Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1486 tot 1490 van 11897
Nummer
1915, nr.28, 5 april. 1915
Blad
14
Tekst
PANORAMA dat er aan boter per jaar zoo’n ƒ 50 000 wordt besteed : aan melk in normale tijden niet minder. Wat er in zoo’n inrichting dan ook dagelijks gebakken wordt, is enorm. Er zijn acht dubbele uittrekovens; op vier ervan kun nen zoo ongeveer 1000 brooden in één uur worden afgebakken. Deze ovens, van zeer moderne constructie, worden niet in de werkGedeelte werkplaats met 8 van de 16 ovens. Oe&e ovens kunnen 24.000 brooden per etmaal bakken. plaats. dat is aan de voorzijde gestookt, doch aan de achterzijde, waar de stokersplaatsen zijn ; men bemerkt zoodoende in de werk* plaats zelf niets van het toch altijd stof en vuil gevend steenkoden-en-vuur bedrijf. Boven op de ovens, dus op een verdieping hooger, zijn reusachtige watertanks aangebraeht. zoodat er steeds groote voorraad van heet water aanwezig is. voor de douches. enz. Inden vloer voorde ovens zijn rails, en den ovenist ziet men gemakkelijk en licht een groote ijzeren plaat, den ovenvloer, die op poot-en en wielen rust. naar voren halen en over de rails naar buiten seliuiven ; het zijn als enorme trekladen, deze ovenvloeren ; in elk dezer ovens zijn e. twee van zulke uitschuifbare vloeren hoven elkaar. Het voordeel van zulke uittrekovens is groot. Men behoeft de brooden niet meer. als vroeger, naar binnen te steken op z. g. ,.schieters” : de ovenist haalt zijn lade uit, zet er de brooden bij honderden op, en duwt de gevulde lade weer naar binnen. We zagen ook een Weener oven, d. i. er een. waarin het Weener brood gebakken wordt, een baksel, dat zooals ge weet. uitmunt door zijn glanzende korst. Deze oven heeft een schuin oploo]x;nden vloer, welke dus hooger dan de mond van de oven ligt • hier door blijft de wasem binnen in de ruimte, en liet is doo> dien wasem dat deze broodsoort haar glans verkrijgt. Aardig om te zien was ook een beschuitsnijmachine. in snel tempo werpt een man de beschuithollen hierin, en in tweeën gesneden spuiten ze eruit, de bovenkorsten in de eene, de ondei korsten in een anderen bak. Men herinnert zich, dat de boven korsten der beschuiten vroeger bol, de onderkorsten plat waren, en ge herinnert u eveneens waarschijnlijk, dat elk menseb een razenden hekel aan die bolle bovenkorsten had Welnu, tegen woordig ziet men die bolle bovenkorsten niet meer : ze werden zóó door het hooge uitrijzen, en dat hooge rijzen werd aan die ongezeglijke beschuiten daarom belet door er kleine platte dek seltjes op te leggen : wie niet hooren wil. moet voelen, zult ge zeggen. In elk geval behoeven wij hij de heerlijke platte korsten die bolle dingen niet meer, gelijk voorheen, voor zoete koek op te eten, (hij wijze van spreken'. Men toonde ons ook een rijskast ; een kast. waarin men het kleine brood tot rijzen dwingt; op ijzeren armen stelt men étages van platen vol brood daarin op ; op den grond der kast staat een ijzeren bak vol water: dit wordt op stoom gebracht. En ik zou het brood wel eens willen zien. hoe balsturif ook. dat zijn onwilligheid daarvoor niet op zou geven en niet rijzen zou gelijk verlangd wordt. Een vertek waar mensehen krakelingen, gevulde koeken en anderszins stonden te maken van malseh boterdeeg. werd naa» ik vernam, de ..koude bakkerij’ genoemd, en dat wel vanwege de lagere temperatuur, die daar heerscht. Deze temperatuur is uoodig. daar he‘ gevoelige, fijne deeg bij meerder warmte smelten zou, althans te zacht worden om. gelijk we het nu zagen, door d* vaardige handen der werklieden tot allerlei vormen t? worden geprest. Na de koude bakkerij bezichtigden we het broodmagazijn, waarde gare brooden ter aflevering op hekken gereed liggen. Een hreede gang. van de straat komend, ligt lang? dit magazijn : in deze gang rijden de wagens binnen, en halen het te bezorgen brood aan de loketten af. Dan rijden zij verder de gang uit. en ombuigend. door een andere open gang naar de straat terug. Achterin deze gang is ook de melkkamcr. vroeger reeds genoemd ; gemak kelijk te bereiken wan de straat. Onder het broodmagazijn eindelijk vindt men een kelder voor het pakmateriaal. Ziezoo, nu had ik alles gezien. Welk een omvangrijk bedrijf. Ik had vóór mijn bezoek niet geloofd, zulk een op end’ op model zaak aan te treffen. Het is steeds prettig een goed-georganiseerde inrichting, een mooi bedrijf, een belangwekkende nijverheid te gaan zien, maar . . . ja, waar het zulk een nobele zaak als die van het. brood aangaat, van het brood, dien onmisbaren factor in de voeding der meescheid, ja, de grondslag daarvan, daar stemt ons de kranigheid van het bedrijf, de zorgelijkheid en keurigheid dub bel genoeglijk. En we herdachten het oude versie op dit nobele voedsel : Maar so lang als den mensehe leeft. Het voedsel hij van nooden heeft : En veel dingen men missen kan. Maar 't brood daar moet men leven van. Daeromme, lof en eere geeft Die alles voedt wat dat t er leeft. CfTTADlNO. 214 PANORAMA-BIBLIOTHEEK. tigc naani, noch de poolvos, noch haar mooie, glimlachende lippen maakten den minsten indruk op hem. Ethel had het vernederende gevoel, dat haar bezoek hem doodelijk verveelde. „Mijnheer Allan is in de tunnel, juffrouw Lloyd?” zei hij koel. Zijn blik en de brutaliteit waarmee hij loog, vertoornden Ethel en onmiddellijk legde zij haar beminnelijk masker af en werd bleek van boosheid. „U is een leugenaar!” antwoordde zij met een minachtend lachje. „Men heeft mij zoo juist gezegd, dat hij hier is.”* Strom verroerde zich niet. „Ik kan u niet dwingen, mij te gelooven, adieu!” antwoordde hij. Dat was alles. Zoo iets had Ethel Lloyd nog nooit ondervonden. Bevend en bleek van woede zei zij: „IJ zult nog aan mij denken, mijnheer ! Vóór vandaag heeft nog niemand het gewaagd mij zoo onbeschaamd te behandelen! Eens zal i k, Ethel Lloyd, u de deur wijzen! Ver. staat gij I” ..Dan zal ik minder woorden vuil maken dan u, juffrouw Lloyd,” antwoordde Strom koel. Ethel keek in zijn koude oogen en zijn onbewegelijk gezicht. Zij had lust, hem ronduit te zeggen dat hij geen gentleman was, maar zij beheerschte zich en zweeg. Zij wierp hem haar meest minacht tenden blik toe (en wat voor een blik, lieve hemel) en ging. En terwijl zij met tranen van woede in haar oogen de trappen afging, dacht zij bij zich zelf: ,Ook hij is gek geworden, die ijsklomp! De tunnel maakt hen allen gek, Hobby, Allan, — zij behoeven er slechts een paar jaar bij te zijn.’ Ethel weende nog van boosheid en teleurstelling toen zij in haar auto naar New-York terugreed. Zij had zich voorgenomen, dezen Strom, achter wien Allan zich verschool, door innemende manieren en lieve woorden voor zich te winnen, maar zijn onbeschaamd koude blik, had onmiddellijk al haar overleg weggevaagd. Zij weende van woede over haar slechte tactiek. „Nu. dit kereltje zal aan Ethel Lloyd denken!” zei zij wraakzuchtig en lachte toornig! „Ik zal de heele tunnel koopen, alleen om dezen knaap er uit te kunnen smijten. Just wait a little!” Aan tafel zat zij dien avond bleek en zwijgend tegenover haar vader. „Geef mijnheer Lloyd de sauskom aan!” beval zij den bediende kortaf. „Zie je dan niets?” En de bediende, die Ethel’s luimen zeer goed kende, volgde haar bevel op en waagde het niet een spier te vertrekken. De oude Lloyd blikte schuw in de koude, gebiedende oogen van zijn mooie dochter. Ethel liet zich door geen hindernissen afschrikken. Zij had haar hart op Allan gezet, zij had zich voorgenomen hem te spreken en zwoer dit te zullen doen, kostte wat het wilde. Voor geen geld DE TUNNEL. 215 ter wereld zou zij zich echter nog eens tot Strom hebben willen wenden. Zij verafschuwde hem! En zij was overtuigd, ook zonder dezen Strom, die* geen gentleman was, haar doel te bereiken. De volgende avonden was de oude Lloyd, hoe onaangenaam hij het ook vond, verplicht alleen te eten, Ethel liet zich verontschuldigen. Zij ging iederen middag om vier uur naar Mac City en kwam om half elf met den avondtrein terug. Van zes tot negen uur echter wachtte zij in een huurauto, dien zij van New-York naar Mac City had laten komen, op tien pas afstand van den hoofdingang van het bureaugebouw. In haar pels gehuld zat zij rillend van koude in den auto, opgewonden door het avontuurlijke en toch vernederd door de rol, die zij speelde en gluurde door de bevroren ruiten, waarin zij van tijd tot tijd met haar warmen adem kijkgaten moest blazen. Ondanks een paar booglampen, die fel-lichte gaten boorden in de duisternis, was het buiten stikdonker en zag men slechts den matten weerschijn van het dichte net van rails. Telkens als er iets bewoog of iemand naderde, verscherpte Ethel haar blik en klopte haar hart sneller. Den derden avond zag zij Allan voor het eerst. Hij liep met een heer dwars over de sporen en zij herkende hem onmiddellijk aan zijn gang. Maar de heer, die hem begeleidde, was Strom. Ethel verwenschte hem! De twee gingen vlak langs den auto en Strom wendde zijn blik naar het glinsterende, bevroren raampje. Ethel verbeeldde zich, dat hij geraden had, wie in den wagen zat en vreesde reeds, dat hij Allan op den auto opmerkzaam zou maken. Maar Strom liep door, zonder een woord tot Allan te zeggen. Een paar dagen later kwam Allan al om zeven uur uit de tunnel terug. Hij sprong van een langzaam rijdenden trein en stapte zonder haast over de rails. Steeds dichterbij kwam hij, stil en nadenkend vervolgde hij zijn weg. Juist toen hij een voet op de stoep naar den ingang zette, deed Ethel het portier van den auto open en riep zijn naam. Allan bleef een oogenblik staan en keek om, maakte daarna aanstalten, de stoep verder op te gaan. „Allan!” riep Ethel nog eens en kwam snel naderbij. Allan wendde zich tot haar en keek met een onderzoekenden blik onder haar voile. Hij droeg een wijde, bruine jas, een doek om den hals en hooge laarzen, die dik onder het vuil zaten. Zijn gezicht was mager en hard. Een poosje keken zij elkaar zwijgend aan. „Ethel Lloyd?” vroeg Allan langzaam met een diepe, onverschillige stem. Ethel werd verlegen. Zij had slechts een vage herinnering aan Allan’s stem bewaard, maar nu herkende zij die weer. Zij aarzelde om haar voile op te slaan, daar zij voelde, dat zij bloosde.
PDF
Nummer
1915, nr.28, 5 april. 1915
Blad
15
Tekst
219 PANORAMA # ' ' ' .... ...-.... .............—...-.. .... -...—.. ............ ... ....-......... - "job Steynen Een interview, (Een onware gebeurtenis) || no .......................................... ....—....................- - ==............. ........ ............— ....................... . —Qo lijkt zoo op het oog een novelle, een feuilleton, een „schetsie”, maar het is een tragedie. Een ware tragedie. En niet zuinig ook. Plaats der handeling: het aardsche paradijs. Tijd : onze verlichte ‘eeuw. Dramatis Personae : X, een schrijver. Y. ook al een schrijver. Z, de weenende muze, (figurant). In het eerste bedrijf zien wij X, ten einde raad, op zijn werkkamer al ijsberend vertoeven. Hij is nijpend verlegen om stof voor zijn wekelijksche bijdrage in ,,De Volksbaken”. en perst zich schier onafgebroken de reeds ingrijpend uitgewrongen schrijvershersens uit. Wat nü ? Wat nü weer ? Zoo kreunt zijn amechtige geest. De „Boekentafel” ? Neen, ouwe koffie. Wat dan ? Tooneelrecensies ? Hij bedankte wel allerhartelijkst; al den naren onzin, die gespeeld werd, te gaan aanhooren, terwijl goede stukken (o. a, een van hèm) niet tot opvoering kwamen. Dan critiek op beeldende kunsten ? Neè, hij zou d’r geen gebruik van maken ; tentoonstellingen, waar wat van te zeggen viel, werden door vele anderen verslagen, en van de minder opvallende was niets te schrijven: moest hij, X, schrijven over dingen, waarover niets te schrijven was ? En al schreef hij er over, niemand las het. Het werd dus niet door het blad gewenscht. — Een reeks novellen had hem een wijle als een verwerkelijkbaar plan toegelonkt, maar gedurende twee etmalen achtereen had hij peinzend en vastend voor zijn schrijftafel gezeten zonder dat ook maar een kriezeltje van een niet al te afgezaagden opzet zich verwaardigd had in zijn brein zijn intrek te nemen. En daar één novelle dan toch de eerste moest wezen, was die geheele reeks voor onbepaalden tijd van de baan zijner illusiën geschoven. Maar wat dan om ’s hemels wil ? Stof. Stof. Slechts zijn afschuw van het litterair plagiaat, of wat maar eenigszins daarnaar rook, belette hem met Shakespeare te roepen : „Mijn koninkrijk voor wat stof.” De argelooze lezer zou, indien hij den wanhopigen X in dit tragisch uur bezocht had, verbaasd hebben gestaan over ’s mans verlangen naar stof. terwijl er van dit artikel waarlijk in het gemeubeld vertrek (met alkoof, zonder pension, vuur noch licht) heel wat voorradig was; men kon op schoorsteen, tafel en kast met den vinger zijn naam (of, in dien gewenscht. ook iets anders) schrijven, doch de litterair ontwikkelde heeft reeds lang begrepen, dat een geheel andere stof hier bedoeld, werd, n.1. stof om tot novellen te versnijden. Eindelijk, nadat hij zich aanmerkelijk verzwakt had met denken, en hij zich, des gepiekers zat, reeds naar de wanhoop en haar onverschilligheden had gekeerd, flitste gelijk een acetyleenlantaarn door zijn duister brein de inval : een reeks interviews te gaan schrijven .... Ziezoo, interviews dus. Interviews met „artisten.” Dat ging als gesmeerd ; je zou het zien. Wien kon hij het eerst „bij den kop” nemen? (In zijn eenzaamheid bediende hij zich werkelijk van deze al heel oneerbiedige uitdrukking). En als zijn e -ste slachtoffer koos hij Y, een romancier van degelijke vermaardheid.. Hij schreef den goeden man een briefje met verzoek om een onderhoud, zoo en zoo en dit en dat, en de heer Y stond het onderhoud toe, en bereidde dusdoend het tweede en onherroepelijk, laatste bedrijf van deze tragedie voor. Wanneer ten tweeden male het scherm rijst, ziet men Y op zijn nikkelen horloge kijken, en daarna plotseling uit kasten en hoeken stapels couranten en papieren te voorschijn halen om ze in de meest suggestieve wanorde over zijn schrijftafel te verspreiden de overblijvende worden hier en daar over den grond geworpen, en op kasten en stoelen met kwistige hand neergestrooid, zoodat het vertrek den aanblik oplevert van een lompenmagazijn, door een zuidwester-cycloon geteisterd. Daarna loopt de romancier tot voor een stuk spiegelglas aan den wand en harkt met zijn vingers zich de haren tot een opvallende schilderachtigheid ; hij plooit zich een das, zoo bloedig rood, dat een stier bij den aanblik van razernij zou zijn overleden, om den niet overdikken hals, en spant zich mateloos in om er opzienbarend uit te zien. Wanneer er een paar minuten later op de deur geklopt wordt, veinst hij niet te hooren, en de bezoeker, auteur X, verrast hem plat op den grond zittend temidden van wallen van papieren en nieuwsbladen, den geest duizelingwekkend diep gedoken in loodzware mijmeringen. -z- Dag, mijnheer, vangt X. aan, als hij wat van zijn verbazing bekomen is, — dag, mijnheer. — Bent u het, of bent u het niet ? — Hoe bedoelt u dat? vraagt Y, terwijl hij zich het hoofd wrijft, als poogt hij vruchteloos het begrip des aardschen levens en deszelfs banaliteiten door masseeren daar ter plaatse op te wekken. Het lukt blijkbaar, want hij zegt : Dank u. het is me aangenaam. Mijn naam is X, mijnheer. Mijn naam is Y. mijnheer. Handdrukken. Grijnzen. Plaatsnemen. Mag ik zoo vrij zijn ? Doe of u thuisbent. Dank u. X spreekt een inleidend woord. Doel van zijn komst. Bewondering voor Y’s „Verzamelde werken.” Reeds langen £>e eerste lenteboden. óen krobusveld in het Vondelpark te Gmsterdam. (foto S. Winter). tijd vurig dit plan gekoesterd, enzoovoorts. Dank u zeer. — En nu ter zake, mijnheer, dringt X aan. Hij ontbloot een vragenlijst door een lijn in tweeën gedeeld, en legt die voor zich op tafel. Y, die de lijst voor een inschrijvingsbiljet der belastingen aanziet, verschrikt mateloos in de meening dat de fiscus hem, zooals hij het onparlementair uitdrukt, een loer gedraaid heeft. Doch een tweede blik op het papier overtuigt hem van de vreedzamer bedoeling dezes formuliers. Hij beantwoordt de vragen des interviewers met de vereischte kalmte, en X schrijft de antwoorden in de open rubriek-ruimten. Leeftijd. Geboortedag. £>e ploeger. 2)e ploeger scheurt het land met wreede voren, Opdat het zaad ontkieme en de vrucht gedijt; Z>ijn oogst is schooner als hij dieper wonden rijt 74ieuw leven wordt niet zonder smart geboren. Bedrijf van zijn vader. Zijn grootvader. Liefhebberijen zijner moeder. Niemand failliet geweest. Geen dronkaards in de familie. Vallende ziekte onbekend. Waanzin ? Nooit last van gehad, — tot nog toe. Evenmin gehuwd. Dus geen kinderen. Houdt van kanarievogels, bloemen, wandelingen in bosschen, zoo die verkrijgbaar zijn, verder lezen, denken, muziek en jonge groenten. De bioscoop haat hij met een woesten haat, de gramophoon doet hem vomeeren. — En welke speciale liefhebberijen hebt u nog ? Y glimlacht zacht. — Hoe meent u ? vraagt X. Wat ? . . . . _ . . . . . . ? — Toch niet . . niet onzedelijk? aarzelt X. Y barst in een schaterlach uit. Zijn artistieke waardigheid is nu ver te zoeken. X lacht even hard mede. Ook hij is wég, wat je noemt. Ze lachen schel als twee hanen, die samen een wedstrijd kraaien. Eindelijk luwt het. — Neen. neen, stottert dan X met tranen van de leute in de oogen, — neen, neen. Laat ons ernstig blijven .... Wie zijn uwe lievelingsschrijvers ? — Dat weet ik niet .... ïk denk : ikzelf. Trouwens vul u dat zelf maar in. Dat raakt mijn kouwe kleeren niet, mijnheer. Goethe, een groot man. Zola, ook niet klein. Dante, groot, machtig talent. Shakespeare moet je ook niet weggooien. En Van Maurik moet je net zoo min uitvlakken. X schrijft, kan het niet bijhouden, smeekt om clementie : langzamer, alsjeblieft, een tikkie langzamer. — Waarom ? U bent toch schrijver .... Beiden lachen, luider dan daareven ; ze gebaren, vrijmoediger. Van hun zetels, gerezen, dienen ze elkaar reeds vrindelijke peuten van verstandhouding in de maagstreek toe. Ze lijken zoo kinderen, die aftellen om uit te maken wie „hem wezen zal.” Nu, zij zijn hem allebei, zij verstaan elkaar, want als X de woorden ginnegapt: „Ik stoof een kool. Gij stooft een kool,” valt plezantig Y in met: „wij stoven kolen.” Zij weten elkaar nochtans weer een wijle tot ernst te nopen, en X teekent naarstig Y’s meeningen op over het leven, over de politiek, over de opvoeding, over den oorlog, over de hondsdolheid, over de koudwatergeneeswijze en over de vervalsching van voedingsmiddelen, om van kunst, wetenschap en wijsbegeerte nog niet eens te spreken. Zoo zijn de twee heeren meer dan een uur doende. X voelt Y op elk terrein aan den tand, en teekent de resultaten op zijn lijst aan. Vermoedelijk indachtig de zegswijze, dat een gek meer vragen kan dan honderd verstandige menschen beantwoorden kunnen, is X onuitputtelijk in vindingen, doch Y zegt ten slotte, dat de bezoeker voor de rest zelf maar in moet vullen, want hij, Y, is, zooals hij het noemt, tot aan zijn keel toe er vol van, en ... . hij vindt het nu „meer dan mooi geweest.” Tevreden dat de pleizierige samenzwering zoo goed als afgeloopen is, keurt X verder alles goed, hij vouwt zijn lijst lachend toe, en staat op, om zich voor het afscheid te gaan voorbereiden. Doch wie schetst zijn verbazing, als Y, wien hij op zijn onbescheiden vraag hoeveel zijn blad voor zoo’n interview betaalt, dat bedrag genoemd heeft, op dit geld zelf aanspraak maakt. Een wijle vreest X nu waarlijk voor Y’s geestvermogens, hij peinst reeds over koude hoofdcompres* sen, of een dwangcamizool, wanneer de schijnbare zenuwpatiënt zich kristalhelder van hoofd toont met de bewering, dat hij dat allemaal zelf even goed, ja, eigenlijk beter op had kunnen schrijven, en het honorarium dus aan hèm van rechtswege toekomt. Deze uiting schenkt het aanzijn aan een hevigen twist, waarbij, godlof, ter elfder ure toch net nog geen droppel van het kostelijke wederzijdsche bloed vergoten wordt en welke tot een schikking voert als volgt : Y legt ook een vragenlijst aan, en interviewt aan de hand daarvan op zijr beurt X. Beiden werken zelf hun interviewsel uit. X plaatst dat van Y in „De Volksbaken”. Y dat van X in zijn blad, „De Menschheid”, en daar beide bladen een gelijk honorarium betalen, behoeven depleizierige samenzweerders niets met elkaar af te rekenen. Zoo geschiedde het, dat deze (foto ‘Tepe) twee fcunstbroeders zich aan elkaar optakelden naar de vermaardheid en den roem, en, als het een beetje wil, naar de onsterfelijkheid.
PDF
Nummer
1915, nr.28, 5 april. 1915
Blad
16
Tekst
220 PANOR AM A-PAASCh „Oit is mijn gebod, dat gy elkander liefhebt q HET AVONt NAAR DAGNAN-Bol
PDF
Nummer
1915, nr.28, 5 april. 1915
Blad
17
Tekst
AMA-PAASCHNUMMER 221 elkander liefhebt gelijkerwijs ik u liefgehad heb”. net bestemming van Goupil s> cte„ den Waag AVONDMAAL r Dagnan-Bouveret
PDF
Nummer
1915, nr.28, 5 april. 1915
Blad
18
Tekst
PANORAMA 222 Interessante Oorlogsfoto's van beide Fronten j HET ENGELSCHE IJZEREN KRUIS. Ook in Engeland is er nu een Ijzeren Kruis ingesteld, waarmede de dappere strijders die uitblinken, begiftigd zullen worden. EEN ENGELSCH CONVOOI. Bovenstaande foto van een convooi van 5 mijlen lengte, die vanaf een hoogte genomen is, geeft een klein denkbeeld, van wat er voor een legerafdeeling aan het front noodig is. ALGERIJNEN IN DE LOOPGRAVEN. Ook de Algerijnsche soldaten hebben den winter in de loopgraven doorgebracht en ondanks het gure klimaat zijn er betrekkelijk weinig ziektegevallen. PRINS JOACHIM VAN PRUISEN AAN HET OOSTELIJKE FRONT. Prins Joachim van Pruisen, zoon v. d. Duitschen keizer (links op de foto in de slede) met overste Beese (rechts), comm. van de vesting Boyen, in een motorslede op het Lörventinmeer (Masuren). DE NIEUWE SNEEUW-UNIFORMEN. verkenners worden geheel in het wit gekleed, om op de onmetelijke sneeuwvelden zooveel mogelijk onzichtbaar te zijn. IN DE LOOPGRAVEN. Een onzer foto-correspondenten in Noord-Frankrijk brengt een bezoek aan de loopgraven en presenteert cigaretten, die natuurlijk • dankbaar aanvaard worden. EEN NIEUWE INDUSTRIE. Vele handen vinden op het oogenblik in de oorlogvoerende Duitsche landen werk met ‘t vervaardigen van hulzen voor granaten.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1486 tot 1490 van 11897