hoofd een kanten muts,
aan beide zijden van het hoofd lag een zwarte, dikke,
lange haarvlecht. De handen waren op de borst gevouwen
en aan de vinger-beenderen hingen nog veel gouden ringen met edelgesteenten versierd.
Op den grond lag het geraamte van een man, in de
kleeding van een lakei, ’t Lag ih een houding alsof het
van den stoel, die er bij stond, gevallen was. Bij den
schedel lagen witte haren verspreid en aan de wijsvinger
zat een gouden ring met het wapen der Groenendalens in
den steen gegraveerd.
We vluchtten weg, zoo hard we konden en sloegen
geen acht op de vragen van de dorpelingen, die nog bij
de poort stonden te wachten.
Mijn vader werd zwaar ziek en heeft langen tijd geijld.
De schout ging het bij den burgemeester in de stad
vertellen en een week later bracht de postwagen een
paar mooie doodkisten en gelijk met de postwagen kwamen
verscheidene reiswagens met heeren. die in het kasteef
afstapten.
Den geheelen dag *bleven ze in het slot en toen de
avond gevallen was. werden de beide kisten door fakkeldragers begeleid weggevoerd in de richting van de stad,
gevolgd door de reiswagens.
Niemand weet wat er gebeurd is. ’t Eenige dat wij in
den loopw der jaren gehoord hebben, is: dat de familie
Groenendalen tot Everslanden verarmd is. De baron was
de koetsier, lakei en tuinman van zijn dochter, want hij
wilde dat zij bediend zou worden zooals in de dagen van
rijkdom. Geld om personeel te houden was er niet, zelfs
niet om levensmiddelen te koopen. Zij leefden van den
voorraad en de opbrengst van den grond, doch daar de
baron nergens verstand van had, verminderde de productie
zoodat de oogst al gauw verteerd was Ze waren te
trotsch om maar iets te verkoopen, zoodat zij ten slotte
evenals de paarden en de hond .van honger gestorven
moeten zijn.
yu wacht het kasteel al bijna een halve eeuw op zijn
nieuwen bewoner, den eenigen erfgenaam, die in China
moet zijn.
Dat is de geschiedenis van het kasteel, dat achter de
boomen verscholen ligt.
|