Panorama

Blad 
 van 2380
Records 231 tot 235 van 11897
Nummer
1913, nr.15, 8 okt. 1913
Blad
03
Tekst
Ie JAARGANG. %* V No. 15 V V 8 OCTOBER 1913. PANORAMA •: geïllustreerd weekblad PRIJS PER NUMMER 10 CENT ■ .BELGIË 20 CENTIEMEN. REDACTIE EN ADMINISTRATIE: DOEZASTRAAT 1. TELEF. 1. ♦ * ♦ * * * * ♦ * * ♦ * * ♦ * * ♦ * * * ♦ * * Onze tweede Wedstrijd, D e groote en onverwachte bijval aan onzen eersten wedstrijd ten deel gevallen, is ons een aansporing om aanstonds een tweeden uit te schrijven. Het is een NOVELLEN-WEDSTRIJD NAAR EEN GEHEEL NIEUW PLAN, dal meerdere personen in staat stelt om samen te dingen naar een der prijzen. Gevraagd wordt een OORSPRONKELIJKE NOVELLE, SCHETS, VERTELLING, TOONEELSTUKJE, ter grootte van ten minste 2500 en ten hoogste 5000 woorden, MET FOTO S OF TEEKENINGEN VERLUCHT. Deze wedstrijd opent tot de kunstzinnige samenwerking van eenige personen, mannen en vrouwen, een reeks van mogelijkheden. Hij richt zich zoowel tot de letterkundigen, teekenaars, fotografen van beroep, als tot de dilettanten in elk van die kunstvakkken. Alle leden van een gezin, van een vriendenkring, kunnen er aan samenwerken. De een schrijft de vertelling, de ander groepeert de leden van het gezin, of anderen, tot levende episoden uit het werk zijner verbeelding, een derde fotografeert of teekent. Natuurlijk kan de schrijver of schrijfster persoonlijk de verluchting op zich nemen. Dat is ons ortverschillig. Wij moeten ten slotte maar met één inzender of inzendster te doen hebben. De samenstelling van de inzending zij aan een ieder zelf overgelaten. Wij meenen dat de bedoeling van onzen wedstrijd voor elkeen duidelijk zal zijn en hopen dat de besten onder de Nederlandsche en Vlaamsche vertellers ons de eer zullen aandoen om mede te dingen. Bij voorkeur ontvangen wij ter illustratie van het verhaal foto s (twee a drie zijn voldoende), hoewel ook zwart- en wit-teekeningen zijn toegelaten. De nieuwerwetsche camera-techniek staat het den eenigszins geschoolden liefhebber toe heldere en scherpe opnamen te maken en de beroepsfotografen hebben zich in onzen tijd tot werkelijke kunstenaren ontwikkeld. Van hun samenwerking met een begaafd letterkundige, die het denkbeeld eener opname geeft, hebben wij de beste verwachting. Wij stellen den o.i. billijken eisch, dat geen oude foto’s ofteekeningen worden gebezigd, die den indruk geven alsof de verteller op de daarin vervatte gegevens zijn verhaal gebouwd heeft. Het omgekeerde moet het geval zijn. Wij bevelen aan, de foto’s te maken op glad of fijn mat broomzilverpapier. (Afdrukken op celloidin papier of kooldrukken zijn niet verboden, doch het papier — en dit geldt ook voor de teekeningen — moet niet grof van korrel zijn. Ook mogen de foto's geen raster hebben). Foto’s ofteekeningen moeten bij het verhaal gevoegd worden en duidelijk aangewezen worden de plaatsen waar zij in het verhaal thuis behooren. DE EERSTE PRIJS BEDRAAGT f 100.—. DE TWEEDE PRIJS f 50.— ; TERWIJL NOG TWEE PRIJZEN VAN f 25.— WORDEN UITGELOOFD. De uitgevers van »Panorama verwerven het Auteursrecht der bekroonde novellen door op grond yan de Wet op te stellen overeenkomsten. De redactie behoudt zich voor niet-bekroonde novellen tegen de bij haar gebruikelijke voorwaarden aan te koopen. De wedstrijd wordt GESLOTEN op 1 JANUARI 1914 en de uitslag daarvan vóór 1 MAART 1914 ter kennis van de deelnemers gebracht. De inzendingen moeten franco worden toegezonden aan de REDACTIE VAN „PANORAMA” DOEZASTRAAT 1, LEIDEN. en op den omslag gemerkt zijn met de woorden ,.NOVELLEN—WEDSTRIJD”. Voor de terugzending moet een groot, passend couvert, gefrankeerd, worden bijgevoegd, met duidelijke opgave van naam en woonplaats van den inzender. DE EERSTE PRIJS BEDRAAGT flOO.- DE TWEEDE PRIJS f 50.- „NAPOLEON" F. N. M. Kleene, Amsterdam. TERWIJL NOG TWEE PRIJZEN VAN f25.- WORDEN UITGELOOFD
PDF
Nummer
1913, nr.15, 8 okt. 1913
Blad
04
Tekst
Q A Ditmaal brengen wij -* ■* Vrf*dp««nalpi<4 HpI een grootsch landschap, den landbouwer voor en zijn jonge vrouw, die haar kind zoogt; zij rusten uit van den arbeid, bij hun ossen, op een plek stralend van fijn en rustig ljcht. Heel dit reusachtige paneel geeft den indruk van die verheven rust, die den naam „Vrede” verdient. Chigot, die een harfstochtelijk bewonderaar is van de natuur, vol van liefde tot het leven en tot de schoonheid der dingen, heeft in dit werk al de edelmoedigheid en de teederheid van zijn kunstenaarsziel tot uitdrukking gebracht. Ook als zoodanig zal hef ongetwijfeld gewaardeerd en bewonderd worden door de talrijke bezoekers van het Vredesoaleis. j een fotografische wedergave van de schilderij „Pax” van den Franschen schilder Eugène Chigot, naar een opname die speciaal voor Panorama is gemaakt en waarvan de nadruk verboden is. : - : Deze schilderij is geplaatst in hef Vredespaleis. Hef is een geschenk van de Fransche Regeering, naast en behalve de schilderij van Besnard, voor de groofe rechtszaal, en de gobelins waarvan zich nog slechts de schetsen in het Vredespaleis bevinden. : - : Het werk van Chigot, stelt, in
PDF
Nummer
1913, nr.15, 8 okt. 1913
Blad
05
Tekst
o Naar Biet DuitscBi van P. ROSEGGER, door- HAJEM. FEESTVIERING STAATSPOOR. ij den Steckenboer in den Stock hadden ze ’n oude meid. Die was wereldberoemd, d. w. z. haar roep ging door het geheele woudland, aan den eenen kant wel tot Mürz en aan den anderen kant tot in het dal van Sranz. En nog veel, veel verder. Het praatje liep, dat zelfs daar beneden, in Graz, de grootelui’s stad, de meid Ernesta Guggenhoferin ergens, in alle eer en deugd, stond opgeschreven. Die merkwaardige meid had namelijk ’n toegenaaiden rokzak. Door de week merkte je niets. Als er ’n arm mensohenkind in de buurt kwam, dat met open oogen naar den blauwen of grauwen hemel stond te kijken, of er eindelijk niet eens iets om te eten naar beneden zou komen vallen, dan tastte Ernesta in haar zak en haalde ’n broodkorst te voorschijn, of ’n paar gedroogde peren, of ook wel ’n kreuzer, en vroeg bet menschenkind, of het zoo goed zou willen zijn, om het aan te nemen; onder het werk kon zij die bobbels in haar zak niet velen. Zondags echter, als zij over den bergrug naar de witte kerk van de heilige Katherina ging, had ze ’n korten, dikken zwilken rok aan. Die rok had roode en witte strepen, welke van boven naar beneden liepen, en twee diepe zakken, een aan den rechterkant en een aan den linkerkant, net zoo als de mannen in den broek. Die aan den linkerkant bevatte velerlei zaken, zooals ’n schaar, ’n bruine rozenkrans, en vaak ook ’n broodje of ’n paar peren, juist voor zulke menschenkinderen, die naar den hemel kijken, of er niet iets eetbaars uit komt vallen. Als Ernesta echter, zonder er bij te denken, in den rechterzak wilde tasten, dan — gleed de hand, van buiten langs de rooie streep naar beneden en kwam onverrichterzake terug; want de zak was toegenaaid. Als ze, op het bergpad, over het bek klom, dan leek ’t wel, of in dien zak ’n plat, hoekig voorwerp zat. ’n Gebedenboek kon ’t niet zijn, want lezen kon ze heelemaal niet, en ’n dienstbodenboekje was ’t ook niet, want Ernesta hield zich met dergelijke kunsten niet op. De kenteekenen : braaf, vlijtig en trouw waren, zoolang als ze leefde, van haar noch gezegd, noch geschreven — wat zal ’n. mensch ook anders zijn ? Daar praat men eenvoudig nie. over. Dertig jaar lang was Ernesta bij den Steckenboer in den Stock als stalmeid in dienst geweest. Toen werd ze op ’n zekeren dag opgeroepen, om te Kindberg voor de heeren te verschijnen. De vreeselijkste tijd, dien zij in haar leven had doorgemaakt, uitgezonderd dan het jaar, toen er zoo’n erge veeziekte had geheerscht, en alle koeien en kalveren in haar stallen aangetast waren geweest. En als ze nou ’s in de gevangenis werd gestopt! Ja, maar waarom dan, wat had ze dan uitgevoerd ? Men ried haar aan, niet te gaan, maar zij dacht, dan kon ’t wel eens net zoo met mij gaan, als met die oude Zigeunerin, die door den ,,Standarm” werd gehaald. Nee, dan zou ze, in Godsnaam, maar liever vrijwillig gaan, en hoe dichter zij het mooie marktplaatsje Kindberg naderde, hoe moediger ze werd en hoe nieuwsgieriger om te vernemen, wat men van haar wilde. Voordat het bureau openging, deed zij zich voor alle zekerheid in ’n herberg nog eens flink te goed aan ’n portie vleeschsoep en een karafje wijn. Op het bureau waren meer menschen, maar aan niemand was iets verdachts te zien. Eindelijk kwam er ’n groote heer, met ’n witten baard, die eenige namen afriep, waar onder ook dien van Ernesta Guggenhoferin. „Is u dat ? Heet u zoo ? Bij den Steckenboer, niet waar? In orde.” En toen kwam ’t: „U hebt dertig jaar lang, onafgebroken, bij een en denzelfden boer gediend. U ontvangt hier ’n premie.” — Een heel dun, bruin boekje gaf hij haar in de hand. „Goed wegstoppen, dat je ’t niet verliest ! Ja, nu kunt u wel weer heengaan.” Buiten het stadje, bij den eersten den besten boom, zette zij zich in de schaduw, om eens te kijken, wat er nou toch wel in dat boekje zou zijn. De afbeelding van ’n Heilige of misschien wel van de Moeder Gods. Zou ’t ook gewijd zijn? Dat had ze eigenlijk moeten vragen. — Lieve Hemel, nu moest ze nog schrijven gaan leeren op haar ouden dag! Want het boekje bevatte witte, gelinieerde bladen, net als voor ’n schoolkind. Op het eene blad staat iets geschreven. Dat zal ’n voorbeeld zijn, zoo iets zal ’t wel wezen. Enfin, laten we het maar weer in den zak steken en naar huis gaan. De lieden van den Steckenhof braken zich het hoofd, maar ook in de gebroken hoofden was niets te vinden, dat opheldering gaf omtrent het bruine boekje. Zou de jongen van den boschboer ’t niet weten ? 1 — Natuurlijk, die wist ’t ook niet. Die zag alleen maar, dat op het eene blad ’n zegel stond, met cijfers er voor en er achter, en daartusschen ’n paar namen, die geen mensch kon lezen. Maar, kijk — heelemaal vooraan, ’t zat ’n beetje dichtgeplakt — toch ook iets moois. Een engel en daarboven, met sierlijke letters geschreven : Stiermarkensche Spaarbank. — „Aha!” zeiden de menschen, „Je moet gaan sparen, Ernesta, dat bedoelen ze. Later moet je dan belasting betalen, ’t Is om je geld te doen. Wees maar wijzer 1” Anders de Steckenboer, toen hij zelf het boekje in oogenschouw'nam. „Ernesta,” zei hij, en haast plechtig kwam’t er uit. „’t Doet me plezier, dat je ’t gekregen hebt, ’n Onderscheiding. Verdiend heb je ’t. Honderd gulden heb je nou op de spaarbank staan, ’t Is ’n gift van het land en jouw eigendom.” ’t Was van dat oogenblik af, dat de meid ’n toegenaaiden DE VERSIERING VAN HET WEESPERPOORTSTATION TE AMSTERDAM. DE VERSIERDE LOCOMOTIEF VAN EEN PERSONENTREIN ZWOLLE-HENGELO. EEREPOORT VOOR DE CENTRALE WERKPLAATS TE ZWOLLE. rokzak had. Ze bleef daarna nog tien jaar bij den Steckenboer, toen nog tien jaar en eindelijk werd er niet meer over blijven noch over gaan gesproken. De oude meid stond thans in hoog aanzien. Niet omdat ze ’n goede dienstbode was, maar omdat ze geld had. ’n Schotel vol geld als je ’t bij elkaar zag. Honderd gulden, geen cent minder. Er zijn menschen, die in hun jeugd ’n leelijk gezicht hebben en eerst dan prettig zijn om aan te zien, als de opgeblazen rooie wangen ’n beetje geslonken en weeker geworden zijn en fijne rimpeltjes krijgen. De beekleider Hetzel vond, dat Ernesta steeds knapper werd. Hetzel was ’n oud-soldaat en watermeester van de streek. Hij had de opdracht, uit de beek, al naar ’t noodig was, de molens te voeden en de weiden te bevloeien. Dat waterig beroep maakte hem nu niet bepaald vet; doch hij vleide zich met de hoop, dat hem eenmaal in zijn leven toch nog wel ’s een groot geluk te beurt zou vallen. Intusschen kwam hij tot de ontdekking, dat de meid Ernesta ’n goed hart had. „Heb ik I” lachte zij, en sloeg met de vlakke hand op den toegenaaiden rokzak, dat ’t klonk. De vorm van dat antwoord was niet bijster naar zijn zin, hij zei niks meer. Voor kleine diensten was zij altijd te vinden, hetzij een arme stumperd wachtte op het uit den hemel vallen van eten, hetzij ’n andere dienstknecht nieuwe schoenriemen of naald en garen, dan wel ’n pijp tabak erg noodig had. Dat ging van het loon af, en de rokzak bleef toegenaaid. Daar ze geen familie had, vroeg eens op ’n avond de Steckenboer haar, wat ze van plan was, met het spaarbankboekje te doen ? Wat er mee gedaan moest worden, voor het geval, dat zij ’s — nou, we mogen er toch wel ’s over praten, voor het geval, namelijk, dat zij er niet meer zijn zou. — De meid zat juist onder ’n koe en molk ’n wit, spattend straaltje in den emmer. „Maar wat denk je dan, baas, ik ben er ommers I” „Jawel, in zoover heb je gelijk, Ernesta. Ik wou alleenmaar zeggen : wie zal op jouw geldje passen, ’t Is niet veilig, er zijn weer zigeuners in den omtrek. Vaak denk ik, als we allemaal op het land zijn : het huis staat alleen en de kisten hebben geen sloten. Ook jouw kleerkist, waar de mooie Zondagsche rok in ligt, heeft er geen. Op mijn kast is er wel een, en als je soms bezorgd bent voor je boekje, dan wil ik ’t graag voor je bewaren.” „Kom, malligheid 1” antwoordde zij. „Wie zal dat boekje nou wegnemen 1 ’t Is immers stevig ingenaaid I” Toch begon zij, na dien tijd, den zwart-rood gestreepten rok, die jaren lang haar Zondagsche kleed was geweest, nu ook door de week te dragen. Want nog beter dan ’n ijzeren slot is ’n levende wachter 1 dacht ze. en na onderzocht te hebben, of de naden van den zak, boven en onder, nog goed vast zaten en nergens ’n gaatje was in de stof/ was ze heelemaal gerust en droeg haren schat bij zich, ’s Nachts legde zij den rok onder het hoofdkussen en deed haar avondgebed, waarna ’n christenmensch onbezorgd mag inslapen Zoo kwam Ernesta, met haar toegenaaiden zak goed en wel ’n aantal jaren door. En toen ze al aardig oud was geworden, klaagde ze eens aan ’n pastoor op den Sonnberg, die haar biechtvader was, haar nood over de zorg voor het spaarbankboekje. De geestelijke werd daarover zoo bedroefd, dat hij de handen vouwde in zijn schoot en het hoofd naar den rechterschouder boog. „Zorg I” zei hij, met zachte, bewogen stem, „dat zou niks zijn, Ernesta 1 Maar als jou dat geld bezwaart, werp het dan van je, opdat je ziel geen schade lij de. Dat wil zeggen, nou niet precies op straat werpen, zoo is ’t niet bedoeld. Er heerscht zoo veel gebrek. Heb je ons zijaltaar wel ’s goed bekeken ? Wat was nou meer noodig, dan dat de heiligen daarvan eens op nieuw verguld werden I Je kunt, natuurlijk, met je geld doen, wat je wilt, God beware me, dat ik trachten zou, jou tot het een of ander over te halen. In hoever, echter, zoo’n schenking aan de kerk of iets anders tot tioost voor je ziel noodig is, dat zul je zelf het beste kunnen beoordeelen. ’n Stuk of wat zielmissen voor je overleden bloedverwanten — dat zou hun ook geen kwaad doen. Nou, overleg ’t nog maar ’s bij jezelf en wel thuis. En zorg, dat je niks verliest.” Onderweg naar huis dacht ze al niet meer aan de woorden van den pastoor, ook niet aan haar boekje, doch alleen maar aan haar stalbewoners. Ze was toch ’n slecht mensch, dat ze er zoo maar op uit kon gaan, terwijl thuis het arme vee bij de leege kribben moest staan. Dan echter toog zij des te vlijtiger aan het werk en verontschuldigde zich met teedere woordjes bij he+ vee, dat ze het zoo lang had laten wachten. Het werk in den stal kon zij nu niet meer zoo goed volbrengen, als de boer het wel verlangde; maar ’n andere meid liet zij er niet aankomen; liever werkte ze zelf dag en nacht. „Je doet niet verstandig,” zei Hetzel weer eens tegen haar, toen hij, in plaats van altijd da* .water, ook eens melk willende hooren ruischen, haar een bezoek bracht. Meteen keek hij dan graag eens uit naar het geluk, of het dan eindelijk niet komen zou. „Je doet niet verstandig, Ernesta,” zei hij tegen haar, „als ik zooveel geld had, als jij, denk je, dat ik dan nog ’n vinger zou uitsteken 1 Om den drommel niet 1 Dan ging ik in het hooi liggen, met de wijnflesch en ’n pijp naast me — en liet violen maar zorgen I” „Jou ouwe waterplas, dat kan je ook zonder geld wel doen I” lachte het oudje, vroolijk, „’n hooiberg en ’n ouwe wijnflesch, daar is nog wel ankommen an I”
PDF
Nummer
1913, nr.15, 8 okt. 1913
Blad
06
Tekst
- .. ., P A N O R A M Hetzel k^ek haar schuin aan; zoo krom als ’n haak was zijn blik en, met ’n teeder kirrende stem, zei hij : ,,Je bent ’n kreng, Ernesta, ze moesten je doodslaan ! Als jij ’s alleen door ’t bosch g^at, laat mij ’t dan weten.” „Met zulke dingen maakt men geen gekheid!” wees zij hem terecht. „Beteren dan jij hebben de genade Gods wel verloren.” Dat Hetzel ’t niet zoo kwaad meende, dat wist ze echter wel. Sinds hij destijds zoo’n beetje om haar gevreeën had, maakte zij heimelijk onderscheid tusschen hem en de anderen. Van hem heb ik dan toch maar ’n aanzoek gehad I Deze gedachte deed haar meer goed dan het boekje in den rokzak. En dat ze hem toentertijd zoo flink afgebeten had, deed haar ook nog altijd plezier. Hij is, wel is waar, zoowat veertig jaar jonger dan ik, maar als ik wil, trouwt ie dadelijk om mijn boekje. — Dus luisterde ze vol ernst naar hem toen "hij haar ernstig raad gaf. Hij zou, in haar plaats, het geld niet maar steeds bij die stadsmenschen laten liggen. Die waren ook niet het meeste te vertrouwen, naar wat je zoo hoorde. Ook was er elk oogenblik, ergens herrie en je wist dan toch maar niet, of zoo’n spaarbank, al was ie dan van nog zulk dik ijzer, nog wel secuur was. ’t Komt er dan maar op aan, wie den sleutel heeft ! Liever vandaag dan morgen, moest ze naar Graz tippelen en haar geld opvragen. „Heb je geen tijd, zendt mij dan maar,” voegde hij er bij. „Laat nou ’s naar je kijken I” lachte zij. „Neem me dan ten minste mee als beschermer. Ik ben vroeger soldaat geweest en weet den weg. Met heeren kan ik ook omgaan. Je hebt me alleen maar vrij te houden onderweg, anders verlang ik niks.” Zij sloeg het aanbod echter af. Zij gevoelde iets als schroom. Geen sterveling wilde ze in haar boekje laten kijken. Én ae honderd gulden, die wilde zij, de eerste maal, heelemaal alleen in de hand hebben. Ook de Steckenboer was van meening, dat ze toch eindelijk eens werk moest maken van het geld. En 200 toog zij dus, op ’n zekeren dag bij het krieken van den dageraad, op weg naar Graz. Boerenmenschen zijn op verre tochten niet zoo onbeholpen, als men wel eens denkt. Ze gaan van kerk tot kerk. Ernesta had alleen maar te weten, aan welke kerken ze voorbij zou komen, en die leerde ze uit het hoofd, net als het Onze Vader. Eerst Fischbach, dan Heilbrunn, daarna Passail, daarna Semriach, daarna Straszengel, en zoo verder, ’t Is waar, die kerken staan uren ver van elkaar en vaak ligt er een uitgestrekte wildernis tusschen. Twee begeleiders had de oude Ernesta, de schutsengel en het broodzakje, waarin de Steckenboerin ook nog kaas en rookvleesch gedaan had. „Maar daarvoor moest ze ’n mooie Grazer koek meebrengen.” Daar zij een oude pelgrimsstaf bij zich had, waaraan de rozenkrans bengelde, hield men haar onderweg voor ’n bedevaartgangster. Het oudje vond zichzelf echter erg zondig omdat ze zoo maar alleen om het lieve geld de wereld inging. En dan nog zoo veel geld ! Voor honderd gulden kan ’n mensch alles koopen, de hemel alleen niet. — Wat zou ze nu zoo al koopen 1 Zouden de koeien en de kalven van den Steckenboer te koop zijn ? Onderwijl deelde zij hier en daar aan arme kinderen kreuzers uit. Onderweg eens rustende, bekeek zij den rokzak waarin nog steeds het boekje zat vastgenaaid. Het verwonderde haar, dat de naden nog zoo goed hielden; ’t was toch zoo vele, vele jaren geleden dat ze toegenaaid waren. Den tweeden dag kwam zij op de plaats van bestemming. Bij het gebouw, waar men zei, dat ze haar geld zou krijgen, ging zij ergens in ’n donkeren hoek, tornde met een schaar den naad open en haalde het boekje te voorschijn. De hoeken waren verkreukeld en het was heelemaal warm. Daarna dribbelde ze naar binnen en de portier bracht haar naar het loket. Daar stonden de menschen, net als thuis het lieve vee voor de Kribbe. Een van de heeren, die daar achter het traliewerk zaten te schrijven, nam baar het spaarbankboekje uit de hand, boog eerst de boeken recht, sloeg er ’n blik in en keek toen de oude meid aan. Deze zei, dat zij haar geld verlangde. Toen gaf hij het boekje door. Al heel gauw werd van ’n ander loket geroepen : „Ernesta Guggenhofer 1” „Hier 1” antwoordde zij luid, want dat had ze nog van de leering als ze daar werd afgeroepen. — Zou ’t heelemaal uitbetaald worden, overwoog zij, zou men er niet wat aftrekken voor het opvragen ? De man daarbinnen nam ’n hoopje geld uit de lade en legde een bankbiljet van 'honderd gulden voor haar neer. „Dank u wel!” zei zij, bevende van vreugde. Hij legde echter nog een tweede bankbiljet van honderd gulden voor haar neer. En ’n derde en nog verscheiden guldens. „Dat andere is niet voor mij,” zei zij, en schoof het geld terug. „U wenscht teruggaaf, met den interest? Welnu dan. Dat is te zamen drie honderd en vijf gulden.” Nauwelijks hoorde ze dat, of het oudje begon luid te jammeren : „Ik heb ’t goeie boekje niet I Mijn boekje is weg I Ze hebben mijn boekje geruild I Het mijne is van honderd gulden, gladaf. O wee, o wee, mijn boekje!” Opgewonden dribbelde ze heen en weer en anderen begonnen haar op zij te dringen. „Jou onnoozel mensch!” riep de heer aan het loket uit. „Kom toch hier, en pak je geld in I” Het kostte hem niet weinig moeite, om haar duidelijk te maken, dat het werkelijk haar boekje was, en dat door de vele jaren de interest zoo groot was geworden. Krampachtig nam zij eindelijk de banknoten op en legde ze op elkaar; waarlijk, haar stijve, knokige vingers waren daarvoor haast niet geschikt. En ze was blij, toen ze den heelen bal, vastgeknoopt in ’n rooien zakdoek, in den zak had. Toen tuimelde zij naar ONAFHANKELIJKHEIDSFEESTEN TE BREDA. Plechtige inbezitneming der stad Breda, in naam van den souvereinen vorst van Nederland door Mr. Willem Boudewijn Donker Curtius en Jhr. Gerardus Martinus van Bommel voor het stadhuis. Praalwagen voorstellende „Vrede door Recht.” Een zeer eigenaardige groep, die bovenstaande praalwagen voorafging: Carnegie, stichter van het Vredespaleis, Bertha von Süttner, de voorvechtster van den vrede en de Tsaar van Rusland, die de eerste Vredesconferentie bijeen heeft geroepen. buiten, en in baar hoofd was ’t net als op dien zekeren verhuurdag, jaren geleden, toen ze uit overmoed te veel zoeten wijn had gedronken. Later, toen ze in ’n koffiehuis zat, liet ze het hoofd hangen en peinsde er over, wat ze toch in ’shemelsnaam met dat zondig veel geld moest beginnen. Toen ze daarop het gelag moest betalen, vroeg ze, of er van de acht kreuzer niet wat af kon : ze was maar ’n oude boerenmeid en had nog ver te loopen voor ze thuis was. De waardin schoof de kleine muntstukjes goedmoedig weer naar haar toe en wenschte haar ’n goeie reis. Op den terugweg gaf zij aan twee bedelaars ’n aalmoes; toen ze echter ’n derde tegenkwam, gaf ze niks. Wat heb je er nou aan, geld te krijgen, als je ’t toch weer moet weggeven ? Ik heb ’t ook niet gestolen, warempel niet! — Ze wischte zich met haar arm het zweet van het gezicht. — En je maakt toch maar bedelaars, met dat voortdurend geven. Als iedereen maar op z’n zaken paste, dan zou er geen bedelvolk zijn ! Toen zij, den tweeden dag, door het groote Teufelsteinbosch kwam, waar geen rechte weg doorheen loopt, doch alleen maar slechte voetpaden zijn, viel de avond reeds. Het was doodstil, alleen zat in een van de oude hoornen, welke uitstaken boven het jongere hout, ’n raaf te krassen. Ernesta liep — hoe moe ze ook was — haastig voort en dacht bij zichzelf: Als er nou ’s ’n roover kwam ! — Daar stond ie al voor haar de watermeester Hetzel, die weer eens ’n langverwacht geluk tegemoet ging. Ze schrok niet weinig. „Daar ben ik!” zei hij gemoedelijk. „In welken zak zit ’t nou ?” „O, jou idioot!” riep zij, „bedoel je het geld, dan moet je zelf maar naar Graz gaan. Geen cent, hoor !” „Was ’t boekje valsch ?” „’t Was valsch, vervallen, — verjaard, omdat ik te lang gewacht heb.” „Nou heb je niks, Ernesta ! O, jee, daar moet ik toch om lachen !” Heimelijk voelde zij naar den knoedel in haar zak, of de hemel haar nu misschien niet werkelijk gestraft had! „Houd mij maar vast,” moedigde hij haar aan, en gaf haar zijn arm. „Houd je maar goed vast, dat je niet over de wortels struikelt. — Sjonge, dat is ook ’n stom geluk! Als Ik nou ’s met je getrouwd was! ’n Oudje en geen geld!garand Josef!” Eindelijk kwamen ze beneden, bij de herberg aan den Alpsteig, waar ze binnen gingen. Ze zou wel honger en dorst hebben na zoo lang geloopen te hebben, en als ’n mensch dan nog op geld rekent en niks krijgt ! Hij liet haar wijn geven en twee porties lamsvleesch bakken. Daarbij gichelde hij maar steeds onder z’n zwaren knevel. „Toch heb ik medelijden met je, oudje!” lachte hij luid, en legde zijn arm om haar hals. „Zeg Ernesta, ik moet je ’s wat zeggen. Als je nou h^t geld gehad hadt, daar boven in het bosch, dan had je mij dadelijk moeten beloven dat je met mij trouwen zou, en dan hadden we morgen naar den pastoor gegaan. Voor niks ga je haar niet tegemoet, heb ik tegen mezelf gezegd. „Malle vent, dat kunnen we nu toch ook wel doen,” opperde zij schalks. „Nee, oudje, zonder geld niet! Verbeeldt je, de kamers vol kinders — en geen kreuzer in huis !” Daar had hij ’n ribbenstoot te pakken. Maar de volle scherpte van haar elleboog had ze hem niet laten voelen. — ’t Is toch ’n doodgoeie kerel, dacht ze bij zichzelf. En ik heb hem wat voorgelogen, ik heb hem verdacht! Waar moet dat heen, als dat geld me, op den eersten dag reeds, al zoo door en door slecht maakt ? Anders breng ik in ’n heel jaar niet zooveel zonden bij elkaar, als ik nu al heb begaan op den terugtocht van Graz. Waar zal dat op uitloopen! — Op eens greep ze haar glas wijn en nam zoo’n lange teug, dat Hetzel haar arm tegenhield. „Waarom laat je me niet drinken?” vroeg ze vinnig. „Ben je er dan zoo zeker van, dat ik vandaag geen courage meer noodig heb? Hier, m’n goeie man !” Ze tastte in den rokzak, haalde den toegeknoopten zakdoek voor den dag en gooide hem op tafel. „Wat heb je daar nou voor ’n knoedel?” vroeg hij. „Kijk maar ’s, nieuwsgierige kerel!” Hij peuterde den doek los en vond verfrommeld papier. Ook dat peuterde hij uit elkaar, en snoof luid. Hij zei niets, geen enkel woord, snoof alleen maar. En peuterde en meesmuilde. „Hetzel, je bent beter, dan je er uit ziet,” zei zij, „wat van mij is, is ook van jou.” Hij wist niet, wat hij er van denken moest. De lach bestierf op z’n gelaat. „En moet — moet ik nou met je trouwen ?” „Blijf zitten, Hetzel, en eet je kalfsvleesch. Ik blijf bij m’n koeien en jij bij je water. Maar samendoen — als je ’t goed vindt.” „En — trouwen ?” „Och, jij ! Wat praat je toch altijd van trouwen ! Kan je dan geen moeder gebruiken?” „Laten we nou ’s net doen als de groote lui,” zei Hetzel, en hief z’n glas op, om met haar te klinken. „Kom, jij !” weerde zij af, „dan wordt ik nog dronken ! Ik heb al te veel gepraat.” En den volgenden dag deed zij inderdaad alsof er niets gebeurd was. Ze wou niks van Hetzel weten. En toen er menschen kwamen, om het millioen te zien, dat ze van Graz had meegebracht, sloeg het oudje de armen uit elkaar, en riep*. „Kst, kst!” zooals men de hoenders van oe broodmand jaagt. Van het millioen liet ze niemendal zien. De rokzak was weer toegenaaid. Den derden dag na haar terugkeer bleef de oude Ernesta in bed liggen. De dokter, die juist bij een van de buren was geweest en kwam kijken, schreef ’t toe aan de vermoeienis van de reis en gaf den raad, dat zij ’n paar dagen zou blijven liggen. Ze zou echter nooit meer opstaan. Den zesden dag stierf ze aan longontsteking — op haar een en tachtigste jaar. ’n Testament liet zij niet na, maar, bij het bedienen had ze, in tegenwoordigheid van verscheiden menschen, luid en duidelijk gezegd: „M’n gestreepte rok is voor den watermeester Hetzel!” Met gemengde gevoelens van blijdschap en droefheid maakte deze nu de naad van den zak los. Toen haalde hij gauw een geitenhoedstertje bij de kolenbranders vandaan. — Zij droeg zoo nu en dan den gestreepten rok, maar in den zak tasten deed hij, wanneer ie lust had.
PDF
Nummer
1913, nr.15, 8 okt. 1913
Blad
07
Tekst
ONS VADERLAND, DAT FEEST VIERT. ONAFHANKELIJKHEIDSFEESTEN TE HARMELEN. Een boerenwagen met dames in origineel Oud-Hollandsch Costuum. OPTOCHT VAN SCHOOLKINDEREN te den Helder. Een aardig Groningsch paartje uit de vorige eeuw. L DE ONAFHANKELIJKHEIDSFEESTEN TE ENKHUIZEN. Op deze foto kan men zien hoe mooi de versiering was, welke in dit typisch-oude stadje een zeer prettigen indruk maakte. LANDING VAN DEN PRINS, die per stoomschip Caland van ’s Rijks Waterstaat uit zee was gekomen te Hoek van Holland. ^en ?laagschen Oierentuin ter gelegenheid van het J CCdl 111Cl LH ICC 5-jarigbestaan van het Haagsch Gemengd ‘Koor „Onder ons’L 7=0/0 Cowee.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 231 tot 235 van 11897