Panorama

Blad 
 van 2380
Records 1341 tot 1345 van 11897
Nummer
1915, nr.10, 3 feb. 1915
Blad
13
Tekst
77 PANORAMA PRINS AUGUST WILHELM WEDER HERSTELD. Prins August Wilhelm van Pruisen, die zooals bekend is bij een auto-ongeluk gewond werd en dientengevolge van het front moest terugkeeren, is nu weder zoover hersteld, dat hij dagelijks mag uitrijden. DE COMMANDANT VAN MAESEYCK. Een der plaatsen, vanwaar wij berichten krijgen uit België, is het plaatsje Maeseyck, vlak tegen onze Limburgsche grens. Onze foto geeft den Duitschen comm. Kol. von Rosen met zijn staf. DUITSCHE MUZIEK IN BELGIË. De Belgische straatjeugd luistert naar de muziek van de Duitsche muzikanten. VERBRANDINGSOVENS. In Oostenrijk zijn er verschillende verbrandingsovens gebouwd, waar de lijken worden verbrand, teneinde epidemiën te voorkomen. BARON BURIAN TE BERLIJN. De nieuwbenoemde Oostenrijksche minister van buitenlandsche zaken, Baron Burian (links op de foto), wandelt in de straten van Berlijn met den Oostenrijksch-Hongaarschen gezant.
PDF
Nummer
1915, nr.10, 3 feb. 1915
Blad
14
Tekst
panorama 78 „BRONOVO”TE 's-GRAVENHAGE MEVR. S. K. DE BRONOVO, le Directrice 1865—1887. en 4en Februari a.s. viert het Diakonessenhuis te s-Gravenhage zijn vijftig-jarig bestaan. Dit huis is algemeen bekend onder den naam Bronovo. Ieder Hagenaar, en ook velen buiten den Haag, kennen dezen naam; zonder allen te weten, wat die naam eigenlijk beteekent. In 1865 werd het Haagsche Diakonessenhuis opgericht op initiatief van enkele Dames, onder wie Mevr. Groen van Prinsterer en Jkvr. Quarles van Ufford. Zij vonden Mejuffrouw S. K. de Bronovo — later Mevrouw de Bronovo genoemd — bereid op te treden als Besturende Zuster. Vandaar de naam Bronovo. De DiakonessenInrichting heeft zich in de 50 jaren aanzienlijk uitgebreid. Haar arbeid beperkt zich niet alleen tot het Ziekenhuis en tot den Haag, maar strekt zich ook uit op ander terrein, als wijkverpleging, verzorging en verpleging van kinderen, op gestichten, enz., niet alleen in de stad zelf, maar ook in verschillende steden en dorpen van ons Vaderland. Het zijn „diakonessen’’, die den arbeid verrichten, d.w.z. zij beschouwen haar arbeid als eene taak, die God haar heeft opgedragen; zij begeeren God te dienen in zieken en ellendigen. Het werk werd begonnen HET DIACONESSENHUIS „BRONOVO” te ’s-GRAVENHAGE. in een huis in de Kazernestraat 28—30, met twee zusters. Thans wordt gearbeid in het groote huis aan de Laan van Meerdervoort, met pl.m. 105 zusters. Aan het hoofd staat als Besturende zuster Mevrouw de Bas-Beausar, als predikantdirecteur Ds. H. A. C. Snethlage. Huisdoktoren zijn Dr. H. M. Hijmans en Dr. D. H. van der Goot, deze laatste is bekend ook aan de lezers van Panorama door zijn arbeid te Maastricht en Bergen-op-Zoom, in de noodhospitalen. Bovendien brengen ook vele andere doktoren hunne zieken in ,,Bronovo”. Aan het Diakonessenhuis verbonden zijn een aantal huizen in de van Speykstraat 15-25, aan de Laan van Meerdervoort 13, 86-88, Groot Hertoginnelaan 4. Ook hier wordt gearbeid Ds. H. A. C. SNETHLAGE, Predikant-Directeur. door de Diakonessen, onder chronische patiënten. Bekend zijn de huizen ,,Bethesda”, v. Speykstraat 17-19, „Bethanië”, Laan van Meerdervoort 86-88 en „Vrede-Rust”, Groot Hertoginnelaan 4. In de 50 jaren, die achter ons liggen, is een belangrijk werk gedaan. Hoevelen zijn geholpen geworden, hoevelen genezen! Het loon voor dezen arbeid is de blijdschap te mogen arbeiden. Met verlangen ziet het Bestuur van „Bronovo’’ uit naar de uitvoering van zijn bouwplannen. Het tegenwoordige huis is nl. te klein geworden, uitbreiding is onmogelijk. Nu werden plannen ontworpen voor een terrein aan den Waalsdorperweg. Nu breekt de oorlog uit! Zullen die bouwplannen nu moeten wachten? Moge het Gouden feest van het Diakonessenhuis, naast vele goede dingen, ook brengen de belofte van eene spoedige verwezenlijking dier zeer noodige uitbreiding. Het Huis heeft altijd veel steun ontvangen, en heeft dien voortdurend noodig, want zooals vanzelf spreekt: winsten worden niet gemaakt, een groot stuk van het werk is geheel of gedeeltelijk liefdadigheidswerk. — Vanwege de tijdsomstandigheden wordt het Gouden Feest van het Diakonessenhuis op zeer eenvoudige wijze gevierd. 8^ HET EINDE Schets, door P. van der Lelie Oö= =DO Annie.” — „Dag Hans.” „-AXd- Vluchtig gaven zij elkaar een hand. Toen stak zij haar handen in de zakken van haar slecht zittend manteltje, terwijl hij de zijne in de groote zakken van zijn modernen najaarsulster liet glijden. Een poosje liepen zij zoo zwijgend voort op den weg, die aan weerszijden met wintersche boomen getooid was. Op hun Zondags gekleede stadsmenschjes gingen hen pratend en lachend voorbij. Zij sloegen echter geen acht op hen. Plotseling bleven zij bijna gelijktijdig stilstaan. Voor 't eerst keken ze elkaar in de oogen. „Annie,” begon hij onzeker,,,je vroeg mij hier te komen.... waarom juist hier ? Ik moest bijna een half uur ervoor loopen 1” Haar smal, bleek gezicht kleurde met een vluchtig rood. „Omdat.... ik dacht.... heb je dan al den tijd van vroeger vergeten ? Toen hebben wij hier zooveel gelukkige uren doorgebracht.” Zij haperde en sloeg haar oogen neer. „Wij hebben elkaar in geen tijd gezien, Hans, acht maanden en elf dagen, ik heb het precies geteld — en ik heb iederen dag aan je gedacht, niet iederen dag, maar ieder uur, elke minuut minstens één keer, Hans; ’s nachts heb ik van je gedroomd, ik heb geweend om je en voor je gebeden: de gedachte aan jou was in moeilijke uren mijn eenige troost.... wanneer men zoo geheel alleen is op de wereld, Hans. Ik wist het, je was toen weg .... ik wist niet, of je nog van mij hield ... en dien vreeselijken brief, o, dien heb ik nooit kunnen vergeten Toen ben ik lang ziek geweest.........eenige dagen geleden hoorde ik toevallig dat je weer hier was .... ik moest, moest je zien Hans. O, Hans, wat heb ik geleden !” Zijn gezicht was ernstig geworden terwijl ze sprak, zijn oogen staarden : voor hen de vlakke velden, naast hen het beekje met aan weerszijden van den weg de boomen. — Hij knikte. „Ja, Annie, ik heb je uit het oog verloren. Dat gaat nu eenmaal zoo. Ik was weg — heb mijn examen gedaan — en bovendien, je weet het — ik kon niet anders schrijven in dien brief. Ik dacht dat ik je vóór alles openhartigheid schuldig was. Sedert toen heb ik niets meer gehoord dan gisteren. — Hoe maak je het, Annie ?” Wat klonk zijn stem koud. Zij voelde dat zijn blikken over haar gezicht, haar gestalte, haar kleeding gleden. Dat ontroofde haar allen bijeenverzamelden moed. Tranen welden in haar oogen. „Toe nu, alsjeblieft niet sentimenteel, Annie, wat ik je bidden mag. Denk je, dat het voor mij zoo pleizierig is? Je weet, dat ik je liefheb, dat het mij moeite gekost heeft, en nog kost, om van je te scheiden. Maar ik kan toch niet anders? Wanneer ik het niet doe, dan dreigen zij mij thuis met me van studie af te nemen. En wat danl — Armoe lijden? Dat nooit, daar ben ik niet voor groot gebracht en. . .. dat kan ik nu eenmaal niet. . . .” „Hans,” klonk het toonloos en stootend, ik moest... .ik dacht.........Als je wist hoeveel ik van je houd, Hans!” Zij was met gevouwen handen dicht voor hem komen staan en keek met bezielde oogen in de zijne. Zijn gezicht was bleek geworden. Hij knoopte zijn kraag los, alsof het hem te benauwd werd, maakte ze dan weer vast. „Annie, ’t is niet mogelijk, heusch niet. Je sprak in je brief ook van liefde; dat was voldoende om elkaar gelukkig te maken, schreef je. Maar geloof je dan heusch dat onze toekomst zoo rooskleurig zou zijn, als ik bij je bleef en zij thuis hun plan doorzetten en mij van studie afnemen? Wat moet ik dan beginnen 1 Geld om in dezelfde kringen te blijven komen als nu, heb ik dan ook niet, en gesteld dat ik door middel van lesgeven mijn doel bereiken kon en ik later toch den meesterstitel voor mijn naam mag zetten, wat dan? De positie van een jongen jurist is toch al zoo bekrompen, dat men moeite heeft zijn stand op te houden. Daarenboven, ik heb mijn maatschappelijke verplichtingen, ik wil carrière maken. Ook wil ik niet de verantwoording op mij nemen om later samen armoe te lijden, en ik kan toch met mijn familie ook niet breken. Je zult zelf voelen, dat ik mijn toekomst niet mag vergooien. Ik weet dat het hard is en dat mijn vader de zaken verkeerd inziet, maar wat kan ik daaraan doen ? Ik vertel dit alles openhartig, evenals ik het je schreef, omdat ik weet dat je een verstandig meisje bent, en je mij begrijpen zult. Tracht mij te vergeten, ik doe er mijn best voor om het jou te doen, en later zul je inzien dat het het beste was zoo. Houdt mij niet voor harteloos, ik wil alles voor je doen, alleen dit eene niet: mijn toekomst vaarwel zeggen en met mijn familie breken. Hij zweeg. — Een paar maal was het alsof zij wilde antwoorden, maar zij vond er geen kracht toe. Haar beide handen, waarmee zij meermalen haar haren langs haarslapen had weggestreken, hingen nu slap langs haar lichaam.Haar vochtige
PDF
Nummer
1915, nr.10, 3 feb. 1915
Blad
15
Tekst
79 oogen staarden hem voorbij, over het riviertje, het donkere verschiet in. Een lang stilzwijgen schoof zich tusschen hen als een onzichtbare scheidsmuur. Met de beste voornemens was zij hierheen gegaan, om hem te zeggen hoe lief zij hem had en wat haar leven zou wezen zonder hem. Wat had zij zichzelf beloofd van dit samenzijn onder vier oogen, hier ot aeze plek, waar zij beiden zooveel gelukkige uren hadden doorgebracht! Nu eerst besefte zij hoe haar hoop ijdel geweest was. Wat had deze hoop haar dikwijls getroost in de lange nachten, als zij niet slapen kon, en dacht aan hem, dien zij liefhad. En nu ? Wat hij daareven gezegd had was slechts een herhaling van hetgeen hij haar geschreven had in dien brief — minder koud dan de doode letters en meer verzoenend door den vorm waarin hij het mededeelde. Maar anders ? Het was alles zoo duidelijk, zoo duidelijk; hoe had zij nog een andere oplossing kunnen verwachten. Nu voelde zij het zoo : hij had haar niet lief, hij voelde niets voor haar. En plots kwam zij zichzelf voor als een bedelares, die een voorbijganger om een aalmoes vraagt, om een offer, dat hij nooit brengen kan, omdat hij een vreemde is. Want dat was hij nu voor haar : een vreemde. En toch, zij had genoeg kunnen antwoorden, heel veel; maar zij wilde niet, zij kon niet; het was haar alsof iets heel moois en liefs haar ontnomen was. Zij voelde haar leden loodzwaar worden; een koortsachtig rillen deed haar lichaam bewegen... Voor haar betraande oogen loste zich de omgeving op ... . de vlakte, de boomen, het riviertje met staag rollende golfjes. . . . Verkleurde beelden uit het verleden kwamen haar voor den geest.... Ze was altijd een stil meisje geweest, schuwen trotsch, vol van sprookjes, heimwee.... Haar ouders waren vroeg gestorven en haar leven was van toen af zoo hard, zoo ruw geworden, zoo’n schrille tegenstelling met wat zij zich ervan had gedroomd. Toen was hij gekomen. Zij had hem dadelijk lief gekregen. Zonder te vragen waarom en waartoe. Hij was zoo goed en zoo verstandig. En zij was dronken geweest van geluk, had tegelijk gelachen en geweend. Zij had wel alles voor hem willen doen — het leek wel een roman toen.... En dit was het einde ? Wat nu ? — Zij kon toch niet levenslang ongelukkig worden voor een paar dagen zonneschijn ? Had zij maar vroeger ingezien, dat hij, de rijke student, geen partij voor haar was. Maar haar Bevende meisjesziel wist niet van stand. Een vogel vloog met luiden schreeuw over hun hoofd. Dat bracht haar tot de werkelijkheid. Het einde — het einde — was dat nu werkelijk het einde — werkelijk ? Zij trachtte te slikken — heete tranen welden in haar oogen. Een zeldzame bitterheid vervulde haar hart — een bitterheid tegen de wereld, met zijn sociale verhoudingen, tegen zichzelf, tegen hem, dat hij haar zoo bedrogen had. — Het deed haar pijn toen zij zijn stem hoorde, die zelfde stem, waar zij eens heel haar geluk in vond. „Spreek, Annie,” vroeg hij, „ben je boos op me?” Hij boog om haar gezicht te zien. „Neen”, zei zij zoo zacht, dat hij het nauwelijks hoorde. „Neen ...” hoe kwam dat over haar lippen ? „Nu dan, Annie, vaarwel. Wanneer je mij noodig hebt — ik blijf natuurlijk altijd je vriend. Tracht mij te vergeten.” DE IJSEL-CENTRALE TÉ ZWOLLE. Deze IJsel-centrale wordt de lichtbron voor West-Overijsel en voorloopig meer speciaal voor de steden Zwolle, Deventer en Zutphen. Het is een groot gebouw met een reusachtigen schoorsteen van 70 Meter hoog. Inwendig is het verdeeld in ketelhuis, ruimte voor hoog- en laagspanning, vertrekken voor personeel, werkplaats, diverse wasch- en pomplokalen en magazijn. Midden Februari zal met stroomlevering worden begonnen. D. VAN Bosset H. F. V. rosmalen! c.titseler! Op 68-jarigen leeftijd is te Amsterdam overleden de heer D. VAN BOSSE, een man, die in het openbare leven dier stad tal van belangrijke functies bekleedde. De overledene was ridder in de orde van den Ned. Leeuw en de Oranje-Nassau-orde. — Te ’s-Gravenhage is op 79-jarigen leeftijd overleden de heer H. F. v. ROSMALEN, oud-directeur van het Burgerweeshuis aldaar. — De politie-agent C. TITSELER, die Zondagavond op de Kattenburgerbrug een messteek kreeg en een kwartier daarna overleed. Hij greep naar haar hand, die zij hem willoos vatten liet. Hij maakte een beweging, alsof hij nog iets zeggen wilde — toen nam hij zijn hoed af, zoo diep en hoffelijk als de wereld het voorschrijft.... Haastig ging hij weg. Na enkele passen zag hij om. Zij stond stil voor zich te staren. Bij den bocht van den weg zag hij opnieuw om; nog stond zij op de zelfde plek. Zij zal toch niet — neen, daartoe was zij te verstandig 1 — Goddank dat het voorbij was. Hoe was zij veranderd; wat was zij mager geworden — weer zag hij werktuigelijk achter zich, ofschoon hij wist dat hij haar niet meer zien kon .... * * * Het was Mei. Aan den arm van Hans liep, het lief gezichtje stralend van geluk, een in vereering tot hem opziend meisje — zijn verloofde. Ze gingen denzelfden weg dien hij met Annie zoo dikwijls gegaan was. Hij had hem willen vermijden, dien weg waaraan zooveel treurige herinneringen verbonden waren; maar als tegen zijn wil, als werd hij ertoe gedwongen ondanks zichzelf, gingen zijn voeten het welbekende pad. Telkens nam hij zich voor terug te keeren, terug eer hij de plek bereikte waar hij voor altijd van Annie afscheid genomen had — maar zijn voeten gingen ____ Onweerstaanbaar trok de noodlottige plaats van hun lang geleden liefde hem aan. En nu stonden ze daar, waar hij Annie voor het laatst gezien had; weer zag hij dat doodsbleeke gezicht, die vertwijfelde oogen, de tot schreien vertrokken mond .... Het meisje naast hem, dat zoo argeloos was en zoo gelukkig, voelde zijn arm trillen in de hare. Snel zag ze tot hem op, schrikkend van zijn plotseling stilstaan, van den angst in zijn starenden blik.... „Hans 1” — ze gilde het bijna uit, niet begrijpend hoe zoo opeens de uitdrukking van zijn gezicht als in een hevige smart verstarde. Hij beheerschte zich, dwong zijn jagende gedachten tot rust. Het was immers niets geweest, een kleine roman, en die geëindigd was, voor goed.... Ach, ook Annie zou het nu wel vergeten zijn, en opnieuw gelukkig worden — als hijzelf. Het meisje had de armen om hem heengeslagen, zag hem aan, smeekend. „Het is niets,” zei hij dof; „ik dacht aan... vroeger . . . .” Ze drong zich vaster tegen hem aan, antwoordde: „ik begrijp je; ik wist het. . . Mij zal je nooit verlaten, niet waar ?” Als een angstkreet klonk haar stem. „Wij zullen samen gelukkig zijn, altijd, altijd . . ..” boog zich tot haar over, kuste haar PANORAMA Hij wang. „Ja, liefste, altijd ....!” Maar hij gevoelde hoe koud zijn kus was, hoe ver zijn stem klonk, als uit ’t verleden. En nu eerst wist hij dat hij een misdaad had gedaan. Hoe de pontonniers zijn ingedeeld. Hun tijdelijk kwartier. Nederlandsche Pontonniers Aan den maaltijd in het tijdelijke scheepsverblijf EEN KRANIG STUK WERK. Een schipbrug van 170 M. lengte geslagen over de rivier de Linge. De slaapplaatsen in een rivierschip op de rivier de Linge.
PDF
Nummer
1915, nr.10, 3 feb. 1915
Blad
16
Tekst
PANORAMA 80 HOE MAAK IK ZELF EEN BOEKENKASTJE? TER INLEIDING. Fig. I. Het kastje, zooals het er gereed uitziet. E r zijn geen zotte ambachten — er zijn slechts zotte menschen” heeft eens een dier geestige Franschen opgemerkt, die men vaak aanhaalt en wier naam men vergeet. Deze zegswijze varieerend zou men ook wel mogen opmerken, dat niets onbenullig is en dat er slechts onbenullige lieden bestaan. Niets is gemakkelijker dan met hoogmoedige minachting neer te zien op menschen die hun vrije oogenblikken laat ons wat water in onzen wijn mengen en zeggen sommige hunner vrije oogenblikken aanvullen met... knutselen. Ik heb het vreesdij k woord uitgesproken : knutselen. De man die met Nietzsche naar bed gaat en met prof. Curie opstaat, en tusschentijds het zonnestelsel bestudeert, een hevigknap standaardwerk schrijft over „De monogamie onder de Azteken” of een anderen inspannenden, ongetwijfeld zeer belangrijken en nuttigen arbeid verricht, kan er zich, zijn eigen gedachten-sfeer tot maatstaf nemend, niet dan met moeite indenken, hoe „een met rede begaafd wezen” een uur kan „zoekbrengen” — aldus bestempelen deze geestes heroeën meestal ons onschuldig maar goed, maar opvoedend tijdverdrijf — ons knutselen. Knutselen is voor dezen het toppunt van gebeuzel. Ziet, men kan alles óverdrijven. Een jongeling die zijn knutselwerk laat ontaarden in het be-hakken en behouwen van kostelijk meubilair in de woning zijner ouders is te misprijzen, evenals degeen die het etensuur verzuimt, omdat hij volstrekt nog iets moet afmaken, die met bevlekte handen en in diepen rouw gedompelde nagels pleegt rond te gaan onder zijne medemenschen en die — en dit is ernstiger — geestelijk tijdverdrijf verwaarloost door zijn hartstocht voor wat nóóit anders dan wat de Engelschen noemen a hobby mag zijn. Maar niemand zal mij de overtuiging kunnen ontrooven, dat het volstrèkt geen schande is, als iemand zélf een duiventil, zélf een hondenhok, zélf een kippenren, of, om wat bescheidener te zijn, een boekenrekje, een voetenbankje, een brievendoos, een sigarenkastje kan vervaardigen. En daar ik voorts overtuigd ben, dat zeer vele lezers van deze periodiek het in den grond met mij eens zijn, zoo willen wij de bedillers, beis esprits en hopeloosonhandigen in een hoekje laten, en met frisschen moed beginnen aan een reeks aardige werkjes, die we met zeer weinig kosten, niet te kostbare tijd-besteding en wat „natuurlijken aanleg” kunnen tot stand brengen. Ik sprak daar van geringe kosten. Dat zijn ze — mits men die rekene van het tijdstip af waarop men de rekening zijner gereedschappen goed en wel in zijn zak heeft 1 Want die moeten volstrekt van prima kwaliteit, en kunnen reeds daarom niet zoo goedkoop zijn. Aan speelgoed heeft men minder dan niets — minder, omdat men er een gallig humeur van krijgt, en vaak voor goed een afkeer van alles wat naar eigen-werk zweemt. Voor het werkje, dat wij het eerst onder handen nemen hebt gij noodig : 1. Een handzaag (’t best met gesloten hecht) / 1.20—/ 1.50 2. Een stalen of houten schrijfhaak ƒ 0.50—/ 1.— 3. Een timmerhamer 4. Een schroevendraaier 5. Een rasp of zware vijl 6. Een slöjd-mes 7. Een lijmpot met -ketel 8. Een maatstok 9. Een figuurzaag 10. Wat fretboortjes v. versch. / 0.35—ƒ 0.50 / 0.05—/ 0.25 / 0.20—ƒ 0.35 / 0.20—/ 0.40 ƒ0.50—/ 1.— / 0.20—/ 0.50 /0.30—/ 1.— grootte / 0.25—/ 0.75 Voor ƒ3.80 minimum hebt ge dus uw geheele uitrusting compleet. Later kunt ge er een nijptang, verstekhaak. zaagtafeltje, lijmhaken, een booromslag, passer, wetsteentje, steekbeitels en gudsen, benevens eenige scharen bij koopen. Nu dien ik u mede te deelen, dat ik sedert jaren op de bekende W. B„ uitgave van de „Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur” geabonneerd ben. De boekjes, alle van één formaat, groeiden tot een paar honderd aan, en ik wist er op het laatst geen weg meer mee. Nu bood de maatschappij wel is waar z. g. stapelkastjes aan ter bewa ring der bibliotheek, maar die waren peperduur. Na kort beraad besloot ik dan ook, zelf een boekenkastje voor mijn W. B. te maken, maar van zóódanige afmetingen, dat er ook grootere boeken in konden. Mijn opname van het kastje toont u, dat het er lang niet zoo kwaad uitziet. Ik heb het nu zes jaren, en hoop er nog lang pleizier van te hebben. Brengt de glans van het hout u soms op het denkbeeld, dat het van mahoniehout vervaardigd is ? Keert dan van deze dwaling terug, want ik gebruikte eenvoudig sigarenkistjeshout van verschillende dikte, paneelsgewijs gelijmd op ordinair wit timmerhout (peppel- of lindenhout) ! Zie hier hoe gij te werk gaat om een dergelijk kastje welks maten natuurlijk geheel aan uwe fantaisie worden overgelaten, ofschoon ik, duidelijkheidshalve, die van mijn eigen werkje nauwkeurig opgeef — binnen weinige uren te vervaardigen. De timmerman of houthandelaar levert u de benoodigde planken voor zeer weinig geld. Gij hebt noodig z. g. halfduimshout. dat iets meer dan 12 mM. dik is, en 18 cM. breed, en dat gemeenlijk in planken van zes a acht Meter lengte wordt verkocht. De prijs is pl.m. 20 cent per drie voet (1 Meter of daaromtrent). Gij behoeft 8 Meter en aan hout kost dus het kastje u / 1.60 zoowat. Daar er altijd wat ruim gemeten wordt, begint gij nu, vijf van de acht stukken precies op 1 meter lengte haaks af te zagen, waarbij de maatstok en de teekenhaak hun diensten moeten verrichten. Want bedenk vooral dit: dat haakschheid het beginsel van alle knutselwijsheid is. Gij zult hieruit ongetwijfeld reeds hebben afgeleid, dat het kastje 1 meter hoog is. Inderdaad. En daar de 3 resteerende stukken precies doormidden worden gezaagd en als bodem, 3 middenplanken en dekplank van het kastje dienen, hebt ge reeds begrepen dat zijn breedte ruim 50 cM. bedraagt. Nu vertoonen uw plankjes aan de ééne zijde een groef, aan de andere een richel. Het doel behoeft geen omschrijving : zij dienen om in elkaar geschoven te worden en aldus de samenvoeging der planken (voor dakbedekkingen b. v.) vollediger te maken. Drie der 1 Meter-plankjes nu dienen als achterwand, één plankje dient voor ieder der zijwanden. Van deze plankjes verwijdert ge voorzichtig (want door ruw snijden met een scherp mes splintert dit zachte, goedkoope hout onverbiddellijk!) de richel, maar de groeve van de drie boekenplankjes (die vooraan het kastje komen) laat ge zitten ; die worden later „geincrusteerd” met reepjes sigaren-kisthout van donkeren tint, wat een alleraardigst effect maakt. De boekjes van de W. B. zijn 18 cM. hoog, en daarboven liet ik ongeveer 1 cM. speling, voor het gemakkelijk uitnemen. De onderzijde van de onderste plank komt 8 cM. van den vloer af. Een eenvoudige berekening leert u dat er dus boven de dekplank nog ongeveer 8 a 10 cM. ruimte overblijft, die gij benut door er een aardig plantje-in-potje, twee Japansche of Delftsche vaasjes, of een klokje op te zetten. Nu nemen wé eerst de zijplanken onderhanden. Wij hielden een halven meter hout over. Daarvan zaagt ge vier reepen van iets minder dan l1 ? cM. breedte, en deze reepen weer in tien latjes van 15 cM. lengte ; zij zullen u dienen als steunlatjes voor de 5 plankjes, waarvan er 4 boeken torschen. Deze latjes nu bevestigt ge door middel van houtschroeven, drie voor ieder latje, aan de binnenzijde der zijwanden, op gelijke afstanden, na ze eerst aan één uiteinde te hebben afgerond, eerst ruw met de zaag, daarna met de vijl (Zie de foto, fig. I). Daar de planken ongeveer 18 cM. breed zijn, houdt ge van het stuk, dat u de steunlatjes leverde, nog 12 cM. over. Zaag dit stuk in de lengte doormidden, waardoor ge tvzee latten van 6 cM. breedte en 50 cM. lengte krijgt, en gebruik die, om den achterwand van het kastje te verstevigen door ze dwars over de drie ineengeschoven plankjes door middel van houtschroeven te bevestigen, een boven, een onderaan. Nu zaagt ge met uw figuurzaag (een sterk zaagje er in !) uit ieder zijplankje aan den onderkant een halven cirkel met een middellijn van ongeveer 10 cM. waardoor als het ware twee pootjes worden gevormd (Zie fig. II). De boven voorkant wordt sterk afgerond (Zie fig. I en III). Timmerhout van deze dikte is nog juist met de figuurzaag te bewerken. Maak vervolgens den achterwand stevig o p de zijwanden vast — om niet in herhalingen te vervallen : a 11 e bevestigingen geschieden door middel van houtschroeven, daar spijkers de vracht der boeken niet zouden torschen op den duur — daarbij zorgende om flink diep vóór te boren, daar anders het hout zou splijten, en'wel lange, maar Fig. II. De pootjes en de bekleeding met sigarenkisthout. geen dikke schroeven te gebruiken, en bevestig de bovenste en de onderste plank vast op de vier daartoe bestemde leggers. Dan heeft uw kastje reeds voldoende stevigheid, maar wilt ge „secuur gaan”, wel, schroef dan alle boekenplankjes op de leggers zoowel als aan den achterwand vast. dan is er ook wezenlijk geen verwrikken aan ! En nu komt het fijne werk het bekleeden. Daarvoor kunt ge alléén best sigarenkisthout gebruiken. Overtuig u echter goed. dat ge mooi gevlamd, hard, donkerkleurig hout krijgt, van verschillende tinten. Kistjes van 100 zijn het best, maar voor uw kastje moet ge er ook een paar van meer langwerpig formaat hebben. Neem ze voorzichtig uit elkaar, dompel ze in goed heet water, en week er snel het papier af. Naspoelen onder de kraan, afdrogen, en schuin tegen een kamerwand te drogen zetten ; vooral niet vlak bij den kachel of in de zon. Om het half uur omkeeren. teneinde „trekken”, krombuigen te voorkomen. Fig. III. Aanbrengen en toepassing der sigarenkistplankjes. Neem nu zeer nauwkeurig alle buitenmaten van het kastje, en begin met de bovenste plank te bekleeden. (Zie hiervoor fig. III). Natuurlijk moeten alle sigarenkistplankjes die op één niveau komen, precies even dik zijn. Eventueele spijkergaatjes hinderen niet erg. daar die met het „in de was zetten” wel dichtgaan. Is er nu te weinig plaats voor zes plankjes naast elkaar, b. v. drie centimeter, dan moogt ge niet van één plankje die 3 cM. afsplijten, maar neemt van twéé plankjes 11/2cM. af, ter wille der symetrie. Wél ziet men de naden zoo goed als niet, zóó machinaal-nauwkeurig worden sigarenkistjes gemaakt, maar toch ... Ik sprak daar van „splijten”. En . . . vergat een werktuig in mijn lijstje, n.1. de ijzeren of stalen liniaal. Hebt ge „langshout” te bewerken, d. w. z. volgens den vezel, die steeds in de lengte van den boom en dus van de plank- (jes) loopt, vermors dan geen tijd met zagen, maar leg het plankje op een onderlaag van hard hout of zink, en splijt het, door uw slöjdmes (het best van haak-vormig model, en zéér scherp te houden) eerst met zachten druk langs de stalen liniaal door het plankje te halen. Voor&l niet dadelijk dóór drukken, want dan vernielt ge uw materiaal zonder mankeeren. Blijken de plankjes te lang, dan zaagt ge het overtollige er af. Voor de krommingen bezigt ge reepen uit den bodem van de zooeven genoemde lange kistjes, precies zoo breed als de wanden van uw kastje dik zijn. Maak de kanten volstrekt glad en recht, door de latjes behoedzaam over een vel uitgespannen, fijn schuurlinnen op en neer te halen. Om ze de noodige kromming te geven, houdt ge ze in den stoom van een ketel kokend water. Ge kunt ze dan desnoods tot hoepeltjes buigen. Daar die latjes tusschen de andere plankjes komen, moeten deze zooveel over het onderhout uitsteken, als de latjes dik zijn, reken daar vooral mede ! Op de zijwanden komen, van boven afgerekend : 2 dwarsplankjes, 3 plankjes in de lengte (paneelsgewijs, door het middelste uit den bodem van een kistje en de twee andere van den zijkant te nemen) 1 dwarsplankje, weer 3 in de lengte, weer 2 dwars, waarvan het onderste natuurlijk dezelfde half-cirkelvormige inkeping krijgt als het witte onderhout. De rest blijkt, dunkt mij, ten duidelijkste uit teekening en foto. Gij kunt de plankjes bevestigen öf met fijne koperen nageltjes, zoo weinig mogelijk, öf met houtlijm, wat véél netter staat voor een dergelijk „fraai meubel”. Over het gebruik daarvan nog enkele woorden : neem de beste lijm die te krijgen is, want zeer veel hangt er van af; laat die 24 uur in koud water staan, doe nog wat water bij de aldus week aanvoelende lijm en verwarm ze boven een matig vuur. Nóóit mag houtlijm koken. Houdt ze onder het werken warm door het lijmpotje in een grooteren pot heet water te hangen. Laat nimmer een lijmkwast in de lijm staan, want dan zijt ge lijm en kwast bijna zeker kwijt! Gebruik de lijm heet en strijk ze vlug uit. Ten slotte: sigarenkisthout gaat prachtig glanzen als het wordt gewreven met een zacht, afgerond stuk hout. Ook kan men het uitstekend wassen met meubelwas. En hebt ge nu nog vragen : niets zal den „knutselredacteur” liever zijn, dan ze te beantwoorden. Een briefkaartje aan de redactie aan hem gericht, en ge zijt klaar ! HOBBY. Nu ik mijn opstel nog eens kritisch bekijk, bekruipt mij de schrik, dat ik wellicht voor een begin ietwat hoog gegrepen heb. Welaan, zoo zij ons volgend praatje gewijd aan degenen, voor wie hout, hamer en lijmpot thans voorwerpen zijn, in een waas van geheimzinnige bekoring gehuld! Moge ik dezen tot leider strekken op het pad, voerend naar het ideaal: zelf een bruikbaar ding te maken dat tevens „a thing of beauty and a jou for ever” kan zijn! EEN KWAJONGEN IN AMERIKA. — Den abonné’s die ons romanbijvoegsel „Een kwajongen in Amerika” in het vorig nummer niet ontvingen, bieden wij het hierbij aan. NEDERL. ROTOGRAVURE-MAATSCHAPPIJ, LEIDEN
PDF
Nummer
1915, nr.11, 5 feb. 1915
Blad
01
Tekst
No. 1111 (32a) S Februari 1915. VERSCHIJNT 2 MAAL PER WEEK. Afzonderlijke Nummers f 0.Ö75 UITGAVE A. W. SUTHGFF’S UITGEVERS=MAATSCHAPPU, LEIDEN - RED. EN ADM. DOEZASTRAAT 1, TEL. 1. ____________ <_______________________________ ._______________________________‘ ”______________ » De Franschen in het besneeuwde Argonne-woud. Het signaal „Verzamelen" wordt geblazen.
PDF
Blad 
 van 2380
Records 1341 tot 1345 van 11897