|
o
Naar Biet DuitscBi van P. ROSEGGER, door- HAJEM.
FEESTVIERING STAATSPOOR. ij den Steckenboer in den Stock hadden
ze ’n oude meid. Die was wereldberoemd, d. w. z. haar roep ging door
het geheele woudland, aan den eenen
kant wel tot Mürz en aan den anderen
kant tot in het dal van Sranz. En nog
veel, veel verder. Het praatje liep, dat zelfs daar beneden, in Graz, de grootelui’s stad, de meid Ernesta Guggenhoferin ergens, in alle eer en deugd, stond opgeschreven.
Die merkwaardige meid had namelijk ’n toegenaaiden
rokzak. Door de week merkte je niets. Als er ’n arm mensohenkind in de buurt kwam, dat met open oogen naar
den blauwen of grauwen hemel stond te kijken, of er eindelijk niet eens iets om te eten naar beneden zou komen
vallen, dan tastte Ernesta in haar zak en haalde ’n broodkorst te voorschijn, of ’n paar gedroogde peren, of ook
wel ’n kreuzer, en vroeg bet menschenkind, of het zoo
goed zou willen zijn, om het aan te nemen; onder het werk
kon zij die bobbels in haar zak niet velen. Zondags echter,
als zij over den bergrug naar de witte kerk van de heilige
Katherina ging, had ze ’n korten, dikken zwilken rok aan.
Die rok had roode en witte strepen, welke van boven naar
beneden liepen, en twee diepe zakken, een aan den rechterkant en een aan den linkerkant, net zoo als de mannen
in den broek. Die aan den linkerkant bevatte velerlei
zaken, zooals ’n schaar, ’n bruine rozenkrans, en vaak
ook ’n broodje of ’n paar peren, juist voor zulke menschenkinderen, die naar den hemel kijken, of er niet iets eetbaars uit komt vallen. Als Ernesta echter, zonder er bij te
denken, in den rechterzak wilde tasten, dan — gleed de
hand, van buiten langs de rooie streep naar beneden en
kwam onverrichterzake terug; want de zak was toegenaaid.
Als ze, op het bergpad, over het bek klom, dan leek ’t
wel, of in dien zak ’n plat, hoekig voorwerp zat. ’n Gebedenboek kon ’t niet zijn, want lezen kon ze heelemaal niet,
en ’n dienstbodenboekje was ’t ook niet, want Ernesta
hield zich met dergelijke kunsten niet op. De kenteekenen :
braaf, vlijtig en trouw waren, zoolang als ze leefde, van
haar noch gezegd, noch geschreven — wat zal ’n. mensch
ook anders zijn ? Daar praat men eenvoudig nie. over.
Dertig jaar lang was Ernesta bij den Steckenboer in den
Stock als stalmeid in dienst geweest. Toen werd ze op
’n zekeren dag opgeroepen, om te Kindberg voor de heeren
te verschijnen. De vreeselijkste tijd, dien zij in haar leven
had doorgemaakt, uitgezonderd dan het jaar, toen er
zoo’n erge veeziekte had geheerscht, en alle koeien en
kalveren in haar stallen aangetast waren geweest. En
als ze nou ’s in de gevangenis werd gestopt! Ja, maar
waarom dan, wat had ze dan uitgevoerd ? Men ried haar
aan, niet te gaan, maar zij dacht, dan kon ’t wel eens
net zoo met mij gaan, als met die oude Zigeunerin, die
door den ,,Standarm” werd gehaald. Nee, dan zou ze, in
Godsnaam, maar liever vrijwillig gaan, en hoe dichter zij
het mooie marktplaatsje Kindberg naderde, hoe moediger
ze werd en hoe nieuwsgieriger om te vernemen, wat
men van haar wilde. Voordat het bureau openging, deed
zij zich voor alle zekerheid in ’n herberg nog eens flink
te goed aan ’n portie vleeschsoep en een karafje wijn.
Op het bureau waren meer menschen, maar aan niemand
was iets verdachts te zien. Eindelijk kwam er ’n groote
heer, met ’n witten baard, die eenige namen afriep, waar
onder ook dien van Ernesta Guggenhoferin.
„Is u dat ? Heet u zoo ? Bij den Steckenboer, niet waar?
In orde.” En toen kwam ’t: „U hebt dertig jaar lang,
onafgebroken, bij een en denzelfden boer gediend. U ontvangt hier ’n premie.” — Een heel dun, bruin boekje gaf
hij haar in de hand. „Goed wegstoppen, dat je ’t niet verliest ! Ja, nu kunt u wel weer heengaan.”
Buiten het stadje, bij den eersten den besten boom,
zette zij zich in de schaduw, om eens te kijken, wat er
nou toch wel in dat boekje zou zijn. De afbeelding van
’n Heilige of misschien wel van de Moeder Gods. Zou ’t
ook gewijd zijn? Dat had ze eigenlijk moeten vragen. —
Lieve Hemel, nu moest ze nog schrijven gaan leeren op haar
ouden dag! Want het boekje bevatte witte, gelinieerde
bladen, net als voor ’n schoolkind. Op het eene blad staat
iets geschreven. Dat zal ’n voorbeeld zijn, zoo iets zal ’t
wel wezen. Enfin, laten we het maar weer in den zak steken en naar huis gaan.
De lieden van den Steckenhof braken zich het hoofd,
maar ook in de gebroken hoofden was niets te vinden,
dat opheldering gaf omtrent het bruine boekje. Zou de
jongen van den boschboer ’t niet weten ? 1 — Natuurlijk,
die wist ’t ook niet. Die zag alleen maar, dat op het
eene blad ’n zegel stond, met cijfers er voor en er achter,
en daartusschen ’n paar namen, die geen mensch kon
lezen. Maar, kijk — heelemaal vooraan, ’t zat ’n beetje
dichtgeplakt — toch ook iets moois. Een engel en daarboven, met sierlijke letters geschreven : Stiermarkensche
Spaarbank. — „Aha!” zeiden de menschen, „Je moet
gaan sparen, Ernesta, dat bedoelen ze. Later moet je dan
belasting betalen, ’t Is om je geld te doen. Wees maar
wijzer 1”
Anders de Steckenboer, toen hij zelf het boekje in oogenschouw'nam.
„Ernesta,” zei hij, en haast plechtig kwam’t er uit. „’t
Doet me plezier, dat je ’t gekregen hebt, ’n Onderscheiding.
Verdiend heb je ’t. Honderd gulden heb je nou op de spaarbank staan, ’t Is ’n gift van het land en jouw eigendom.”
’t Was van dat oogenblik af, dat de meid ’n toegenaaiden
DE VERSIERING VAN HET WEESPERPOORTSTATION
TE AMSTERDAM.
DE VERSIERDE LOCOMOTIEF VAN EEN PERSONENTREIN
ZWOLLE-HENGELO.
EEREPOORT VOOR DE CENTRALE WERKPLAATS TE ZWOLLE.
rokzak had. Ze bleef daarna nog tien jaar bij den Steckenboer, toen nog tien jaar en eindelijk werd er niet meer
over blijven noch over gaan gesproken. De oude meid
stond thans in hoog aanzien. Niet omdat ze ’n goede
dienstbode was, maar omdat ze geld had. ’n Schotel vol
geld als je ’t bij elkaar zag. Honderd gulden, geen cent
minder.
Er zijn menschen, die in hun jeugd ’n leelijk gezicht
hebben en eerst dan prettig zijn om aan te zien, als de
opgeblazen rooie wangen ’n beetje geslonken en weeker
geworden zijn en fijne rimpeltjes krijgen. De beekleider
Hetzel vond, dat Ernesta steeds knapper werd. Hetzel
was ’n oud-soldaat en watermeester van de streek. Hij
had de opdracht, uit de beek, al naar ’t noodig was, de
molens te voeden en de weiden te bevloeien. Dat waterig
beroep maakte hem nu niet bepaald vet; doch hij vleide
zich met de hoop, dat hem eenmaal in zijn leven toch
nog wel ’s een groot geluk te beurt zou vallen. Intusschen
kwam hij tot de ontdekking, dat de meid Ernesta ’n goed
hart had.
„Heb ik I” lachte zij, en sloeg met de vlakke hand op
den toegenaaiden rokzak, dat ’t klonk. De vorm van dat
antwoord was niet bijster naar zijn zin, hij zei niks meer.
Voor kleine diensten was zij altijd te vinden, hetzij een
arme stumperd wachtte op het uit den hemel vallen van
eten, hetzij ’n andere dienstknecht nieuwe schoenriemen of
naald en garen, dan wel ’n pijp tabak erg noodig had.
Dat ging van het loon af, en de rokzak bleef toegenaaid.
Daar ze geen familie had, vroeg eens op ’n avond de Steckenboer haar, wat ze van plan was, met het spaarbankboekje
te doen ? Wat er mee gedaan moest worden, voor het
geval, dat zij ’s — nou, we mogen er toch wel ’s over praten,
voor het geval, namelijk, dat zij er niet meer zijn zou. —
De meid zat juist onder ’n koe en molk ’n wit, spattend straaltje in den emmer. „Maar wat denk je dan, baas,
ik ben er ommers I”
„Jawel, in zoover heb je gelijk, Ernesta. Ik wou alleenmaar
zeggen : wie zal op jouw geldje passen, ’t Is niet veilig,
er zijn weer zigeuners in den omtrek. Vaak denk ik, als
we allemaal op het land zijn : het huis staat alleen en de
kisten hebben geen sloten. Ook jouw kleerkist, waar de
mooie Zondagsche rok in ligt, heeft er geen. Op mijn kast
is er wel een, en als je soms bezorgd bent voor je boekje,
dan wil ik ’t graag voor je bewaren.”
„Kom, malligheid 1” antwoordde zij. „Wie zal dat boekje
nou wegnemen 1 ’t Is immers stevig ingenaaid I”
Toch begon zij, na dien tijd, den zwart-rood gestreepten
rok, die jaren lang haar Zondagsche kleed was geweest,
nu ook door de week te dragen. Want nog beter dan ’n
ijzeren slot is ’n levende wachter 1 dacht ze. en na onderzocht te hebben, of de naden van den zak, boven en onder,
nog goed vast zaten en nergens ’n gaatje was in de stof/
was ze heelemaal gerust en droeg haren schat bij zich,
’s Nachts legde zij den rok onder het hoofdkussen en deed
haar avondgebed, waarna ’n christenmensch onbezorgd
mag inslapen
Zoo kwam Ernesta, met haar toegenaaiden zak goed en
wel ’n aantal jaren door. En toen ze al aardig oud was
geworden, klaagde ze eens aan ’n pastoor op den Sonnberg,
die haar biechtvader was, haar nood over de zorg voor
het spaarbankboekje. De geestelijke werd daarover zoo
bedroefd, dat hij de handen vouwde in zijn schoot en het
hoofd naar den rechterschouder boog. „Zorg I” zei hij,
met zachte, bewogen stem, „dat zou niks zijn, Ernesta 1
Maar als jou dat geld bezwaart, werp het dan van je, opdat je ziel geen schade lij de. Dat wil zeggen, nou niet precies op straat werpen, zoo is ’t niet bedoeld. Er heerscht
zoo veel gebrek. Heb je ons zijaltaar wel ’s goed bekeken ?
Wat was nou meer noodig, dan dat de heiligen daarvan
eens op nieuw verguld werden I Je kunt, natuurlijk, met
je geld doen, wat je wilt, God beware me, dat ik trachten
zou, jou tot het een of ander over te halen. In hoever,
echter, zoo’n schenking aan de kerk of iets anders tot
tioost voor je ziel noodig is, dat zul je zelf het beste kunnen
beoordeelen. ’n Stuk of wat zielmissen voor je overleden
bloedverwanten — dat zou hun ook geen kwaad doen.
Nou, overleg ’t nog maar ’s bij jezelf en wel thuis. En
zorg, dat je niks verliest.”
Onderweg naar huis dacht ze al niet meer aan de woorden
van den pastoor, ook niet aan haar boekje, doch alleen
maar aan haar stalbewoners. Ze was toch ’n slecht mensch,
dat ze er zoo maar op uit kon gaan, terwijl thuis het arme
vee bij de leege kribben moest staan. Dan echter toog zij
des te vlijtiger aan het werk en verontschuldigde zich
met teedere woordjes bij he+ vee, dat ze het zoo lang had
laten wachten. Het werk in den stal kon zij nu niet meer
zoo goed volbrengen, als de boer het wel verlangde; maar
’n andere meid liet zij er niet aankomen; liever werkte
ze zelf dag en nacht.
„Je doet niet verstandig,” zei Hetzel weer eens tegen
haar, toen hij, in plaats van altijd da* .water, ook eens
melk willende hooren ruischen, haar een bezoek bracht.
Meteen keek hij dan graag eens uit naar het geluk, of het
dan eindelijk niet komen zou. „Je doet niet verstandig,
Ernesta,” zei hij tegen haar, „als ik zooveel geld had, als
jij, denk je, dat ik dan nog ’n vinger zou uitsteken 1 Om
den drommel niet 1 Dan ging ik in het hooi liggen, met de
wijnflesch en ’n pijp naast me — en liet violen maar zorgen I”
„Jou ouwe waterplas, dat kan je ook zonder geld wel
doen I” lachte het oudje, vroolijk, „’n hooiberg en ’n ouwe
wijnflesch, daar is nog wel ankommen an I”
|