|
219 PANORAMA
# ' ' ' .... ...-.... .............—...-.. .... -...—.. ............ ... ....-......... - "job Steynen Een interview, (Een onware gebeurtenis) ||
no .......................................... ....—....................- - ==............. ........ ............— ....................... . —Qo
lijkt zoo op het oog een novelle, een feuilleton,
een „schetsie”, maar het is een tragedie.
Een ware tragedie. En niet zuinig ook.
Plaats der handeling: het aardsche paradijs.
Tijd : onze verlichte ‘eeuw. Dramatis Personae
: X, een schrijver. Y. ook al een
schrijver. Z, de weenende muze, (figurant).
In het eerste bedrijf zien wij X, ten einde raad, op zijn
werkkamer al ijsberend vertoeven. Hij is nijpend verlegen
om stof voor zijn wekelijksche bijdrage in ,,De Volksbaken”.
en perst zich schier onafgebroken de reeds ingrijpend uitgewrongen
schrijvershersens uit. Wat nü ? Wat nü weer ?
Zoo kreunt zijn amechtige geest. De „Boekentafel” ? Neen,
ouwe koffie. Wat dan ? Tooneelrecensies ? Hij bedankte
wel allerhartelijkst; al den naren onzin, die gespeeld werd,
te gaan aanhooren, terwijl goede stukken (o. a, een van
hèm) niet tot opvoering kwamen. Dan critiek op beeldende
kunsten ? Neè, hij zou d’r geen gebruik van maken ; tentoonstellingen,
waar wat van te zeggen viel, werden door
vele anderen verslagen, en van de minder opvallende was
niets te schrijven: moest hij, X, schrijven over dingen,
waarover niets te schrijven was ? En al schreef hij er over,
niemand las het. Het werd dus niet door het blad gewenscht.
— Een reeks novellen had hem een wijle als een verwerkelijkbaar
plan toegelonkt, maar gedurende twee etmalen
achtereen had hij peinzend en vastend voor zijn schrijftafel
gezeten zonder dat ook maar een kriezeltje van een niet
al te afgezaagden opzet zich verwaardigd had in zijn brein
zijn intrek te nemen. En daar één novelle dan toch de
eerste moest wezen, was die geheele reeks voor onbepaalden
tijd van de baan zijner illusiën geschoven. Maar wat dan
om ’s hemels wil ? Stof. Stof.
Slechts zijn afschuw van het litterair plagiaat, of wat
maar eenigszins daarnaar rook, belette hem met Shakespeare
te roepen : „Mijn koninkrijk voor wat stof.” De
argelooze lezer zou, indien hij den wanhopigen X in dit
tragisch uur bezocht had, verbaasd hebben gestaan over
’s mans verlangen naar stof. terwijl er van dit artikel
waarlijk in het gemeubeld vertrek (met alkoof, zonder
pension, vuur noch licht) heel wat voorradig was; men
kon op schoorsteen, tafel en kast met den vinger zijn naam
(of, in dien gewenscht. ook iets anders) schrijven, doch de
litterair ontwikkelde heeft reeds lang begrepen, dat een
geheel andere stof hier bedoeld, werd, n.1. stof om tot novellen
te versnijden. Eindelijk, nadat hij zich aanmerkelijk
verzwakt had met denken, en hij zich, des gepiekers zat,
reeds naar de wanhoop en haar onverschilligheden had
gekeerd, flitste gelijk een acetyleenlantaarn door zijn
duister brein de inval : een reeks interviews te gaan
schrijven ....
Ziezoo, interviews dus. Interviews met „artisten.” Dat
ging als gesmeerd ; je zou het zien. Wien kon hij het eerst
„bij den kop” nemen? (In zijn eenzaamheid bediende hij
zich werkelijk van deze al heel oneerbiedige uitdrukking).
En als zijn e -ste slachtoffer koos hij Y, een romancier
van degelijke vermaardheid.. Hij schreef den goeden man
een briefje met verzoek om een onderhoud, zoo en zoo
en dit en dat, en de heer Y stond het onderhoud toe, en
bereidde dusdoend het tweede en onherroepelijk, laatste
bedrijf van deze tragedie voor.
Wanneer ten tweeden male het
scherm rijst, ziet men Y op zijn
nikkelen horloge kijken, en daarna
plotseling uit kasten en hoeken
stapels couranten en papieren te
voorschijn halen om ze in de meest
suggestieve wanorde over zijn
schrijftafel te verspreiden de
overblijvende worden hier en daar
over den grond geworpen, en op
kasten en stoelen met kwistige
hand neergestrooid, zoodat het vertrek
den aanblik oplevert van een
lompenmagazijn, door een zuidwester-cycloon
geteisterd. Daarna
loopt de romancier tot voor een
stuk spiegelglas aan den wand en
harkt met zijn vingers zich de
haren tot een opvallende schilderachtigheid
; hij plooit zich een
das, zoo bloedig rood, dat een
stier bij den aanblik van razernij
zou zijn overleden, om den niet
overdikken hals, en spant zich
mateloos in om er opzienbarend
uit te zien. Wanneer er een paar
minuten later op de deur geklopt
wordt, veinst hij niet te hooren,
en de bezoeker, auteur X, verrast
hem plat op den grond zittend
temidden van wallen van papieren
en nieuwsbladen, den geest duizelingwekkend
diep gedoken in loodzware
mijmeringen.
-z- Dag, mijnheer, vangt X. aan,
als hij wat van zijn verbazing bekomen
is, — dag, mijnheer. —
Bent u het, of bent u het niet ?
— Hoe bedoelt u dat? vraagt
Y, terwijl hij zich het hoofd wrijft,
als poogt hij vruchteloos het begrip des aardschen levens
en deszelfs banaliteiten door masseeren daar ter plaatse
op te wekken. Het lukt blijkbaar, want hij zegt : Dank
u. het is me aangenaam.
Mijn naam is X, mijnheer.
Mijn naam is Y. mijnheer.
Handdrukken. Grijnzen. Plaatsnemen. Mag ik zoo vrij
zijn ? Doe of u thuisbent. Dank u.
X spreekt een inleidend woord. Doel van zijn komst.
Bewondering voor Y’s „Verzamelde werken.” Reeds langen
£>e eerste lenteboden.
óen krobusveld in het Vondelpark te Gmsterdam.
(foto S. Winter).
tijd vurig dit plan gekoesterd, enzoovoorts. Dank u zeer.
— En nu ter zake, mijnheer, dringt X aan. Hij ontbloot
een vragenlijst door een lijn in tweeën gedeeld, en legt
die voor zich op tafel. Y, die de lijst voor een inschrijvingsbiljet
der belastingen aanziet, verschrikt mateloos in de
meening dat de fiscus hem, zooals hij het onparlementair
uitdrukt, een loer gedraaid heeft. Doch een tweede blik
op het papier overtuigt hem van de vreedzamer bedoeling
dezes formuliers. Hij beantwoordt de vragen des interviewers
met de vereischte kalmte, en X schrijft de antwoorden
in de open rubriek-ruimten. Leeftijd. Geboortedag.
£>e ploeger.
2)e ploeger scheurt het land met wreede voren,
Opdat het zaad ontkieme en de vrucht gedijt;
Z>ijn oogst is schooner als hij dieper wonden rijt
74ieuw leven wordt niet zonder smart geboren.
Bedrijf van zijn vader. Zijn grootvader. Liefhebberijen
zijner moeder. Niemand failliet geweest. Geen dronkaards
in de familie. Vallende ziekte onbekend. Waanzin ? Nooit
last van gehad, — tot nog toe. Evenmin gehuwd. Dus
geen kinderen. Houdt van kanarievogels, bloemen, wandelingen
in bosschen, zoo die verkrijgbaar zijn, verder lezen,
denken, muziek en jonge groenten. De bioscoop haat hij
met een woesten haat, de gramophoon doet hem vomeeren.
— En welke speciale liefhebberijen hebt u nog ?
Y glimlacht zacht.
— Hoe meent u ? vraagt X.
Wat ? . . . .
_
. . . . . . ?
— Toch niet . . niet onzedelijk? aarzelt X.
Y barst in een schaterlach uit. Zijn artistieke waardigheid
is nu ver te zoeken. X lacht even hard mede. Ook hij is
wég, wat je noemt. Ze lachen schel als twee hanen, die
samen een wedstrijd kraaien. Eindelijk luwt het.
— Neen. neen, stottert dan X met tranen van de leute
in de oogen, — neen, neen. Laat ons ernstig blijven ....
Wie zijn uwe lievelingsschrijvers ?
— Dat weet ik niet .... ïk denk : ikzelf.
Trouwens vul u dat zelf maar in. Dat raakt mijn kouwe
kleeren niet, mijnheer. Goethe, een groot man. Zola, ook
niet klein. Dante, groot, machtig talent. Shakespeare moet
je ook niet weggooien. En Van Maurik moet je net zoo
min uitvlakken.
X schrijft, kan het niet bijhouden, smeekt om clementie :
langzamer, alsjeblieft, een tikkie langzamer.
— Waarom ? U bent toch schrijver ....
Beiden lachen, luider dan daareven ; ze gebaren, vrijmoediger.
Van hun zetels, gerezen, dienen ze elkaar reeds vrindelijke
peuten van verstandhouding in de maagstreek toe.
Ze lijken zoo kinderen, die aftellen om uit te maken wie
„hem wezen zal.” Nu, zij zijn hem allebei, zij verstaan
elkaar, want als X de woorden ginnegapt: „Ik stoof een
kool. Gij stooft een kool,” valt plezantig Y in met: „wij
stoven kolen.”
Zij weten elkaar nochtans weer een wijle tot ernst te
nopen, en X teekent naarstig Y’s meeningen op over het
leven, over de politiek, over de opvoeding, over den oorlog,
over de hondsdolheid, over de koudwatergeneeswijze en
over de vervalsching van voedingsmiddelen, om van kunst,
wetenschap en wijsbegeerte nog niet eens te spreken.
Zoo zijn de twee heeren meer dan een uur doende. X
voelt Y op elk terrein aan den tand, en teekent de resultaten
op zijn lijst aan. Vermoedelijk indachtig de zegswijze,
dat een gek meer vragen kan dan honderd verstandige
menschen beantwoorden kunnen, is X onuitputtelijk in
vindingen, doch Y zegt ten slotte, dat de bezoeker voor
de rest zelf maar in moet vullen, want hij, Y, is, zooals
hij het noemt, tot aan zijn keel toe er vol van, en ... .
hij vindt het nu „meer dan mooi geweest.”
Tevreden dat de pleizierige samenzwering zoo goed als
afgeloopen is, keurt X verder alles goed, hij vouwt zijn
lijst lachend toe, en staat op, om zich voor het afscheid
te gaan voorbereiden. Doch wie schetst zijn verbazing, als
Y, wien hij op zijn onbescheiden vraag hoeveel zijn blad
voor zoo’n interview betaalt, dat
bedrag genoemd heeft, op dit geld
zelf aanspraak maakt.
Een wijle vreest X nu waarlijk
voor Y’s geestvermogens, hij peinst
reeds over koude hoofdcompres*
sen, of een dwangcamizool, wanneer
de schijnbare zenuwpatiënt
zich kristalhelder van hoofd toont
met de bewering, dat hij dat allemaal
zelf even goed, ja, eigenlijk
beter op had kunnen schrijven,
en het honorarium dus aan hèm
van rechtswege toekomt.
Deze uiting schenkt het aanzijn
aan een hevigen twist, waarbij,
godlof, ter elfder ure toch net
nog geen droppel van het kostelijke
wederzijdsche bloed vergoten
wordt en welke tot een schikking
voert als volgt :
Y legt ook een vragenlijst aan,
en interviewt aan de hand daarvan
op zijr beurt X.
Beiden werken zelf hun interviewsel
uit.
X plaatst dat van Y in „De
Volksbaken”. Y dat van X in
zijn blad, „De Menschheid”, en
daar beide bladen een gelijk honorarium
betalen, behoeven depleizierige
samenzweerders niets met
elkaar af te rekenen.
Zoo geschiedde het, dat deze
(foto ‘Tepe) twee fcunstbroeders zich aan elkaar
optakelden naar de vermaardheid
en den roem, en, als het een beetje
wil, naar de onsterfelijkheid.
|