|
3 PANORAMA
DE LAATSTE MODE.
Een keurig wandelcostuum van licht gekleurde eolienne of
stof. Blouse laag uitgesneden, geplooide rok met opgeregen
biezen, in de blouse kan een kanten (batisten) kraag gedragen
worden. (foto Pierre}.
..Die vrouw nam me mijn brieven af,” zei ik,
..maar als ze me die teruggeven wil, dan is ’t goed.
Laat haar dan maar gaan.”
Haastig reikte Mary me ’t pakje, en ik liet het
in mijn binnenzak glijden. De agent, blijkbaar verlangend
dat ’t incident nu gesloten zou worden,
legde barsch ’t zwijgen op aan Hannock, die paars
zag van woede, en die met uitpuilende oogen schreeuwde
dat ’t allemaal leugens waren, dat er geld in dat
pakje zat en dat ’t hem toekwam.
.Nu moet ’t eindelijk gedaan zijn !” vloekte de
agent, aan ’t eind van zijn geduld. Hij duwde Hannock,
die doldriftig protesteerde, naar ’t rijtuig terug.
..Vooruit, stap in en rij op. Allo, koetsier, rij je haast ?”
Maar nu greep Hannock Mary om het middel,
en alsof ze een kind was nam hij haar op en smakte
haar in ’t rijtuig dat al in beweging was gekomen.
Het bloed vloog me naar ’t hoofd en ais een tijger
sprong ik op den ellendeling af. Doch op dat oogenblik
sloeg de agent zijn beide handen in mijn kraag en
rukte me achterover.
..Ben je nu gek geworden !” brulde hij. „Je hebt nu
je brieven laat haar nu gaan met haar liefje !”
Ik worstelde met den man, maar hij had me in een
ijzeren greep, en intusschen raasde het rijtuig weg
en hoorde ik Marv’s vertwijfeld hulpgeroep.
..Aan die vertooning moet ’n eind komen !” beet
de verwoede agent me toe ; „’t is nu welletjes geweest.
En als je niet gauw’ maakt dat je wegkomt dan maak
ik proces-verbaal. Ik heb er genoeg van.”
Hij liet me los en ik bleef een oogenblik versuft
staan. Toen, onder ’t hoonend gelach der menigte,
holde ik ’t rijtuig achterna, dat echter al lang aan
den horizon verdwenen was.
Natuurlijk verrichtte ik gekkenwerk, en ik begreep
dit na ’n halve minuut ;
hijgend bleef ik staan, terwijl
mijn hart klopte of ’t
barsten zou.
Wat nu ?
Het rijtuig waarmee ik
Mary gevolgd had, was me
achterna gekomen, en de
koetsier zei laconiek: „wat
zou u ervan denken als we
eens afrekenden ?”
,.Nog niet, ’ ’ antwoordde
ik. „Rijd me naar het Bartholdihotel.”
En uitgeput liet ik me
m de kussens vallen.
Het was me of ik de
eerste dagen niet geregeld
zou kunnen denken. En ik
verweet mezelf dat ik het
met handiger had aangelegd.
Waarom had ik dien
Hannock niet eenvoudig doodgeschoten ? Iedereen
zou me er ten slotte dankbaar voor geweest zijn. En
de rechter zou begrepen hebben dat ik voor de eer, de
vrijheid, ja voor het leven van mijn vrouw zoo gehandeld
had. Maar — zoo is ’t nu eenmaaT: achteraf
vindt ’n mensch altijd de beste oplossing. Wanneer
ik nu mijn aanteekeningen overlees, dan vind ik
er de grootste dwaasheden, tegenstrijdigheden en
onwaarschijnlijkheden in, terwijl ik toch alles historisch
juist vertel. Dat komt omdat de werkelijkheid
zoo dwaas, tegenstrijdig en onwaarschijnlijk is. Alleen
in de romans, de letterkundige verwerkingen van de
werkelijkheid, klopt alles, sluit alles als een bus.
Die romans worden pasklaar gemaakt; ze moeten
aan zekere eischen van compositie en evenwicht
voldoen. De realiteit spot daarmee. Hannock, en
Morlay, en Saninovitch, en Mary, en ik, en de politie —
ze zouden onmogelijke figuren in een roman zijn.
De eerste de beste lezer zou het den schrijver verbeteren.
En de reden is, dat in den roman alles netjes
is voorbereid, uitgedacht en klaar gemaakt, terwijl
wij avonturiers, wezens van vleesch en bloed, spontaan
handelen en eerst achteraf zien hoe dom en verkeerd
en onlogisch we soms handelden.
Nu, beschouwingen genoeg. Toen ik ’n uur in de
hall van ’t hotel had gezeten, met ’n sigaar, ’n kop
koffie en den vasten wil om Hannock te overtroeven,
kwamen mijn zenuwen en mijn gedachten tot bedaren,
en mijn plan was gemaakt.
Ik riep ’n taxi aan en liet me naar ’t Criminal
Courts-gebouw in Centre Street rijden.
Natuurlijk was er ’n half uur gezanik met allerlei
uniformdragers noodig eer ik ze overtuigen kon dat
ik den districts-attornev moest spreken. Een ander
had ’t misschien al opgegeven, maar ik was vast
besloten liever voor ’s mans deur te verhongeren dan
mijn plan op te geven, en ik zette door met een onverbiddelijke
taaiheid.
Het kantoor waar ik binnenkwam was als een gezellige
salon gemeubeld ; er hingen zware fluweelen
gordijnen en er lag een dik, kostbaar tapijt. En er
stonden zooveel gemakkelijke leeren armstoelen,
dat de beste clubs van New York er jaloersch op
konden zijn. Ik had me zoo voorgesteld in een koud,
officieel vertrek te zullen komen, met ijzeren staven
voor de vensters, en de tegenstelling bracht me even
van mijn stuk.
Maar de attorney, oprijzend van achter zijn groot,
eikenhouten schrijfbureau, zag er uit als iemand die
niet van tijd verspillen hield, en op zijn vraag wat ik
wenschte, sloeg ik dus maar dadelijk spijkers met
koppen.
„U voert een campagne tegen Sheldon, den speeiholhouder
en telegraaf-aftapper, als ik ’t wel heb.”
De attorney leunde in z’n stoel achterover en keek
me door zijn lorgnet-glazen met zijn scherpe, grijze
oogen doordringend aan. Hij had een van die echtAmerikaansche,
slanke figuren die zelfs een man van
vijftig jong doen schijnen.
..Ik voer een campagne tegen iedereen die de wet
overtreedt,” zei hij. „Maar laat u ’t vragen liever aan
mij over. Hoeveel hebt u verloren ?”
Hij nam een lijst met namen in de hand en doopte
een pen in de inkt, als wilde hij aan de namen van
Sheldon’s slachtoffers ook den mijne toevoegen.
,,Ik heb niets verloren,” antwoordde ik. „Ik ben
geen speler.”
„De meeste menschen die hier over Sheldon
komen spreken, vertellen me hoeveel ze verloren
hebben. En het behoort tot mijn plichten een dwaas
en zijn geld zooveel mogelijk bij elkaar te houden.
Het doet me genoegen te hooren dat u niet tot zijn
slachtoffers behoort. Waarmee kan ik u van dienst
zijn ?”
MINISTERIEEL BEZOEK.
Gevolg gevende aan de uitnoodiging van den heer F. J, \V. Drion, Tweede-Kameriid voor Ridderkerk, om een bezoek
te brengen aan diens district, heeft minister Posthuma verleden week Vrijdag, in gezelschap van den heer Drion, een
reis gemaakt in de omgeving van Dordrecht tot ’t bezichtigen van belangrijke bedrijven. Op onze foto ziet men den
minister met gevolg tegenwoordig bij de zalmvisscherij. (K.p.ö.)
DE LAATSTE MODE.
Een batist of voile Zomerjapon met kanten entredeux en rand
uit een stuk, in taille door een dubbele, fluweelen ceintuur
afgescheiden. Kan over ’n donker onderkleed gedragen worden.
(foto Pierre}.
Hij bood me een sigaret aan, en er verliepen
eenige seconden met het opsteken ervan en het genieten
van de eerste trekken.
„Ik heb uw hulp noodig om een vrouw te bevrijden
uit Sheldon’s nieuwe speelzaal. Ze is een goede
vriendin van me, en ze wordt daar gevangen gehouden.”
„Door de politie ?”
„Neen. door Hannock. Kent u Hannock, vroeger
van (hicago ?”
De attorney glimlachte alsof hij vragen wilde :
wien zou ik niet kennen ? Maar ’t leek me of hij verrast
was te hooren dat Hannock zich in New York
bevond.
„Is ze een fatsoenlijke vrouw ?” vroeg hij.
„Ik interesseer me niet voor andere,” antwoordde
ik kort.
„Is ze een geregelde bezoekster van speelgelegenheden
?”
„Dat geloof ik niet.”
„Geen geregelde bezoekster ?”
„Neen.”
„Sommige vrouwen uit goeden stand hebben dien
hartstocht soms voor ’n tijdje, zooals u weet !”
„Ze mag vroeger misschien geregeld gespeeld hebben,
maar tegenwoordig toch niet.”
„Juist. En wat wilt u dat we doen ?”
Haar helpen om weg te komen voor haar iets
overkomt.”
„Wat overkomt ?”
Ik was niet van plan den man te vertellen dat ik met
de papieren in mijn zak zat waarvoor Hannock haar
in gijzeling zou houden, en ik zei dus :
„Nu, voor ’n vrouw is er altijd gevaar als ze haar
vrijheid kwijt is.”
,(roed. L’ wilt dus dat de
politie ... ” hij zag op de
klok —* „vóór twee uur vanmiddag
een inval bij Sheldon
doet, en uit zijn inrichting
een jonge dame verlost, die
daar vanmorgen heenreed,
naar ik me voorstel, en op
wier terugkomst u vergeefs
wachtte. En dat alles omdat
zekere banden, die u niet
nader wenscht aan te duiden,
u met die jonge dame verbinden.
Wel, wel; zoo, zoo.”
Hij leunde weer achterover,
zag glimlachend naar
de zoldering. Toen keek hij
me zwijgend aan, met een
schoudergebaar dat zeggen
wilde : vindt u ’t zelf niet
dwaas ?
(Wordt vervolgd).
67 (8a)
|