|
muziekgezelschap vormen. — Maar ik heb
een ander voorstel. Laten we twee uur per
dag bij elkaar komen, of nog langer, en
sokken, moffen en borstrokken of zoo breien
voor onze jongens, waar ieder oogenblik om
gevraagd wordt I Het gaat tegen den winter
en mij dunkt, dat het hun even aangenaam
zal zijn l” „Hè, het is interessanter om
wat voor de Belgische vluchtelingen te doen 1”
wierp Freddy tegen. „Dan komen we misschien
later nog in de een of andere Belgische
krant, maar als je je nu half dood
breit voor die soldaten .... en dan, laten
hun moeders, zusjes of meisjes daarvoor zorgen
! Ik vind ’t eigenlijk bespottelijk om je
zoo uit te sloven voor menschen die je nooit
zult zien waarschijnlijk 1”
„Je wordt naderhand toch maar wat graag
door hen verdedigd I” riep Minnie’s stem van
den overkant. „Ken jij die Belgen dan allemaal?
Ik zorg liever eerst voor mijn eigen
volk en dan voor vreemden 1” vond Olga,
terwijl ze Freddy met ’n ietwat strengen blik
mat. Tine blikte weer met een ondoorgrondelijk
gezicht voor zich.
„Wat dunkt jou, Tineke?” vroeg Olga, haar buurvrouw
een vriendschappelijk duwtje gevend.
Tine keek verstrooid op. „Ik zit eigenlijk aan wat anders
te denken,” antwoordde ze met een kleurtje van verlegenheid,
„’t blijft me maar zoo bij, dat ik iets vergeten heb 1”
De vergadering sommeerde haar met algemeene stemmen
tot aandacht voor het onderwerpelijke vraagstuk; dus zag
Tine zich genoodzaakt zich met hart en ziel in den strijd te
mengen en vroeg daartoe het woord.
„Nu kom ik met voorstel no. 3. Genoeg capaciteiten om
een gezelschap te vermaken — hebben we niet en bovendien
is het onmogelijk met een kind op je schoot of op je arm
piano te spelen, te zingen, te fiedelen of te madolinen. Dat
plan is dus zoo goed als verworpen. Wat voorstel no. 2 aangaat
— ik vind het uitstekend — maar de meerderheid
spant zich liever niet in, vindt het niet interessant genoeg,
niet eervol genoeg, om werkelijk iets te presteeren I Laten
we dus onze jongens rondboemelen met bevroren handen,
tot ze aan de beurt zijn om te toonen dat ze voor ons hun
leven durven wagen. In dien tijd kunnen we nog menig
kopje thee drinken en het druk hebben met hun droefgeestigen
toestand te bespreken 1”
Lea stond met een hoogst-gepikeerd gezicht op en het
woord nemende, zei ze uit de hoogte :
„lk vind 4at je al heel onbetamelijk en ongemotiveerd
uit je slof schiet, Tinei Je weet toch heel goed, dat wij, als
dames van stand, werk moeten zoeken dat ons past 1
Een ensemble vormen is juist iets, waarvoor we ons niet
behoeven te schamen en waar we zelf ook wat aan hebben
— Freddy en Jeanne knikten goedkeurend — maar ik
bedank er ronduit voor om mijn oogen te bederven door
3 uur per dag op blauwe of roodekool-kleurige wol te turen I”
„Echte, zuivere vaderlandsliefde 1” spotte Minnie.
„Waar blijft nu je proletariërs-enthusiasme?” vroeg Olga.
Het werd even een wilde woordenstrijd. De heldhaftige
vrouwen, bereid om goed en bloed te offeren voor haar vaderland,
beschoten elkaar met scherper patronen dan in den
Europeeschen oorlog gebruikt worden. Dientje, die juist
weer binnen kwam, zette een gezicht als iemand die in 5
dagen geen eten gehad heeft en aan wien eindelijk een glas
ijswater gepresenteerd wordt. Toen schudde ze veelbeteekenend
haar hoofd en begon ten tweeden male de kopjes
te vullen. Dat bracht de gemoederen eenigszins tot bedaren;
Olga gaf een klinkenden slag met den hamer en verzochtTine
met plan no. 3 voor den dag te komen. Deze laatste was
door de woordenwisseling heelemaal in haar element gekomen.
Haar bruine oogen tintelden schelmsch, haar wangen
gloeiden.
„Nu dan”, zette ze haar afgebroken rede voort, „we zijn
het dus eigenlijk op één punt eens : we willen sensatie en
eer. Dat doel is te bereiken ! Lea heeft daareven in bedekte
termen te kennen gegeven, dat we er aardig uit zien :
welnu, als ze gelijk heeft, zal dat ons succes nog verhoogen,
want nu komt mijn plan — het beste wat we doen kunnen
is: ’s avonds in de meest-bezochte cafe’s te collecteeren
voor de vluchtelingen 1 Dat is op ’t oogenblik het meestErry
Cramer en Ed. Verkade in
SHAW’s MENSCHEN EN WAPENEN. (foto Couvée).
HOE NEDERLAND ZIJN HULPE GAF.
Ook te Raalte werd een groot aantal Belgischen vluchtelingen onderdak en voedsel gegeven.
Het St.-Bernardusgebouw was voor hun verblijf geheel in gereedheid gebracht, (foto Th. Oltmann.)
EEN CONFÉRENCE VAN Mma. DHAYRMOND
EN EEN NIEUW FRANSCH GEZELSCHAP.
W
e mogen ons dan ook in dezen oorlogstijd misschien misdeeld gevoelen,
materieel, geestelijk worden we vertroeteld. Wij eten noodbrood
en rooken nood-cigaretten, maar we hebben ’n Fransche opera en
krijgen er nu nog, dank zij het theaterbureau van den heer Bossart,
’nFransch tooneelaezelschap bij. De soldaten in de forten hooren méér van
Pisuisse, van Mr. Kamp, van Speenhoff, van ijverige zangers en zangeressen
in deze weinige maanden, dan de meesten misschien in hun geheefe leven
hebben te hooren gekregen, en waar de ontbering dreigt, troost de .Kunst.
Zei ik ai in ’n vorig artikeltje, dat „a quelque chose, malheur est bon”, wijl
ze ons bij Verkade mevrouw van der Horst had geschonken, uit België weer
huis-toe gekeerd, thans wordt datzelfde aardige theater de residentie van een
Fransch tooneelgezelschap, dat onder leiding van Madame A. Dhayrmond
zich voorstelt model-opvoeringen te geven van vele Fransche meesterwerken
op tooneelgebifed; begonnen wordt met „Fedora” van Victorien Sardou, welke
voorstelling ik hoop Dij te wonen, en deze zal worden gevolgd door „L’abbé
Constantin”, — ik doe maar ’n greep uit het repertoire! — „L’embuscade”,
„La flambée”, „La souris”, „Israël”, enfin, tal van stukken, gedeeltelijk uit de
vertaling door vroegere opvoeringen bekend, maar die natuurlijk in de eigen taal
gespeeld en op Fransche wijze gespeeld, aan charme daardoor winnen zullen.
Mevrouw Dhayrmond heeft ter introductie ’n lezing gehouden, en die
lezing heb ik biigewoond. En ik heb weer opnieuw de waarheid ondervonden,
van het wonderlijke feit, dat ’n charmante vrouw, al behandelde ze de rr eest
droge taalkwestie, — van die ellendig taaie dingen waarbij je op school
tegen de verveling jujubes zat te kauwen, — heel die droogte door d'r esprit in
de meest kleurige bloementuin kan veranderen. Als ze die geest eveneens laat
waren over de stukken, die onder hare leiding ten tooneele zullen worden gebracht,
dan twijfel ik tenminste aan het artistiek succes zeker niet. Helaas
bestaat er ook nog ’n ander, waartegen we in het intellectueele Holland nu
eenmaal zeer sceptisch gestemd zijn, maar daarvoor willen we met haar
het beste hopen’ Wat de lezing zelve betreft, — die werd gehouden in het theater van
Verkade, waar ook de voorstellingen zullen worden gegeven — zij was
prettig, onaeinoudend en levendig. Het was aan het publiek niet te bemerken
Uit de gewone sloomheid, waarmede wij Hollanders gewend zijn iedere nieuweling
te ontvangen, kwam het publiek niet. Voor charme zijn en blijven we nu
eenmaal in het openbaar ongevoelig, vinden dat ’n onbehoorlijk sentiment, verstoppen
dat, ofspreken er later als we onder ons zijn, kwaad over. Soms zeggen
we alléén: „wat ’n charmante vrouw!” terwijl we in de zaal als verstijfd,
wat hébété, het charme-wonder zitten aan te gapen. Vandaar dat Mevr. Dhayrmond
in de pauze met recht zeggen kon: Comme ils sont difficile a dégeler!....
Wat ook met ’t oog op de vrieskou buiten wèl klopte.
Het onderwerp: „L’art de la diction et de bien dire”, was anders ook wel
voor Hollanders op z’n plaats. We vernamen er mede uit dat wij niet de
eenigen zijn, die onze taal slordig spreken, al zullen weinig natie’s het van
ons kunnen winnen. Maar na de dictie van Mevr. Dhayrmond, kreeg je het
gevoel of je niets beter doen kan dan onmiddellijk je eigen uitspraak eens
te herzien, omdat je, na het hooren van de hare, je gevoelde als iemand, die in
een vuil pak, vol vlekken rondloopt, bij haar onberispelijk taalkleed vergeleken.
Terloops kregen we fraaie fragmenten te hooren uit verzen van Verlaine,
i
acques Normand en anderen. Hopen we voor haar en voor ons, dat het
leine tuiltje van haar kunnen, ons hjrir geboden, ’n goed staaltje moge blijken
van de bloemstukken, welke wij gJame gelooven, dat zij ons in haar voorstellingen
denkt te geven. TOM SCHILPEROORT.
MENSCHEN EN WAPENEN.
„DIE HAGHESPELERS” - GEORGE BERN. SHAW.
W
e kunnen ons begrijpen dat „Die Haghespelers”, die zich reeds eerder
lieten kennen als voortreffelijke vertolkers van Shaw’s werken, een stuk
als „Menschen en Wapenen”, thans niet in portefeuille wilden houden.
Daarvoor te het, ook al is het reeds vroeger geschreven, te actueel in dezen tijd,
nu we de onwillende getuigen zijn van een strijd, zooals nimmer een is gestreden.
— Het stuk doet ons op voortreffelijke wijze zien — zooals we dat van
Shaw gewend zijn — de innerlijke waarde van uiterlijken moed; de tegenstelling
tusschen den beroepssoldaat, die vecht omdat hij soldaat is, zonder
nevenbedoeling, en tusschen den soldaat die vecht om eer of roem te behalen.
Dat Shaw een dergelijk gegeven, met de hem eigen geest en sarcasme tot
iets heel bijzonders maakt, daarvan bezitten zijn vele bewonderaars de overtuiging.
moderne, het meest sensationeele l Eerst hebben
we dagenlang langs de wegen gestaan
om te zien hoe verhongerd en verarmd de
stumpers er uit zagen, we hebben gehuild
en geweeklaagd, zijn naar huis gegaan met
koude voeten en een gevoel alsof je in Artis
naar de wilde dieren had gekeken, hebben
vervolgens onze maag vol gegeten en zijn
lekker gaan slapen. Het gaf je immers niet
of ge aan al die ellende dacht? In Holland
voelden we ons gelukkig nog veilig, want
we hadden toch onze jongens op de grens?
Zoolang die daar slapen, in een tochtige
schuur, met koeien en varkens dikwijls tot
gezelschap, kunnen we gerust zijn! Onze
attentie mag dus voor de vluchtelingen zijn!
Hoe denken jullie over mijn plan ?”
Lea was weer heelemaal opgemonterd en
duwde van blijdschap Freddy in haar zij.
„Bravo II” riep de vergadering, toen Tine
weer ging zitten. Er werd nog even over en
weer gesproken, Jeanne vond het gewoonweg
„zalig”, maar, zei ze, als ze zich nu avond
aan avond afsloofden, moesten ze er zelf óók
wat van hebben, b.v. een klein soupeetje.
Nog nooit waren de leden der vergadering het zóó roerend
met elkaar eens geweest als nu. Minnie stelde dadelijk haar
eetkamer ter dispositie en nam op zich voor oesters te
zorgen . Het aanstaande souper werd in de puntjes besproken,
met meer nauwgezetheid dan het opofferende collecte-plan.
Maar toch, vóórdat de vergadering gesloten werd, dreef
het enthusiasme weer even boven. Tine was door ’t dolle
heen en plotseling op een stoel stappend en den hamer
zwaaiend, riep de moeder van twee spruiten :
„Leve België I leve de vluchtelingenJ leve onze collecte I
leve ons souper I 1”
„Is het je in je hóófd geslagen, Tine?” donderde plotseling
een basstem.
Tine sprong met een gilletje op den grond; de vergadering
der zes heldhaftige vrouwen zweeg beduusd, want in de
deur-opening stond Tine’s man, breed en zwaar in zijn
betresd uniform.
„Daar heb je het nou 1” zuchtte Tine, naar hem toegaande,
„ik heb den heeien middag geroepen dat ik iets vergeten had,
maar ik kon er niet opkomen 1 Arme vent, iK had zóó beloofd
je af te halen 1”
Maar Tine’s man liet zich niet vermurwen door haar
berouwvolle woordjes; hij groette de aanwezige schare
correct maar koel en zich tot zijn nu heelemaal bekoeld
vrouwtje wendend, zei hij kort:
„Vooruit, kleed je als je blieft dadelijk aan ! Ik ben eerst
thuis geweest, de kinderen schreeuwden huizen hoog, wat
ook niet te verwonderen is als hun moeder gilt als een suffragette.
Overigens : die collecte in cafe’s, waar je daareven
zoo vol van was, die kun je wel uit je hoofd zetten, hoorl
Mijn vrouw bedelen in cafe’s 1 1 1 Je kunt in huis genoeg
goed doen, ook voor de soldatei) of vluchtelingen; laat dat
buitensporige maar over aan ongetrouwde juffers, die geen
plichten ervoor verzaken en waar geen kinderen om een
schoone luier huilen I”
Tine pinkte een traantje weg, maar zei niets. De gedachte
aan haar weenende babies vervulde haar plotseling meer
dan alle vergaderingen ter wereld.
De andere heldhaftige vrouwen zwegen eveneens, een
beetje verslagen door de grommerige stem van den man in
zijn uniform, die als een woedende kater aan de deur stond
te blazen tegen zijn vrouw en haar vriendinnen.
En zoo geschiedde het dat de vergadering in alle stilte ontbonden
werd, dat er niet gecollecteerd, niet ge-ensembleerd
en niet gesoupeerd werd, dat Tine’s kinderen niet meer
huilden en Jeanne’s man niet op de baby behoefde te passen,
dat Lea geen dingen deed die onder haar stand Waren en de
overige drie tijd te-over hadden om deze geschiedenis te
archiveeren. Wat ze ook deden.
En Dientje lachte zich slap in de keuken en vertelde het
’s avonds aan haar vrijer, die óók vond dat ’t „een ruise mop”
was.
Mevrouw Beekman en Dirk Verbeek in
SHAW’s MENSCHEN EN WAPENEN. (foto Couvée)
|